← België

Arrest 185933 - Overheidsopdrachten - 28/08/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 28 augustus 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.933 Rolnummer: A. 189338/XII-5522 Zaak: Arrest 185933 - Overheidsopdrachten - 28/08/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-03 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:28 Fiche Arrest nr 185.933 van 28 augustus 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.933 van 28 augustus 2008 in de zaak A. 189.338/XII-

  1. In zake : de NV DSV, die woonplaats kiest bij advocaat K. HUBRECHTS, kantoor houdende te KESSEL-LO, Tiensesteenweg 305 tegen : de Regie der Gebouwen, die woonplaats kiest bij advocaat J. SWENNEN, kantoor houdende te BERINGEN, Scheigoorstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat de NV DSV op 14 augustus 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing van de Regie der Gebouwen waarbij haar offerte voor de overheidsopdracht “KORTENBERG/EVERBERG Kwartier DE GRUBBE Hollestraat 78 (Polyvalent gebouw) lot 1 open ruwbouw”, volgens bestek 06/21.2420/080A wordt verworpen en van de beslissing van de Regie der Gebouwen om die opdracht tot te wijzen aan de N.V. MITRO; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 14 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 21 augustus 2008, om 14.30 uur; Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. BOGHE die, loco advocaat K. HUBRECHTS verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. BEELEN die, loco advocaat J. SWENNEN verschijnt voor de verwerende partij; XII-5522-1/10 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur L. VERMEIRE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  3. De gegevens van de zaak . Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  4. De verwerende partij schrijft een overheidsopdracht uit voor de uitvoering van werken Everberg/Kortenberg Kwartier De Grubbe Polyvalent gebouw Lot 1 open ruwbouw. De werken omvatten de afbraak van gebouwen en het bouwen van een polyvalent gebouw tot open ruwbouw. Er wordt eveneens in een nieuwe hoofdriolering en regenwaterbuffer voorzien voor het ganse complex. 1.
  5. De aankondiging van deze opdracht wordt blijkens de bestreden beslissing op 30 september 2006 Europees bekendgemaakt en op 2 oktober 2006 in het Bulletin der Aanbestedingen gepubliceerd. 1.
  6. Er worden twee offertes ingediend, één door de verzoekende partij voor een bedrag van 2.230.380,85 euro, inclusief BTW, en één door de N.V. MITRO voor een bedrag van 2.362.309,77 euro, inclusief BTW. 1.
  7. Een gerechtelijk onderzoek blijkt te lopen ten laste van bepaalde aannemers van bouwwerken op verdenking van, onder meer, actieve omkoping, valsheid in geschrifte, verstoring vrijheid van opbod, criminele organisatie, ten nadele van, onder meer, de verwerende partij. De verwerende partij heeft zich burgerlijke partij gesteld tegen de in verdenking gestelde ambtenaren of gewezen ambtenaren van de Regie en aannemers, leveranciers en dienstverleners die voor de verwerende partij hebben gewerkt. Een synthese van het strafdossier naar aanleiding van de inzage ervan door de verwerende partij, waarin volgens een brief van de verwerende partij aan de Commissie voor de Erkenning der Aannemers van 2 juni 2008 een groot aantal feiten dienen gelinkt aan aannemers, is blijkbaar bijgevoegd doch wordt in onder- havige zaak niet voorgelegd. XII-5522-2/10 1.
