id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.807 Rolnummer: A. 139092/VII-30358 Zaak: Arrest 185807 - Milieuvergunningen - 28/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:28 Fiche Arrest nr 185.807 van 28 augustus 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.807 van 28 augustus 2008 in de zaak A. 139.092/VII-30.
- In zake :
- de BVBA SOKARE,
- Emile RENIERS, die woonplaats kiezen bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
- tussenkomende partijen :
- Noël PONCELET,
- Odette SENTE, die woonplaats kiezen bij advocaat G. KINDERMANS, kantoor houdende te HEERS, Steenweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA SOKARE en Emile RENIERS op14 juli 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 13 mei 2003 waarbij het beroep ingesteld door Emile RENIERS tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 27 februari 2003, houdende wijziging van de exploitatievoorwaarden van een carwash-installatie, gelegen aan de Entbroekstraat 12 te Borgloon, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 125.755 van 27 november 2003 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-30.358-1/8 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partijen; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 februari 2004; Gelet op de beschikking van 19 februari 2004 die de tussenkomst van Noël PONCELET en Odette SENTE toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 2 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2008; gelet op het feit dat de zaak op deze zitting werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 12 juni 2008, waarop de zaak volledig wordt hernomen, gelet op de nieuwe samenstelling van de zetel; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. ANTHIERENS die, loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-30.358-2/8 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De BVBA SOKARE, eerste verzoekende partij, exploiteert sinds mei 2001 een "self-carwash", gelegen aan de Entbroekstraat 12 te Borgloon (Hoepertingen). Het gaat om een onbemande wasinstallatie, voorzien van een jetonautomaat, waarbij de gebruikers zelf instaan voor het reinigen van hun voertuig, bestaande uit twee wasboxen en één "open wasstraat". De vereiste milieuvergunning wordt bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 25 november 1999 verleend op naam van Emile RENIERS, zaakvoerder van de BVBA SOKARE en thans tweede verzoeker. In artikel 5 van voormeld besluit wordt bepaald dat de carwash, in afwijking van artikel 5.15.0.6 van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), enkel geopend mag zijn tussen 7.00 u en 20.00 u. De inrichting zoals ze thans bestaat omvat vier wasboxen , terwijl slechts twee wasboxen en één "open wasstraat" initieel vergund werden. Deze toestand werd, ondanks aanvragen van de exploitant, niet geregulariseerd. Bij besluit van 19 juni 2002 heeft de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg aan de exploitant de toelating geweigerd om het openingsuur te verlengen tot 22.00 u. 1.
- Met een op 12 juli 2002 gedagtekend schrijven dienen de tussenkomende partijen, die vlak naast de inrichting wonen, op grond van artikel 45, § 1, 4/, van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg een verzoek in om de in de lopende milieuvergunning opgelegde voorwaarden te wijzigen of aan te vullen. Meer bepaald vragen de aanpalende buren dat de inrichting voortaan gesloten zou worden op zon- en feestdagen en dat op de dagen van exploitatie een openingstijd van 8.00 u tot 19.00 u in acht zou worden genomen. Het verzoek tot wijziging van de exploitatievoorwaarden wordt gemotiveerd door de overmatige geluidshinder die door de carwash wordt teweeggebracht, hinder die nog wordt versterkt doordat de exploitant, ondanks diverse aanmaningen, de in de milieuvergunning opgelegde sluitingstijden niet respecteert en een gedeelte van de inrichting zonder de vereiste milieuvergunning uitbaat. VII-30.358-3/8 1.
- Bij besluit van 27 februari 2003 gaat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg grotendeels in op het verzoek van de omwonenden. De exploitatievoorwaarden, opgelegd in artikel 5, § 2, van de lopende vergunning van 25 november 1999, worden namelijk in die zin gewijzigd dat de vergunde activiteiten enkel nog mogen plaatsvinden van 7.00 u tot 19.00 u en verboden worden op zon- en feestdagen. 1.
- Op 11 maart 2003 stelt tweede verzoeker, zaakvoerder van de eerste verzoekende partij, bij de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw beroep in tegen voormeld besluit van 27 februari
- Het standpunt van de houder van de milieuvergunning komt er, samengevat, op neer dat de klachten van de tussenkomende partijen sterk overdreven zijn en dat die klachten dan ook geen concrete aanleiding kunnen vormen om de exploitatievoorwaarden in strengere zin te wijzigen. 1.
- Op 27 maart 2003 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen principieel gunstig over de bestaanbaarheid van de inrichting met de gewestplanbestemming woongebied. De afdeling Milieuvergunningen stelt op 17 april 2003 voor om het beroep ongegrond te verklaren en de beroepen beslissing te bevestigen. 1.
