id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.617 Rolnummer: A. 188140/IX-5917 Zaak: Arrest 185617 - Penitentiair recht - 05/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-26 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.617 van 5 augustus 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping heropening debatten Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.617 van 5 augustus 2008 in de zaak A. 188.140/IX-
- In zake : Ruben COPPENS, die woonplaats kiest bij advocaat J. MILLEN, kantoor houdende te HOESELT, Tongersesteenweg 4, bus 1 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Ruben COPPENS op 10 mei 2008 heeft ingediend om de schorsing en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 14 maart 2008 van de directeur van de gevangenis te Hasselt waarbij hem een tuchtsanctie van “zes maanden individueel regime” wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 16 mei 2008 waarbij aan de verzoeker het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 26 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 7 juli 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; IX-5917-1/8 Gehoord de opmerkingen van advocaat J. MILLEN, die verschijnt voor de verzoeker, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van adjunct-auditeur I. VOS, daartoe gemachtigd bij beslissing van de auditeur-generaal van 4 januari 2008; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Gegevens van de zaak 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker gedetineerd in de gevangenis te Hasselt. 1.
- Op 12 maart 2008 wordt vastgesteld dat de verzoeker in het bezit is van drugs. Naar aanleiding hiervan wordt een rapport aan de directeur opgesteld. Dit rapport luidt als volgt: “Vermoedelijk drugsbezit. Bij uitdeling van kantine kwam Ruben terug uit cel om een rol wc-papier te vragen. Bij het teruggaan naar cel merk ik ter hoogte van de douche een bolletje bruine substantie in plasticfolie op de grond. Ik vraag aan betrokkene of hij iets heeft laten vallen onderweg. Dat wist hij niet, zei hij. Ik toon hem dit bolletje en deze grijpt dit uit mijn hand en begint dit te kneden... Ik vraag hem wat dit is en of dit zijn eigendom is. Hierop zegt hij: ‘ja, da's van mij, dat is hash, het zou kunnen dat dat uit mijn kous is gevallen...’ Ik vraag hem of hij nog meer heeft en Coppens begint in zijn kousen te voelen. ‘Neen, dat is alles’, zegt hij.” Op 13 maart 2008 beslist de directeur om een tuchtprocedure op te starten. Op 14 maart 2008 wordt de verzoeker door de directeur gehoord. Hij verklaart onder meer hetgeen volgt: “Ik heb dat bruin bolletje in de douche gevonden. Ik heb het toen in mijn kous gestoken en het mee naar mijn cel genomen om het te gebruiken. IX-5917-2/8 Normaal gezien had ik het dadelijk aan de chef moeten geven. Ik moet wel zeggen dat ik hier binnen nog nooit problemen heb gehad, ik werk hier en ga fitnessen en heb ook nog nooit een tucht gekregen.” Dezelfde dag beslist de directeur om aan de verzoeker de tuchtsanctie “6 maanden individueel regime (6 maanden glasbezoek, 6 maanden geen gemeenschappelijke activiteiten en 6 maanden individuele wandeling)” op te leggen. De motivering van de tuchtstraf luidt als volgt: “- Overwegende dat betrokkene zich schuldig heeft gemaakt aan drugsbezit; - dat dergelijke feiten absoluut niet kunnen worden getolereerd en een gepaste sanctie zich opdringt; - dat hij de feiten toegeeft.” Deze beslissing vormt het voorwerp van het voorliggende beroep. In rechte 2.
- De verzoeker roept een eerste middel in, afgeleid uit de schending van artikel 143, §§ 1 en 3, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden. Hij voert aan dat overeenkomstig artikel 143, § 1 van voormelde wet, bij de keuze van de aard en de omvang van de tuchtsanctie rekening gehouden dient te worden met de ernst van de inbreuk, met de omstandigheden waarin zij plaatsvond, met verzachtende omstandigheden en met de voorlopige maatregelen die eventueel overeenkomstig artikel 145, § 1, van die wet werden opgelegd. Voorts voorziet artikel 141, § 3, van de wet uitdrukkelijk in het gegeven dat de grenzen van evenredigheid tussen de ernst van de inbreuk en de tuchtrechtelijke sanctie alsook de vereisten inzake redelijkheid en billijkheid in acht genomen moeten worden. De verzoeker wijst erop dat de bestreden beslissing geen melding maakt van enige voorafgaande tuchtrechtelijke inbreuk. Hij wijst er voorts op dat hij tijdens de hoorzitting heeft toegegeven dat hij de aangetroffen drugs wenste te gebruiken doch dat hij besefte dat dit fout was, dat hij nooit eerder problemen had in de gevangenis, dat hij werkte in de gevangenis en dat hij nog nooit een tuchtstraf had gekregen. Volgens de verzoeker schendt de bestreden beslissing voormelde bepalingen, aangezien de opgelegde tuchtsanctie van 6 maanden individueel regime onredelijk is in het licht van de ernst van de inbreuk, de omstandigheden waarin deze plaatsvond, en de hiervóór genoemde, door de verzoeker aangevoerde verzachtende omstandigheden. IX-5917-3/8 2.