  8. In dezelfde brief aan de Commissie voor de Erkenning der Aannemers van 2 juni 2008 stelt de verwerende partij ook dat een groot aantal bedrijfsleiders en/of aangestelden van de betrokken aannemingsbedrijven tot bekentenissen zijn overgegaan. De verwerende partij stelt in deze brief verder onder meer dat de bij inzage van het strafdossier opgetekende feiten in aanmerking komen voor de kwalificatie van omkoping van personen die een openbaar ambt uitoefenen (art. 246 - 247 Sw), misdrijven betreffende nijverheid, koophandel en openbare veilingen (art. 314 Sw), vereniging met het oogmerk een aanslag te plegen op personen of op eigendommen en criminele organisaties (art. 324bis - 324ter Sw) en valsheid in geschrifte, dat het ontegensprekelijk gaat om ernstige fouten in het kader van de bedrijfsuitoefening in hoofde van de betrokken aannemer die de Regie aannemelijk kan maken op basis van vaststellingen waarvan zij kennis kreeg na inzage van het dossier en dat deze feiten volgens haar vallen onder artikel 19, § 1, 1/, d, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. De verwerende partij legt ook klacht neer bij de Commissie voor de Erkenning der Aannemers en verzoekt tot intrekking van de erkenning van de betrokken aannemer. 1.
  9. Tevens wordt meegedeeld dat er een interne instructie wordt verspreid om bij kandidaatstelling of het indienen van een offerte door de betrokken aannemer zijn offerte of kandidatuur te laten weren op grond van artikel “17, 4/” van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, onder verwijzing naar de vastgestelde feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken en waarbij “de mededeling aan de betrokken aannemer vervolgens gebeurt bij gemotiveerde beslissing (selectiebeslissing of gunningsbeslissing aangaande de opdracht waarvoor werd gekandideerd of een offerte werd ingediend)”. Deze te geven interne instructie en bijhorende uitsluiting van de betrokken aannemer zou minstens aangehouden worden tot ter zake de eindvordering van het openbaar ministerie bekend is tot verwijzing van bepaalde aannemers naar de correctionele rechtbank en vervolgens ten aanzien van hen waarvan het openbaar ministerie de verwijzing vordert naar de correctionele rechtbank, tot de datum waarop het onderzoeksgerecht op definitieve wijze uitspraak doet over de al dan niet doorverwijzing naar de correctionele rechtbank. 1.
  10. Eveneens op 2 juni 2008 deelt de verwerende partij aan de verzoekende partij mee dat de bij inzage van dat strafdossier opgetekende feiten in aanmerking komen voor de kwalificatie van omkoping van personen die een XII-5522-3/10 openbaar ambt uitoefenen (art. 246 - 247 Sw), misdrijven betreffende nijverheid, koophandel en openbare veilingen (art. 314 Sw), vereniging met het oogmerk een aanslag te plegen op personen of op eigendommen en criminele organisaties (art. 324bis - 324ter Sw) en valsheid in geschrifte. De verwerende partij is van oordeel dat het gaat om ernstige fouten in het kader van haar bedrijfsuitoefening die zij aannemelijk kan maken op basis van vaststellingen waarvan zij kennis kreeg na inzage van het dossier en dat deze feiten volgens haar vallen onder artikel 19, § 1, 1/, d, van de wet van 20 maart 1991 houdende regeling van de erkenning van aannemers van werken. Verder deelt zij mee dat met verwijzing naar de in het strafdossier vastgestelde vermoedelijke ernstige inbreuken enerzijds en de burgerlijke partijstelling anderzijds klacht werd neergelegd bij de Erkenningscommissie met verzoek tot intrekking van de erkenning van de NV DSV, dat tegelijk een interne instructie werd verspreid binnen de Regie om bij kandidaatstelling of het indienen van een offerte door de verzoekende partij haar kandidatuur of offerte te laten weren op grond van artikel “17, 4/” van het voornoemde koninklijk besluit van 8 januari 1996, onder verwijzing naar de vastgestelde feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken. 1.