- Met het bestreden besluit van 13 mei 2003 van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw wordt het beroep ongegrond verklaard en wordt de beroepen beslissing integraal bevestigd. Het besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat uit het schrijven van 13 januari 2002, uitgaande van de exploitant, gericht aan het stadsbestuur van Borgloon ter kennis werd gebracht dat een akoestisch onderzoek zou uitgevoerd worden voor de exploitatie van de bestaande inrichting; dat met schrijven van 18 januari 2002, uitgaande van SGS Ecocare NV en gericht aan het gemeentebestuur van de stad Borgloon, ter kennis werd gebracht dat een offerteaanvraag werd opgesteld voor het uitvoeren van een volledig akoestisch onderzoek; dat dit onderzoek zou plaatsvinden in januari 2002; dat de resultaten van dit onderzoek echter nooit werden overgemaakt; dat bijgevolg niet kan geoordeeld worden dat de richtwaarde overdag van 45 dB(A) zowel als 's avonds 40 dB(A) wordt gehaald; dat de exploitant deze gegevens ook niet heeft bijgevoegd in het beroepschrift; Overwegende dat de aanspraken aangehaald door de beroepsindiener als volgt kunnen worden geëvalueerd : • de ingebrachte argumenten geven geen duidelijke bewijsvoering weer dat de richtwaarde voor het geluid wordt gehaald zowel overdag als 's avonds ten gevolge van de exploitatie van de bestaande carwash-installatie". VII-30.358-4/8
- De ontvankelijkheid Tweede verzoeker, Emile RENIERS, heeft als zaakvoerder van de eerste verzoekende partij, de BVBA SOKARE die de uitbater is van de inrichting, niet de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Het beroep is in zijnen hoofde onontvankelijk.
- Ten gronde 3.
- De (eerste) verzoekende partij voert als enig middel de schending aan van artikel 21 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning, van artikel 45, § 1, van Vlarem I, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het zorgvuldigheids-beginsel, de motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel, het redelijkheids-beginsel en het beginsel "patere legem quem ipse fecisti", middel dat ten slotte mede genomen wordt uit machtsoverschrijding : "DOORDAT in de bestreden beslissing wordt overwogen dat de exploitant geen duidelijke bewijsvoering bijbrengt waaruit blijkt dat de richtwaarde voor het geluid wordt gehaald zowel overdag als 's avonds tengevolge van de exploitatie zodat de wijziging van de voorwaarden dient bevestigd te worden. TERWIJL de bestreden beslissing had rekening dienen te houden met de in het verleden verleende definitieve vergunningen. EN TERWIJL de overheid bij gemotiveerde beslissing de in de lopende vergunning opgelegde voorwaarden kan wijzigen of aanvullen. EN TERWIJL een overheid haar beslissing afdoende dient te motiveren op basis van een zorgvuldig onderzoek van de feiten. EN TERWIJL de overheid bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en consistent moet tewerk gaan. EN TERWIJL de overheid zich bij het nemen van beslissingen moet baseren op bestaande en relevante feiten. EN TERWIJL verweerster de argumentatie van verzoekers niet vermocht compleet te negeren. EN TERWIJL de burger mag vertrouwen op een consistent beslissingspatroon in hoofde van de overheid. EN TERWIJL nergens wordt duidelijk gemaakt waarom juist deze gewijzigde vergunningsvoorwaarden worden opgelegd. ZODAT de beslissing de in het middel aangehaalde wetsbepalingen en beginselen schendt". In de eerste plaats is de verzoekende partij van oordeel dat het standpunt dat de verwerende partij thans heeft ingenomen over de geluids- problematiek, op een onaanvaardbare wijze "afwijkt" van de beoordeling van de initiële milieuvergunningsaanvraag die tot een positieve beslissing heeft geleid, meer bepaald de (basis)vergunning van 25 november
- VII-30.358-5/8 Zij betoogt verder, samengevat, dat bij het nemen van de bestreden beslissing ten onrechte geen rekening werd gehouden met de in het verleden verleende vergunningen die definitief zijn geworden en waarin werd gesteld dat de exploitatie de reeds bestaande geluidshinder ter plaatse niet zal overstijgen, dat de wijziging van de lopende vergunningsvoorwaarden niet afdoende werd gemotiveerd door in de motivering van het bestreden besluit louter te poneren dat niet vaststaat dat de geldende richtwaarden inzake geluid tijdens de exploitatie kunnen worden nageleefd, dat de beslissing van de verwerende partij niet steunt op een zorgvuldig en consistent onderzoek dat rekening houdt met alle relevante feitelijke gegevens, waaronder de verklaringen van andere buurtbewoners en een politie-inspecteur, dat de argumenten die zij in het kader van de beroepsprocedure naar voor bracht volledig werden genegeerd en, ten slotte, dat volledig afbreuk werd gedaan aan een "consistent beslissingspatroon in hoofde van de overheid" waarop zij mocht vertrouwen. 3.
