← België

Arrest 185580 - Bedrijfsrevisoren - 31/07/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 31 juli 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.580 Rolnummer: A. 73751/IX-32 Zaak: Arrest 185580 - Bedrijfsrevisoren - 31/07/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-13 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.580 van 31 juli 2008 Beroepen - Bedrijfsrevisoren Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.580 van 31 juli 2008 in de zaak A. 73.751/IX-32. In zake : Piet H. VERMEEREN, die woonplaats kiest bij advocaat L. SCHUERMANS, kantoor houdende te TURNHOUT, de Merodelei 112 tegen : de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, thans de Commis- sie voor het Bank-, Financie- en Assurantiewezen (CBFA), die woonplaats kiest bij advocaten X. LEURQUIN, A. VERRIEST, T. VANDENPUT en vennoten, kantoor houdende te BRUSSEL, Tedescolaan 7. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Piet H. VERMEEREN op 27 maart 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 25 februari 1997 van de Commissie voor het Bank- en Financiewezen waarbij zijn erkenning als commissaris-revisor of revisor bij kredietinstellingen en beleggings- ondernemingen geweigerd wordt; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 19 februari 1998 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; IX-32-1/14 Gelet op de beschikking van 24 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad D. MOONS; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. JANSEN, die loco advocaat L. SCHUERMANS verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat P. DE MAEYER, die loco advocaten X. LEURQUIN, A. VERRIEST en T. VANDENPUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten. 1.1. Luidens artikel 52, eerste lid, van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen legt de Commissie voor het Bank- en Financiewezen (hierna: de CBF), na goedkeuring door de minister van Financiën en de minister van Economische Zaken, het reglement vast voor de erkenning van revisoren en revisorenvennootschappen. Het besluit van de CBF van 6 april 1993 over het erkennings- reglement voor revisoren en revisorenvennootschappen bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen (hierna: het erkenningsreglement) voert die bepaling uit. Artikel 1 van dit besluit, zoals van toepassing ten tijde van de bestreden beslissing, luidt als volgt: “Om door de Commissie voor het Bank- en Financiewezen te kunnen worden erkend om de functie van commissaris-revisor of revisor bij een kredietinstelling en een beleggingsonderneming uit te oefenen, moet men : 1/ ressorteren onder het recht van een Lid-staat van de Europese Gemeenschap; 2/ lid zijn van het Instituut der Bedrijfsrevisoren; 3/ gedurende ten minste vijf jaar een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend waarbij de kandidaat ervaring heeft opgedaan bij het organiseren en IX-32-2/14 uitvoeren van externe controleopdrachten in vennootschappen en hij bekwaam is om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen; 4/ zijn burgerlijke en politieke rechten genieten; 5/ niet veroordeeld zijn wegens misdrijven als bedoeld in artikel 19 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen en in artikel 61, tweede lid, 2/, litt.

  1. c)en
  2. q)van de wet van 6 april 1995 inzake de secundaire markten, het statuut van en het toezicht op de beleggingsondernemingen, de bemiddelaars en beleggingsadviseurs, tenzij eerherstel werd verkregen; 6/ niet failliet verklaard zijn, tenzij eerherstel werd verkregen; 7/ kunnen beschikken over een passende organisatie om deze functies bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen uit te oefenen. De Commissie voor het Bank- en Financiewezen bepaalt hoeveel revisoren maximaal kunnen worden erkend.” 1.2. In het Belgisch Staatsblad van 10 april 1993 wordt door de CBF een oproep gedaan tot de kandidaten om erkend te worden om een functie van commissaris-revisor of revisor bij een kredietinstelling uit te oefenen. 1.3. Verzoeker, erkend bedrijfsrevisor, stelt zich met een brief van 4 mei 1993 kandidaat. 