  11. In een brief van 23 juni 2008 handhaaft de verwerende partij haar standpunt en citeert een aantal verklaringen van een bestuurder van de verzoekende partij, die als volgt luiden: “PV van 11.04.2007 waarin is vermeld dat uit onderzoek is gebleken dat DSV NV voor opdracht Vorst gevangenis ontmoetingskamers 98/22 stock Al een bedrag heeft gevorderd waarbij de waarde van de werkelijk uitgevoerde hoeveelheden 67.735,50 EUR minder bedraagt dan de waarde van de gevorderde hoeveelheden. Ik kan U nog een voorval vertellen in verband met Reb bouw. Voor werken aan de Verbindingskaai heeft men ... heeft de heer A mij meegedeeld dat daar iemand gezegd heeft dat Reb Bouw de werken moest uitvoeren. Ik heb toen een onderaannemingsovereenkomst afgesloten met die firma. Zij zouden de werken uitvoeren aan de hand van onze prijs van stockopdracht 10%. Deze 10% was winst. De zaakvoerder van Reb Bouw, de heer Henri Reyntjens, heeft haar vorderingsstaat afgemaakt en deze voorgelegd. Ikzelf wist dat er fictieve prestaties opstonden zoals het plaatsen van 48 ramen, terwijl er maar 24 waren. Ik heb toen geweigerd deze vorderingsstaat te betalen omdat ze niet correct waren. Uiteindelijk ben ik zelfs gedagvaard door deze firma. De vorderingsstaten waren reeds door de ambtenaren ondertekend voor akkoord. De ambtenaar was de heer B van de Regie. Ik verduidelijk dat ik aan de hand van die vorderingsstaat een factuur voor de Regie heb opgesteld. Deze is betaald en ik heb het deel voor Reb Bouw doorgestort, 90%. (...) U vraagt mij of ik een prijsafspraak heb gemaakt met de aannemers voor de Regie. Ja, dit is het geval. Ik kan U wel meedelen dat wij nooit XII-5522-4/10 afspraken hebben gemaakt voor de werken die wij hebben uitgevoerd omdat die ofwel via openbare aanbesteding zijn gegund, ofwel op basis van de aangenomen factuur. U toont mij een faxrapport en vijf originele gefaxte bladen. Het is een fax die door mij is verstuurd op 11.05.2005 om 13u53 door de firma All Build Constructions. Deze fax werd teruggevonden bij de firma ABSE. Ik kan U bevestigen dat dit een voorbeeld is van de prijzen die in dit geval ABC mij meedeelde en waarmee ik moest inschrijven. DSV (heeft) met die prijzen ingeschreven. ( ... ) U vraagt mij hoe het zwart geld gecreëerd wordt om de zwarte premies te betalen. Als een werknemer materiaal nodig heeft kopen wij dit in het zwart bij deze firma zonder BTW te betalen. In de bouwsector is het zo dat de stock van materialen die aangekocht wordt bij leveranciers niet precies kan geïnventariseerd worden zodat die in het zwart verkochte materialen onopgemerkt blijven. Dit is de enige manier waarop het zwart geld gecreëerd wordt om de premies te betalen.” De raadsman van de verzoekende partij reageert hierop omstandig in een brief van 8 juli
  12. 1.
  13. Met een brief van 8 juli 2008 handhaaft de verwerende partij haar standpunt. 1.
  14. Op 4 augustus 2008 beslist de verwerende partij om overeen- komstig een eerder opgesteld gunningsverslag, na advies van de juridische dienst van 13 juni 2008 en na gunstig advies van de Inspectie van Financiën van 23 juni 2008 de offerte van de verzoekende partij te weren op grond van artikel 17, § 2, 4/ van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken “wegens feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken die door de Regie der Gebouwen werden vastgesteld bij inzage van het strafdossier te Brussel (waarin de aannemer en bepaalde ambtenaren van de Regie der Gebouwen zijn betrokken) en welke feiten door de Regie der Gebouwen worden beschouwd als ernstige fouten bij zijn beroepsuitoefening (zie de brief van de Regie der Gebouwen aan de betrokken aannemer dd. 02/08/2008) en waarvoor de Regie der Gebouwen op 02.06.2008 klacht neerlegde bij de Commissie voor de Erkenning der Aannemers” en de opdracht toe te wijzen aan de andere regelmatig geacht inschrijver, de N.V. MITRO. Dit is de door de verzoekende partij bestreden beslissing die met een brief van 7 augustus 2008 aan haar wordt medegedeeld. XII-5522-5/10
