id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.808 Rolnummer: A. 139398/VII-30391 Zaak: Arrest 185808 - Milieuvergunningen - 28/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-04 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:28 Fiche Arrest nr 185.808 van 28 augustus 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.808 van 28 augustus 2008 in de zaak A. 139.398/VII-30.391. In zake : 1. de BVBA SOKARE, 2. Emile RENIERS, die woonplaats kiezen bij advocaat C. GYSEN, kantoor houdende te MECHELEN, Antwerpsesteenweg 18 tegen : de deputatie van de provincie Limburg. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de BVBA SOKARE en Emile RENIERS op18 juli 2003 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 21 mei 2003 waarbij het beroep ingesteld door Emile RENIERS tegen de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon van 15 januari 2003, houdende weigering van de milieuvergunning om een vergunde carwash, gelegen aan de Entbroekstraat 12 te Borgloon, uit te breiden met een vierde wasbox, niet wordt ingewilligd en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de beschikking van 17 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; VII-30.391-1/9 Gelet op de beschikking van 9 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 mei 2008; gelet op het feit dat de zaak op deze zitting werd uitgesteld naar de openbare terechtzitting van 12 juni 2008, waarop de zaak volledig wordt hernomen, gelet op de nieuwe samenstelling van de zetel; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. ANTHIERENS die, loco advocaat C. GYSEN verschijnt voor de verzoekende partijen, en van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De BVBA SOKARE, eerste verzoekende partij, exploiteert sinds mei 2001 een "self-carwash" aan de Entbroekstraat 12 te Borgloon (Hoepertingen). Het gaat om een onbemande wasinstallatie, voorzien van een jetonautomaat, waarbij de gebruikers zelf instaan voor het reinigen van hun voertuig. De vereiste milieuvergunning wordt bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 25 november 1999 verleend op naam van Emile RENIERS, zaakvoerder van de BVBA SOKARE en thans tweede verzoeker, voor twee wasboxen en één "open wasstraat". Uit de gegevens van de zaak blijkt dat er vier wasboxen werden opgericht. De stedenbouwkundige regularisatievergunning voor het oprichten van een vierde (overdekte) wasbox en voor het overdekken van de andere open wasbox wordt verleend door een besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 14 juni 2001. 1.2. Op 29 oktober 2002 dient tweede verzoeker bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Borgloon een aanvraag in voor de verandering van de vergunde carwash, door uitbreiding met een vierde wasbox. VII-30.391-2/9 1.3. Bij besluit van 15 januari 2003 weigert het college van burge- meester en schepenen van de stad Borgloon de gevraagde milieuvergunning. Het college is van oordeel dat de carwash in stedenbouwkundig opzicht niet thuishoort in een woongebied. 1.4. Met een op 19 februari 2003 aangetekend verstuurd schrijven stelt tweede verzoeker bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg beroep in tegen voormeld besluit van 15 januari 2003. 1.5. In het kader van de beroepsprocedure worden verschillende adviezen uitgebracht : (
- a)op 13 maart 2003 verleent de afdeling Ruimtelijke Ordening gunstig advies over de vergunningsaanvraag; de aanvraag zou namelijk verenigbaar zijn met de geldende stedenbouwkundige voorschriften; (
- b)de afdeling Milieuvergunningen brengt op 25 maart 2003 ongunstig advies uit over de gevraagde uitbreiding met een vierde wasbox, omdat zulks zou leiden tot een toename van de geluidshinder voor de omwonenden; (
