← België

Arrest 185618 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/08/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.618 Rolnummer: A. 187702/IX-5889 Zaak: Arrest 185618 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 05/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-26 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:26 Fiche Arrest nr 185.618 van 5 augustus 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.618 van 5 augustus 2008 in de zaak A. 187.702/IX-

  1. In zake : Annick VANTORRE, die woonplaats kiest bij advocaat B. BLANPAIN, kantoor houdende te BRUSSEL, Tervurenlaan 270 tegen :
  2. de Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen, die woonplaats kiest bij advocaat G. JACOBS kantoor houdende te BRUSSEL, Kortenberglaan
  3. de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, die woonplaats kiest bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46 bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Annick VANTORRE op 1 april 2008 heeft ingediend om de schorsing en de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 4 februari 2008 van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap Wonen Vlaanderen, houdende haar ontslag van ambtswege wegens onwettige afwezigheid van meer dan tien dagen; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag over de vordering tot schorsing en het beroep tot nietigverklaring, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrecht- spraak van de Raad van State opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd R. VAN DER GUCHT; IX-5889-1/13 Gelet op de beschikking van 18 juni 2008 waarbij de terechtzit- ting bepaald wordt op 7 juli 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. BILLIET, die loco advocaat B. BLANPAIN verschijnt voor verzoekster, van advocaat J. TOURY, die loco advocaat G. JACOBS verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat I. VERHELLEN, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd R. VAN DER GUCHT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Feiten 1.
  5. De verzoekster is in 1992 vast benoemd bij de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij. In 1995 is zij er benoemd tot adjunct van de directeur. Zij vervulde er de functie van inspecteur ten aanzien van de erkende kredietmaatschappijen. Naar aanleiding van de herstructurering van de diensten, instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest, wordt de verzoekster toegewezen aan het intern verzelfstandigd agentschap Wonen-Vlaanderen. Bij een besluit van het hoofd van Wonen- Vlaanderen van 5 oktober 2006 wordt zij met ingang van 1 juli 2006 aangewezen als adjunct van de directeur met standplaats te Brussel. IX-5889-2/13 Bij schrijven van 19 februari 2007 wordt haar een nieuwe functiebeschrijving ter kennis gebracht. Haar taak zal er voornamelijk in bestaan om “de financiële opvolging te verzorgen van de gewestwaarborg gekoppeld aan de hypothecaire leningen, alsook de administratieve opvolging van de jaarverslagen en boekhouding van de sociale verhuurkantoren te verzekeren”. 1.
  6. Op 14 september 2007 geeft de verzoekster te kennen omwille van een hulpbehoevend familielid gedeeltelijk thuis te willen werken. Bij brief van dezelfde datum staat haar afdelingshoofd haar “bij wijze van gunst” een tijdelijke werktijdregeling toe, met mogelijkheid tot thuiswerk gedurende twee dagen van de week; de overige drie dagen dient het werk in Brussel te worden uitgevoerd. In de loop van de maanden september en oktober 2007 doen zich een aantal incidenten voor tussen de verzoekster en haar afdelingshoofd in verband met het al dan niet gewettigd afwezig zijn van de verzoekster, haar bereikbaarheid op de dagen dat zij thuis werkt en de tijdigheid van het door haar geleverde werk. Bij e-mailbericht van 20 november 2007 dient de verzoekster bij haar afdelingshoofd een aanvraag in voor overschakeling van een voltijds naar een halftijds regime. In dat regime zou zij graag één dag werken op kantoor in Brussel, en anderhalve dag thuis. Haar afdelingshoofd stemt met die regeling in, die zal ingaan op 1 december
