id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.993 Rolnummer: A. 184536/XIV-29617 Zaak: Arrest 185993 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 03/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 51 - laatst gezien 2026-06-29 08:29 Fiche Arrest nr 185.993 van 3 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 185.993 van 3 september 2008 in de zaak A. 184.536/XIV-29.617. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. MARTEL, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Louizalaan 99 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Wit-Russische nationaliteit, op 25 april 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het arrest van 21 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, IVde Kamer, waarbij hem de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1167 van 14 augustus 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Eerste Auditeur-afdelingshoofd R. VANDER ELSTRAETEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; XIV-29.617-1/19 Gehoord de opmerkingen van Advocaat B. MARTEL, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.1. XXX, die beweert van Wit-Russische nationaliteit te zijn, komt op 19 januari 2006 het Rijk binnen en vraagt dezelfde dag om erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.2. De Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen beslist op 24 januari 2007 dat verzoeker noch als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) kan worden erkend, noch voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt. 1.3. Verzoeker tekent op 14 februari 2007 tegen deze weigeringsbeslissing hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.4. Het hoger beroep van verzoeker wordt opgeroepen op de zitting van 19 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. 1.5. Op 21 juni 2007 neemt de wnd. voorzitter van de IVde Kamer van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het thans bestreden arrest, waarbij de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus aan verzoeker worden geweigerd. XIV-29.617-2/19 Dit arrest rust op volgende redengeving : “In een eerste middel roept verzoeker een schending in van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, een schending van de taalwetgeving in bestuurszaken en een schending van het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en zoals vervat in de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet Verzoeker meent dat door het feit dat de tolk tijdens het gehoor ten gronde op het Commissariaat-generaal van het Russisch naar het Engels tolkte (en niet naar het Nederlands of het Frans), bovengenoemde artikelen geschonden zijn. Hij stelt dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat zijn aanvraag met eenzelfde grondigheid en zin voor nuance door de (gemachtigde van
- de)Commissaris-generaal werd onderzocht en behandeld als andere aanvragen en van verzoekers raadsman niet kan worden verwacht dat hij het Engels in dezelfde mate beheerst als het Nederlands en het Frans. Verweerder antwoordt dat aangezien verzoeker verzocht heeft om bijstand van een Russische tolk er, geheel in overeenstemming met artikel 51/4 § 3 tweede lid van de Vreemdelingenwet, het Nederlands als taal van het onderzoek werd bepaald. Het feit dat de tolk zich ten opzichte van het Commissariaat-generaal van het Engels bediende, houdt op zich geen schending in van voormeld artikel. De artikelen 17 § 1 en 19 van de Wetten van 18 juli 1966 op het gebruik van talen in bestuurszaken regelen het taalgebruik van de ambtenaren in hun respectieve diensten en hebben geen betrekking op het gebruik van een tolk, die om een vertaling van het Russisch naar het Nederlands mogelijk te maken, zich bedient van het Engels opdat de desbetreffende ambtenaar vanaf dit punt het Nederlands kan bezigen (R.v.St. nr. 118.504 van 22 april 2003). Verweerder merkt verder nog op dat verzoeker niet concreet aantoont waarin zijn vluchtrelaas niet goed werd begrepen. Bovendien maakte noch verzoeker, noch zijn raadsman, tijdens de verschillende gehoren opmerkingen betreffende het tolkwerk. Artikel 51/4 luidt als volgt: “§ 1.- Het onderzoek van de in de artikelen 50, 50bis, 50ter en 51 bedoelde asielaan- vraag geschiedt in het Nederlands of in het Frans. De taal van het onderzoek is tevens de taal van de beslissing waartoe het aanleiding geeft alsmede die van de eventuele daaropvolgende beslissingen tot verwijdering van het grondgebied. § 2.- De vreemdeling, bedoeld in de artikelen 50, 50bis, 50ter of 51, dient onherroepe- lijk en schriftelijk aan te geven of hij bij het onderzoek van de in de vorige paragraaf bedoelde aanvraag de hulp van een tolk nodig heeft. Indien de vreemdeling niet verklaart de hulp van een tolk te verlangen, kan hij volgens dezelfde regels het Nederlands of het Frans kiezen als taal van het onderzoek. Indien de vreemdeling geen van die talen heeft gekozen of verklaard heeft de hulp van een tolk te verlangen, bepaalt de Minister of zijn gemachtigde de taal van het onderzoek, in functie van de noodwendigheden van de diensten en instanties. Tegen die beslissing kan geen afzonderlijk beroep worden ingesteld. § 3. Bij de procedures voor de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen en voor de Raad van State alsmede indien de vreemdeling tijdens de behandeling van de asielaanvraag of binnen een termijn van zes maanden na afloop van de asielprocedure verzoekt om het toekennen van een machtiging tot verblijf op grond van de artikelen 9 bis of 9 ter ,wordt de taal gebruikt die overeenkomstig paragraaf 2 is gekozen of bepaald. Paragraaf 1, tweede lid, is van toepassing.” Bij zijn asielaanvraag heeft verzoeker om een tolk verzocht. Hij werd door de administratie op de Nederlandse taalrol ingeschreven en werd erover geïnformeerd dat de gehele procedure in het Nederlands zou verlopen. In het geciteerde artikel wordt niet expliciet opgelegd dat de tolk die wordt gebruikt om de verklaringen van de kandidaat- vluchteling te vertalen, dit rechtstreeks dient te doen naar de proceduretaal (R.v.St., nr. 118.504 van 22 april 2003). XIV-29.617-3/19 In tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift beweert, gebeurde het eigenlijke onderzoek van verzoekers asielaanvraag bovendien niet in het Engels, maar wel in het Nederlands. Het gehoorverslag werd immers in het Nederlands genoteerd en de bestreden beslissing is in het Nederlands opgesteld. De Nederlandstalige procedure werd dan ook gevolgd. Artikel 51/4 is niet geschonden. Verzoeker toont niet concreet aan waarin zijn vluchtrelaas niet goed werd begrepen. De enige opmerking die de advocaat maakte en liet optekenen betrof het feit dat de tolk niet rechtstreeks naar het Nederlands, maar naar het Engels tolkte (p. 9 verzoekschrift en voetnoot 9, gehoorverslag CGVS p. 24). Concrete opmerkingen met betrekking tot de inhoud van het gehoor werden niet gemaakt terwijl verzoeker er bij de aanvang van het gehoor op gewezen werd dat eventuele problemen onder meer met de tolk gemeld dienden te worden. Ook in zijn verzoekschrift vermeldt verzoeker – buiten de algemene opmerking dat het mogelijk is dat de tolk en/of de interviewer zijn verklaringen verkeerd hebben begrepen en genoteerd - niet concreet aan waar en hoe er verkeerd vertaald of genoteerd zou zijn. Verzoeker stelt dat doordat het onderzoek niet geschiedde in de taal bepaald door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 hij niet dezelfde garanties heeft kunnen genieten als elke andere kandidaat-vluchteling wiens dossier wel werd behandeld in de daarvoor voorgeschreven taal. Hij stelt dat niet met zekerheid kan worden gezegd dat zijn aanvraag met eenzelfde grondigheid en zin voor nuance door de (gemachtigde van
