← België

Arrest 185627 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/08/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.627 Rolnummer: A. 77119/IX-932 Zaak: Arrest 185627 - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan - 07/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-25 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:27 Fiche Arrest nr 185.627 van 7 augustus 2008 Openbaar ambt - Federaal openbaar ambt - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.627 van 7 augustus 2008 in de zaak A. 77.119/IX-

  1. In zake : Rudy JAENEN, wonende te WILRIJK, Berkenveldstraat 35 tegen :
  2. de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Sociale Zaken,
  3. de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Rudy JAENEN op 15 januari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het ministerieel besluit van 25 september 1997 houdende het reglement van het personeel van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, “meer bepaald (van) artikel 2 waarin gesteld wordt dat de graden, opgesomd in kolom 2 van de bij dit besluit gevoegde tabel, worden verleend volgens de modaliteiten van benoeming en volgens bijzondere voorwaarden die in de kolommen 3, 4, 5, 6 en 7 van deze tabel tegenover deze graden worden vermeld”; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 8 december 1999 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 2 juni 2008; IX-932-1/7 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen advocaat I. MARTENS, die verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat E. PLAVSIC, die verschijnt voor de verwerende partijen; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : Over de gegevens van de zaak 1.
  4. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker adviseur met rang 13B bij de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie. 1.
  5. Het door de verzoeker bestreden ministerieel besluit stelt het reglement van het personeel van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie vast. Artikel 2 van dit besluit luidt als volgt: “De graden, opgesomd in kolom 2 van de bij dit besluit gevoegde tabel, worden verleend volgens de modaliteiten van benoeming en volgens de bijzondere voorwaarden die in de kolommen 3, 4, 5, 6 en 7 van deze tabel tegenover deze graden worden vermeld.” De bijlage bij het besluit bepaalt in kolom 7 als bijzondere voorwaarde voor de benoeming tot een adviseur-generaal (rang 15): “houder zijn van een universitair diploma”. Over de aanwijzing van de verwerende partij
  6. Het beheerscomité van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie heeft over het ministerieel besluit enkel een advies verleend. Het besluit kan niet aan de Rijksdienst worden toegeschreven. IX-932-2/7 De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie moet bijgevolg buiten de zaak worden gesteld. Over het voorwerp van het beroep
  7. De verzoeker zet uiteen dat hij geen universitair diploma heeft en aldus ingevolge het bestreden ministerieel besluit niet meer tot rang 15 kan worden bevorderd. Uit die uiteenzetting alsmede uit de door de verzoeker aangevoerde middelen kan worden afgeleid dat het voorwerp van het beroep beperkt is tot de hiervóór vermelde voorwaarde voor de benoeming tot adviseur-generaal. Over de ontvankelijkheid van het beroep 4.
  8. In haar laatste memorie stelt de verwerende partij de vraag of de verzoeker wel over het rechtens vereiste belang beschikt. Zij laat gelden dat het ontwerp van het bestreden besluit uitgebreid besproken werd in diverse vergaderingen waaraan de verzoeker zelf heeft deelgenomen. Tijdens die besprekingen heeft de verzoeker geen opmerkingen gemaakt. Met name op de vergadering van de directieraad heeft de verzoeker het ontwerp van ministerieel besluit mee goedgekeurd. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker niet te gepasten tijde zijn rechten doen gelden. 4.
  9. Uit het administratief dossier blijkt dat de verzoeker een aantal besprekingen van het ontwerp van ministerieel besluit inderdaad heeft bijgewoond en op dat moment geen opmerkingen heeft geformuleerd. Een en ander belet evenwel niet dat de verzoeker nog een belang kan hebben bij het beroep tot nietigverklaring van het definitieve besluit. De verwerende partij erkent overigens dat de verzoeker bij de administrateur-generaal van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie schriftelijk heeft geprotesteerd, weliswaar nadat de directieraad advies had gegeven, tegen de in het bestreden besluit opgenomen bijzondere voorwaarde dat men houder van een universitair diploma moet zijn om benoemd te kunnen worden tot de graad van adviseur-generaal. Gelet op die omstandigheden, kan aan de verzoeker het belang bij zijn beroep niet ontzegd worden, en kan hem ook niet verweten worden dat hij verzaakt zou hebben aan zijn recht om tegen het bestreden besluit op te komen. IX-932-3/7 5.
  10. Ter zitting wijst de verwerende partij voorts op het koninklijk besluit van 4 augustus 2004 betreffende de loopbaan van niveau A van het Rijkspersoneel. Zij stelt de vraag of het bestreden besluit in het licht van dat besluit nog wel relevant is. 5.
  11. De verwerende partij licht niet nader toe om welke reden het bestreden besluit niet meer relevant zou zijn voor de verzoeker. Evenmin geeft zij aan om welke reden de verzoeker geen belang meer zou hebben bij zijn beroep tegen het bestreden besluit. Te dezen volstaat het vast te stellen dat het bestreden besluit niet is opgeheven. Het is voor de verzoeker dan ook nog steeds zinvol om de vernietiging ervan na te streven. Het door de verwerende partij ingeroepen besluit van latere datum ontneemt aan de verzoeker zijn belang niet. 6.