  7. Op 29 november 2007 maakt het afdelingshoofd opmerkingen over het feit dat de verzoekster een bepaalde opdracht nog niet tot een goed einde heeft gebracht. Hij dreigt ermee aan de afspraak rond thuiswerken een einde te stellen. In een emotionele e-mail van 29 november 2007 antwoordt de verzoekster dat zij meer moeite heeft met de opdracht dan verwacht, omdat die opdracht niet aansluit bij haar ervaring. Zij vraagt zich dan ook af waarom zij “gestraft wordt” voor “iets wat [zij] niet weet of niet kan”. In dezelfde e-mail laat zij zich ontvallen “dit soort leven en dit soort stress beu beu beu [te zijn]”. Op 30 november 2007 wordt het gevraagde werk binnengebracht, maar het voldoet niet aan de verwachtingen van het afdelingshoofd. IX-5889-3/13 Naar aanleiding van een paar nieuwe incidenten herroept het afdelingshoofd bij e-mailbericht van 20 december 2007 de aan de verzoekster toegestane thuiswerkregeling. De verzoekster dient vanaf de volgende dag, zijnde haar laatste werkdag in 2007, op de dagen dat zij werkt in Brussel te zijn. Bij e-mailbericht van dezelfde dag aan de administrateur-generaal doet de verzoekster haar beklag over de intrekking van de thuiswerkregeling. Zij beschouwt de intrekking als een straf “voor dingen die [zij] gewoon niet kan of die [zij] niet weet hoe aanpakken”. Zij vraagt om haar overplaatsing naar de afdeling die onder leiding staat van de persoon waaronder zij vroeger gewerkt heeft. Met een e-mail van 24 december 2007 vraagt de administrateur-generaal dat de verzoekster zich bij haar afdelingshoofd zou verontschuldigen “voor de misplaatste commentaar op zijn opdrachten”. Hij deelt voorts mee dat een mutatie naar de afdeling Wonen niet mogelijk is. Hij besluit zijn e-mail met de vraag om “een andere ingesteldheid te tonen en toevalligheden of specifieke omstandigheden uit het verleden niet steeds als een soort verworven rechten in te roepen”, en met de opmerking dat het de verzoekster uiteraard vrijstaat “om naar een andere functie buiten het agentschap te zoeken”. Op 3 januari 2008 deelt het afdelingshoofd aan de verzoekster mee dat een personeelslid dat van een andere afdeling overkomt haar bureau zal innemen. Aan de verzoekster wordt gevraagd om naar een ander bureau te verhuizen. Op 4 januari 2008 heeft de verzoekster een onderhoud met haar afdelingshoofd. Blijkbaar bevestigt het afdelingshoofd dat de verzoekster het voordeel van het thuiswerk niet meer kan genieten, waaruit de verzoekster de conclusie trekt dat zij in feite gedwongen wordt om voltijds thuis te blijven. In een e-mail van dezelfde dag aan de administrateur-generaal oppert zij dat zij, liever dan niet meer te werken, bereid is om één dag per week gratis haar vroegere functie bij de Vlaamse Huisvestingsmaatschappij (controle van de boekhouding van de sociale bouwmaatschappijen) te vervullen. 1.
  8. Op 7 januari 2008 deelt de verzoekster aan het secretariaat van de administrateur-generaal mee dat zij met ingang van die week een voltijdse loopbaanonderbreking vraagt. Met een e-mail van dezelfde dag antwoordt de administrateur-generaal op haar e-mail van 4 januari
  9. Hij bevestigt dat, als de verzoekster niet meer bereid is om deeltijds in Brussel te werken, zij een voltijdse loopbaanonderbreking kan aanvragen. Als bijlage voegt hij het desbetreffende IX-5889-4/13 aanvraagformulier. Hij verwacht dat de verzoekster “onmiddellijk een ondertekende aanvraag bezorgt als [zij] woensdag (d.i. op 9 januari 2008, haar eerste werkdag van die week) niet op het werk verschijnt”. Met een mailbericht van 8 januari 2008 deelt de verzoekster aan haar afdelingshoofd mee dat zij het formulier voor de voltijdse loopbaanonderbreking zal invullen en terugsturen. Zij hoopt dat de loopbaanonderbreking de volgende dag kan ingaan. Dezelfde dag antwoordt het afdelingshoofd dat hij ermee akkoord gaat dat de loopbaanonderbreking ingaat op 9 januari 2008, zoals door de verzoekster gewenst. Vanaf 9 januari 2008 is de verzoekster niet meer komen werken. 1.