- de)Commissaris-generaal werd onderzocht en behandeld als andere aanvragen en van verzoekers raadsman niet kan worden verwacht dat hij het Engels in dezelfde mate beheerst als het Nederlands en het Frans. Daardoor zijn de artikelen 10 en 11 (en 191) van de Grondwet geschonden. Ten onrechte stelt verweerder dat de artikelen 10 en 11 in beginsel slechts van toepassing zijn op Belgen. In zijn arrest 77/97 van 17 december 1997 stelt het Arbitragehof dat het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel in beginsel ook geldt voor vreemdelingen. Verzoeker roept de schending in van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 in samenhang met de artikelen 10 en 11 van de Grondwet. Bij gebrek aan schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet van 15 december 1980 zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet evenmin geschonden. Wat de vermelding van artikel 149 van de Grondwet door verweerder aangaat, gaat de Raad ervan uit dat het een materiële vergissing betreft, aangezien verzoeker de schending inroept van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet in samenhang met artikel 191. Het eerste middel is niet gegrond. In een tweede middel roept verzoeker een schending in van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel en in het bijzonder als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, zoals aan de Commissaris-generaal opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de wet van 15 december 1980, evenals de materiële motiveringsplicht. Aangaande de algemene motiveringsplicht, vervat in de wet van 29 juli 1991, alsook de specifieke motiveringsverplichting vervat in artikel 62 van de Vreemdelingenwet, heeft deze tot doel betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoeker de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Verzoeker beroept zich op de schending van de materiële motiveringsplicht en stelt dat zijn relaas wel geloofwaardig is en hij betwist de vastgestelde tegenstrijdigheden. Zo betwist hij volgende motivering uit de bestreden beslissing: “Vooreerst dient er te worden opgemerkt dat er getwijfeld kan worden aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen. Zo zijn er tegenstrijdigheden terug te vinden tussen uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal. Zo verklaarde u onder andere voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat er op 20 december 2005 een XIV-29.617-4/19 huiszoeking werd gedaan in uw appartement door Demidovitch en twee andere mannen (DVZ, vraag 41, blz. 18). Voor het Commissariaat-generaal daarentegen verklaarde u dat er tijdens de huiszoeking vier onbekende personen waren binnengekomen. U had geen van hen eerder al gezien (verhoorverslag CGVS TG, blz. 9). Wanneer u met deze tegenstrijdigheid werd geconfronteerd zei u dat u op de dienst vreemdelingenzaken blijkbaar niet de juiste informatie had gegeven (verhoorverslag CGVS, blz. 23). Dit kan niet als een geldige verklaring worden aanvaard. Bovendien betreft het hier de huiszoeking die de directe aanleiding was van uw vlucht en kan er van u verwacht worden dat u nog weet wie er bij u die huiszoeking heeft uitgevoerd. Verder verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u nadat u werd aangevallen door politieagen- ten op 31 juli 2005 u na een eerste bezoek aan het ziekenhuis terugkeerde naar huis en dat u van daar uit een ambulance opriep die u naar het ziekenhuis bracht (DVZ, vraag 41, blz. 17). Voor het Commissariaat-generaal verklaarde u echter dat u na het eerste bezoek aan het ziekenhuis terugkeerde naar huis en dan nadien te voet terug ging naar het ziekenhuis. U moest daarvoor door een bos en het kostte u zo’n 15 minuten (verhoorverslag CGVS TG, blz. 18). U kon geen verklaring geven voor deze tegenstrijdigheid. Na confrontatie stelde u dat u toch met de ambulance naar het ziekenhuis werd gebracht (verhoorverslag CGVS, blz. 23). Over het incident in het bos met Demidovitch stelde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat Demidovitch aanwezig was in het gezelschap van een paar onbekende mannen (DVZ, vraag 41, blz. 18). Op het Commissariaat-generaal vertelde u dat de enige aanwezigen Demidovitch en zijn chauffeur waren (verhoorverslag CGVS TG, blz. 17). Na confrontatie stelde u dat u het zich niet meer herinnerde (verhoorverslag CGVS, blz. 22). Door deze tegenstrijdigheden kan er getwijfeld worden aan de geloofwaardigheid van uw verklaringen”. Verzoeker wijst er in eerste instantie op dat de tolk en/of de interviewer zijn verklaring- en mogelijkerwijze verkeerd hebben begrepen en genoteerd. Verzoeker verwijst hierbij naar het door hem ingeroepen eerste middel en meent dat er bijgevolg twijfel kan bestaan of hij wel degelijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd. Verweerder antwoordt dat uit het administratieve dossier blijkt dat verzoeker met de vastgestelde tegenstrijdigheden werd geconfronteerd. Nergens blijkt uit zijn verklaring- en na confrontatie dat de aangehaalde tegenstrijdigheden te wijten zouden zijn aan een verkeerd begrip bij de tolk en/of interviewer of aan een verkeerd noteren van zijn verklaringen. Verweerder wijst eveneens naar zijn opmerkingen aangaande het door verzoeker eerste opgeworpen middel. Nergens blijkt uit het administratief dossier en verzoekers verklaringen dat zijn opeenvolgende tegenstrijdige verklaringen, waarmee hij uitdrukkelijk en op ondubbel- zinnige wijze werd geconfronteerd, te wijten zouden zijn aan een verkeerd begrip vanwege de tolk en/of een verkeerd begrip en/of optekenen vanwege de interviewer. Verzoeker stelt dat de in de bestreden beslissing weergegeven tegenstrijdigheid inzake de huiszoeking feitelijk onjuist is, aangezien hij op het Commissariaat-generaal verklaarde ‘te denken dat’ vier mensen bij hem thuis een huiszoeking verrichtten en hij bijgevolg geenszins verklaarde hier zeker van te zijn. Aangezien hij op dat ogenblik onder psychologische druk stond, kan van hem bovendien niet worden verwacht dat hij zicht had op het aantal personen dat de huiszoeking verrichtte. Nadien rees bij hem hierover immers enige onduidelijkheid. Van een kandidaat-vluchteling mag worden verwacht dat hij voor de diverse asielinstanties coherente, gedetailleerde en volledige verklaringen aflegt, en dat hij de feiten die de aanleiding vormden voor zijn vlucht uit zijn land van herkomst, gelet op het belang ervan voor de beoordeling van zijn asielrelaas, op een zorgvuldige, nauwkeurige, coherente en geloofwaardige wijze weergeeft in iedere fase van het onderzoek, zodat op grond ervan kan worden nagegaan of er aanwijzingen zijn om te besluiten tot het bestaan van een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie. XIV-29.617-5/19 Afgezien van het feit dat verzoeker zijn uitleg in deze baseert op allerhande veronder- stellingen die hij geenszins hard maakt, vinden de tegenstrijdigheden waarvan sprake steun in het administratief dossier. Verzoekers opmerking dat hij er niet echt een zicht op had hoeveel personen nu precies de huiszoeking verrichtten en dat er nadien bij hem hierover enige onduidelijkheid is gerezen, overtuigt niet. Op de Dienst Vreemdelingen- zaken verklaarde verzoeker immers ondubbelzinnig, zoals verzoeker in zijn verzoek- schrift ook toegeeft, dat de huiszoeking door Demidovitch en twee andere mannen werd verricht (gehoor DVZ, p. 18). Verweerder merkt