1.4. Met een brief van 5 juli 1993 wordt verzoeker door de voorzitter van de CBF in kennis gesteld van de weigeringsbeslissing van 22 juni 1993 om hem te erkennen en van het ongunstig advies van de examencommissie waarop die beslissing steunt. Als reden van de weigering wordt gewezen op verzoekers gebrek aan ervaring inzake de audit van kredietinstellingen, waarbij een minimumervaring van drie jaar vooropgesteld werd. 1.5. Op 26 november 1996 beslist de CBF het maximum aantal revisoren dat kan worden erkend met tien te verhogen, met name van vierenveertig tot vierenvijftig. Dienvolgens verschijnt in het Belgisch Staatsblad van 27 november 1996 een nieuwe oproep tot de kandidaten om erkend te worden als commissaris-revisor of revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. 1.6. Met een brief van 17 december 1996 stelt verzoeker zijn kandidatuur. IX-32-3/14 In een bijgevoegd curriculum vermeldt hij onder meer dat hij in 1985 de eed afgelegd heeft als bedrijfsrevisor en sindsdien de functie van commissaris-revisor uitoefent, dat hij in 1987 erkend werd als commissaris bij verzekeringsondernemingen en private voorzorgsinstellingen, dat hij in de loop van 1989 als tijdelijk en uitzonderlijk medewerker van bankrevisoren opgetreden is en dat hij in 1993 erkend werd als revisor Ziekenfonds en Landsbonden van Ziekenfondsen. In een bijgevoegd memorandum schrijft hij, tot staving van zijn bekwaamheid om de opdracht van commissaris-revisor bij kredietinstellingen uit te oefenen, dat hem tussen 1989 en 1996 door een aantal bankrevisoren en commissarissen-revisoren de mogelijkheid geboden werd “op te treden als medewerker bij de permanente controle als medeverantwoordelijke van het controledossier”. 1.7. Op 17 januari 1997 beslist de commissie belast met het onderzoek van de kandidaatstellingen onder meer dat een eerste selectie van de kandidaten dient te geschieden op grond van de formele criteria vastgelegd in het erkenningsreglement, met name bedrijfsrevisor zijn, tenminste vijf jaar ervaring hebben in de organisatie en uitvoering van revisieopdrachten in vennootschappen en over een passende organisatie beschikken voor de uitoefening van die opdrachten bij een kredietinstelling en een beleggingsonderneming. Dienvolgens moet volgens de commissie worden nagegaan of de criteria inzake auditervaring bij kredietinstellingen en beursvennootschappen nageleefd zijn, waaronder het beschikken over een recente ervaring van drie jaar in de banksector. 1.8. Op 7 februari 1997 stelt de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen onder meer wat volgt : “Artikel 1 van het besluit van de Commissie voor het Bank- en Financie- wezen van 6 april 1993 over het erkenningsreglement voor revisoren en revisorenvennootschappen bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen heeft onder meer als erkenningscriterium vastgesteld : bekwaamheid om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen te vervullen. Om dit criterium toe te passen neemt de examencommissie zich voor, bij wijze van eerste selectie van kandidaten, elk memorandum te onderzoeken op de volgende aspecten, die de grondslag zullen vormen voor een onderlinge vergelijking van de kandidaten. Duur : de commissie zal rekening houden met de duur van de verworven ervaring, zonder zich evenwel vast te pinnen op een minimum aantal jaren; bovendien moet de ervaring recent zijn. IX-32-4/14 Diversificatie : deze ervaring zou verschillende kredietinstellingen met variabele omvang en werkzaamheden moeten bestrijken. Niveau : van de kandidaat wordt een hoog verantwoordelijkheidsniveau verlangd, liefst dat van opdrachtverantwoordelijke. Organisatie : de kandidaat zou moeten kunnen beschikken over een passende organisatie voor de uitoefening van zijn opdracht bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.” Vervolgens verleent die commissie unaniem een ongunstig advies met betrekking tot negentien kandidaten, waaronder verzoeker, omdat zij niet aan dit criterium voldoen en er geen aanleiding is om hen te horen. Inzake verzoekers kandidatuur wordt er gesteld: “Geen ervaring bij kredietinstellingen”. Met betrekking tot andere kandidaten wordt beslist hen eerst te horen en het advies in beraad te houden. 1.9. Op 20 februari 1997 overweegt de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen wat volgt : “1. Beoordeling van de bekwaamheid van de kandidaten 1/ In de eerste plaats [cf. art. 1, 3/ (eerste deel) van het reglement] wordt nagegaan of de kandidaat wel degelijk gedurende tenminste vijf jaar een beroepsbezigheid heeft uitgeoefend waardoor hij ervaring heeft opgedaan in de organisatie en de uitvoering van revisieopdrachten bij vennootschappen. Op basis van het onderzoek van de dossiers, heeft de examencommissie kunnen vaststellen dat alle kandidaten aan die vereisten voldeden. Bijgevolg is op grond hiervan geen enkele kandidaat uitgesloten. 