← België

Arrest 185649 - Varia (economische zaken) - 12/08/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 12 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.649 Rolnummer: A. 189274/IX-6008 Zaak: Arrest 185649 - Varia (economische zaken) - 12/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-08-18 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:27 Fiche Arrest nr 185.649 van 12 augustus 2008 Economische zaken - Varia (economische zaken) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.649 van 12 augustus 2008 in de zaak A. 189.274/IX-

  1. In zake : de n.v. WIMMERS-HERMANS, die woonplaats kiest bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelsbergstraat 4 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister voor Ondernemen en Vereenvoudigen, die woonplaats kiest bij advocaat J.-F. DE BOCK, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Waterloosesteenweg
  2. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. WIMMERS-HERMANS op 6 augustus 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van het koninklijk besluit van 24 juli 2008 dat het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 30 april 2008 waarbij het besluit van 22 juli 1982, gewijzigd op 10 december 1987, 15 maart 1995 en 21 december 1995, waarbij aan de n.v. WIMMERS-HERMANS een vergunning klasse I wordt afgegeven om op een perceel gelegen te Maaseik, Schoorstraat 7-9, kadastraal bekend sectie A, nrs. 2019/b2 en 2019/c2 een opslagplaats voor feest- en spektakelvuurwerk met een inhoud van 6025 kg pyrotechnische sas erin vervat uit te baten wordt ingetrokken, niet ontvankelijk verklaart; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 7 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 augustus 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; IX-6008-1/11 Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J.-F. DE BOCK, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct-auditeur I. VOS, daartoe gemachtigd bij beslissing van 4 januari 2008 van de auditeur-generaal; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Ontvankelijkheid van de vordering 1.
  4. De verwerende partij werpt vooreerst op dat de verzoekende partij van een eerdere vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid met hetzelfde voorwerp bij het instellen van de huidige vordering geen afstand heeft gedaan, zodat de huidige vordering niet ontvankelijk is. De eerder door de verzoekende partij ingestelde vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid is niet ingesteld met een enig verzoekschrift, maar met een afzonderlijke akte, zodat het bestaan van deze vordering de ontvankelijkheid van de tweede -thans voorliggende- vordering wat dit aspect betreft niet aantast. Daarenboven heeft de verzoekende partij ter terechtzitting, wat de eerste door haar ingestelde vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het bestreden besluit betreft, uitdrukkelijk en onvoorwaardelijk afstand gedaan van het geding. De exceptie kan niet worden aangenomen. 1.
  5. De verwerende partij werpt bij wege van exceptie op dat de vordering niet ontvankelijk is op grond van artikel 14 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen. IX-6008-2/11 Bedoeld artikel 14 bepaalt onder meer wat volgt: “Elk op verzoek van een handels- of ambachtsonderneming betekend deurwaardersexploot vermeldt steeds het ondernemingsnummer. Bij gebreke aan vermelding van het ondernemingsnummer op het deurwaardersexploot, verleent de rechtbank uitstel aan de handels- of ambachtsonderneming om haar inschrijving in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van de vordering te bewijzen. Indien de handels- of ambachtsonderneming haar inschrijving in deze hoedanigheid in de Kruispuntbank van Ondernemingen op de datum van het inleiden van haar vordering niet bewijst binnen de door de rechtbank gestelde termijn of indien blijkt dat de onderneming niet ingeschreven is in de Kruispuntbank van Ondernemingen, verklaart de rechtbank de vordering van ambtswege onontvankelijk. Indien de handels- of ambachtsonderneming wel in deze hoedanigheid is ingeschreven in de Kruispuntbank van Ondernemingen, maar haar vordering gebaseerd is op een activiteit waarvoor de onderneming op de datum van de inleiding van de vordering niet is ingeschreven of die niet valt onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming op deze datum is ingeschreven, is de vordering van die onderneming eveneens onontvankelijk. De onontvankelijkheid is evenwel gedekt, indien de onontvankelijkheid niet voor elke andere exceptie of verweermiddel wordt ingeroepen”. Luidens artikel 3 van haar statuten, heeft de verzoekende partij onder meer tot doel het uitbaten van een klein- en groothandel in pyrotechnische artikelen. De vordering blijkt derhalve te vallen onder het maatschappelijk doel waarvoor de onderneming is ingeschreven. De exceptie kan niet worden aangenomen. 1.