- c)door de Provinciale Milieuvergunningscommissie wordt op 28 april 2003 voorgesteld om het beroep van tweede verzoeker ongegrond te verklaren en de in eerste aanleg genomen beslissing tot weigering van de beoogde milieuvergunning te bevestigen. 1.6. Met een besluit van 21 mei 2003 verklaart de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg het beroep van tweede verzoeker ongegrond en wordt de beroepen beslissing bevestigd. Dit besluit is als volgt gemotiveerd : "Overwegende dat uit onderzoek blijkt dat de milieuvergunningsaanvraag voor de vierde wasbox vrij summier en onduidelijk is opgesteld; dat in bijlage 1 van de aanvraag alle rubrieken uit de vergunning van 25 november 1999 zijn vermeld, waaronder eveneens rubrieken waarin geen veranderingen gebeuren; dat omtrent de reeds vergunde rubrieken (overbodige) technische informatie van de installatie en producten is bijgevoegd; dat daarentegen in verband met de preventieve voorzieningen er in deze aanvraag geen enkele informatie werd bijgevoegd; dat, gezien de bestaande problematiek omtrent mogelijke hinder van de carwash, deze elementen onontbeerlijk zijn om de uitbreiding met een vierde wasbox te verantwoorden; dat het aspect geluid in het verleden steeds een belangrijk element is geweest bij de beoordeling van het dossier; dat de exploitant tijdens de hoorzitting heeft verklaard dat er geen geluidsmetingen uitgevoerd zijn (omwille van de kostprijs); dat dit verwonderlijk is gezien er tijdens de behandeling van het verzoek tot wijziging voorwaarden, ingediend door de exploitant op 27 februari 2002, sprake was van geluidsmetingen die de exploitant op vraag van de gemeente zou hebben laten uitvoeren eind januari 2002, gedurende 3 dagen (van dinsdagavond tot donderdagvoormiddag); dat er evenmin geluidsmetingen, uitgevoerd door de toezichthoudende overheid, VII-30.391-3/9 bekend zijn; dat de bestendige deputatie bij het verlenen van de vergunning d.d. 1999-11-25 reeds rekening heeft gehouden met het feit dat deze inrichting hinderlijk kon zijn voor de omgeving en bijgevolg de openingsuren heeft verstrengd, nl. open tussen 07.00 uur en 20.00 uur; dat deze openingsuren nog werden verstrengd door de bestendige deputatie bij besluit van 27 februari 2003, nl. open van 07.00 uur tot 19.00 uur en gesloten op zon- en feestdagen; dat de exploitant tegen dit besluit schorsend beroep heeft ingesteld bij de Minister, die tot op heden nog geen uitspraak heeft gedaan; Overwegende dat de argumenten van het schepencollege wat betreft de ruimtelijke en stedenbouwkundige aspecten niet worden bijgetreden; dat deze inrichting ter plaatse niet strijdig is met de stedenbouwkundige voorschriften; dat echter, bij de beoordeling van het milieudossier, rekening moet gehouden worden met de ligging van de carwash in 'woongebied met landelijk karakter'; dat de woonkwaliteit voor de omwonenden dient gevrijwaard te blijven; dat in het verleden reeds herhaaldelijk werd gewezen op het hinderlijk karakter van de industriële stofzuigers t.o.v. de aanpalende geburen, die hiervan onvermijdelijk hinder ondervinden; dat in het besluit van de bestendige deputatie d.d. 27 februari 2003 eveneens werd gewezen op het feit dat een verplaatsing van de stofzuigers een mogelijke oplossing zou bieden voor de geluidshinder; dat hieromtrent nog steeds geen stappen werden ondernomen en er geen milderende maatregelen werden getroffen door de exploitant; dat nochtans uit de aanvullende stukken, neergelegd tijdens de hoorzitting door de beroeper, blijkt dat de exploitant op de hoogte is van het lawaaierig karakter van de stofzuiginstallatie: 'dat ik er geen enkel probleem met heb, om indien nodig deze stofzuigers te sluiten, want deze zijn toch het probleem van de hele situatie (combinatie 'stofzuigen en radio'), uiteraard als mijn vergunning niet veranderd wordt'; Overwegende dat de beroeper verklaart dat de afstand tot (