2/ In verband met de bekwaamheid om op zelfstandige en competente wijze een opdracht te vervullen als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen [cf. art. 1, 3/ (tweede deel) van het reglement], is het nodig dat de kandidaat bij voorkeur op het vlak van de controle van kredietinstellingen beschikt over een ervaring die voldoende recent, gediversifieerd en qua duur relevant is, op een verantwoordelijkheidsniveau dat voldoende autonomie impliceert bij de besluitneming en de organisatie van zijn werk. 3/ Bovendien (cf. art. 1, 7/ van het reglement) moet de kandidaat kunnen beschikken over een passende organisatie voor de uitoefening van opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen van om het even welke omvang en in staat is daartoe voldoende beschikbaar te zijn. 2. Behandeling van de kandidaatstellingen 1/ Uit het onderzoek van de dossiers door de examencommissie blijkt dat, gelet op de sub 1, 1/ beschreven beoordelingscriteria, alle kandidaten aan die vereisten beantwoorden. 2/ Daarentegen voldoen negentien kandidaten niet aan de vereisten vermeld sub 1, 2/ en/of 1, 3/. Hier is de commissie van oordeel de betrokken kandidaat niet persoonlijk te moeten ontmoeten. 3/ Op basis van het onderzoek van de dossiers bleven nog twijfels bestaan voor bepaalde kandidaten in verband met de vraag of zij voldeden aan de criteria IX-32-5/14 vermeld sub 1, 2/ en/of 1, 3/; in andere gevallen bleken aanvullende verduidelijkingen noodzakelijk. In beide gevallen heeft de commissie de mogelijkheid benut om de kandidaten te horen, zoals geregeld door het erkenningsreglement. Uiteindelijk heeft de commissie 25 kandidaten gehoord. Achter hun naam staat in dat geval een sterretje in de lijst sub ‘3. Advies van de examen- commissie.’” Vervolgens verleent die commissie een gunstig advies met betrekking tot negen kandidaten en een ongunstig advies met betrekking tot vijfendertig kandidaten, waaronder verzoeker, en stelt zij, met als doel de kwaliteit van de erkende revisoren op peil te houden, dat het maximumaantal van tien erkenningen niet kon worden bereikt. 1.10. Op 25 februari 1997 volgt de CBF het advies van de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen en erkent zij negen kandidaten als commissaris-revisor of revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. De overige kandidaten worden niet erkend. Uit de notulen van de vergadering van de CBF blijkt dat bepaalde kandidaten, die geen auditervaring hadden in de banksector, toch door de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen zijn gehoord, omdat zij onmiskenbaar over goede persoonlijke kwaliteiten beschikten. 1.11. Met een brief van 4 maart 1997 wordt verzoeker door de voorzitter van de CBF in kennis gesteld van de weigering om hem te erkennen als commissaris-revisor of revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Die brief luidt onder meer als volgt : “De Commissie voor het Bank- en Financiewezen heeft tijdens haar vergadering van 26 november 1996 het aantal te erkennen revisoren in 1997 vastgelegd op 54 nl. 10 revisoren meer dan de huidige 44 erkende. De examencommissie diende dan ook een vergelijkend onderzoek te doen van de mate waarin de kandidaten voldoen aan de voorwaarden van het erkenningsreglement inzonderheid deze van artikel 1, 3/ van het reglement luidens welke bepaling de kandidaat ‘gedurende ten minste vijf jaar een beroepswerkzaamheid heeft uitgeoefend waarbij hij ervaring heeft opgedaan bij het organiseren en uitvoeren van externe controle-opdrachten in vennootschappen en hij bekwaam is om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen’ alsook van artikel 1, 7/ van het reglement dat bepaalt dat de kandidaat ‘moet kunnen beschikken over een IX-32-6/14 passende organisatie om de functies bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te kunnen uitoefenen’. Daartoe heeft de examencommissie bijzondere aandacht besteed aan de wijze waarop de kandidaten, die aan gestelde voorwaarde van vijf jaar voldoen, ervaring hebben opgedaan inzake audit van kredietinstellingen en