- De verwerende partij antwoordt dat het door de verzoeker aangehaalde artikel van de basiswet nog niet in werking is getreden zodat de verzoeker zich daarop niet kan beroepen. Subsidiair repliceert de verwerende partij dat de sanctie wel degelijk in verhouding staat tot de feiten. De verzoeker wordt immers gesanctioneerd voor het bezit van drugs, wat binnen een penitentiaire context een bijzonder zware tuchtinbreuk is, gelet op de gevaren die dit met zich meebrengt voor het personeel, de medegedetineerden en de verzoeker zelf. Waar de verzoeker stelt dat geen rekening werd gehouden met de verzachtende omstandigheden die hij aanvoerde, antwoordt de verwerende partij dat de gevangenisdirectie autonoom en discretionair beslist over de toemeting van de tuchtsanctie. Zij kan rekening houden met verzachtende omstandigheden, doch is geenszins verplicht deze te aanvaarden. Ook de beoordeling van de verzachtende omstandigheden komt namelijk op autonome en discretionaire wijze toe aan de gevangenisdirectie. Ter zake stelt de verwerende partij dat de gevangenisdirectie de feiten op redelijke wijze beoordeeld heeft. De verklaringen van de verzoeker nemen immers niet weg dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan drugsbezit binnen de gevangenis, wat een zeer ernstige tuchtinbreuk uitmaakt. Dat hij zich terdege bewust was van de ernst van de feiten en van het risico op een tuchtsanctie blijkt bovendien uit zijn verklaring dat hij de drugs had moeten afgeven aan een penitentiair beambte. De verwerende partij meent dan ook dat, gelet op de ernst van de feiten, niet besloten kan worden dat de tuchtsanctie in een kennelijke wanverhouding staat tot die feiten. Het feit dat de door de verzoeker aangevoerde verzachtende omstandigheden niet door de gevangenisdirectie werden aanvaard, leidt niet tot een andere vaststelling. 2.3.
- Artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden is nog niet in werking gesteld. De verzoeker kan zich dan ook niet op de bepalingen ervan beroepen. 2.3.
- In zoverre de door de verzoeker aangevoerde grief geacht kan worden te steunen op het evenredigheidsbeginsel, dient te worden opgemerkt dat het de Raad van State in de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht niet toekomt om zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen IX-5917-4/8 van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten gegaan is. Aldus dient nagegaan te worden of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. Te dezen is de verzoeker bestraft wegens drugsbezit. De directeur heeft in redelijkheid kunnen oordelen dat dergelijke feiten absoluut niet getolereerd kunnen worden en dat een passende sanctie noodzakelijk is. Hij beschikt bovendien over een zekere beoordelingsruimte bij het bepalen van wat, in het licht van de omstandigheden van de zaak, een passende straf uitmaakt. Te dezen heeft de directeur geopteerd voor een straf die, gelet op de reikwijdte van de ontzegde gunsten en de duur van de ontzeggingen, als relatief zwaar beschouwd moet worden. Blijkens de motieven van de bestreden beslissing is het de aard van de inbreuk -drugsbezit- die voor de strafmaat bepalend is. Ter zitting voert de verwerende partij aan dat de straf aldus past in het beleid van nultolerantie dat in verband met het gebruik van drugs in gevangenissen wordt toegepast. De straf wordt voorts opgelegd ondanks het feit dat de verzoeker voordien nog geen tuchtstraf heeft opgelopen en dat hij heeft erkend dat hij verkeerd gehandeld heeft. Het middel doet de vraag rijzen of de zwaarte van de straf haar verantwoording kan vinden in de aard van de gepleegde feiten alleen. Zo het antwoord op die vraag ontkennend zou zijn, rijst vervolgens de vraag of de opgelegde straf, bekeken in het licht van zowel de aard van de gepleegde feiten als de concrete omstandigheden ervan, in een redelijk evenredigheidsverband staat tot de inbreuk. De Raad van State is van oordeel dat het middel aldus vragen in rechte en in feite doet rijzen die niet in korte debatten beantwoord kunnen worden en die integendeel volgens de gewone rechtspleging behandeld moeten worden. 3.