  10. Ondanks herhaalde verzoeken en niettegenstaande verschillende beloftes van de verzoekster, ontvangen de bevoegde diensten echter niet de vereiste aanvraagformulieren voor het verkrijgen van de loopbaanonderbreking. Daarom zendt het hoofd van de cel personeel op 22 januari 2008 een aangetekend schrijven aan de verzoekster, waarin onder meer het volgende wordt gesteld: “(...) Bij mail van 7 januari van de heer B., administrateur-generaal, werd u toegestaan om over te stappen van halftijdse naar voltijdse loopbaanonderbreking op voorwaarde dat er door u per kerende een aanvraag werd ingediend. Op 8 en 9 januari meldde u aan het afdelingshoofd, de heer D.B., dat u de formulieren goed had ontvangen en ze zou doorzenden met het oog op ondertekening. Nadien hebt u nog herhaaldelijk contact gehad met het secretariaat van de heer administrateur-generaal met het oog op verdere afspraken: - op 10 januari heeft het secretariaat u gecontacteerd met het oog op afspraken omtrent het inleveren van de PC; - op 15 januari werd zowel per mail, als via een boodschap op de GSM nogmaals aangedrongen op een regularisatie en de indiening van de aanvraagdocumenten; - op 16 januari mailde u dat de vereiste documenten zouden worden toegezonden. Mevr T. heeft u dezelfde dag in opdracht van dhr B. gevraagd om de documenten en de sleutel van uw kast aangetekend te versturen naar het adres dat u opgaf in uw mail. Ook de MOD [managementondersteunende diensten van het beleidsdomein Ruimtelijke ordening, woonbeleid en onroerend erfgoed] nam herhaaldelijk contact met u op met het oog op de regularisatie van de toestand: - op 4 december 2007 werd u per mail verzocht in verband met uw halftijdse loopbaanonderbreking de aanvraagdocumenten voor de RVA (C61 SV) en aanmoedigingspremie in te vullen en ons toe te sturen; - op 10 december 2007 werd u per brief opnieuw verzocht de nodige documenten zo vlug mogelijk op te sturen; IX-5889-5/13 - op 7 januari 2008 werd telefonisch op uw antwoordapparaat een verzoek ingesproken met de vraag de ons zo vlug mogelijk te contacteren; - op 8 januari 2008 werden u formulieren toegestuurd voor uw voltijdse loopbaanonderbreking met de vraag om deze onmiddellijk terug te sturen. Ondanks deze herhaalde tussenkomsten stellen wij vandaag vast dat de aanvraagformulieren voor de voltijdse loopbaanonderbreking en de tegemoetkoming vanwege de RVA voor zowel de halftijdse als de voltijdse loopbaanonderbreking nog steeds niet in ons bezit zijn. Ook het indienen van deze RVA documenten zijn verplicht. Als u dat niet doet kan de MOD de afwezigheidsperiodes niet als loopbaanonderbreking klassificeren. Bij wijze van bewarende maatregel werd uw voltijdse loopbaanonderbreking ingevoerd in het personeelssysteem en dit om te vermijden dat u nog een wedde uitbetaald krijgt terwijl u niet aanwezig was. Deze invoer houdt op geen enkele manier een goedkeuring in van de door u gevolgde werkwijze, noch van de verloven waarvoor u nog niet de nodige documenten hebt bezorgd. Met het oog op een regularisatie van uw toestand verzoeken wij u om de bijgevoegde formulieren per kerende in te dienen bij de heer B., administrateur-generaal, Wonen-Vlaanderen, Koning Albert II- laan 20 - Graaf de Ferraris-gebouw bus 7 te 1000 Brussel. Bij deze wens ik er u op te wijzen dat u op dit ogenblik in een toestand van onwettige afwezigheid verkeert op de dagen dat u geacht wordt prestaties te leveren. Het is bijgevolg van het allergrootste belang de toestand onmiddellijk te regulariseren en de vereiste aanvraagdocumenten aan de heer administrateur-generaal voor te leggen. Daarbij vestig ik er tevens uw aandacht op dat het verder aanhouden van deze niet geregulariseerde toestand na verloop van 10 dagen onwettige afwezigheid aanleiding geeft tot ontslag. U hebt er dus alle belang bij nu snel te reageren. (...)” Met een e-mailbericht van 3 februari 2008 aan het hoofd van de cel personeel kondigt de verzoekster aan dat de gevraagde formulieren de volgende dag door een door haar gemachtigde persoon binnengebracht zullen worden. Dit is voor het hoofd van de cel personeel een aanleiding om op 4 februari 2008 aan de administrateur-generaal te vragen of aan de verzoekster niet gemeld moet worden dat het niet meer hoeft. Kennelijk heeft deze laatste vraag te maken met het bestreden besluit, dat op dat ogenblik klaargemaakt is. Op 4 februari 2008 immers, zonder nog te wachten op de formulieren, neemt de administrateur-generaal het bestreden besluit, waarbij de verzoekster met ingang van 2 februari 2008 ontslagen wordt wegens onwettige afwezigheid van meer dan 10 dagen. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “(...) Gelet op de [herhaalde] contacten van mevrouw Annick Vantorre met het secretariaat van de heer administrateur-generaal B. met het oog op verdere afspraken en met de MOD RWO met het oog op de regularisatie van haar toestand; IX-5889-6/13 Gelet op het aangetekend schrijven van 23 (lees: 22) januari 2008 van het celhoofd Personeel van de MOD RWO waarbij mevrouw Annick Vantorre aangemaand wordt haar formulieren voor loopbaanonderbreking in te dienen gezien zij in een toestand van onwettige afwezigheid verkeert; Overwegende dat mevrouw Annick Vantorre sinds 7 januari 2008 ongewettigd afwezig is; Overwegende dat op grond van artikel XI.3, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006, de ambtenaar die zonder geldige reden de werkpost verlaat en meer dan tien dagen ongewettigd afwezig blijft, ambtshalve en zonder opzegging ontslagen wordt.” Met een ter post aangetekend schrijven van 4 februari 2008 wordt het voornoemde besluit aan de verzoekster ter kennis gebracht. 1.