beleggings- ondernemingen. Zij heeft rekening gehouden met de betekenisvolle duur en het recente karakter van deze ervaring, met de diversiteit ervan, met het niveau van verantwoordelijkheid waarop de ervaring werd opgedaan (als hoofdverant- woordelijke - rechtstreeks ten opzichte van de revisor-titularis - van het controledossier) en met de graad van autonomie inzake de organisatie van de auditwerkzaamheden en de hieruit te trekken conclusies. Verder heeft de examencommissie rekening gehouden met de organisatorische ondersteuning waarover de kandidaat kan beschikken om de opdrachten te vervullen evenals met diens persoonlijke beschikbaarheid. Na vergelijkend onderzoek van de kandidaten in het licht van het criterium van het erkenningsreglement met betrekking tot de ervaring van de audit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, heeft de examencommissie gemeend dat uw kandidatuur niet in nuttige volgorde in aanmerking komt en heeft zij de Commissie voor het Bank- en Financiewezen dan ook geadviseerd om u niet te erkennen. Gevolggevend aan dit advies heeft de Commissie voor het Bank- en Financiewezen, tijdens haar vergadering van 25 februari 1997, beslist u in het kader van de geopende procedure niet te erkennen om de functie van commissaris-revisor of revisor te kunnen uitoefenen bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen.” De grond van de zaak. 2. In een eerste middel voert verzoeker aan dat de CBF de haar toegewezen bevoegdheden overschreden heeft, doordat zij aan de door artikel 1 van het erkenningsreglement gestelde voorwaarden om erkend te kunnen worden als commissaris-revisor of revisor bij een kredietinstelling en een beleggingsonder- neming de bijkomende voorwaarde heeft toegevoegd van “opgedane ervaring inzake audit van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen”. Hij betoogt dat dit een striktere erkenningsvoorwaarde betreft en een eigen, intern criterium bij de beoordeling van de kandidaten, dat wettelijke grondslag mist. 3. De verwerende partij antwoordt dat zij geen nieuwe erkenningsvoorwaarde opgelegd heeft, maar slechts een beoordelingscriterium gehanteerd heeft dat zijn grondslag vindt in artikel 1, 3/, van het erkenningsreglement, waar dit bepaalt dat de kandidaat bekwaam moet zijn “om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen”. Zij benadrukt dat zij de bekwaamheid van de kandidaten in het licht van die bepaling dient te beoordelen. Wanneer meerdere kandidaten over vijf jaar ervaring als bedrijfsrevisor beschikken, IX-32-7/14 genieten de kandidaten die op een hoog verantwoordelijkheidsniveau een recente, afwisselende en betekenisvolle ervaring hebben opgedaan bij de controle van kredietinstellingen dan ook de voorkeur. 4. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat de overeenkomstig artikel 1, 3/, van het erkenningsreglement gestelde voorwaarde van bekwaamheid “om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen” de intrinsieke en subjectieve professionele bekwaamheid van de kandidaat betreft om een mandaat als revisor bij een kredietinstelling naar behoren te kunnen vervullen, waarbij het onderzoek van die bekwaamheid tot de discretionaire bevoegdheid behoort van de verwerende partij. Hij betoogt dat de verwerende partij op eigen initiatief haar discretionaire bevoegdheid vervangen heeft door een gebonden bevoegdheid, door voormelde bekwaamheidsvereiste te beoordelen aan de hand van een louter formeel en objectief criterium, met name de reeds opgedane ervaring in de hoedanigheid van revisor of van rechtstreeks medewerker van een revisor bij kredietinstellingen, waarbij een minimum van drie jaar vooropgesteld wordt. De minimum termijn van drie jaar blijkt uit een brief van de CBF van 5 juli 1993. Volgens verzoeker is een administratief college niet gerechtigd om de hem door de wetgever binnen het kader van een beoordelingsopdracht toegekende discretionaire bevoegdheid te vervangen door een gebonden bevoegdheid, in het bijzonder gezien het op die wijze ontsnapt aan de motiveringsplicht en zo het toezicht op de legitieme uitoefening van de oorspronkelijk door de wet voorziene discretionaire bevoegdheid onmogelijk maakt. Voorts somt verzoeker op omstandige wijze een aantal gegevens op waaruit zou moeten blijken dat hij beantwoordt aan de erkenningsvereisten. 