  15. De ontvankelijkheid. 2.
  16. Overwegende dat de verwerende partij in een eerste exceptie aanvoert dat niet voldaan is aan de vereiste van procesbevoegdheid aangezien enkel beslist werd tot het instellen van een “schorsings- en annulatieberoep” terwijl het in casu niet gaat om dergelijk beroep maar om een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid, een uitzonderlijke procedure te onderscheiden van de “gewone” vordering tot schorsing, waarvoor ook bijzondere regels gelden zodat niet zou beslist zijn tot het instellen van onderhavige procedure; dat zij in een tweede exceptie aanvoert dat de vordering onontvankelijk is omdat zij reeds met een aangetekende brief van 2 juni 2008 aan de verzoekende partij haar princiepsbeslissing meedeelde om de kandidatuur van de verzoekende partij bij overheidsopdrachten te weren op grond van artikel 17 van het meer- genoemd koninklijk besluit van 8 januari 1996, zodat de thans bestreden beslissing enkel een nieuwe toepassing zou maken van deze eerder genomen beslissing, die niet werd aangevochten voor de Raad en waartegen de beroepstermijn verstreken zou zijn en die ook niet voor de burgerlijke kort geding rechter werd betwist, en bijgevolg een bevestigende en niet aanvechtbare beslissing zou zijn; 2.
  17. Overwegende dat in deze door de verzoekende partij uitdrukkelijk is beslist om een vordering tot schorsing in te dienen; dat de controle van de procesbekwaamheid en procesbevoegdheid dan met de nodige soepelheid dient te gebeuren; dat alhoewel een vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid aan een aantal eigen procedureregels onderworpen is, dergelijke vordering heel wat minder verschillen vertoont met de “gewone” vordering tot schorsing dan de “gewone” vordering tot schorsing ten opzichte van een annulatieberoep; dat de verwerende partij in dat opzicht niet met de vereiste graad van evidentie aantoont dat de beslissing tot in rechte treden, zoals voorgelegd, niet kan volstaan voor het instellen van een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid; dat die exceptie in de huidige stand van het geding wordt verworpen; dat wat de tweede exceptie betreft de verwerende partij met haar brief van 2 juni 2008 aan de verzoekende partij zelf heeft aangekondigd dat “de mededeling aan de betrokken aannemer vervolgens gebeurt bij gemotiveerde beslissing (selectiebeslissing of gunningsbeslissing aangaande de opdracht waarvoor werd gekandideerd of een offerte werd ingediend)”; dat zij zelf bijgevolg twijfel laat bestaan over de precieze aard van de kennisgeving van 2 juni 2008; dat in de huidige stand van het geding ook die exceptie wordt verworpen; XII-5522-6/10
  18. De grond. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 3.
  19. Overwegende dat de verzoekende partij met betrekking tot de tweede voorwaarde in een enig middel de schending aanvoert van artikel 17, § 2, 4/ van het koninklijk besluit van 8 januari 1996, de schending van het gelijkheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel, van het evenredigheidsbeginsel, de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van het algemeen rechtsbeginsel dat elke overheid verplicht is om haar beslissingen op deugdelijke materiële motieven te steunen; dat zij uiteenzet dat artikel 17, § 2, 4/ van het koninklijk besluit. van 8 januari 1996 is geschonden omdat de verwerende partij, met verwijzing ook naar haar brief van 2 juni 2008, verzoekende partij weert wegens feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken die blijken uit het strafdossier dat zij heeft ingezien; dat de verwerende partij aldus ten onrechte optreedt als rechter en zich uitspreekt zonder dat er een proces is geweest, zonder kennis van het dossier en