voorts terecht op dat het hier niet alleen om het aantal personen gaat dat bij de huiszoeking betrokken zou zijn geweest, maar evenzeer of het hierbij over voor verzoeker onbekende personen ging dan wel dat nota bene KGB-medewerker Demidovitch, die verzoeker al meer dan eens had bedreigd, hierbij aanwezig was. Het is niet aannemelijk dat verzoeker zich de aanwezigheid van deze laatste tijdens zijn eerste gehoor wel en tijdens zijn tweede gehoor niet zou hebben kunnen herinneren. Het betreft hier bovendien een essentieel element uit verzoekers vluchtrelaas, waardoor de geloofwaardigheid van zijn verklaringen wel degelijk wordt ondermijnd. Aangaande de in de bestreden beslissing aangehaalde tegenstrijdigheid over het incident met Demidovitch in het bos verwijst verzoeker wederom naar het feit dat hij, gezien het incident hectisch en chaotisch verliep, onder psychologische druk stond. Verzoekers verklaringen aangaande het aantal personen dat aanwezig was toen hij met een auto werd meegenomen naar een bos, waar hij met de dood werd bedreigd, zijn tegenstrijdig. Van verzoeker kan nochtans worden verwacht dat hij zich nog kan herinneren of het hier enkel om Demidovitch en de chauffeur ging of om meerdere personen. Als uitleg voor zijn verschillende weergaven van dezelfde feiten verwijst verzoeker alweer naar de psychologische druk waaronder hij stond, zonder zijn hypothesen in dit verband hard te maken en hier enig bewijs van te leveren. Verzoeker stelt dat de weergegeven tegenstrijdigheid aangaande het feit of hij te voet of met een ambulance naar het ziekenhuis terugkeerde nadat hij op 31 juli 2005 door twee agenten zou zijn afgeranseld niet relevant is in het licht van het hele vluchtrelaas. Aangezien verzoeker herhaaldelijk werd afgetuigd is het voor hem niet altijd even duidelijk wanneer hij nu wel of niet naar het ziekenhuis ging en hoe hij erheen ging. Verweerder wijst er op dat de asielzoeker zijn asielaanvraag moet staven met een coherent en geloofwaardig, minstens aanneembaar verhaal, waaruit blijkt dat er ten aanzien van hem een gegronde vrees bestaat in de zin van de Vluchtelingenconventie. De Commissaris-generaal houdt in zijn beoordeling terecht rekening met de geloof- waardigheid van verzoekers verklaringen aangaande de door hem aangehaalde vervolgingsfeiten. De hierboven opgenomen tegenstrijdigheden vinden steun in het administratieve dossier en betreffen feiten die rechtsreeks geleid hebben tot verzoekers vertrek uit zijn land van herkomst. Verzoeker stelt dat het voor hem na al de afranselingen die hij te verduren kreeg niet altijd meer duidelijk is wanneer hij naar het ziekenhuis ging en wanneer niet en hoe hij er heen ging. Aangezien uit verzoekers verklaringen blijkt dat hij maar één keer effectief in het ziekenhuis werd opgenomen (gehoor DVZ, p. 17, gehoor CGVS ten gronde, p. 18), namelijk na het incident op 31 juli 2005 toen hij zich een eerste keer tevergeefs tot het ziekenhuis richtte en dezelfde dag onder de identiteit van zijn broer in het ziekenhuis werd toegelaten, gaat zijn verklaring in deze in het geheel niet op. Verzoekers opmerking dat dit punt ‘geheel onbelangrijk is in het ganse vluchtrelaas van verzoeker’ gaat evenmin op. Deze tegenstrijdige verklaringen gaan immers over de omstandighe- den van verzoekers verklaarde ziekenhuisopname. Gelet op het ingrijpende karakter van een ziekenhuisopname, die bovendien het gevolg zou zijn geweest van een aanranding door politieagenten, kunnen de omstandigheden hiervan moeilijk als ‘geheel onbelang- rijk’ worden afgedaan. XIV-29.617-6/19 Verzoeker wijst erop dat hij er blijkbaar in slaagde een aantal elementen correct weer te geven, maar dat deze niet betrokken werden bij de beoordeling van de geloofwaar- digheid. De Raad benadrukt dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die de Commissaris-generaal hebben doen besluiten tot de ongeloofwaardigheid en bijgevolg ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag. Verzoeker betwist volgende motivering uit de bestreden beslissing: “U brengt ook geen bewijzen aan die uw verhaal zouden kunnen staven. Het enige document dat u aanbrengt is een rijbewijs, wat niet eens voldoende is om uw identiteit te bewijzen. Tijdens uw interview in de fase dringend beroep zei u dat u beschikte over een examenboekje als bewijs dat u werkelijk studeerde aan de staatsacademie voor lichamelijke opvoeding en sport. Dat examenboekje bevond zich in Belarus (verhoor- verslag CGVS DB, blz. 11-12). Tijdens uw interview ten gronde werd u gevraagd of u dat examenboekje nu in uw bezit had, waarop u antwoordde dat u het vergeten was (verhoorverslag CGVS TG, blz. 2). U slaagt er bijgevolg niet in onomstotelijk te bewijzen dat u aan die academie heeft gestudeerd. Aangezien uw schorsing aan die academie de oorzaak is van uw problemen in het leger is dit een belangrijk element in uw verhaal. U kan enerzijds bepaalde vragen over de academie beantwoorden, maar anderzijds zijn er vrij evidente vragen die u niet kan beantwoorden, zoals het noemen van namen van lesgevers/professoren van wie u les kreeg. Zo kan u maar één naam van een professor geven (verhoorverslag CGVS DB, blz. 11), wat bijzonder merkwaardig is als u er drie jaar heeft gestudeerd. U kende ook de naam van de rector niet, noch de naam van de decaan van uw faculteit (verhoorverslag CGVS DB, blz. 10-11). Zelfs toen u namen werden genoemd kon u niet aangeven wie de rector was. U stelde dat Bondar de rector van de universiteit was, terwijl dit Kobrinski moest zijn. Van Kobrinski zei u dat hij ook van de universiteit was, maar u kon het zich niet juist herinneren (verhoorverslag CGVS TG, blz. 9), terwijl uit onze informatie, waarvan een kopie bij uw administratief dossier werd gevoegd, blijkt dat Kobrinski rector was. Mede door de tegenstrijdigheden in uw verhaal en het niet aanbrengen van bewijzen van uw studies, kan er ook getwijfeld worden aan het feit dat u daadwerkelijk aan die academie heeft gestudeerd en dus bijgevolg ook aan het feit dat u er zou geschorst zijn omwille van uw politieke activiteiten.” Verzoeker stelt dat hij samen met zijn verzoekschrift zijn examenboekje overlegt, waaruit blijkt dat hij wel degelijk aan de staatsacademie voor lichamelijke opvoeding en sport heeft gestudeerd. Verzoeker stelt dat het betrokken motief in de bestreden beslissing feitelijk onjuist is, minstens niet draagkrachtig en bijgevolg ondeugdelijk. Verweerder vraagt de toepassing van artikel 8 van het Procedurereglement Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dat de Raad toelaat dit document niet in overweging te nemen aangezien het werd opgesteld in een andere taal dan deze van de rechtspleging en niet vergezeld is van een voor eensluidend verklaarde vertaling. Verweerder merkt voorts op dat de Commissaris-generaal niet in het bezit was van dit stuk op het ogenblik dat hij de bestreden beslissing nam. Verzoeker laat bovendien na uit te werken hoe dit document het vervolgingsrelaas van verzoeker kan ondersteunen. Samen met zijn verzoekschrift stuurde verzoeker de Raad op 12 februari 2007 een kopie van zijn “examenboekje”, waarvan hij het origineel voorlegde tijdens de terechtzitting op 19 juni 2007. Dit document is niet in de taal van de rechtspleging opgesteld en wordt bij gebrek aan voor eensluidend verklaarde vertaling in de taal van de rechtspleging niet in overweging genomen in toepassing van artikel 8 van het PR RvV. Verzoeker betwist volgende motivering uit de bestreden beslissing: “Bovendien is uw verhaal niet erg logisch. Zo komt u toevallig