  12. Ter zitting voert de verwerende partij ten slotte aan dat er binnen de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie twee adviseurs-generaal zijn, die beiden jonger zijn dan de verzoeker. Er is op dit ogenblik geen vacante betrekking voor één van die functies en het valt ook niet te verwachten dat een betrekking op korte termijn vacant verklaard zal worden. Een eventuele vernietiging van het bestreden besluit zou voor de verzoeker dus geen gunstig effect hebben. Het bestreden besluit heeft een verordenend karakter. Een verzoeker heeft belang bij het bestrijden van een dergelijk besluit wanneer dat besluit op hem zou kunnen worden toegepast en zijn situatie in ongunstige zin zou kunnen beïnvloeden. Daarentegen is niet vereist dat het bestreden besluit op het ogenblik van het instellen van het beroep reeds effectief op de betrokken verzoeker is toegepast. De omstandigheid dat de verzoeker op het ogenblik van het instellen van het beroep, of later, niet geconfronteerd zou zijn met een vacante betrekking waarvoor hij, wegens de bestreden bepaling, niet zou kunnen meedingen, ontneemt hem dus niet zijn belang bij zijn beroep. Over de gegrondheid van het beroep 7.
  13. In zijn verslag roept de auditeur-verslaggever ambtshalve een middel in, afgeleid uit de schending artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op IX-932-4/7 de Raad van State. Volgens de auditeur is het bestreden besluit niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd, zonder dat daarvoor de dringende noodzakelijkheid is aangevoerd. 7.
  14. In haar laatste memorie repliceert de verwerende partij niet op het ambtshalve opgeworpen middel. Zij maakt zijdelings een toespeling op het feit dat het bestreden besluit genomen werd in het kader van een dringende herstructurering. 7.
  15. Overeenkomstig het te dezen toepasselijke artikel 3, § 1, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dienen de ministers, buiten het met bijzondere redenen omklede geval van de dringende noodzakelijkheid, de ontwerpen van reglementaire besluiten aan het advies van de afdeling wetgeving van de Raad van State te onderwerpen. De verplichting om het advies van de afdeling wetgeving in te winnen strekt ertoe de wettigheid van de reglementaire besluiten te waarborgen en de kwaliteit van de teksten te optimaliseren. Aldus gaat het om een vormvereiste dat de openbare orde raakt. Een miskenning van dat vereiste dient zo nodig ambtshalve te worden opgeworpen. 7.
  16. Te dezen is het bestreden besluit, ofschoon het een reglementair karakter heeft, niet voor advies aan de afdeling wetgeving van de Raad van State voorgelegd. In haar laatste memorie betwist de verwerende partij het reglementair karakter van het bestreden besluit niet. Evenmin betwist zij dat zij ertoe gehouden was het ontwerp van besluit voor advies aan de afdeling wetgeving voor te leggen. Met betrekking tot het ambtshalve ingeroepen middel schetst de verwerende partij enkel de context waarin het besluit tot stand is gekomen, namelijk een dringende herstructurering. In zoverre de verwerende partij hiermee doelt op de eventuele dringende noodzakelijkheid die het mogelijk zou maken om voorbij te gaan aan de verplichting tot het vragen van een advies aan de afdeling wetgeving, moet worden opgemerkt dat in de aanhef van het bestreden besluit niet verwezen wordt naar de dringende noodzakelijkheid, laat staan naar bijzondere redenen die het beroep op een dergelijke noodzakelijkheid zouden kunnen verantwoorden. IX-932-5/7 Bij gebrek aan een voorafgaande raadpleging van de afdeling wetgeving van de Raad van State en gelet op het ontbreken van enige dringende noodzakelijkheid, moet worden besloten dat het bestreden besluit tot stand is gekomen met miskenning van een substantieel vormvereiste dat de openbare orde raakt. Het ambtshalve door het auditoraat ingeroepen middel is gegrond.
  17. Het besluit dient te worden vernietigd, doch slechts in zoverre in kolom 7 van de bijlage als bijzondere voorwaarde voor de benoeming tot adviseur- generaal (rang 15) wordt vermeld: “houder zijn van een universitair diploma”. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  18. De Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie wordt buiten de zaak gesteld. Artikel
  19. Vernietigd wordt het ministerieel besluit van 25 september 1997 houdende het reglement van de Rijksdienst voor Jaarlijkse Vakantie, in zoverre in kolom 7 van de bijlage als bijzondere voorwaarde voor de benoeming tot adviseur- generaal (rang 15) wordt vermeld: “houder zijn van een universitair diploma”. Artikel
  20. Dit arrest zal in het Belgisch Staatsblad worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  21. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. IX-932-6/7 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven augustus 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-932-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.627 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.