  6. De verwerende partij voert ten slotte aan dat niet blijkt dat de beslissing tot het instellen van de vordering werd genomen door het daartoe bevoegde orgaan van de vennootschap. Uit de voorgelegde stukken blijkt dat de beslissing tot het instellen van de vordering rechtsgeldig door de afgevaardigd bestuurder van de vennootschap werd genomen. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  7. Over de grondvoorwaarden tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid IX-6008-3/11 2.
  8. Krachtens artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, en dat een ernstig middel wordt aangevoerd dat de nietigverklaring van de aangevochten beslissing kan verantwoorden. 2.
  9. Over de uiterst dringende noodzakelijkheid 2.2.
  10. Inzake de uiterst dringende noodzakelijkheid van de vordering stelt de verzoekende partij dat zij, nu zij niet meer over een vergunning voor de opslag van vuurwerk beschikt, ook geen vuurwerk meer kan verkopen, en dat zij, gelet op het feit dat de verkoop van vuurwerk haar hoofdactiviteit is, de periode van een gewone schorsingsprocedure niet meer zou kunnen overbruggen. Bovendien wijst zij erop dat het grootste deel van de verkoop van vuurwerk bestemd is voor de feesten tijdens de maand december (Kerstmis, oudjaar en nieuwjaar), verkoop die vanaf september een aanvang neemt. 2.2.
  11. Uit de door de verzoekende partij voorgelegde stukken blijkt dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ook op korte termijn haar voortbestaan ernstig in het gedrang kan brengen. Het verzoekschrift werd ingediend op 6 augustus 2008, dit is twee dagen nadat het bestreden besluit aan de verzoekende partij werd betekend, zodat zij ook met de voor een procedure bij uiterst dringende noodzakelijkheid vereiste spoed heeft gehandeld. 2.2.
  12. In de gegeven omstandigheden is de uiterst dringende noodzakelijkheid afdoende verantwoord. 2.
  13. Ernstig middel 2.3.
  14. In een eerste middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2, 4/ van de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur, van artikel 3, 4/ van de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten, van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de IX-6008-4/11 bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid van het materieel motiveringsbeginsel en de zorgvuldigheidsplicht. “Doordat in de bestreden beslissing wordt gesteld dat het beroep onontvankelijk is vermits het beroep een dag te laat verzonden is. Terwijl art. 2.4/ van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bepaalt dat - met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de federale administratieve overheden - elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een federale administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen en dat bij ontstentenis de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt. En terwijl art. 3.4/ van de Wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten bepaalt dat - met het oog op een duidelijke en objectieve voorlichting van het publiek over het optreden van de provinciale en gemeentelijke administratieve overheden - elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een provinciale of gemeentelijke administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een besuuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties hij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen vermeldt en dat bij ontstentenis de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt. En terwijl art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen vereist dat de bestuurshandelingen de juridische en feitelijke overwegingen vernielden die aan de grondslag van de beslissing liggen en dat deze afdoende zijn. En terwijl het materieel motiveringsbeginsel inhoudt dat een overheidsbeslissing gemotiveerd wordt met begrijpelijke motieven die juridisch en feitelijk correct zijn en die voldoende draagkrachtig zijn om de beslissing te schragen. En terwijl de zorgvuldigheidplicht onder meer vereist dat de overheid zorgvuldig handelt bij de voorbereiding van de beslissing. b. Toelichting