  11. De verzoekster is blijkbaar de dag zelf al op de hoogte gebracht van het bestreden besluit. Met een e-mail van dezelfde dag vraagt zij aan de administrateur-generaal om haar ontslag te herroepen, gelet op het feit dat zij de formulieren in de loop van de dag heeft laten binnenbrengen en tevens gelet op het feit dat zij de toelating gekregen heeft om voltijds een loopbaanonderbreking te nemen, zodat zij “allesbehalve onwettig afwezig” was. Met een e-mail van 5 februari 2008 vraagt de verzoekster ook aan haar afdelingshoofd om de administrateur- generaal erop te wijzen dat zij sinds 9 januari 2008 met loopbaanonderbreking was en dus niet onwettig afwezig kon zijn. In een e-mail van 6 februari 2008 aan de administrateur-generaal geeft de verzoekster een uitvoerige beschrijving van alle omstandigheden die ertoe geleid hebben dat zij de formulieren pas op 4 februari 2008 heeft ingediend; zij legt onder meer uit dat zij het aangetekend schrijven van 22 januari 2008 pas op vrijdag 1 februari 2008 heeft geopend. Met een mailbericht van 11 februari 2008 antwoordt de administrateur-generaal. Hij wijst op verscheidene nalatigheden van de verzoekster in verband met de vraag om de nodige formulieren in te dienen, en besluit dat haar ontslag gehandhaafd blijft. Met een aangetekend schrijven van 13 februari 2008 herhaalt de verzoekster haar vraag om het ontslag “nietig te verklaren”. Met een aangetekend schrijven van 13 maart 2008 herhaalt de administrateur-generaal, met overname van de redenen vervat in zijn e-mail van 11 februari 2008, dat hij niet kan ingaan op het verzoek van de verzoekster. IX-5889-7/13 Aanwijzing van de verwerende partij 2.
  12. In haar nota vraagt de eerste verwerende partij om buiten de zaak te worden gesteld. Zij voert aan dat de verzoekster, overeenkomstig artikel 35 van het kaderdecreet bestuurlijk beleid van 18 juli 2003, dat voorziet in de mogelijkheid om personeelsleden van de verschillende diensten van de Vlaamse regering en van de instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en het Vlaamse Gewest toe te wijzen aan de verschillende onderdelen van de Vlaamse administratie, bij besluit van het hoofd van Wonen-Vlaanderen van 5 oktober 2006 met ingang van 1 juli 2006 toegewezen werd aan het intern verzelfstandigd agentschap Wonen-Vlaanderen. Zij wijst voorts op artikel 4 van het besluit van de Vlaamse regering van 20 mei 2005 houdende toewijzing van de personeelsleden van de diensten, instellingen en rechtspersonen die afhangen van de Vlaamse Gemeenschap en/of van het Vlaamse Gewest, aan de departementen en de verzelfstandigde agentschappen, dat bepaalt dat indien de taken van de personeelsleden volledig of grotendeels worden overgenomen door een departement of een verzelfstandigd agentschap, de personeelsleden van dat organisme van ambtswege worden toegewezen aan het departement of het verzelfstandigd agentschap dat deze taken onder zijn bevoegdheid heeft. Zij voert aan dat door het besluit van 5 oktober 2006 de band die er bestond tussen de verzoekster en de eerste verwerende partij opgehouden heeft te bestaan en dat de eerste verwerende partij nergens in de ontslagprocedure is tussengekomen of betrokken. 2.