- de)woning van de klagers (Poncelet-Sente) groter is dan de afstand tot de overliggende buur (Ramaeckers-Jacobs), die verklaart geen hinder te ondervinden van de exploitatie; dat dit wordt aangetoond aan de hand van een situatieplan (34,728 m t.o.v. 25,069 m); dat het echter niet opgaat om de afstand te meten vanaf de verst gelegen open wasbox tot de woning van de klagers en te vergelijken met de afstand t.o.v. de dichtstbijgelegen open wasbox tot de overliggende buur; dat de afstand tot de gehele exploitatie (inclusief stofzuiginstallatie, in- en uitrit e.d.) in aanmerking moet genomen worden bij het beoordelen van het dossier; dat niet kan ontkend worden dat de woning van de klagers op zeer korte afstand van de carwash is gelegen; dat de woningen van de voorstanders van de carwash gelegen zijn aan de overzijde van de Entbroekstraat en de drukke St-Truidersteenweg, waarbij de achtertuinen bij deze woningen nog verder gesitueerd zijn t.o.v. de exploitatie; dat de situatie van deze omwonenden niet kan vergeleken worden met deze van de klagers wiens achtertuin grenst aan de carwash; Overwegende dat de beroeper verwijst naar het gerechtelijk onderzoek en het politieverslag d.d. 19 december 2002 van de heer Rohnny Maes, waarin wordt aangeraden om een milieuvergunning te verlenen voor de vierde wasbox, om volgende overwegingen: 'indien men de vierde wasbox zou sluiten betekent dit dat de rij wachtenden langer wordt en hinder gaat veroorzaken op de Entbroekstraat en voornamelijk ter hoogte van de woning Poncelet. Een langere rij wachtenden met draaiende motor betekent meer milieuvervuiling. Indien men de wascapaciteit met 25 % gaat verminderen gaat de wastijd in evenredigheid toenemen hetgeen meer overlast zou veroorzaken'; dat het advies eveneens vermeldt dat er momenteel reeds 4 wasboxen operationeel zijn en dat het probleem zich vooral stelt op zaterdagnamiddag en zondagvoormiddag bij goed weer; dat er dan vier wasboxen gelijktijdig in VII-30.391-4/9 gebruik zijn en er regelmatig wachtenden zijn, uitzonderlijk op de Entbroekstraat; Overwegende dat de hierboven vermelde argumentatie niet kan bijgetreden worden omdat dit immers getuigt van een omgekeerde redenering; dat door geruime tijd te exploiteren met vier wasboxen (i.p.v. met 3 vergunde) een bepaalde hoeveelheid cliënteel werd opgebouwd; dat het evident is dat het exploiteren met 3 boxen i.p.v. 4 in de aanvangsfase een langere rij wachtenden zal veroorzaken; dat het niet optreden door de bevoegde toezichthoudende overheid t.o.v. de exploitatie van de vierde wasbox zonder de nodige milieuvergunning dit zelf in de hand heeft gewerkt; dat na verloop van tijd de bijkomende hinder zich weer zal normaliseren tot de normale capaciteit voor 3 wasboxen; dat de bewering dat het operationeel zijn van 3 of 4 wasboxen niet veel verschil uitmaakt in de overlast evenmin wordt bijgetreden; dat immers de ingebruikname van 4 wasboxen i.p.v. 3 resulteert in een groter aantal in- en uitrijdende wagens en een intensiever gebruik van de stofzuigers; Overwegende dat de bestendige deputatie van oordeel is dat bij de exploitatie van een self-carwash, zonder permanente controle, in woongebied en op korte afstand van privé-woningen, er een blijvende aandacht moet besteed worden aan de leefbaarheid in de omgeving; Overwegende dat, rekening houdend met het voorgaande, er voldoende aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten ter plaatse wel degelijk hinder en/of gevaar zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar". 2. De ontvankelijkheid Tweede verzoeker, Emile RENIERS, heeft als zaakvoerder van de eerste verzoekende partij, de BVBA SOKARE die de uitbater is van de inrichting, niet de vereiste hoedanigheid om het beroep tot nietigverklaring in te stellen. Het beroep is in zijnen hoofde onontvankelijk. 3. Ten gronde 3.1. De (eerste) verzoekende partij voert als enig middel de schending aan van artikel 5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, van de "omzendbrief RO/97/05 dd. 29 juli 1997", van artikel 50 van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, alsmede van "het zorgvuldigheidsbeginsel, de motiveringsplicht, het rechtszekerheidsbeginsel en het redelijkheidsbeginsel, het beginsel 'patere legem quem ipse fecisti', als algemene beginselen van behoorlijk bestuur alsmede uit machtsoverschrijding" : VII-30.391-5/9 "DOORDAT in de bestreden beslissing wordt geoordeeld dat er aanwijzingen zijn om aan te nemen dat de uitvoering