bij het middel Ten onrechte oordeelde de verwerende partij dat het beroep een dag te laat verzonden is vermits het de elfde dag na de aanplakking is verzonden, waarbij zij verwijst naar art. 29 van het KB van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen. (hierna genoemd het KB van 23 september 1958) (...) Art. 29 van het KB van 23 september 1958 bepaalt weliswaar dat de belanghebbenden tegen de beslissing tot intrekking of schorsing der vergunning beroep instellen op de wijze bepaald in art. 23 en art. 23 bepaalt dat van het hoger beroep kennis moet worden gegeven bij aangetekende brief, te verzenden binnen tien dagen na aanplakking van de beslissing. Zowel de beslissing van de Bestendige Deputatie als het begeleidend schrijven waarbij deze beslissing wordt meegedeeld vermelden echter dat het beroep dient aangetekend te worden binnen de 10 dagen te rekenen vanaf de datum van betekening door de Stad Maaseik. (...) De verzoekende partij citeert: ‘Artikel 3 Al de belanghebbenden kunnen een beroep instellen bij de Koning tegen deze beslissing. Het beroep moet worden ingesteld bij aangetekende brief die binnen 10 dagen na de eerste dag van aanplakking van de beslissing wordt gezonden IX-6008-5/11 aan FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid, North Gate III Koning Albert II-Laan te 1000 Brussel. Indien het beroep van de aanvrager uitgaat moet het vergezeld zijn van het bewijs van storting van de som van 37,18 euro op postrekening nr. 679-2005871-08 van de FOD Economie, KMO, Middenstand en Energie en moet het worden ingediend onder dezelfde modaliteiten, doch binnen de tien dagen te rekenen vanaf de datum dat het besluit hem wordt betekend.’ (...) ‘Dit besluit zal u overeenkomstig artikel 21 van het KB van 23 September 1958 houdende het algemeen reglement op de springstoffen, door het college van burgemeester en schepenen betekend worden. U kan beroep aantekenen tegen deze beslissing bij aangetekende brief die binnen de tien dagen te rekenen vanaf de datum van betekening moet worden gezonden aan de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid, North Gate III Koning Albert II-Laan 18 te 1000 Brussel’. (...) De verzoekende partij heeft deze termijn gerespecteerd: De beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Limburg werd aan verzoekende partij betekend per aangetekende zending gedateerd 9 mei 2008 doch pas aangetekend verzonden door de diensten van de stad Maaseik op 14 mei 2008 en ontvangen door de NV Wimmers-Hermans op 15 mei 2008 (...) en het beroep werd aangetekend middels aangetekend schrijven van 20 mei
  15. (...) Art. 3.4/ van de Wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten bepaalt dat elk document waarmee een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking uitgaande van een provinciale of gemeentelijke administratieve overheid ter kennis wordt gebracht van een bestuurde, de eventuele beroepsmogelijkheden, de instanties bij wie het beroep moet worden ingesteld en de geldende vormen en termijnen vermeldt en dat bij ontstentenis de verjaringstermijn voor het indienen van het beroep geen aanvang neemt. Art 2.4/ van de Wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur bevat een gelijkaardige bepaling. Indien een ontstentenis van kennisgeving van de termijnen van beroep leidt tot het niet aanvangen van de beroepstermijnen, geldt zulks evenzeer in geval van een meedelen van een niet correcte beroepstermijn. De beroepstermijn was derhalve nog niet beginnen lopen, minstens dient vastgesteld te worden dat het beroep werd ingediend binnen de aan verzoekende partij meegedeelde termijn. Een en ander klemt des te meer daar de verwerende partij duidelijk op de hoogte is van het feit dat de verzoekende partij verkeerd werd geïnformeerd door de Bestendige Deputatie. In de bestreden beslissing wordt de kwestieuze passage uit de beslissing van de Bestendige Deputatie letterlijk geciteerd. (...) De verwerende partij heeft derhalve ten onrechte beslist tot laattijdigheid van het beroep, op straffe van miskenning van de hiervoor aangehaalde bepalingen”. 2.3.