tijdens uw legerdienst terecht bij een dienst van de KGB die moet infiltreren bij de oppositie, terwijl u zelf sympathisant bent van de oppositie. Het is ook totaal ongeloofwaardig dat de KGB niet op voorhand zou hebben geïnformeerd over het waarom van uw schorsing op de academie. Dat u dan nog het risico neemt om pamfletten van de oppositie te verspreiden binnen het leger zelf en daar dan ook nog eens bijna niet voor gestraft wordt is ook ongeloofwaardig. Indien XIV-29.617-7/19 voorgaande toch zou zijn gebeurd is het nogmaals ongeloofwaardig dat de KGB u zou voorstellen om voor hen te werken en te infiltreren in de oppositie. U stelt dat de KGB u ook niet in vertrouwen zou nemen en u kleine opdrachten zou geven (verhoorverslag CGVS DB, blz. 22). Dit strookt niet met de moeite die de KGB zou hebben gedaan om u voor hen te laten werken.” Verzoeker stelt dat de veronderstellingen van de Commissaris-generaal uit de lucht zijn gegrepen en dit motief door geen enkel stuk uit het dossier wordt ondersteund. Verweerder stelt dat er bij het onderzoek naar de motiveringsplicht rekening moet worden gehouden met het geheel van de motivering en niet met diverse onderdelen van de motivering op zich. De Commissaris-generaal kwam terecht tot de conclusie dat verzoekers aanvraag niet geloofwaardig is. In tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift aanhaalt, staat in de bestreden beslissing nergens dat verzoeker ‘lid van de oppositiebeweging zou zijn’, maar wel dat hij sympathisant is van de oppositie. Evenmin staat in de bestreden beslissing dat het niet aannemelijk is ‘dat verzoeker maar enkele kleine opdrachten van de KGB zou gekregen hebben’, maar wel dat de KGB hem slechts kleine opdrachten zou geven. De Raad benadrukt nogmaals dat de bestreden beslissing moet worden gelezen als geheel en niet als van elkaar losstaande zinnen. Het is het geheel van de in de bestreden beslissing opgesomde motieven die de Commissaris-generaal in het kader van zijn appreciatiebevoegdheid hebben doen besluiten tot de ongegrondheid van verzoekers asielaanvraag. In het licht hiervan stelde de Commissaris-generaal terecht vragen bij het feit dat verzoeker als sympathisant van de oppositie ‘toevallig’ tijdens zijn legerdienst bij een dienst van de KGB terechtkwam die bij de oppositie moest infiltreren (gehoor CGVS dringend beroep, p. 14). In zijn verdere verklaringen en in zijn verzoekschrift staat bovendien dat verzoeker in een regiment dat behoorde bij de KGB kon terechtko- men dankzij een aanbevelingsbrief van zijn vroegere werkgever, het feit dat zijn grootvader actief was geweest in het leger en het feit dat hij een sportopleiding had genoten (DVZ, p. 14, gehoor CGVS ten gronde, p. 7 en verzoekschrift, p. 3). Afgezien van het feit dat hieruit blijkt dat verzoeker allesbehalve toevallig bij deze eenheid terechtkwam, rijst de vraag naar verzoekers motivatie om in een dergelijk regiment te gaan dienen, gelet op zijn toen reeds bestaande sympathieën voor de oppositie. Het is verder inderdaad niet aannemelijk, getuige ook de vele mensenrechtenrapporten die verzoeker verder in zijn verzoekschrift aanhaalt, dat de KGB niet zou hebben geïnformeerd naar de reden van verzoekers schorsing van de universiteit, gezien de geheime dienst wel meteen op de hoogte werd gebracht van het feit dat verzoeker van deze instelling geschorst werd (gehoor CGVS dringend beroep, p. 13). Het is tenslotte evenmin aannemelijk dat de geheime dienst, waarvan verzoeker verklaarde dat deze hem niet in vertrouwen zou nemen en hem bijgevolg slechts kleine opdrachten zou geven, zich zoveel moeite zou getroosten om verzoeker, tegen zijn uitdrukkelijke wil, koste wat het kost te verplichten voor haar te laten werken. Verzoeker betwist tenslotte volgende motivering uit de bestreden beslissing: “Tenslotte slaagt u er ook niet in uw reisroute te beschrijven.” Verzoeker stelt dat de door een kandidaat-vluchteling afgelegde reisroute in het kader van het onderzoek ten gronde volstrekt irrelevant is. Gelet op de situatie en de omstandigheden waarmee verzoekers vlucht gepaard ging, is het logisch dat verzoeker geen overvloedige informatie kan verschaffen in verband met zijn vluchtroute. Het feit dat zijn vluchtrelaas lacunes vertoont, is een louter gevolg en in die zin zelfs een bewijs van het feit dat er in zijn hoofde, vanuit subjectief oogpunt, een gegronde vrees voor vervolging bestond. Verweerder verwijst naar rechtspraak van de Raad van State waarin wordt gesteld dat het niet in bezit zijn van enig reis- en identiteitsdocument, waardoor noch de identiteit, noch de reisweg van de kandidaat-vluchteling kan worden gecontroleerd, een determinerend motief is en dit motief reeds alleen de bestreden beslissing in haar geheel kan schragen (R.v.St., nr. 133.153 van 25 juni 2004). Bijgevolg meent verweerder dat de Commissaris-generaal terecht met dit element rekening heeft gehouden bij zijn beoordeling. XIV-29.617-8/19 De bestreden beslissing wijst niet alleen op het gebrek aan kennis van de reisweg van verzoeker, maar ook naar het gebrek aan bewijs van zijn identiteit. Verzoeker legt slechts een rijbewijs voor hetgeen niet voldoende is als bewijs van identiteit. Zowel bij de Dienst Vreemdelingenzaken als op het CGVS (gehoorverslag p.2) kan verzoeker buiten het feit dat hij met een soort minibus reisde, niet gestopt is bij de douane, maar in een bos, enig detail geven betreffende zijn reisweg. In tegenstelling tot wat verzoeker in zijn verzoekschrift stelt, is verzoekers totale onwetendheid aangaande de door hem gevolgde reisroute in samenhang met het gebrek aan bewijs van zijn identiteit, een element dat de geloofwaardigheid van zijn vluchtrelaas verder ondermijnt. Uit hetgeen hieraan voorafgaat blijkt dat verzoeker in zijn verzoekschrift geen aannemelijke verklaring geeft voor de verschillende tegenstrijdigheden die de kern van zijn asielrelaas raken. Gelet op bovenstaande vaststellingen is het asielrelaas van verzoeker niet geloofwaardig en is er derhalve geen reden om het te toetsen aan het Verdrag van Geneve van 28 juli 1951 (R.v.St., Polat, 12 januari 1999, nr. 78.054). Verzoeker toont niet aan dat hij de bescherming van het land waarvan hij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli 1951. Verzoeker vraagt de bestreden beslissing te vernietigen omdat, wat de vluchtelingensta- tus betreft, essentiële elementen ontbreken die inhouden dat de Raad de beslissing niet kan bevestigen of hervormen zonder aanvullende onderzoeksmaatregelen te bevelen. De Raad heeft er hierboven reeds op gewezen dat de bestreden beslissing voldoende draagkrachtige motieven bevat teneinde het gebrek aan geloofwaardigheid van het relaas van verzoeker vast te stellen. Het tweede middel is ongegrond. In een derde middel roept verzoeker een schending in van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet, van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht als algemeen rechtsbeginsel en meer bepaald als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en zoals aan de Commissaris-generaal opgelegd door de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en de Vreemdelingenwet. Wat de ingeroepen schending van de zorgvuldigheidsplicht betreft, stelt verweerder terecht dat de Commissaris-generaal zich bij het nemen van de bestreden beslissing gesteund heeft op alle gegevens van het administratieve dossier, op de algemeen bekende gegevens over het voorgehouden land van herkomst van verzoeker en op alle dienstige stukken (R.v.St., nr. 123.728 van 1 oktober 2003) zodat