5. In zijn laatste memorie stelt verzoeker dat de verwerende partij de overeenkomstig artikel 1, 3/, van het erkenningsbesluit gestelde bekwaamheidsvereiste niet louter mocht beoordelen op grond van de reeds verleende medewerking aan revisorale controles bij kredietinstellingen, maar dat zij hierbij de ervaring met kredietinstellingen vanuit elke mogelijke achtergrond in aanmerking moest nemen, zoals onder meer in het kader van de uitvoering van (gerechtelijke) expertises bij kredietinstellingen. Het door de verwerende partij gehanteerde beoordelingscriterium vindt volgens hem geen grondslag in voormeld artikel 1, 3/, waardoor zij haar beoordelingsbevoegdheid overschreden zou hebben. Voorts betoogt hij dat de bestreden beslissing niet op behoorlijke wijze gemotiveerd IX-32-8/14 is en inconsistent, doordat zij op het verslag van 7 februari 1997 van de examencommissie steunt, waarin ten onrechte gesteld wordt dat zijn ervaring bij kredietinstellingen onbestaande is, terwijl het tegendeel zou blijken uit zijn destijds ingediend curriculum vitae en memorandum en uit het verslag van 17 januari 1997 van de examencommissie. 6. Artikel 1, eerste lid, van het erkenningsreglement bevat een aantal voorwaarden waaraan moet worden voldaan om door de CBF te kunnen worden erkend als commissaris-revisor of revisor bij een kredietinstelling of een beleggingsonderneming. Het betreft louter feitelijke voorwaarden waarbij de CBF over geen appreciatiebevoegdheid beschikt, met name ressorteren onder het recht van een lidstaat van de Europese Gemeenschap, lid zijn van het Instituut der Bedrijfsrevisoren, gedurende minstens vijf jaar een beroepswerkzaamheid uitgeoefend hebben waarbij ervaring opgedaan werd bij het organiseren en uitvoeren van externe controleopdrachten in vennootschappen, burgerlijke en politieke rechten genieten, niet veroordeeld zijn wegens bepaalde misdrijven en niet failliet verklaard zijn, maar ook twee voorwaarden waarbij de CBF wel over een appreciatiemarge beschikt, met name bekwaam zijn om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen (artikel 1, eerste lid, 3/) en kunnen beschikken over een passende organisatie om deze functies bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen uit te oefenen (artikel 1, eerste lid, 7/). Luidens het tweede lid van dit artikel bepaalt de CBF hoeveel revisoren maximaal kunnen worden erkend. Bijgevolg beschikt de CBF over een ruime discretionaire bevoegdheid bij de erkenning van revisoren bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Verzoeker beweert ten onrechte dat de CBF een formele voorwaarde toegevoegd heeft aan de voorwaarden gesteld in voormeld artikel 1, eerste lid. Uit het administratief dossier blijkt dat de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen vooreerst naging of de kandidaten de formele voorwaarden overeenkomstig dit artikel vervulden, zoals onder meer gedurende vijf jaar een beroepswerkzaamheid uitgeoefend hebben waarbij ervaring werd opgedaan bij het organiseren en uitvoeren van externe controleopdrachten in vennootschappen. Op grond van die formele voorwaarden werd geen enkele kandidaat uitgesloten. Vervolgens werden alle kandidaturen onderzocht met betrekking tot de overige voorwaarden, waarbij de verwerende partij over een IX-32-9/14 zekere appreciatiemarge beschikt. Bij de beoordeling van de bekwaamheid om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen te vervullen, oefende de verwerende partij haar discretionaire bevoegdheid op die wijze uit dat zij koos voor het criterium van de ervaring op het vlak van revisie-opdrachten bij kredietinstellingen. Evenmin heeft de CBF haar beoordelingstaak onrechtmatig beperkt door een louter formeel criterium te hanteren. Weliswaar vermelden zowel de brief van 5 juli 1993 van de voorzitter van de CBF als het verslag van 17 januari 1997 van de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen de minimumtermijn van drie jaar auditervaring in de banksector. Daarna werd evenwel, blijkens de verslagen van 7 en 20 februari 1997 van de commissie voor het onderzoek van de kandidaatstellingen en blijkens de brief van 4 maart 1997 van de voorzitter van de CBF, uitdrukkelijk beslist om zich bij de beoordeling van voormelde bekwaamheidsvereiste niet vast te pinnen op een minimum aantal jaren auditervaring bij kredietinstellingen, maar wel rekening te houden met de betekenisvolle duur