voorbijgaat aan het vermoeden van onschuld en het beginsel dat schuld bewezen moet worden; dat zij ten onrechte haar eigen interpretatie van het strafdossier opdringt en er ernstige gevolgen aan verbindt zonder te wachten op een uitspraak van de rechter; dat zij zich daartoe enkel steunt op wat zij zelf vermoedens en mogelijke inbreuken noemt terwijl blijkens de met de verwerende partij gevoerde briefwisseling, waarvan de inhoud in het middel geacht wordt te zijn hernomen, aan de verzoekende partij niet het minste verweten kan worden en de erkenningscommissie de erkenning van de verzoekende partij nog niet heeft ingetrokken; dat de verwerende de eindvordering van het parket, en bij doorverwijzing van de verzoekende partij, de uitspraak van de strafrechter moet afwachten alvorens deze beslissing te nemen; dat voorts de artikelen 2 en 3 van de voornoemde wet van 29 juli 1991 zijn geschonden omdat de verwerende partij zich enkel baseert op loutere vermoedens en “mogelijke” inbreuken van de verzoekende partij hetgeen geen afdoende motivering zou zijn, zeker niet in het licht van de XII-5522-7/10 gevoerde briefwisseling, waaruit blijkt dat het eenzijdig standpunt van de verwerende partij niet gehandhaafd zou kunnen worden; dat de bestreden beslissing die berust op vermoedens en mogelijke inbreuken een ongelijkheid creëert ten aanzien van de andere inschrijver omdat de verwerende partij aldus “een volledig subjectief criterium hanteert” om de verzoekende partij te weren, “zijnde haar interpretatie van een strafrechtelijk” dossier om te concluderen tot mogelijke inbreuken; dat dergelijk criterium van mogelijke betrokkenheid geen objectief criterium is om de diverse aannemers van elkaar te onderscheiden en evenmin pertinent is nu het vernoemen van de verzoekende partij in het strafdossier en haar “mogelijke” inbreuken niet van aard zijn te verklaren waarom zij wordt geweerd; dat de verwerende partij blijkbaar aanneemt dat de mogelijke betrokkenheid van de verzoekende partij bij strafrechtelijke feiten met zich brengt dat zij alle activiteiten dient te staken en dat zij haar 150 personeelsleden dient te ontslaan aangezien haar voornaamste activiteit de uitvoering van overheidsopdrachten is; dat ten slotte het weren van de verzoekende partij en het haar dus ontzeggen van een groot werk enkel op grond van loutere vermoedens die in een uitgebreide briefwisseling tussen partijen worden ontkracht kennelijk onredelijk is en daarom ook strijdig met het redelijkheidsbeginsel; 3.
  20. Overwegende dat de verwerende partij in haar nota in essentie antwoordt dat zij geen uitspraak heeft gedaan als strafrechter doch dat zij zich alleen heeft uitgesproken over de betrouwbaarheid van de verzoekende partij in toepassing van artikel 17 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996; dat zij in briefwisseling tussen partijen gewezen heeft op de verklaringen van de bedrijfsleider van de verzoekende partij; dat bovendien dezelfde maatregelen zijn genomen ten aanzien van 24 andere aannemers; dat de verzoekende partij nalaat om het aanbestedings- verslag en de eerder gevoerde briefwisseling te vermelden terwijl naar die stukken expliciet wordt verwezen in de bestreden vergunningsbeslissing; dat voorts de verzoekende partij niet duidelijk uiteenzet wat zij bedoelt met de aangevoerde schending van het gelijkheidsbeginsel, terwijl vaststaat dat de N.V. MITRO wel voldoet aan het betrouwbaarheidscriterium van artikel 17, 4/, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996; dat met betrekking tot de aangevoerde schending van het redelijkheidsbeginsel de verzoekende partij eveneens vaag is en dat zulks ook het geval is voor de aangevoerde schending van het evenredigheidsbeginsel; 3.