de zorgvuldigheids- plicht niet geschonden werd. Aangaande de opgeworpen schending van de motiveringsplicht wordt verwezen naar wat in dit verband hierboven werd aangehaald. Aangaande de opgeworpen schending van artikel 48/4 Vreemdelingenwet verwijst verzoeker naar algemene rapporten over de situatie voor oppositieleden in Belarus en de in de strafwet opgenomen bepaling dat diegene die de republiek Belarus in diskrediet brengt of valse informatie verleent aan een buitenlandse overheid bestraft wordt met een gevangenisstraf. Verweerder merkt op dat deze algemene rapporten niet volstaan om aan te tonen dat verzoeker in zijn land van herkomst werkelijk wordt bedreigd en vervolgd. De vervolgingsvrees moet in concreto worden aangetoond en verzoeker blijft hier in gebreke. De Commissaris-generaal oordeelde dat gezien verzoekers ongeloofwaardige bedrieglijke verklaringen hij evenmin het bestaan van een reëel risico op het lijden van ernstige schade, zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming, aannemelijk kan maken. Verzoeker beroept zich voor zijn verzoek tot toekenning van subsidiaire bescherming op dezelfde gronden als voor de hoedanigheid van vluchteling. Naar aanleiding van het onderzoek van de hoedanigheid van vluchteling ten aanzien van verzoeker werd reeds vastgesteld dat zijn feitenrelaas, en met name de vervolgingsfeiten waarvan hij omwille van zijn sympathie voor de oppositie het slachtoffer zou zijn geworden, ongeloofwaar- XIV-29.617-9/19 dig is. Verzoeker kan zich dan ook niet baseren op de elementen die aan de basis van zijn asielrelaas liggen om aannemelijk te maken dat hij in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bepaald in artikel 48/4 §2 b van de Vreemdelingenwet. Verzoeker toont daarenboven niet aan dat hij omwille van het feit dat hij een tijd in België verbleef en hier asiel vroeg bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst riskeert om te worden vervolgd wegens het van kracht zijn van een wet in zijn land van herkomst over het in diskrediet brengen van de republiek Belarus. Verzoeker stelt dat voor de toepassing van artikel 48/4 §2 c van de Vreemdelingenwet het aantonen van een algemene situatie, die bedreigend is voor de bevolking van een land of regio voldoende kan zijn om tot subsidiaire bescherming te besluiten. Verzoeker citeert een aantal verslagen die wijzen op de zorgwekkende situatie inzake mensenrech- ten in Belarus, maar maakt met deze algemene stelling niet aannemelijk dat er in Belarus een situatie heerst van willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 48/4, §2, c van de Vreemdeling- enwet van 15 december 1980. Verzoeker bewijst niet dat hij beantwoordt aan de wettelijke bepalingen van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet inzake subsidiaire bescherming. Het derde middel is niet gegrond.”. 2. Over de gegrondheid van het beroep. 2.1.1. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “Eerste Middel: schending van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980, het gelijkheidsbeginsel, als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur en zoals vervat in de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet en artikel 30 van de Grondwet doordat het bestreden arrest de beslissing van het Commissariaat-generaal niet hervormt of vernietigt hoewel de behandeling en het onderzoek van de asielaanvraag van verzoekende partij gedeeltelijk in het Engels geschiedde, meer bepaald het tolkwerk en de vragen vanwege de gemachtigde van de Commissaris-generaal in het kader van het gehoor op het CGVS, terwijl (eerste onderdeel) de behandeling en het onderzoek van de asielaanvraag overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 dient te geschieden in de dossiertaal, te dezen het Nederlands, en de behandeling en het onderzoek van de asielaanvraag in de zin van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 onder meer het tolkwerk en de vragen vanwege de (gemachtigde van
- de)Commissaris-generaal tijdens het gehoor omvat, zodat het gebruik van de Engelse taal in dat verband dat artikel schendt, en terwijl de Engelse taal werd gebruikt zonder dat hiervoor een wettelijk grondslag bestaat, zodat meteen ook artikel 30 van de Grondwet is geschon- den. en terwijl (tweede onderdeel) de asielaanvraag van verzoekende partij, zelfs indien zij overeenkomstig artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 gedeeltelijk in het Engels mocht worden behandeld en onderzocht, werd behandeld zonder dat er welkdanige garantie bestaat dat zijn asielaanvraag met dezelfde zin voor grondigheid en nuance werd behandeld als de asielaanvragen die door de (gemachtigden van
- de)Commissaris-generaal worden behandeld en onderzocht in het Nederlands (of het Frans), zodat het gelijkheidsbeginsel is geschonden.”; dat verzoeker toelicht in verband met het eerste onderdeel: dat uit de parlementaire voorbereiding van artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot XIV-29.617-10/19 het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet) duidelijk blijkt dat de behandeling en het onderzoek van de asielaan- vraag in haar geheel dit wil zeggen met inbegrip van het tolkwerk en het afnemen van het gehoor door de (gemachtigde van
- de)Commissaris-generaal in de taal van het dossier moet plaatsvinden, dat getolkt moet worden naar en uit de proceduretaal, weze het rechtstreeks vanuit de taal die de asielzoeker spreekt naar de proceduretaal en omgekeerd, weze het onrechtstreeks, op voorwaarde dat er, indien er in eerste instantie wordt getolkt vanuit de taal van de asielzoeker naar een andere taal dan de proceduretaal, wordt voorzien in een tweede tolk die bij machte is om te vertalen van de andere taal naar de proceduretaal, dat het motief luidens hetwelk hij niet concreet aantoont waarin hij zou zijn benadeeld door het feit dat de tolk en de gemachtigde van de Commissaris-generaal Engels spraken tijdens het gehoor op het Commissariaat-generaal niet dienstig en onwettig is, dat de taalwetgeving en dus ook artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet van openbare orde is zodat niet in concreto hoeft te worden aangetoond dat zijn belangen door een schending van die wetgeving werden geschaad; dat in verband met het tweede onderdeel verzoeker toelicht: dat hij in zijn verzoekschrift van 12 februari 2007 ook een schending van het gelijkheidsbeginsel heeft aangevoerd, dat de motivering waarbij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dit middelonderdeel evenmin gegrond heeft bevonden niet afdoende, niet dienstig en bovendien onwettig is, dat het immers niet is omdat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet geschonden zou zijn doordat het gehoor in het Engels en met een Russisch-Engelse tolk werd afgenomen, dat deze wetsbepaling bestaanbaar zou zijn met het gelijkheidsbeginsel, dat hij niet dezelfde garanties heeft kunnen genieten als elke andere kandidaat-vluchteling wiens gehoor op het Commissariaat-generaal door de gemachtigde van de Commissaris-generaal wel werd afgenomen in de taal van het onderzoek of minstens in het Nederlands of het Frans, dat daaruit volgt dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet schendt indien dit artikel de gemachtigde van de Commissaris-generaal niet steeds verplicht, ook tijdens het gehoor van de asielzoeker, de taal van het onderzoek te hanteren, dat aangezien de Raad van State artikel 51/4 van de Vreemdelin-genwet in principe niet proprio motu buiten toepassing kan laten, het gepast voorkomt dat de Raad een paar prejudiciële vragen in verband met de schending door deze wetsbepaling van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet aan het Grondwettelijk Hof zou stellen; 2.1.