van die ervaring, met het tijdstip ervan, met de diversiteit van het werk, met het verantwoordelijkheidsniveau en met de organisatie van de werkzaamheden. Bijgevolg heeft de verwerende partij artikel 1 van het erkenningsreglement correct toegepast en vindt het door haar gehanteerde beoordelingscriterium van de ervaring inzake revisieopdrachten bij krediet- instellingen en beleggingsondernemingen wel degelijk zijn grondslag in artikel 1, eerste lid, 3/, van dit reglement. Het stond de verwerende partij vrij om in de uitoefening van haar appreciatiebevoegdheid ter zake enkel die specifieke ervaring in aanmerking te nemen en niet de ervaring met kredietinstellingen die op een andere wijze tot stand gekomen is, zoals in het kader van de uitvoering van (gerechtelijke) expertises bij kredietinstellingen. 7. Waar verzoeker in zijn laatste memorie een schending van de materiële motiveringsplicht aanvoert, dient vastgesteld te worden dat dit een nieuw middel betreft dat niet van openbare orde is en dat bijgevolg niet op ontvankelijke wijze voor het eerst kan worden aangevoerd in zijn laatste memorie. 8. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-32-10/14 9. In een tweede middel voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, doordat de CBF op arbitraire wijze de toegang tot de functie van erkend revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen voorbehoudt aan kandidaten die reeds actief zijn als revisor bij kredietinstellingen en beleggings- ondernemingen en dit terwijl krachtens artikel 1, 3/, van het erkenningsreglement alle kandidaten die gedurende minstens vijf jaar een beroepswerkzaamheid hebben uitgeoefend waarbij ervaring werd opgedaan bij het organiseren en uitvoeren van externe controleopdrachten in vennootschappen in aanmerking komen om erkend te worden als revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. 10. De verwerende partij antwoordt dat in de praktijk en gelet op het groot aantal kandidaten meestal het beoordelingscriterium gehanteerd wordt van reeds medewerking verleend te hebben aan erkende revisoren bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Zij stelt dat het gelijkheidsbeginsel niet geschonden is, vermits het gehanteerde criterium evenredig is met het beoogde doel, met name de kandidaten te erkennen die het meest bekwaam zijn om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen. 11. In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat het voorbehouden van de erkenningen aan kandidaten die reeds werkzaam zijn als revisor bij kredietinstellingen de facto de toegang tot het mandaat van erkend revisor bij kredietinstellingen ontzegt aan kandidaten die niet reeds als dusdanig werkzaam zijn. Hij is van mening dat de CBF zich schuldig maakt aan machtsoverschrijding, doordat zij haar eigen doelstelling, met name het voorbehouden van het revisoraat bij kredietinstellingen aan een beperkt korps van specialisten die reeds werkzaam zijn als revisor bij kredietinstellingen, bij de uitvoering van de haar toegewezen erkenningstaak nastreeft en zich aldus op het vlak van de politiek en van de wetgever begeeft. 12. In zijn laatste memorie voert verzoeker de schending aan van het gelijkheidsbeginsel, minstens van de artikelen 1, 3/, en 3, vierde lid, van het erkenningsreglement, doordat de verwerende partij hem niet heeft gehoord, maar andere kandidaten, die evenmin over auditervaring beschikten in de banksector, wel, omdat zij “onmiskenbaar goede persoonlijke kwaliteiten hadden”. Volgens verzoeker zou de verwerende partij op die wijze een verschillende behandeling hebben doorgevoerd op grond van een subjectief en arbitrair criterium. Voorts wijst IX-32-11/14 hij erop dat de examencommissie beslist heeft om vijfentwintig kandidaten te horen waarover nog twijfel bestond of zij voldeden aan de criteria gesteld in de artikelen 1, 2/, en 1, 3/, van het erkenningsreglement of waarvoor nog aanvullende verduidelijkingen noodzakelijk waren, terwijl er met betrekking tot hemzelf evenzeer twijfel bestond. 