- De verzoeker roept een tweede middel in, afgeleid uit de schending van de motiveringsplicht. Hij verwijst naar artikel 143, § 1, van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden, dat voorziet in een discretionaire bevoegdheid bij het opleggen van een tuchtsanctie. Volgens de verzoeker impliceert die bevoegdheid dat de gevangenisdirecteur bij het opleggen van een tuchtsanctie deze moet motiveren. IX-5917-5/8 De verzoeker voert aan dat de gevangenisdirecteur te dezen geen rekening houdt met de verzachtende omstandigheid dat aan de verzoeker geen enkele voorafgaande tuchtsanctie is opgelegd. 3.
- De verwerende partij repliceert, onder verwijzing naar de bestreden beslissing, dat de gevangenisdirectie in bondige doch niets aan de duidelijkheid overlatende bewoordingen heeft aangegeven welke feiten zij in aanmerking nam, en dat zij heeft overwogen dat deze een zware tuchtinbreuk vormden en een passende sanctie vereisten. Waar de verzoeker stelt dat de motivering niet vermeldt dat hij een blanco tuchtrechtelijk verleden heeft, antwoordt de verwerende partij dat weliswaar noch in de daartoe voorziene rubriek, noch in de eigenlijke motivering wordt verwezen naar tuchtrechtelijke antecedenten, maar dat het aan de gevangenisdirectie toekwam om te oordelen of hiermee al dan niet rekening zou worden gehouden. 3.3.
- Zoals bij de bespreking van het eerste middel is opgemerkt, is artikel 143 van de basiswet van 12 januari 2005 betreffende het gevangeniswezen en de rechtspositie van de gedetineerden nog niet in werking gesteld, zodat de verzoeker zich vergeefs op deze bepaling beroept. 3.3.
- In zoverre de door de verzoeker aangevoerde grief geacht kan worden te steunen op de formele motiveringsplicht opgelegd bij de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, dient opgemerkt te worden dat uit die motiveringsplicht niet voortvloeit dat in de bestreden beslissing uitdrukkelijk moest worden vermeld in welke mate, bij het bepalen van de strafmaat, met het blanco-tuchtverleden van de verzoeker rekening werd gehouden. Met de overweging “dat dergelijke feiten absoluut niet kunnen worden getolereerd en een gepaste sanctie zich opdringt” heeft de directeur voldoende duidelijk gemaakt waarom hij een relatief zware tuchtsanctie oplegt. Het middel mist feitelijke grondslag. IX-5917-6/8
- Uit het voorgaande volgt dat de zaak ten gronde verdergezet moet worden volgens de gewone rechtspleging, doch enkel wat betreft het eerste middel. Over de vordering tot schorsing
- Overeenkomstig artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
- In verband met de ernst van de aangevoerde middelen, moet ervan uitgegaan worden dat, opdat een middel als ernstig kan worden beschouwd in de zin van artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten, het niet voldoende is dat het middel zich niet leent tot een verwerping ervan na een onderzoek in korte debatten. Het middel moet integendeel ook ontvankelijk en gegrond lijken na een eerste onderzoek van de gegevens waarover de Raad van State in het stadium van de schorsingsprocedure beschikt. Hiervóór is geconcludeerd dat pas na een verder onderzoek zal kunnen blijken of het eerste middel gegrond is. Dat middel kan in de gegeven omstandigheden niet als ernstig beschouwd worden. Het tweede middel, waarvan hiervóór de ongegrondheid is vastgesteld, kan niet meer in aanmerking worden genomen om een schorsingsmaatregel te verantwoorden.
- Bij gebreke van een ernstig middel is niet voldaan aan één van de bij artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering tot schorsing af te wijzen. IX-5917-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De debatten worden, wat betreft het beroep tot nietigverklaring, heropend. Artikel
- De zaak wordt verder behandeld volgens de gewone rechtspleging. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf augustus 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-5917-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.617 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.852 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.