  16. Artikel 29 van het koninklijk besluit van 23 september 1958 houdende algemeen reglement betreffende het fabriceren, opslaan, onder zich houden, verkopen, vervoeren en gebruiken van springstoffen (hierna: het algemeen reglement springstoffen) bepaalt dat belanghebbenden tegen de beslissing tot intrekking van de vergunning een beroep kunnen instellen op de wijze bepaald in IX-6008-6/11 artikel
  17. Dit laatste artikel bepaalt dat tegen beslissingen die de deputatie in eerste aanleg heeft genomen, een beroep kan worden ingesteld bij de Koning, en dat van het hoger beroep kennis moet worden gegeven bij aangetekende brief, te verzenden binnen tien dagen na de aanplakking van de beslissing. Wat de verplichte vermeldingen inzake beroepstermijnen betreft, lijkt de wet van 11 april 1994 betreffende de openbaarheid van bestuur niet van toepassing te zijn, aangezien de intrekkingsbeslissing en de betekening ervan niet uitgaan van een federale administratieve overheid. Voor alle provinciale en gemeentelijke administratieve overheden gold tot voor kort de wet van 12 november 1997 betreffende de openbaarheid van bestuur in de provincies en gemeenten. Gelet op de overdracht van de bevoegdheid inzake lokale besturen aan de Gewesten, vallen de provinciale en gemeentelijke administratieve overheden in het Vlaams Gewest thans onder het toepassingsgebied van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur, dat in zijn artikel 35 een gelijkaardige bepaling bevat inzake de verplichte vermelding van beroepstermijnen, welke luidt als volgt: “Een beslissing of een administratieve handeling met individuele strekking, die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of voor een ander bestuur, wordt slechts geldig ter kennis gebracht als tevens de beroepsmogelijkheden en de modaliteiten van het beroep worden vermeld. Bij ontstentenis daarvan neemt de termijn voor het indienen van het beroep geen aanvang”. Aangezien er op het eerste gezicht geen twijfel bestaat omtrent het beginsel waarop de verzoekende partij zich heeft willen beroepen, lijkt het middel te moeten worden geacht mede te zijn afgeleid uit de schending van laatstgenoemde bepaling. In casu werd de intrekkingsbeslissing van de deputatie niet alleen aangeplakt, maar ook betekend aan de verzoekende partij. Artikel 3 van het besluit van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 30 april 2008 bepaalt: “Al de belanghebbenden kunnen een beroep instellen bij de Koning tegen deze beslissing. Het beroep moet worden ingesteld bij aangetekende brief die binnen tien dagen na de eerste dag van aanplakking van de beslissing wordt gezonden aan FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid, North Gate III Koning Albert II-laan 16 te 1000 Brussel. Indien het beroep van de aanvrager uitgaat moet het vergezeld zijn van het bewijs van storting van de som van 37,18 euro op postrekening nr. 679-2005871-08 van de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie IX-6008-7/11 en moet het worden ingediend onder dezelfde modaliteiten, doch binnen tien dagen te rekenen vanaf de datum dat het besluit hem wordt betekend”. Bij de brief van de stad Maaseik, gedagtekend 9 mei 2008 en ter post aangetekend verzonden op 14 mei 2008, waarbij de beslissing tot intrekking van de vergunning aan de verzoekende partij werd betekend, is tevens een kennisgevingsbrief van de deputatie aan de verzoekende partij gevoegd, welke vermeldt wat volgt: “U kan beroep aantekenen tegen deze beslissing bij aangetekende brief die binnen de tien dagen te rekenen vanaf de datum van betekening moet worden gezonden aan de FOD Economie, K.M.O., Middenstand en Energie, Algemene Directie Kwaliteit en Veiligheid, North Gate III Koning Albert II-laan 16 te 1000 Brussel”. Met een op 20 mei 2008 ter post aangetekende brief heeft de verzoekende partij tegen de intrekkingsbeslissing van de deputatie beroep ingesteld bij de Koning. Het bestreden besluit verklaart, na te hebben verwezen naar artikel 23, derde lid van het algemeen reglement springstoffen, naar artikel 3 van het besluit van de deputatie en het vermelde in de brief van de deputatie waarbij haar besluit werd betekend: “Overwegende dat de aanplakking vermeldt dat de uiterste datum van indienen van het beroep 19 mei 2008 is; Overwegende dat voornoemd beroepschrift is ingediend namens de NV Wimmers-Hermans door Advocaten De Gendt & Partners op 20 mei 2008, per aangetekend schrijven van dinsdag 20 mei 2008 met ontvangstbewijs (...); Overwegende dat voormeld beroepschrift stelt dat de aangetekende zending van de stad Maaseik, gedateerd op 09/05/2008, doch verzonden door de stad Maaseik op 14/05/2008, ontvangen is door de NV Wimmers-Hermans op 15/05/2008; Overwegende dat de heer De Gendt, raadsman van de NV Wimmers- Hermans, in zijn brief van 24 juni 2008, stelt dat zijn cliënte per aangetekende zending met ontvangstbewijs dd. 