13. De grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet- discriminatie sluiten niet uit dat een verschil in behandeling tussen bepaalde categorieën van personen wordt ingesteld, voor zover dat verschil op een objectief criterium berust en het redelijk verantwoord is. Het bestaan van een dergelijke verantwoording moet worden beoordeeld rekening houdend met het doel en de gevolgen van de betwiste handeling en met de aard van de ter zake geldende beginselen; het gelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat geen redelijk verband van evenredigheid bestaat tussen de aangewende middelen en het beoogde doel. Artikel 1, eerste lid, 3/, van het erkenningsreglement bevat twee voorwaarden om erkend te kunnen worden als commissaris-revisor of revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen: minstens vijf jaar ervaring hebben inzake externe controle van vennootschappen en bekwaam zijn om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen. Verzoeker, die net als alle andere kandidaten aan de eerste voorwaarde voldeed, werd in tegenstelling tot negen andere kandidaten niet erkend, vermits hij niet voldeed aan de als tweede voorwaarde gestelde bekwaamheidsvereiste en dit als gevolg van de voorkeur van de verwerende partij voor kandidaten met auditervaring in de banksector. Ten gevolge van dit door de verwerende partij gehanteerde criterium van ervaring op het vlak van controle van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, ontstaat er dus een verschil in behandeling tussen die twee categorieën van personen. De vraag is of er voor dit verschil in behandeling een redelijke en objectieve verantwoording bestaat. Verzoeker stelt ten onrechte dat de erkenning voorbehouden wordt aan kandidaten die reeds actief zijn als revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen. Het door de verwerende partij gehanteerde criterium bij de beoordeling van de bekwaamheid van de kandidaten om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen, betreft elke ervaring op het vlak van IX-32-12/14 controle van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, zoals onder meer de medewerking verleend aan een erkend revisor bij kredietinstellingen. Verzoeker kan dan ook niet bijgevallen worden waar hij tegen de verwerende partij machtsoverschrijding aanvoert, doordat zij het revisoraat bij kredietinstellingen zou wensen voor te behouden aan een beperkt korps van specialisten die reeds werkzaam zijn als revisor bij kredietinstellingen. Verzoeker toont geenszins aan dat het door de verwerende partij gehanteerde criterium van ervaring op het vlak van controle van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen niet objectief zou zijn, geen wettig doel zou nastreven of onevenredig zou zijn met het beoogde doel, met name het erkennen van de kandidaten die het meest bekwaam zijn om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggings- ondernemingen te vervullen. Integendeel, uit artikel 55 van de wet van 22 maart 1993 op het statuut van en het toezicht op de kredietinstellingen blijkt de bijzondere rol van de erkende revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen als medewerker van de CBF bij de controle van kredietinstellingen, alsmede het financieel-technisch gehalte van zijn opdrachten en de specificiteit van de controle van kredietinstellingen, zoals onder meer de eerstelijnscontrole van de organisatie van kredietinstellingen, de controle van de periodieke staten en het op eigen initiatief verslag uitbrengen over beslissingen, feiten of ontwikkelingen die de positie van een kredietinstelling op betekenisvolle wijze kunnen beïnvloeden. Aldus bestaat er een redelijke verantwoording voor de keuze van de verwerende partij om de ervaring op het vlak van controle van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen in aanmerking te nemen met het oog op de erkenning van de kandidaten die het meest bekwaam zijn om onafhankelijk en op competente wijze opdrachten als commissaris-revisor bij kredietinstellingen en beleggingsondernemingen te vervullen. 14. De door verzoeker in zijn laatste memorie aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, minstens van de artikelen 1, 3/, en 3, vierde lid, van het erkenningsreglement betreft een nieuw middel dat niet van openbare orde is en dat bijgevolg niet op ontvankelijke wijze voor het eerst kan worden aangevoerd in de laatste memorie. 15. Het middel kan niet aangenomen worden. IX-32-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 31 juli 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-32-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.580 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.