id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 07 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.637 Rolnummer: A. 189230/IX-6000 Zaak: Arrest 185637 - Penitentiair recht - 07/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:27 Fiche Arrest nr 185.637 van 7 augustus 2008 Justitie - Penitentiair recht Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.637 van 7 augustus 2008 in de zaak A. 189.230/IX-
- In zake : Danny MILLER, die woonplaats kiest bij advocaat M. LANGEROCK, kantoor houdende te 8310 SINT-KRUIS (BRUGGE), Dampoortstraat 5 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie. DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Danny MILLER op 4 augustus 2008 heeft ingediend en waarin hij bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing vordert van de tenuitvoerlegging van het besluit van 31 juli 2008 van de directeur van de strafinrichting te Brugge waarbij hem de tuchtsanctie van één maand strikt regime wordt opgelegd; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2008 waarbij aan de verzoekende partij het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 5 augustus 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 7 augustus 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. LANGEROCK, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van attaché P. VAN CAENEGHEM, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; IX-6000-1/6 Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoeker ondergaat de uitvoering van een gevangenisstraf in de gevangenis van Brugge. 1.
- Op 23 juli 2008 wordt een meldingsverslag opgesteld door een penitentiair beambte naar aanleiding van een aantal discussies die zij met de verzoeker had en waarbij deze laatste zich volgens deze beambte op ongepaste en onredelijke wijze opstelde. De verzoeker kon zich met name niet neerleggen bij de beperkingen die hem werden opgelegd inzake het bijhouden van kuisproducten op cel. Ondanks herhaalde pogingen van het personeelslid om hem hiervan te overtuigen, hield de verzoeker voet bij stuk en dreigde hij ermee het betrokken personeelslid aan te klagen bij de kwartieroverste en de directie. Volgens de penitentiair beambte weigerde de verzoeker van haar nog eten aan te nemen, en weigerde hij te douchen en te poetsen. Het meldingsverslag, mede-ondertekend door een penitentiair assistent, wordt aan de gevangenisdirectie overgezonden, waarna een rapport aan de directeur wordt opgesteld. 1.
- Op 26 juli 2008 besluit de gevangenisdirectie om een tuchtprocedure tegen de verzoeker te starten en om hem te horen op 31 juli
- De verzoeker wordt hiervan in kennis gesteld, waarbij hem alle stukken van het tuchtdossier worden overhandigd. 1.
- Op 31 juli 2008 vindt de tuchtrechtelijke hoorzitting plaats, in aanwezigheid van de raadsman van de verzoeker. 1.
- De verzoeker wordt met het bestreden besluit gesanctioneerd met één maand strikt regime, namelijk glasbezoek, individuele wandeling, uitsluiting van elke gemeenschappelijke activiteit, eredienst op cel, geen werk en telefoon beperkt tot raadsman en ombudsman. IX-6000-2/6 De beslissing wordt op 31 juli 2008 betekend aan de verzoeker. 1.
- De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd: “Na onderzoek komen wij tot de conclusie dat de feiten vermeld in het rapport aan de directeur als bewezen beschouwd worden voor de volgende tuchtrechterlijke inbreuken : onrechtmatige eis, dreigen naar de beambte, niet opvolgen bevel. Betrokkene overschrijdt de grens van de redelijkheid. Uit het observatieverslag leren wij dat betrokkene haast elke dag kuisproducten eist en dit in voldoende mate zodat hij ze kan stockeren. Niettegenstaande de beambte betrokkene met een duidelijke uitleg heeft laten verstaan dat dit niet kan, blijft betrokkene zijn eisen herhalen. De regel voor alle gedetineerden is dat kuisproducten uit hoofde van veiligheid niet op cel kunnen en mogen gestockeerd worden. Na een week van aanhoudend gedrag terzake wordt een rapport opgemaakt. Immers het bleef niet alleen bij eisen, maar er kwamen naar de beambte ook bedreigingen. Bedreigingen, beledigingen of gewelddaden tegen het personeel van de strafinrichtingen vereisen strengere bewaking of afzondering. (Wetboek van Strafvordering, art. 614) Betrokkene bedreigt de beambte in zijn correct functioneel handelen, wat niet kan. Hier mag herinnerd worden aan de tuchtzaak dd. 7.7.2008 waar hij ook dreigde naar de beambte en waarvoor betrokkene enkel een vermaning kreeg en de raad meekreeg zijn bezorgdheden op een correcte wijze te formuleren. Blijkbaar is betrokkene in deze hardleers. Verder constateren we dat betrokkene, bij het niet ingaan op zijn eisen, alles weigert vanwege deze beambte o.a. eten, douche. Dit is een eigenhandige beslissing van betrokkene, die niet per definitie onder enige regelgeving valt. Dat betrokkene echter ook weigert van te poetsen is wel een inbreuk op de regelgeving. (Art. 77 van het Algemeen Reglement en art 106 § 2 van de Basiswet)”.
- De grondvoorwaarden tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden.
- De middelen 3.
- Het eerste middel IX-6000-3/6 3.1.