- De verwerende en de tussenkomende partijen stellen in essentie dat de bestreden beslissing afdoende is gemotiveerd en niet kennelijk onredelijk is. 3.
- De basisvergunning van 25 november 1999 werd verleend op grond van de "verwachting" van de vergunningverlenende overheid dat de hinder van de inrichting tot aanvaardbare proporties beperkt zou blijven mits naleving van de opgelegde exploitatievoorwaarden. In dit besluit wordt namelijk overwogen dat "verwacht mag worden dat de exploitatie de reeds bestaande geluidshinder van de Sint-Truidersteenweg niet zal overstijgen". De beoordeling van de hinderlijkheid van de inrichting op het ogenblik dat uitspraak wordt gedaan over de vergunningsaanvraag, impliceert niet dat de vergunningverlenende overheid door die beoordeling gebonden is gedurende de volledige geldigheidsduur van de verleende vergunning. De bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg, die een vergunning verleende voor een installatie met twee wasboxen en één "open wasstraat", heeft zich toen uiteraard niet uitgesproken over een carwash-installatie, die, zoals de huidige, bestaat uit vier wasboxen. De verwijzing door de verzoekende partij naar de vergunning van 25 november 1999 en de adviezen die in het kader van die vergunningsaanvraag werden verleend, is dan ook volstrekt irrelevant. Noch het vertrouwens-, noch het rechtszekerheidsbeginsel zijn dan ook geschonden. Het enige wat bij de beoordeling van de huidige aanvraag relevant is, is of de overheid wettig en op een niet-kennelijk onredelijke wijze tot de beslissing is kunnen komen dat er overmatige hinder is. De verzoekende partij toont VII-30.358-6/8 niet aan dat de bestreden beslissing onwettig of kennelijk onredelijk is. Het feit dat slechts één omwonende klachten zou hebben bewijst het tegendeel niet. De loutere verklaring van de politie-inspecteur, waarvan de verzoekende partij gewag maakt, toont evenmin aan dat er geen geluidshinder zou zijn. Krachtens artikel 5.15.0.6 van Vlarem II, dat van toepassing is op de betrokken inrichting, zijn rustverstorende werkzaamheden verboden op werkdagen tussen 19 uur en 7 uur alsmede op zon- en feestdagen, tenzij anders vermeld in de milieuvergunning. Door als bijkomende voorwaarde de sluiting op zon- en feestdagen op te leggen, legt de bestreden beslissing niet meer op dan wat door Vlarem II als normaal wordt vooropgesteld. Van de bijzondere vergunnings- voorwaarden die volledig aansluiting vinden bij een in Vlarem II opgenomen regeling, kan bezwaarlijk gesteld worden dat ze voortspruiten uit de onredelijkheid van de bevoegde vergunningverlenende overheid. In essentie worden de standpunten van de exploitant van de inrichting niet bijgevallen omdat niet aangetoond is dat de richtwaarden voor geluid overdag en 's avonds kunnen worden gerespecteerd. De opgegeven motivering is zowel deugdelijk als afdoende. Door het behoud na te streven van een regeling waarbij de exploitatie van een hinderlijke inrichting wordt toegelaten tot 20.00 u, inclusief op zon- en feestdagen, wenst de verzoekende partij aanspraak te maken op een regeling die nadeliger is voor de omwonenden dan hetgeen als algemene norm wordt vooropgesteld door artikel 5.15.0.6 van Vlarem II. In dergelijke omstandigheden mag van de exploitant verwacht worden dat hij inderdaad aantoont dat de richtwaarden inzake geluid worden nageleefd, temeer omdat de verzoekende partij eertijds zelf heeft aangekondigd dat met betrekking tot de inrichting een volledig akoestisch onderzoek zou worden uitgevoerd, wat echter nooit werd gerealiseerd. Het middel is, gelet op wat voorafgaat, niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-30.358-7/8 Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. De kosten van de tussenkomsten, bepaald op 250 euro, komen ten laste van de tussenkomende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig augustus tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-30.358-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.807 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2003:ARR.125.755 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div