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel: dat nergens uit artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet kan worden afgeleid dat de tolk rechtstreeks dient te vertalen naar de taal van het onderzoek, zoals vastgelegd door de Minister of zijn gemachtigde overeenkomstig artikel 51/4, § 2, derde lid van de Vreemdelingenwet, dat uit dit artikel evenmin kan afgeleid worden dat de vragen door de XIV-29.617-11/19 gemachtigde van de Commissaris-generaal in de taal van het onderzoek aan de tolk dienen te worden gesteld, dat artikel 51/4, § 3 van de Vreemdelingenwet de taal van de gehele asielprocedure aanwijst, doch niet specifiek deze die de bevoegde overheid moet gebruiken in de omgang met de tolk wanneer de kandidaat-vluchteling om bijstand van een tolk heeft verzocht, dat in tegenstelling tot wat verzoeker beweert, het motief luidens hetwelk hij niet concreet aantoont waarin hij zou zijn benadeeld door het feit dat de tolk en de gemachtigde van de Commissaris-generaal Engels spraken tijdens het gehoor op het Commissariaat- generaal wel degelijk dienstig is, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen ingaat op verzoekers argumenten dat hij niet moet aantonen dat hij in zijn belangen werd geschaad, dat immers uitvoerig wordt gemotiveerd dat verzoeker niet concreet aantoont waarin zijn vluchtrelaas niet goed werd begrepen, dat niettegenstaande het onderzoek van de asielaanvraag door een taalwet wordt geregeld, deze taalregeling door de wetgever niet is opgelegd met het oog op de juiste toepassing van de regeling op het gebruik van de talen, maar in het belang van de asielzoeker (naast het reageren tegen bepaalde proceduremisbrui- ken) (zie Arbitragehof arresten nrs. 77/97 en 96/98); dat de verwerende partij op het tweede onderdeel antwoordt: dat in het bestreden arrest afdoende wordt gemotiveerd dat een schending van het gelijkheidsbeginsel niet in aanmerking kan worden genomen bij gebrek aan schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, dat, gezien het middel, afgeleid uit de schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, noch het middel, afgeleid uit de schending van de artikelen 10, 11 en 191 van de Grondwet, de openbare orde raken, het verzoek om een prejudiciële vraag te stellen in limine litis moest worden geformuleerd of minstens in het eerste procedurestuk waarin de verzoekende partij dit vermocht te doen, dat er geen grond is tot het stellen van deze prejudiciële vraag daar verzoeker in zijn verzoek- schrift ingediend bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daartoe in gebreke bleef; 2.1.3. Overwegende dat verzoeker repliceert in verband met het eerste onderdeel: dat er geen formeel wettelijke bepaling bestaat die het gebruik van het Engels door de gemachtigde van de Commissaris-generaal toelaat, dat het taalgebruik van de gemachtigde van de Commissaris-generaal deel uitmaakt van de regeling van het taalgebruik in bestuurszaken, waarvan niet ernstig kan worden betwist dat ze de openbare orde raakt, dat het feit dat de wetgever met de invoering van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet ook nog andere doelstellingen nastreefde geen afbreuk doet aan het feit dat met dat artikel wel degelijk het taalgebruik in bestuurszaken wordt geregeld; dat in verband met het tweede onderdeel verzoeker repliceert: dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de openbare orde raakt en hetzelfde geldt voor het grondwettelijk gewaarborgd gelijkheidsbeginsel waarvan thans iedereen aanneemt dat het een hoeksteen is van onze maatschappij; XIV-29.617-12/19 2.1.4.1. Overwegende dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, niets in de parlementaire voorbereiding van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet erop wijst dat in deze wetsbepaling ook de taal van de conversatie met de tolk wordt geregeld; dat verzoeker zich daarvoor steunt op de volgende zinsnede in de memorie van toelichting bij het ontwerp dat de wet van 10 juli 1996 is geworden: “De huidige regeling van onbeperkte vrije keuze van de taalrol leidt ertoe dat men de taalrol kiest waar de vertraging het grootst is en waar zogezegd de kans op een positieve beslissing het grootst is, ook al spreekt de betrokken asielzoeker de taal niet en moet er voor een conversatie met hem een beroep worden gedaan op een tolk” (Parl. St. Kamer, 1995-96, 364 nr. 1, p. 32-33); dat hieruit evenwel niet kan worden afgeleid dat onder het nieuwe regime enkel naar en uit de proceduretaal mag worden getolkt; dat als één van de redenen waarom aan de onbeperkte vrije keuze van de proceduretaal een einde wordt gesteld, er enkel wordt op gewezen dat ook wanneer de asielzoeker zelf deze taal kiest, meestal voor de conversatie met hem nog een beroep moet worden gedaan op een tolk; dat luidens artikel 30 van de Grondwet het gebruik van de in België gesproken talen vrij is en het niet geregeld kan worden dan door de wet en alleen voor handelingen van het openbaar gezag en voor gerechtszaken; dat deze bepaling op zich geen verplichting inhoudt voor de ambtenaren om uitsluitend de taal van hun taalrol te spreken of te gebruiken; dat ook uit deze bepaling niet kan worden afgeleid dat een ambtenaar een andere taal slechts zou mogen spreken of gebruiken indien een formele wetsbepaling hem daartoe machtigt; dat zoals andere wetsbepalingen waarbij het gebruik van een bepaalde taal wordt opgelegd ook artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet restrictief moet geïnterpreteerd worden; dat deze wetsbepaling enkel het taalgebruik regelt bij het eigenlijk onderzoek van de asielaanvraag; dat het de taal aanwijst die het bestuur moet gebruiken bij het opstellen van de dossierstukken en bij het nemen van zijn beslissing; dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet niet is geschonden omdat het interview op het Commissariaat-generaal zonder tussenkomst van een tolk werd afgenomen in een andere taal dan de proceduretaal of omdat de tolk zich bij dit interview bediende van een andere taal dan de proceduretaal; dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet de jurist die het interview met de asielzoeker afneemt niet verbiedt zich uit te drukken in een vreemde taal en zelfs de rol van de tolk waar te nemen wanneer hij die taal beheerst; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de door verzoeker voorgestane ruime interpretatie van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet dan ook terecht heeft verworpen; dat in het bestreden arrest wordt overwogen dat verzoeker “niet concreet (aantoont) waar en hoe er verkeerd vertaald of genoteerd zou zijn”; dat verzoeker het ten onrechte voorstelt alsof aldus zijn middel, ontleend aan de schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet, wordt verworpen omdat hij geen belang bij dit middel zou hebben; dat het middel, afgeleid uit de schending van voornoemde bepaling, -zoals genoegzaam uit het bestreden arrest blijkt- wordt afgewezen omdat het juridische grondslag XIV-29.617-13/19 mist; dat wanneer de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen stelt dat verzoeker “niet concreet (aantoont) waar en hoe er verkeerd vertaald of genoteerd zou zijn” dit is om te antwoorden op de algemene opmerking van verzoeker in zijn beroepsakte “dat het mogelijk is dat de tolk en/of de interviewer zijn verklaringen verkeerd hebben begrepen en