← België

Arrest 185809 - Milieuvergunningen - 28/08/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.809 Rolnummer: A. 115447/VII-25504 Zaak: Arrest 185809 - Milieuvergunningen - 28/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-04 Raadplegingen: 54 - laatst gezien 2026-06-29 08:28 Fiche Arrest nr 185.809 van 28 augustus 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Vernietiging bekendmaking Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.809 van 28 augustus 2008 in de zaak A. 115.447/VII-25.

  1. In zake : Jos DETERS, die woonplaats kiest bij advocaat I. CUYPERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat I. LAUREYS, kantoor houdende te BUGGENHOUT, Provincialebaan
  2. tussenkomende partij : de stad BREE, die woonplaats kiest bij advocaat K. GEELEN, kantoor houdende te HASSELT, Gouverneur Roppesingel
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jos DETERS op 16 januari 2002 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 16 november 2001 waarbij zijn beroep ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 mei 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het bewerken van slachtproducten, gelegen aan de Opitterkiezel 36 te Bree, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gelet op het arrest nr. 107.446 van 6 juni 2002 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-25.504-1/7 Gelet op het arrest nr. 178.074 van 20 december 2007 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt belast met het aanvullend onderzoek van de zaak; Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur P. SOURBRON; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. DE BECKER die, loco advocaat I. CUYPERS verschijnt voor verzoeker, van advocaat S. BEECKMAN die, loco advocaat I. LAUREYS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat K. WAUTERS die, loco advocaat K. GEELEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. SOURBRON; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1.
  4. In het tweede middel, dat genomen wordt uit de schending van artikel 52, 3/, b), van het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I), de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het zorgvuldigheids- en het redelijkheidsbeginsel, komt verzoeker op tegen de motivering van het bestreden besluit in verband met de mogelijke verkeershinder of -onveiligheid. Hij stelt dat deze motivering zeer gebrekkig is, aangezien zij uitgaat van een foutieve feitenvinding. De "vrij smalle doorgang" waarover sprake, is volgens hem in werkelijkheid zeven meter breed, wat VII-25.504-2/7 hij met foto’s illustreert. Hij stelt eveneens dat in het bestreden besluit geen reden wordt opgegeven waarom er sprake is van een verkeersgevaarlijke situatie. Hij verwijst hierbij naar de gegevens die omtrent de verkeersstroom werden verschaft in de vergunningsaanvraag . In bijlage 11 van de vergunningsaanvraag wordt gesteld dat de bewegingen worden ingeschat als volgt: een bestelwagen twee maal per dag, een vrachtwagen één maal per twee dagen of één maal per week, en een oplegger één maal per week. 1.
  5. De verwerende partij geeft toe dat het motief betreffende de verkeersoverlast eigenlijk een "overtollig motief is". In haar laatste memorie geeft zij op zeer gedetailleerde wijze de feitelijke elementen weer waarom er volgens haar verkeersoverlast zou zijn. 1.
  6. De tussenkomende partij geeft eveneens een aantal feitelijke gegevens aan die tot hetzelfde motief als dat van de bestreden beslissing moeten leiden. Zij stelt dat een doorgang van zes meter 26 centimeter, gelet op de aard van het verkeer en de plaatsgesteldheid, toch vrij smal is, dat die doorgang te smal is om veilig en gemakkelijk te kruisen en te manoeuvreren, dat er een verhoogd risico op ernstige ongevallen bestaat en dat de vrachtwagens geluidshinder zullen veroorza- ken. 1.
  7. Vanzelfsprekend kan in de eerste plaats enkel rekening worden gehouden met de motivering zoals deze voorkomt in het bestreden besluit en niet met gegevens die ter aanvulling of ter vervollediging van die motivering worden aangebracht in de procedure voor de Raad van State. Noch de verwerende partij noch de tussenkomende partij maken aannemelijk dat de weg onvoldoende breed is om te kruisen of om de voor het aanvoeren van de ladingen vereiste manoeuvres uit te voeren, zeker niet als men let op de vrij geringe frequentie van de verkeersstroom, zoals deze blijkt uit de niet-weerlegde gegevens van het aanvraagdossier. De verwerende partij maakt niet aannemelijk dat de invloed van dit verkeer de perken van de normale hinder te buiten gaat. Uit de feitelijke gegevens betreffende de ontsluiting van de inrichting en de in de milieuvergunningsaanvraag verstrekte toelichting met betrekking tot het vrachtverkeer dat verbonden is met de exploitatie, kunnen geen overtuigende motieven worden geput die op zich afdoende zijn om de weigering van de gevraagde milieuvergunning te verantwoorden. Het tweede middel is gegrond. VII-25.504-3/7 2.