  13. De tweede verwerende partij argumenteert in haar nota in dezelfde zin. 2.
  14. Zoals uit de door de verwerende partijen aangehaalde besluiten van 20 mei 2005 en 5 oktober 2006 volgt, is de verzoekster toegewezen aan het beleidsdomein Ruimtelijke ordening, wonen en onroerend erfgoed, meer bepaald aan het intern verzelfstandigd agentschap Wonen-Vlaanderen. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, had de verzoekster geen band meer met de eerste verwerende partij, een extern verzelfstandigd agentschap. IX-5889-8/13 Het bestreden besluit, genomen door het hoofd van Wonen- Vlaanderen, kan ook niet aan de eerste verwerende partij worden toegerekend. Dienvolgens dient die partij buiten de zaak te worden gesteld. Ten gronde 3.
  15. De verzoekster roept onder meer een tweede middel in, afgeleid uit de schending van artikel XI.3, 3/, van het besluit van de Vlaamse regering van 13 januari 2006 houdende vaststelling van de rechtspositie van het personeel van de diensten van de Vlaamse Overheid (hierna: het Vlaams personeelsstatuut). Zij laat gelden dat het ontslag van ambtswege, zoals bedoeld in voormelde bepaling, een maatregel is die genomen wordt in het belang van de dienst en die gestoeld is op de gedachte dat een ambtenaar, die zijn dienst niet hervat en meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit dienst te zijn getreden. Met verwijzing naar het arrest nr. 172.070 van de Raad van State van 11 juni 2007 voert zij aan dat het bestuur slechts tot ontslag mag overgaan indien, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven, niet geacht kan worden weerlegd te zijn, en dat het daarbij van geen belang is of het motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan aangezien dit motief als louter feitelijk gegeven in aanmerking genomen moet worden. Volgens de verzoekster moet het vermoeden dat zij niet langer in dienst zou willen blijven te dezen wel degelijk als weerlegd beschouwd worden. Zij wijst erop dat zij op 9 januari 2008 per e-mail het akkoord van haar hiërarchische overste met een voltijdse loopbaanonderbreking gekregen heeft. Bovendien werd zij door het secretariaat van de administrateur-generaal opgeroepen om het formulier met betrekking tot deze aanvraag in te dienen, hetgeen zij op 4 februari 2008 ook gedaan heeft. De verzoekster stelt dat deze gegevens voldoende aantonen dat zij haar dienstactiviteit niet wenste te beëindigen. Zij besluit dan ook dat de beslissing houdende het ontslag van ambtswege onwettig is. 3.
  16. De tweede verwerende partij repliceert in haar nota, samengevat, dat het wel degelijk de bedoeling van de verzoekster was om niet meer te werken. Zij wijst op de feiten van de zaak en stelt dat de verzoekster vanaf september zo goed als alle mogelijkheden heeft uitgeput om zo weinig als maar mogelijk te werken. De verzoekster heeft bovendien aangegeven het werk eigenlijk niet meer IX-5889-9/13 te willen doen, het werk “beu beu beu” te zijn, een mutatie te willen, en zelfs vrijwilligerswerk te verkiezen boven het betaalde werk. Na een periode van halftijdse loopbaanonderbreking heeft de verzoekster voltijdse loopbaanonderbreking gevraagd. Zij heeft echter, zelfs na veelvuldig aandringen, verzuimd de documenten daartoe binnen te brengen. Zelfs na het aangetekend schrijven van 22 januari 2008, waarin uitdrukkelijk gewezen wordt op haar ongewettigde afwezigheid en het feit dat dergelijke onwettige afwezigheid na verloop van tien dagen aanleiding geeft tot ontslag van ambtswege, heeft de verzoekster meer dan tien dagen niet gereageerd. De verwerende partij stelt dat al deze omstandigheden samen duidelijk wijzen op de wil van de verzoekster om niet langer te functioneren als ambtenaar. Het feit dat de verzoekster thans te kennen geeft toch nog op enige wijze van haar statuut te willen genieten, doet aan die conclusie geen afbreuk. 3.