van de aangevraagde vergunningsplichtige activiteiten wel degelijk gevaar of hinder zullen opleveren voor de buurt en het milieu aldaar. TERWIJL de woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en landbouwbedrijven. EN TERWIJL de bestreden beslissing had rekening dienen te houden met de in het verleden verleende definitieve vergunningen. EN TERWIJL de uitspraak van de Bestendige Deputatie een gemotiveerde beslissing diende te bevatten over de aanspraken van de indieners van het beroep. EN TERWIJL een overheid haar beslissing afdoende dient te motiveren op basis van een zorgvuldig onderzoek van de feiten. EN TERWIJL de overheid bij het nemen van beslissingen zorgvuldig en consistent moet tewerk gaan. EN TERWIJL de overheid zich bij het nemen van beslissingen moet baseren op bestaande en relevante feiten. EN TERWIJL verweerster de argumentatie van verzoekers niet vermocht compleet te negeren. EN TERWIJL de burger mag vertrouwen op een consistent beslissings- patroon in hoofde van de overheid. ZODAT de beslissing de in het middel aangehaalde wetsbepalingen en beginselen schendt". De verzoekende partij stelt dat de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg bij besluit van 14 juni 2001 een stedenbouwkundige vergunning heeft verleend voor het oprichten van een vierde overdekte wasbox, waarbij de verenigbaarheid en bestaanbaarheid met het landelijk woongebied zou zijn beoordeeld. Zij merkt op dat zij voor de overige wasboxen reeds eerder een milieuvergunning heeft verkregen. Zij stelt dat met voorliggende vergunningsaanvraag enkel de "aanpassing van de uitrusting van het bestaande bedrijf aan de vereisten van de economische situatie" wordt beoogd. Zij poneert dat er te dezen een strengere motiveringsplicht zou gelden omdat "een rendabele exploitatie doodgewoon onmogelijk (wordt gemaakt)". Ook beweert zij dat slechts één omwonende in het verleden klachten heeft geformuleerd met betrekking tot de hinderlijkheid van de inrichting. De verzoekende partij verwijst ook naar de voor haar gunstige vaststellingen die een inspecteur van politie heeft uitgedrukt in een verslag van 19 december 2002 en stelt dat de verwerende partij dit verslag niet bij haar besluitvorming heeft betrokken, wat een onzorgvuldigheid is. De verzoekende partij beweert dat het aangewezen was om de hinder te beoordelen na een vergunning op proef. Ook stelt zij dat de overheid "compleet ongemotiveerd" voorbijgaat aan haar voorstel om de stofzuigers te verwijderen. VII-30.391-6/9 3.2. De verwerende partij weerlegt op gedetailleerde wijze de kritiek van de verzoekende partij. Zij stelt dat het verlenen van een stedenbouwkundige vergunning niet meebrengt dat een milieuvergunning moet worden verleend. Zij beklemtoont dat er wel degelijk hinder is, dat het bestreden besluit behoorlijk en afdoende is gemotiveerd en dat de bezwaren van de beroepsindiener wel degelijk werden onderzocht en weerlegd. 3.3. In haar memorie van wederantwoord legt de verzoekende partij de nadruk op de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting, die blijkt uit de reeds verleende stedenbouwkundige vergunning. Ook stelt zij vragen naar de relevantie van de geluidshinder. 3.4. De milieuvergunning werd niet op grond van stedenbouwkundige motieven geweigerd. De overweging in het bestreden besluit dat "bij de beoordeling van het milieudossier, rekening moet gehouden worden met de ligging van de carwash in 'woongebied met landelijk karakter'" heeft geen betrekking op de stedenbouwkundige verenigbaarheid van de inrichting, maar vormt de aanloop voor de daaropvolgende overwegingen waarin het effect van de exploitatie op de woonkwaliteit van de omwonenden wordt onderzocht. In het bestreden besluit wordt overigens uitdrukkelijk overwogen dat de gevraagde vergunning stedenbouwkundig verenigbaar is. De omstandigheid dat een inrichting in het kader van de stedenbouwkundige toetsing van de milieuvergunningsaanvraag wordt geacht bestaanbaar te zijn met de bestemming woongebied en verenigbaar met de onmiddellijke