  8. Verzoeker stelt, met betrekking tot het derde en het vierde middel, dat uit het aanvraagdossier blijkt dat alle activiteiten, inclusief het lossen van het dierlijk afval, binnen het gebouw zullen gebeuren, dat uit dat dossier ook duidelijk de verkeerssituatie in het bedrijf blijkt en de omstandigheid dat de vrachtwagens achteruit het bedrijf binnenrijden met een oplegger om er dan vooruit terug uit te rijden, dat er slechts één in- en uitgang is, dat de koelruimtes, droogkast- en opslagruimtes wel degelijk zijn aangegeven in het uitvoeringsplan. Hij werpt ook op dat het aanvraagdossier de exploitatiewijze en de preventieplannen weergeeft. Hij besluit dat de bestreden beslissing niet afdoende motiveert dat er geurhinder zou ontstaan en ingaat tegen de zeer duidelijke aanwijzingen van, onder andere, de plannen bij de vergunningsaanvraag. 2.
  9. De verwerende partij stelt daartegenover dat verzoeker pas in zijn inleidende akte bij de Raad van State toelichting geeft over zijn aanvraag, wat laattijdig is, dat verzoeker zijn aanvraag "welbewust zo vaag als mogelijk gehouden (heeft)" en de indruk heeft gewekt dat de risico’s op milieuhinder tot een aanvaard- baar of controleerbaar niveau zouden kunnen worden gebracht, dat verzoeker geen goede reputatie heeft voor wat betreft de naleving in zijn bestaande exploitatie van de milieureglementering, zodat hij niet zomaar moest worden geloofd en dat door verzoeker geen duidelijk antwoord werd gegeven op een aantal concrete vragen. De verwerende partij besluit dat, aangezien de aanvraag in casu vaag is, deze moet worden uitgelegd in het nadeel van de aanvrager en de verwerende partij moest uitgaan van de meest ongunstige situatie. 2.
  10. De tussenkomende partij stelt dat de voorgenomen activiteit -de verwerking van vlees- uiteraard een kwalijke en doordringende geurhinder met zich meebrengt, dat de vergunningsaanvraag niet duidelijk maakt of er binnen dan wel buiten, zal worden gelost en dat de verwerende partij terecht opmerkt dat de aanvraag niet volledig is. Zij betoogt eveneens dat de aangebrachte informatie geen duidelijkheid verschaft. 2.