  21. Overwegende dat artikel 17 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 laatst gewijzigd is bij artikel 11 van het koninklijk besluit van 23 november 2007; dat alhoewel de wijzigingen van dit artikel 17 in werking XII-5522-8/10 traden op 1 februari 2008, krachtens artikel 55 van het voornoemde koninklijk besluit van 23 november 2007 de overheidsopdrachten en de opdrachten gepubliceerd voor deze datum of waarvoor, bij ontstentenis van een bekendmaking van aankondiging, voor deze datum uitgenodigd wordt om zich kandidaat te stellen of om een offerte in te dienen, onderworpen zijn aan de wettelijke en reglementaire bepalingen die gelden op het ogenblik van de aankondiging of van de uitnodiging; dat gelet op de bekendmaking van de aankondiging van de kwestieuze opdracht in 2006 bijgevolg toepassing gemaakt wordt van de reglementering zoals dan geldend, met name van artikel 17, eerste lid, 4/ dat identiek is aan het nieuwe artikel 17, § 2, 4/; dat luidens die bepaling uitgesloten kan worden van deelneming aan de opdracht de aannemer die bij zijn beroepsuitoefening een ernstige fout heeft begaan, vastgesteld op elke grond die de aanbestedende overheden aannemelijk kunnen maken; dat hieruit op het eerste gezicht niet voortvloeit dat een ernstige fout dient te steunen op een onherroepelijke rechterlijke beslissing of een beslissing met vergelijkbare werking; dat de overheid weliswaar op aannemelijke wijze moet aantonen dat de aannemer bij zijn beroeps-uitoefening een ernstige fout heeft begaan; dat de verwerende partij in deze in de bestreden beslissing verwijst naar “feiten en mogelijke strafbare inbreuken die door de Regie der gebouwen werden vastgesteld in het strafdossier”; dat zulks niet betekent dat de verwerende partij zich in de plaats stelt van de strafrechter; dat uit dit motief alleen kan worden afgeleid dat de verwerende partij feiten heeft vastgesteld die volgens haar dermate indruisen tegen een integere beroepsuitoefening dat een uitsluiting zich opdringt; dat de bestreden beslissing verder verwijst naar haar brief van 2 augustus 2008; dat de verzoekende partij hierop in correspondentie is getreden met de verwerende partij en als gevolg van die correspondentie ook nader en omstandig kennis heeft kunnen nemen van de “feiten en mogelijke strafrechtelijke inbreuken” waarop de verwerende partij zich steunt om te concluderen tot een ernstige fout bij de beroepsuitoefening; dat die vaststellingen weliswaar door de verzoekende partij zijn betwist of afgezwakt door te verwijzen naar het optreden zelf van de ambtenaren van de verwerende partij die, volgens haar, de feiten ofwel in de hand zouden hebben gewerkt ofwel uitgelokt; dat het de bodemrechter is die zich definitief zal uitspreken over het al dan niet strafbare karakter van de gerelateerde feiten; dat dit echter niet wegneemt dat in hoofde van de verzoekende partij geen enkele plicht bestond om in te gaan op de agitaties van ambtenaren zodat de verzoekende partij zich zonder meer had kunnen onthouden; dat de verzoekende partij bovendien onomwonden heeft toegegeven deelgenomen te hebben aan prijsafspraken met collega’s aannemers en er in een poging tot vergoelijking aan toevoegt dat zij nooit prijsafspraken heeft gemaakt waarbij zijzelf de werken heeft uitgevoerd; dat in het XII-5522-9/10 kader van overheidsopdrachten evenwel de integriteit van de aannemer alleen reeds zeer zwaar in het gedrang komt wanneer hij zich leent tot prijsafspraken zelfs al haalt hij er niet onmiddellijk en rechtstreeks voordeel uit; dat uit wat voorafgaat volgt dat de verwerende partij, zonder in de plaats te treden van de strafrechter, aannemelijke redenen had om vast te stellen dat de verzoekende partij beroepshalve ernstig in de fout was gegaan en dat de verzoekende partij hiervan in de fase voorafgaand aan de bestreden beslissing op afdoende wijze was ingelicht, zodat de verwerende partij in redelijkheid de verzoekende partij vermocht uit te sluiten en de opdracht vermocht toe te wijzen aan een andere inschrijver die buiten het toepassingsgebied van artikel 17, eerste lid, 4/, van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 valt; dat het middel in al zijn onderdelen niet ernstig is, BESLUIT : Artikel
  22. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  23. De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij; Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 28 augustus 2008, door : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. L. HELLIN. XII-5522-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.933 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.199.439 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.