omgeving, betekent overigens niet dat de bevoegde overheid de milieuvergunning niet kan weigeren op grond van milieuhygiënische motieven. Het verlenen van een bouwvergunning impliceert niet dat ook een exploitatie- of milieuvergunning moet worden afgegeven. Een bouwvergunning geeft als zodanig slechts de toelating om een bepaalde constructie op te richten, maar houdt geenszins in dat in die constructie om het even welke exploitatie toegelaten is. Bijgevolg kan de verzoekende partij zich, om een exploitatievergunning te verkrijgen, niet beroepen op het feit dat de vereiste bouwvergunning reeds werd verleend. Het verlenen van de basismilieuvergunning heeft niet tot gevolg dat de vergunningverlenende overheid er toe gehouden is om ook omtrent latere aanvragen tot uitbreiding van de vergunde inrichting een positieve beslissing te nemen, zeker niet als blijkt dat de hinder zal toenemen tot een onaanvaardbaar niveau. Alleszins is de vergunningverlenende overheid die moet oordelen over een uitbreidingsaanvraag niet gebonden door de milieuhygiënische beoordeling van de VII-30.391-7/9 vergunningsaanvraag die tot de basisvergunning voor de exploitatie van de inrichting heeft geleid. Het verlenen van een milieuvergunning impliceert niet dat latere uitbreidingen niet meer op hun aanvaardbaarheid moeten worden getoetst. Aangezien de bevoegde overheden zich te dezen op milieuvlak nooit hebben uitgesproken over een vierde wasbox, kunnen zij door de bestreden beslissing ook niet zijn "teruggekomen" op eerdere beslissingen. In de bestreden beslissing wordt trouwens aangegeven dat de uitbreiding met een vierde wasbox resulteert in een toename van de hinder voor de omwonenden, inzonderheid door een groter aantal in- en uitrijdende wagens en een intensiever gebruik van de stofzuigers. De verzoekende partij bekritiseert deze overwegingen als dusdanig niet. De "aanpassing van de uitrusting van het bestaande bedrijf aan de vereisten van de economische situatie" is geen aanvaardbaar argument. De verzoekende partij heeft zelf een onwettige toestand in het leven geroepen. De vierde wasbox blijkt immers in exploitatie te zijn genomen, terwijl de op 25 november 1999 verleende basisvergunning slechts drie wasentiteiten tot voorwerp had. Het argument dat er te dezen een strengere motiveringsplicht zou gelden omdat "een rendabele exploitatie doodgewoon onmogelijk (wordt gemaakt)", kan niet worden aangenomen, omdat de verzoekende partij zich niet mag beroepen op een onwettige toestand die ze zelf in het leven heeft geroepen om de gewenste milieuvergunning te verkrijgen. De bewering van de verzoekende partij dat slechts één omwonende in het verleden klachten heeft geformuleerd met betrekking tot de hinderlijkheid van de inrichting, verandert in wezen niets aan de deugdelijkheid van de motieven waarop de bestreden beslissing steunt. Het bestreden besluit bevat tevens motieven waaruit blijkt waarom de verwerende partij meende niet te moeten ingaan op een persoonlijke zienswijze die een inspecteur van politie heeft uitgedrukt in een verslag van 19 december 2002. Aldus blijkt dat de verwerende partij voormeld verslag bij haar besluitvorming heeft betrokken, zodat er op dat punt ook geen sprake kan zijn van enige onzorgvuldigheid. De hinder die door de exploitatie wordt veroorzaakt is voldoende gekend, zodat het niet nodig was om eerst een vergunning op proef te verlenen met het oog op de evaluatie van de hinder. VII-30.391-8/9 De bestreden beslissing bevat de motieven waarom geen rekening werd gehouden met het voorstel om de stofzuigers te verwijderen. De verzoekende partij toont niet aan dat die motieven kennelijk onredelijk zijn. De verzoekende partij maakt evenmin aannemelijk dat de bestreden beslissing het redelijkheidsbeginsel schendt. Het middel is ongegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig augustus tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-30.391-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.808 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div