20.05.2008 beroep heeft ingesteld bij de bevoegde administratie, dit tegen de voormelde beslissing van 30.04.2008 van de deputatie van de provincie Limburg en dat cliënte derhalve tijdig beroep aangetekend heeft tegen de vermelde beslissing; Overwegende dat van het hoger beroep kennis moet worden gegeven bij aangetekende brief, te verzenden binnen tien dagen na aanplakking van de beslissing; Overwegende dat het beroep de elfde dag na aanplakking verzonden is; Overwegende dat het beroep een dag te laat verzonden is”. Het bestreden besluit gaat er derhalve impliciet maar zonder dat hierover twijfel kan bestaan van uit dat de beslissing van de deputatie en de IX-6008-8/11 betekening ervan aan de houder van de vergunning verkeerde vermeldingen bevatten omtrent de beroepsmodaliteiten. Een verkeerde vermelding van de beroepsmodaliteiten dient te worden gelijkgesteld met een gebrek aan vermelding en is aldus onderworpen aan dezelfde sanctie, met name dat de beroepstermijn niet is ingegaan. De verwerende partij had dan ook op het eerste gezicht dienen te besluiten dat het beroep tegen de intrekkingsbeslissing “ratione temporis” ontvankelijk was. Bovendien moet worden vastgesteld dat in casu de “Bekendmaking” van de intrekkingsbeslissing van de deputatie wat de “Gegevens met betrekking tot de beroepsmogelijkheden” betreft, vermeldt: “Tegen deze beslissing kan beroep worden ingediend bij Koning De procedure wordt bepaald door het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning Het beroep kan worden ingediend door • elke natuurlijke of rechtspersoon die tengevolge van de vestiging en de exploitatie van de inrichting rechtstreeks hinder kan ondervinden • elke rechtspersoon die zich de bescherming van het leefmilieu statutair tot doel heeft gesteld, ten minste vijf jaar rechtspersoonlijkheid bezit en in zijn statuten het grondgebied omschreven heeft tot waar zijn bedrijvigheid zich uitstrekt De uiterste datum voor indienen van het beroep is 19/05/08”. De vergunninghouder wordt hierin niet vermeld, zodat ook niet dient te worden ingegaan op de vraag of de aanplakking zelf ten aanzien van de verzoekende partij als een geldige kennisgeving in de zin van voormeld artikel 35 van het decreet van 26 maart 2004 betreffende de openbaarheid van bestuur kan worden aanzien. Het middel is ernstig. 2.
  18. Over het moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.4.
  19. Wat de voorwaarde inzake het moeilijk te herstellen ernstig nadeel betreft, voert de verzoekende partij aan dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat zij niet meer beschikt over een vergunning voor de opslag van vuurwerk en dat zij bijgevolg ook geen vuurwerk meer kan verkopen, terwijl dit voor de boekjaren 2006 en 2007 respectievelijk 62,32 % en 64,11 % van haar omzet uitmaakte, zoals blijkt uit de ter staving hiervan neergelegde documenten. Het niet meer kunnen verkopen van vuurwerk zou tot gevolg hebben dat haar voortbestaan in gevaar wordt gebracht. IX-6008-9/11 2.4.
  20. Uit de gegevens die de verzoekende partij voorlegt blijkt dat de bestreden beslissing tot gevolg heeft dat zij in België niet langer over een vergunde opslagplaats voor vuurwerk beschikt en zij een groot deel van haar omzet dreigt te verliezen. Op grond van de voorgelegde stukken kan worden aangenomen dat haar financiële situatie en derhalve haar voortbestaan ingevolge het bestreden besluit ernstig in het gedrang kunnen komen, en dat het nadeel derhalve meer is dan een louter financieel nadeel. 2.4.
  21. De door de verzoekende partij gegeven uiteenzetting bevat afdoende concrete en precieze gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2.
  22. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat is voldaan aan de door artikel 17, §§ 1 en 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid te bevelen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  23. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid van het koninklijk besluit van 24 juli 2008 dat het beroep tegen de beslissing van de deputatie van de provincieraad van Limburg van 30 april 2008 waarbij het besluit van 22 juli 1982, gewijzigd op 10 december 1987, 15 maart 1995 en 21 december 1995, waarbij aan de n.v. WIMMERS-HERMANS een vergunning klasse I wordt afgegeven om op een perceel gelegen te Maaseik, Schoorstraat 7-9, kadastraal bekend sectie A, nrs. 2019/b2 en 2019/c2 een opslagplaats voor feest- en spektakelvuurwerk met een inhoud van 6025 kg pyrotechnische sas erin vervat uit te baten wordt ingetrokken, niet ontvankelijk verklaart. IX-6008-10/11 Artikel
  24. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op twaalf augustus 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. J. BOVIN. IX-6008-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.649 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.194.329 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.