  17. Artikel XI.3, 3/, van het Vlaams personeelsstatuut luidt als volgt: “Artikel XI.
  18. Ambtshalve en zonder opzegging wordt een einde gemaakt aan de hoedanigheid van ambtenaar voor: (...) 3/de ambtenaar die zonder geldige reden de werkpost verlaat en meer dan tien dagen afwezig blijft; (...)”. Het ontslag van ambtswege, bedoeld in die bepaling, is geen tuchtmaatregel maar een maatregel die genomen wordt in het belang van de dienst en die gestoeld is op de gedachte dat de ambtenaar die zijn dienst verlaat en meer dan tien kalenderdagen afwezig blijft, geacht wordt vrijwillig uit dienst te zijn getreden. Het bestuur mag derhalve slechts tot dat ontslag overgaan wanneer, gelet op de concrete omstandigheden van de zaak, het vermoeden dat de betrokken ambtenaar niet langer in dienst wenst te blijven, niet geacht kan worden weerlegd te zijn. Daarbij is het van geen belang of het door de betrokkene aangebrachte motief ter weerlegging van dat vermoeden de toets van de wettigheid kan doorstaan. Dat motief moet immers als louter feitelijk gegeven in aanmerking worden genomen. Te dezen staat vast dat de verzoekster sinds 7 januari 2008 niet meer op haar werkplaats is geweest. De vraag is of de tweede verwerende partij uit die afwezigheid na een zekere tijd mocht afleiden dat de verzoekster geacht moest worden vrijwillig uit dienst te zijn getreden. IX-5889-10/13 De tweede verwerende partij betwist niet dat de verzoekster pas afwezig bleef nadat zij van haar diensthoofd het akkoord verkregen had om een voltijdse loopbaanonderbreking te nemen. Volgens de verwerende partij is de afwezigheid niettemin een onwettige afwezigheid, nu de verzoekster heeft nagelaten om de nodige formulieren voor het aanvragen van een loopbaanonderbreking in te dienen. De verwerende partij wijst in het bijzonder op het belang van het schrijven van het bestuur van 22 januari 2008, waarin de aandacht van de verzoekster zeer duidelijk is gevestigd op het feit dat een onwettige afwezigheid na verloop van tien dagen aanleiding kan geven tot een ontslag. Volgens de verwerende partij moet uit het verzuim van de verzoekster om op dat schrijven te reageren worden afgeleid dat zij ontslag wilde nemen. De verzoekster heeft echter, na het akkoord met haar loopbaanonderbreking te hebben verkregen, op geen enkele manier laten blijken dat zij de banden met haar bestuur volledig wilde doorknippen en uit dienst wilde treden. Zij blijkt er integendeel steeds van uitgegaan te zijn dat zij in loopbaanonderbreking was. Naar de tweede verwerende partij toe heeft zij meermaals laten weten dat zij de ingevulde formulieren voor de loopbaanonderbreking zou terugsturen. De dag zelf dat het bestreden besluit is genomen, heeft zij de formulieren trouwens effectief laten bezorgen. Dat de verwerende partij met een schrijven van 22 januari 2008 aan de verzoekster had laten weten dat zij het gebrek aan reactie op dat schrijven zou beschouwen als een reden voor het ontslag van de verzoekster, volstaat te dezen niet om het vermoeden te creëren dat de verzoekster, in strijd met haar vaste houding naar de verwerende partij toe, geen tijdelijke loopbaanonderbreking, maar een definitieve uitdiensttreding wenste. Daargelaten de vraag of de houding van de verzoekster met betrekking tot het regulariseren van haar administratieve toestand tot enige reactie van het bestuur aanleiding zou kunnen geven, dient in elk geval te worden geconcludeerd dat de concrete feitelijke gegevens van de zaak in redelijkheid het vermoeden niet konden wettigen dat de verzoekster niet langer in dienst wenste te blijven. De tweede verwerende partij kon het ambtshalve ontslag van de verzoekster dan ook niet wettig steunen op haar afwezigheid van het werk. Het middel is gegrond. IX-5889-11/13 Over de vordering tot schorsing
  19. Uit het onderzoek van de zaak is gebleken dat de beslechting van het geschil ten gronde afgedaan kan worden in korte debatten, met toepassing van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. Er is dan ook geen grond meer om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. OM DIE REDENEN BESLIST DE VOORZITTER : Artikel
  20. De Vlaamse Maatschappij voor Sociaal Wonen wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  21. Vernietigd wordt het besluit van het hoofd van het intern verzelfstandigd agentschap Wonen-Vlaanderen van 4 februari 2008 waarbij Annick VANTORRE wegens onwettige afwezigheid van meer dan tien dagen van ambtswege wordt ontslagen. Artikel
  22. Er is geen aanleiding om over de vordering tot schorsing uitspraak te doen. Artikel
  23. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de tweede verwerende partij. IX-5889-12/13 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf augustus 2008, door : de H. P. LEMMENS, kamervoorzitter, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS P. LEMMENS. IX-5889-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.618 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.