  11. De vergunning werd geweigerd omdat op grond van de in de milieuvergunningsaanvraag en het bijgevoegde uitvoeringsplan verstrekte gegevens de hinderlijkheid van de inrichting niet voldoende kon worden ingeschat, inzonder- heid op het vlak van de mogelijke verspreiding van onaanvaardbare geurhinder en van de verkeershinder. VII-25.504-4/7 In het verzoekschrift tot nietigverklaring worden de aangevoer- de middelen onderbouwd met precieze gegevens die te vinden zijn in de milieuver- gunningsaanvraag en de bijlagen ervan, terwijl de verwerende partij in haar memorie van antwoord niet concreet ingaat op de argumenten die verzoeker rechtstreeks put uit de stukken van het aanvraagdossier. Tegelijk wordt, zonder nader bewijs, geïnsinueerd dat de aanvraag "bewust" vaag zou zijn gehouden en dat verzoeker "een kwalijke reputatie" heeft. Het bestreden besluit besteedt in de eerste plaats aandacht aan de plaats waar het dierlijk afval gelost zal worden. In dat verband zou de vergunnings- aanvraag niet "duidelijk maken" of de aangevoerde dierlijke afvalstoffen binnen of buiten het gebouw gelost zullen worden. Zelfs in de veronderstelling dat zulks "buiten" het gebouw zou gebeuren, wordt in het bestreden besluit geenszins aannemelijk gemaakt dat het lossen van gekoeld slachtafval aanleiding zal geven tot onaanvaardbare geurhinder. Bovendien wordt in het bestreden besluit de vrees voor "hevige geurhinder" gekoppeld aan de "opslag en verwerking", terwijl die activiteiten in het bedrijfsgebouw zullen plaatsvinden. Bovendien weerlegt de verwerende partij niet het door foto’s gestaafde argument van verzoeker dat de aanwezige toegangspoorten wel degelijk breed genoeg zijn om toegang te geven voor een vrachtwagen met oplegger. Op het bij de aanvraag gevoegde plan is een ruimte afgebakend die zal dienen als "frigo". Dit staat in tegenspraak met het motief dat er op het plan geen duidelijk afgescheiden koelruimte zou zijn getekend. Op het plan wordt ook aangegeven waar de droogkamers zich bevinden. Ook wordt in een bijlage van de vergunningsaanvraag een beschrijving gegeven van de "aan te wenden procédés en reagentia". Het bij de aanvraag gevoegde uitvoeringsplan en de toelichtingen die in de aanvraag verstrekt werden, geven een voldoende inzicht in de functie van de droogkasten en de situering ervan in het bedrijfsgebouw. Kennelijk wordt er in het bestreden besluit van uitgegaan dat het verloop van de werkzaamheden moet blijken uit het uitvoeringsplan. Er is de Raad van State geen bepaling bekend die voorschrijft dat de werkprocedures exclusief moeten blijken uit het uitvoeringsplan, hoewel voormeld plan daartoe natuurlijk dienstig kan zijn. Evengoed kan een voldoende inzicht in de werkprocedure bekomen worden door de toelichting die in de aanvraag zelf verstrekt wordt of in de bijlagen, wat te dezen het geval is. VII-25.504-5/7 Met betrekking tot de preventieve voorzieningen wordt in de aanvraag op pagina 27 het volgende gesteld : "Het gaat hier omtrent afval 'goed voor menselijke consumptie' dat behandeld wordt (drogen) en daarna niet wordt versneden noch verwerkt in een ander product, maar als entiteit verder wordt verhandeld voor consumptie (petfood)". Met betrekking tot de in artikel 5.2.2.10.6, § 4, van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II) opgelegde verplichting om de afvalstoffen zo spoedig mogelijk te verwerken, wordt er op pagina 28 het volgende gesteld : "Dit zal gebeuren met dien verstande dat de aanvang van het drogen binnen de 24 uren zal gebeuren. Het droogproces kan niet sneller dan de fysicochemie van het te behandelen product en de kwaliteitseisen van het te vermarkten product. Aangezien het de bedoeling is deze stoffen verder te verwerken met als einddoel een nuttige toepassing, is het zonder meer ondenkbaar dat de producten langer dan noodzakelijk onbehandeld op het terrein zullen aanwezig zijn", deze gegevens laten niet toe dat in het bestreden besluit de niet-nader onderbouwde conclusie getrokken wordt dat "niet is op te maken hoe de werkzaamheden concreet zullen verlopen". Het derde en het vierde middel, die betrekking hebben op de geurhinder, zijn gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  12. Vernietigd wordt het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu en Landbouw van 16 november 2001 waarbij het beroep van Jos DETERS ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 23 mei 2001, houdende weigering van de vergunning voor de exploitatie van een inrichting voor het bewerken van slachtpro- ducten, gelegen aan de Opitterkiezel 36 te Bree, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd. VII-25.504-6/7 Artikel
  13. Dit arrest zal worden bekendgemaakt op dezelfde wijze als het vernietigde besluit. Artikel
  14. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achtentwintig augustus tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. E. IMPENS, griffier. De griffier, De voorzitter, E. IMPENS. L. HELLIN. VII-25.504-7/7 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.809 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2002:ARR.107.446 ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.178.074 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.