- In het eerste middel voert de verzoeker de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. Hij stelt dat hij geen inbreuk heeft gepleegd en dat de motivering van de bestreden beslissing manifest onjuist is. Volgens de verzoeker was hij geenszins van plan om kuisproducten te stockeren en wou hij enkel dat zijn cel ordelijk en hygiënisch is. Hij voerde een discussie met de beambte, maar heeft deze niet bedreigd. Hij vindt het ook “flagrant” dat zijn verdediging niet in de beslissing is opgenomen. 3.1.2.
- Met betrekking tot de feiten die aan de bestreden beslissing ten grondslag liggen, komt het, zoals de verwerende partij opmerkt, de betrokken overheid, te dezen de directeur van de gevangenis, toe om deze vast te stellen. De Raad van State is enkel bevoegd om na te gaan of die overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij naar recht en redelijkheid is kunnen uitgaan van de door haar vastgestelde feitelijke gegevens. Uit de motieven van de bestreden beslissing blijkt dat de gevangenisdirecteur de feiten vermeld in het rapport aan de directeur van 24 juli 2008 als bewezen beschouwt voor de volgende tuchtrechtelijke inbreuken: onrechtmatige eisen, bedreigingen aan een beambte en het niet opvolgen van een bevel. 3.1.2.
- Wat het eerste feit betreft, heeft de raadsman van de verzoeker tijdens de hoorzitting toegelicht dat de verzoeker het schoonmaakproduct gebruikt en niet stockeert, en dat het hier om een misverstand gaat. In het meldingsverslag verklaarde de beambte evenwel dat zij aan de verzoeker “al duizend maal met handen en voeten (heeft) uitgelegd dat het niet mogelijk is om plastiek potten te vullen met kuisproducten (en) de producten kunnen gebruikt worden om direct te gebruiken”. Gelet op de herhaalde uitleg die de beambte aan de verzoeker heeft gegeven, lijkt het niet geloofwaardig dat het slechts om een misverstand zou gaan. De directeur heeft dan ook op het eerste gezicht wettig kunnen oordelen dat de verzoeker met zijn herhaalde eisen over de schoonmaakproducten, de grens van de redelijkheid heeft overschreden. IX-6000-4/6 3.1.2.
- In zijn meldingsverslag stelde de penitentiair beambte bovendien dat de discussie met de verzoeker verliep “op een enorme dreigende toon, hij zou me aanklagen bij de directie en de ko (kwartieroverste) zou me op het matje roepen”. De verzoeker geeft toe dat hij met de beambte in discussie is gegaan, maar ontkent dat hij de beambte bedreigd heeft. Het komt niet aan de Raad van State toe om te oordelen of de woorden van de verzoeker als bedreigend konden worden ervaren. Het volstaat vast te stellen dat de directeur door de woorden van de verzoeker als bedreigingen te kwalificeren, daaraan geen interpretatie heeft gegeven die tegen alle redelijkheid ingaat. 3.1.2.
- Ook het feit dat de verzoeker weigerde de bevelen van de beambte op te volgen, wordt niet weerlegd. De verzoeker toont niet aan dat de feiten zoals uiteengezet in het rapport aan de directeur en het meldingsverslag waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen, onjuist zouden zijn en de directeur die feiten niet zorgvuldig zou hebben onderzocht. De motiveringsplicht vereist ook niet dat de argumenten die de verzoeker tijdens de hoorzitting heeft aangevoerd in de beslissing vermeld worden. Het eerste middel is niet ernstig. 3.
- Het tweede middel 3.2.
- In het tweede middel voert de verzoeker aan dat het opleggen van één maand strikt regime kennelijk onredelijk is. Volgens de verzoeker zou een vermaning of een verhelderend gesprek meer soelaas hebben gebracht. Hij stelt nog dat hij voor zijn mening durft uit te komen en dat vrije meningsuiting geen inbreuk is. 3.2.
- Bij de uitoefening van zijn wettigheidstoezicht komt het de Raad van State niet toe zijn oordeel over de gepastheid van een bepaalde tuchtstraf in de plaats te stellen van het oordeel van de bevoegde tuchtoverheid. De Raad van State kan enkel nagaan of die overheid de grenzen van de wettigheid niet te buiten is gegaan. Er moet dus worden nagegaan of de overheid geen sanctie heeft opgelegd die in een kennelijke wanverhouding staat tot de feiten. IX-6000-5/6 In casu hebben de feiten een zekere graad van ernst aangezien zij de taak van de penitentiair beambten nodeloos bemoeilijken. Zij hebben bovendien niets te maken met het feit dat de verzoeker zijn mening niet zou mogen uiten. In de bestreden beslissing wordt herinnerd “aan de tuchtzaak dd. 7.7.2008 waar hij ook dreigde naar de beambte en waarvoor betrokkene enkel een vermaning kreeg en de raad meekreeg zijn bezorgdheden op een correcte wijze te formuleren.” De verzoeker heeft dus reeds voor gelijkaardige feiten een vermaning gehad. Mede gelet op dit precedent, lijkt de opgelegde straf op het eerste gezicht niet in een kennelijke wanverhouding te staan tot de feiten. Het middel is niet ernstig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeven augustus 2008, door : de H. R. STEVENS, kamervoorzitter, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. IX-6000-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.637 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.188.809 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.