genoteerd”; dat het eerste onderdeel niet gegrond is; 2.1.4.2. Overwegende dat in zijn beroepsakte aan de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen verzoeker in verband met de miskenning van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel het volgende uiteenzette : “Voor zoveel als nodig kan er nog op worden gewezen dat het evident is dat verzoekers belangen werden geschaad door de schending van de taalwetgeving in bestuurszaken: doordat het onderzoek niet geschiedde in de taal die artikel 51/4 van de wet van 15 december 1980 daarvoor voorziet, heeft hij niet dezelfde garanties kunnen genieten als elke andere kandidaat-vluchteling wiens dossier wel werd behandeld in de daarvoor voorgeschreven taal. Immers, er mag vanuit worden gegaan dat de Commissaris- generaal, of diens gemachtigden, het Nederlands en/of het Frans perfect beheersen, zodat zij het gehoor kunnen afnemen met de nodige nuances en die nuances kunnen neerschrijven in het gehoorverslag, dat immers een getrouwe weergave van dat verhoor dient te zijn. Welnu, gelet op het feit dat het gehoor in het Engels plaatsvond, bestaat hierover hoegenaamd geen zekerheid, zodat alleszins niet met zekerheid kan worden gezegd dat verzoekers asielaanvraag met eenzelfde grondigheid en zin voor nuance door de (gemachtigde van
- de)Commissaris-generaal werd onderzocht en behandeld. Hetzelfde kan overigens worden gezegd van de raadsman van verzoeker, van wie evenmin kan worden verwacht dat hij het Engels machtig is in dezelfde mate als hij het Nederlands en het Frans beheerst. Daardoor staat meteen vast dat de bestreden beslissing de artikelen 10, 11 (en 191) van de Grondwet schendt.”; dat hij zodoende liet gelden dat de schending van artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet ook een schending van de grondwettelijke gelijkheidsbepalingen betekende; dat, na aangegeven te hebben waarom er geen sprake was van een schending van artikel 51/4 van de Vreemde- lingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er zich dan ook toe kon beperken te overwegen dat “bij gebrek aan schending van artikel 51/4 van de Vreemdelin-genwet de artikelen 10 en 11 van de Grondwet evenmin zijn geschonden”; dat van een schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen immers geen gewag werd gemaakt; dat de kritiek van verzoeker op de redengeving in het bestreden arrest omtrent de opgeworpen schending van het gelijkheidsbeginsel bijgevolg niet kan worden aangenomen; dat de schending van het gelijkheidsbeginsel door artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet voor het eerst voor de Raad van State wordt ingeroepen; dat verzoeker heeft nagelaten deze grief aan het oordeel van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen te onderwerpen; dat, als administratieve cassatierech- ter, de Raad van State, enkel kennis kan nemen van middelen die de partijen voor de XIV-29.617-14/19 feitenrechter hebben ingeroepen; dat verzoeker tevergeefs opwerpt dat artikel 51/4 van de Vreemdelingenwet van openbare orde is; dat de voorliggende grief immers niet de verkeerde toepassing van een taalwetbepaling betreft, doch wel de schending van het gelijkheidsbegin- sel; dat in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, het gelijkheidsbeginsel niet de openbare orde raakt; dat de schending door een taalwet van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet niet voor het eerst voor de administratieve cassatierechter kan worden aangevoerd; dat in de mate erin de schending door artikel 51/4 van de vreemdelingenwet van het grondwettelijk gelijkheidsbeginsel wordt opgeworpen, het tweede onderdeel niet ontvankelijk is; dat er dan ook geen reden bestaat om in deze het Grondwettelijk Hof te raadplegen; 2.2.1. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “Tweede Middel: schending van de artikelen 48/4 en 48/5 van de wet van 15 december 1980, van de zorgvuldigheidsplicht en de motiveringsplicht, als algemeen rechtsbegin- sel en als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, en zoals aan de Commissaris- generaal opgelegd bij de wet van 29 juli 1991 "betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen" en de wet van 15 december 1980 en aan de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen opgelegd bij artikel 39/65 van wet van 15 december 1980 doordat het bestreden arrest de beslissing van het CGVS niet hervormt of vernietigt, hoewel de Commissaris-generaal aan verzoekende partij de subsidiaire beschermings- status heeft ontzegd, zonder daarbij rekening te houden met de algemene omstandighe- den in het land van herkomst, terwijl (eerste onderdeel) bij de beoordeling van de criteria op basis waarvan de subsidiaire beschermingsstatus wordt verleend, ook rekening moet worden gehouden met de algemene omstandigheden in het land van herkomst, en terwijl (tweede onderdeel), zelfs al zou bij de beoordeling van de criteria op basis waarvan de subsidiaire beschermingsstatus werd verzocht in het geval van verzoekende partij rekening zijn gehouden met de algemene omstandigheden in het land van herkomst, het bestreden arrest en de beslissing van het CGVS alsdan aan de feiten die werden vastgesteld een (kennelijk) onjuiste juridische kwalificatie hebben gegeven en er onjuiste gevolgtrekkingen op wettelijk vlak uit hebben gepuurd.”; dat verzoeker toelicht in verband met het eerste onderdeel: dat noch de Commissaris- generaal, noch de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen rekening hebben gehouden met de algemene situatie in zijn land van herkomst, dat de Commissaris-generaal immers voorbijgegaan is aan het feit dat hij bij zijn terugkeer naar Wit-Rusland het voorwerp kan uitmaken van een vernederende en onmenselijke behandeling, dat hij de Commissaris- generaal uitvoerig heeft bericht over Wit-Russische strafwetgeving die een manifest onevenredelijke bestraffing en dus onmenselijke en vernederende behandeling inhoudt, dat deze wetgeving in strijd is met het EVRM, inzonderheid met het artikel 3 daarvan, dat hij vergeefs in de beslissing van het Commissariaat-generaal zoekt naar enig motief dat op deze Wit-Russische strafwetgeving betrekking heeft of zou kunnen hebben, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen op zijn beurt de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht schendt XIV-29.617-15/19 door de gebrekkige motivering van de beslissing van de Commissaris-generaal en de daarmee gepaard gaande schending van het zorgvuldigheidsbeginsel niet te sanctioneren, dat bovendien uit de motivering van het bestreden arrest blijkt dat de Raad voor Vreemdelingen- betwistingen met de algemene situatie in het land van herkomst weliswaar rekening heeft gehouden bij de beoordeling van het al dan niet voorhanden zijn van een ernstig risico op “willekeurig geweld in het kader van een internationaal of binnenlands gewapend conflict in de zin van artikel 48/4, § 2, c, van de wet van 15 december 1980" maar niet bij de beoordeling van het al dan niet voorhanden zijn van een ernstig risico op “foltering, onmenselijke of vernederende behandeling in de zin van artikel 48/4, § 2, b van dezelfde wet, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen daarentegen enkel rekening heeft gehouden met zijn “persoonlijke omstandigheden” of “persoonlijke situatie”, waaruit hij heeft afgeleid dat hij niet riskeert om te worden vervolgd wegens het van kracht zijn van een wet in zijn land van herkomst over het in diskrediet brengen van de republiek Wit-Rusland, in verband met het tweede onderdeel: dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet wettig kon beslissen dat hij zijn terugkeer naar Wit-Rusland niet zou riskeren om te worden vervolgd wegens de strafwet die het in diskrediet brengen van de republiek Wit-Rusland op disproportionele wijze sanctioneert, dat niet ernstig kan worden betwist dat hij onder het toepassingsgebied van die strafwetgeving valt, dat hij als Wit-Russisch staatsburger, gedurende zijn verblijf in België hoofdzakelijk en onophoudelijk aan de Belgische asielinstanties informatie over de republiek Wit-Rusland heeft verstrekt waarvan bezwaarlijk kan gesteld worden dat die de republiek Wit-Rusland niet in diskrediet zou brengen; 2.2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt op het eerste onderdeel : dat de Raad van State als administratieve cassatierechter niet bevoegd is om tot een nieuwe feitelijke beoordeling van de zaak over te gaan, dat het beroep in zoverre gericht tegen de beslissing van de Commissaris-generaal niet ontvankelijk is, dat tegen deze beslissing immers enkel een beroep openstaat bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, mogelijkheid waarvan verzoeker zonder succes gebruik heeft gemaakt, dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk rekening heeft gehouden met de algemene situatie in het land van herkomst van de verzoekende partij bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b van de Vreemdelingenwet, maar concludeerde dat gezien verzoekers asielrelaas niet geloofwaar- dig is, hij zich niet langer kan steunen op de elementen die aan de basis liggen van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat hij in geval van terugkeer een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/4, § 2, b, van de Vreemdelingenwet, dat het bovendien niet volstaat dat verzoeker verwijst naar een algemene situatie in een bepaalde regio zonder aan te tonen of minstens aannemelijk te maken dat deze situatie op hem XIV-29.617-16/19 betrekking heeft, dat ook wat de subsidiaire beschermingsstatus betreft, de bewijslast op de verzoeker berust en deze zich niet kan beperken tot blote beweringen; op het tweede onderdeel : dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk is ingegaan op het door verzoeker aangehaalde risico op ernstige schade, maar heeft geoordeeld dat hij dit niet met concrete elementen kon staven, dat een abstracte verwijzing naar een algemene situatie niet volstaat; 2.2.3. Overwegende dat de verzoekende partij repliceert dat in de memorie van antwoord niets staat dat niet reeds bij voorbaat werd weerlegd in de akte waarbij het cassatieberoep werd ingeleid, dat de verwerende partij blijkbaar genoegen neemt met het hernemen van de motivering van het bestreden arrest; 2.2.4.1. Overwegende dat dit middel is gericht tegen het gedeelte van het aangevochten arrest waarbij verzoeker de subsidiaire beschermingsstatus wordt geweigerd; dat het gedeelte van het bestreden arrest waarbij hem de vluchtelingenstatus wordt geweigerd, erin niet wordt bekritiseerd; 2.2.4.2. Overwegende dat in zoverre het eerste onderdeel gericht is tegen de beslissing van 24 januari 2007 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen het niet in aanmerking kan worden genomen; dat ingevolge verzoekers beroep het arrest van 21 juni 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de plaats is gekomen van de beslissing van de Commissaris-generaal; dat waar verzoeker laat gelden dat het bestreden arrest in navolging van de beslissing van de Commissaris-generaal genomen is met schending van de motiverings- en zorgvuldigheidsplicht, hij eraan voorbijgaat dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen er zich wat de subsidiaire beschermingsstatus betreft niet toe heeft beperkt aan te sluiten bij de motieven terzake van de Commissaris-generaal, doch deze status op grond van een eigen redengeving heeft geweigerd; dat, zoals volkomen terecht door de verwerende partij wordt gesteld de bewijslast ook wat de subsidiaire bescherming betreft op de asielzoeker rust; dat deze aan de hand van concrete elementen moet aantonen dat hij beantwoordt aan de criteria van de subsidiaire beschermingsstatus; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker laat gelden, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wel degelijk met de door hem aangevoerde algemene situatie in het land van herkomst heeft rekening gehouden bij de beoordeling van het al dan niet aanwezig zijn van een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 48/4, § 2, b, van de Vreemdelingenwet; dat de door hem aangebrachte algemene rapporten over de situatie voor oppositieleden in Belarus immers worden verworpen omdat “naar aanleiding van het onderzoek van de hoedanigheid van vluchteling (...) reeds werd vastgesteld dat zijn feitenrelaas, en met name de vervolgings- XIV-29.617-17/19 feiten waarvan hij omwille van zijn sympathie voor de oppositie het slachtoffer zou zijn geworden, ongeloofwaardig is” en hij “zich dan ook niet (kan) baseren op de elementen die aan de basis liggen van zijn asielrelaas om aannemelijk te maken dat hij in geval van terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bepaald in artikel 48/8, § 2, b van de vreemdelingenwet”; dat in de mate waarin het eerste onderdeel ontvankelijk is, het niet gegrond is; 2.2.4.3. Overwegende dat, zoals bij de bespreking van het eerste onderdeel al gesteld, de bewijslast ook wat de subsidiaire bescherming betreft op de asielzoeker rust; dat hij moet aantonen dat er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat hij bij terugkeer naar zijn land van herkomst een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in artikel 48/4, § 2, van de Vreemdelingenwet; dat tijdens het verhoor ten gronde op het Commissariaat-generaal verzoeker liet gelden dat hij bij terugkeer naar Belarus riskeerde opgesloten te worden omwille van hetgeen hij in België tijdens de asielprocedure had verklaard; dat een nieuwe wet immers het in diskrediet brengen van de republiek Belarus en het doorgeven van informatie aan andere landen bestrafte; dat op de vraag of die wet wordt toegepast en mensen er op basis van worden opgesloten hij antwoordde dit niet te weten; dat hij in zijn beroepschrift terzake enkel wees op “een wijziging in het Wit-Russische strafwetboek die ertoe strekt diegenen te bestraffen die de Wit-Russische Republiek ‘in diskrediet brengen’ door ‘valse informatie te verlenen aan een buitenlandse overheid of organisatie’”; dat, wat de mogelijke toepassing van de wet in verband met het in diskrediet brengen van de republiek Belarus betreft, verzoeker zich aldus beperkte tot een loutere bewering; dat hij op geen enkel ogenblik van de asielprocedure ook maar heeft gepoogd in concreto aannemelijk te maken dat deze wet toegepast wordt op terugkerende asielzoekers zoals hem; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het asielmotief, ontleend aan deze wet, dan ook heeft kunnen verwerpen omdat door verzoeker niet werd aangetoond “dat hij omwille van het feit dat hij een tijd in België verbleef en hier asiel vroeg bij zijn terugkeer naar zijn land van herkomst riskeert om te worden vervolgd wegens het van kracht zijn van een wet in zijn land van herkomst over het in diskrediet brengen van de republiek Belarus”; dat het tweede onderdeel niet gegrond is, XIV-29.617-18/19 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drei september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.617-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.185.993 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div