← België

Arrest 186009 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 03/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 03 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.009 Rolnummer: A. 183573/XIV-29552 Zaak: Arrest 186009 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 03/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-26 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:29 Fiche Arrest nr 186.009 van 3 september 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.009 van 3 september 2008 in de zaak A. 183.573/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij advocaat K. DASSEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Boomgaardstraat 93 tegen : de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. -------------------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Iraakse nationaliteit, op 24 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 19 april 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen; Gelet op de beschikking nr. 911 van 5 juli 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 9 oktober 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 19 december 2007; Gehoord het verslag van staatsraad C. ADAMS; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. HAEGEMAN, die loco advocaat K. DASSEN verschijnt voor de verzoekende partij en attaché L. DECROOS, die verschijnt voor de commissaris-generaal voor de vluchtelingen en staatlozen; XIV-29.552-1/4 Gehoord het andersluidend advies van auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Overwegende dat de verzoekende partij een enig middel opwerpt dat als volgt luidt: “Schending van de motiveringsverplichting Verzoeker werd geweigerd als vluchteling door de vaste beroepscommissie en kreeg evenmin het subsidiair beschermingsstatuut. Dat verzoeker zich niet kan verzoenen met de motivering waarom hij niet erkend wordt en hem het subsidiaire beschermingsstatuut werd geweigerd. Dat de enige motivering luidt: ‘Het beroep is niet ontvankelijk wegens ontstentenis van het wettelijke vereiste rechtmatig belang en wegens het algemeen rechtsbeginsel fraus omnia corrumpit’. Dat men blijkbaar zijn beslissing alleen hierop steunt. Dat verzoeker wel degelijk een rechtmatig belang had bij het instellen van zijn beroep en nu nog steeds!!! Verzoeker is Irakees en kan onmogelijk terug naar zijn land van herkomst. Bovendien werd er nooit getwijfeld aan zijn identiteit. Verzoeker riskeert een ernstige bedreiging van zijn leven of persoon als gevolg van het willekeurige geweld in zijn land. Dat het feit dat hij in het verleden reeds asiel aanvroeg in Duitsland en in Nederland en nu in België wel duidelijk aantoont dat hij onmogelijk kan terugkeren naar zijn land van herkomst. Dat de vaste beroepscommissie hier totaal geen rekening mee heeft gehouden. Zij had dienen te onderzoeken of verzoeker wel degelijk terugkon naar zijn land van herkomst en dit is totaal niet het geval. Dat men de voorwaarden om te ressorteren onder de vluchtelingenconventie of om het subsidiaire beschermingsstatuut toe kennen in zijn hoofde totaal niet onderzocht heeft! Dat ondanks de aanvraag voor het subsidiaire beschermingsstatuut hier ook niet wordt op ingegaan. Dat dit niet wordt gemotiveerd waarom dit wordt geweigerd. Dat verzoeker meent dat de huidige situatie en het feit dat zijn situatie nog niet gewijzigd is hij recht heeft op het subisdiaire beschermingsstatuut. Dat men hier dan wel degelijk kan spreken van een gebrekkige motivering. Dit is een duidelijke fout in de motiveringsverplichting. Dat het duidelijk is dat de voorwaarden van de beide artikels voor hem persoonlijk niet onderzocht zijn. Dat de voorwaarden die aan de basis liggen van zijn aanvraag nog wel degelijk aanwezig zijn. Dat hij ook in de huidige context nog steeds angst heeft. Dat verzoeker dan ook meent dat zijn aanvraag niet op een zorgvuldige wijze werd behandeld. Dat er geen rekening werd gehouden met het intern conflict dat in Irak heerst. Dat er een beslissing genomen werd zonder zijn persoonlijke situatie te onderzoeken. Dat dit echter alleen op zich geen reden tot weigering kan zijn. De Vaste Beroepscommissie moet op de dag van de zitting oordelen of er daadwerkelijk gevaar bestaat bij een eventuele terugkeer. Doch zij moet hierbij nog wel rekening houden met alle argumenten. XIV-29.552-2/4 Kan men in de omstandigheden dat het land van verzoeker verkeert, namelijk Irak, verwijzen naar een algemeen rechtsbeginsel en het feit dat verzoeker geen rechtmatig belang zou hebben als enige motivering om tot weigering over te gaan?! De huidige beslissing en de argumentatie die ervoor gegeven wordt is dan ook niet redelijk gelet op de gevolgen die huidige beslissing voor verzoeker heeft. Dat hij dan ook nog steeds een concreet gevaar loopt. Dat in huidige casu er een gebrekkige motivering is aangezien beslissingen in bestuursza- ken dienen gemotiveerd te worden zodanig dat de motivering de beslissing draagt en verzoeker duidelijk maakt waarom tot een dergelijke weigering werd overgegaan. Dat de motivering in huidig geval verschillende gebreken vertoont aangezien op generlei wijze werd aangetoond waarom verzoeker zijn angst voor vervolging niet aannemelijk kan maken en men gewoon overgaat tot het nemen van de weigeringsbeslissing. Hij heeft tevens onderstreept dat zijn redenen onder de Conventie vallen minstens het verkrijgen van het subsidiaire beschermingsstatuut. Op al deze elementen wordt niet ingegaan en verzoeker kan zich dan ook niet verzoenen met een dergelijke motivering om over te gaan tot weigering van zijn aanvraag. Buiten de gronden voor vervolging moet men nog nagaan of op dit ogenblik verzoeker concreet een ernstig gevaar loopt op schade indien hij zou terugkeren, dit is ontegensprekelijk het geval. Dit wordt totaal niet onderzocht en ook niet gemotiveerd waarom dat niet zo zou zijn. Dat de situatie in Irak ernstig is!! Dat verzoeker dit heeft toegelicht doch dat hierover niet het minste is terug te vinden in de beslissing. Dat verzoeker nogmaals het werkelijke gevaar wenst te benadrukken dat hij loopt bij een eventuele terugkeer. De problematiek ter plekke is dus zeer ernstig en de beslissing van de Vaste Beroepscom- missie is dan ook onbegrijpelijk met betrekking tot het niet toekennen van de subsidiaire beschermingsstatus. Dat verzoeker dan ook met aandrang vraagt huidige beslissing te willen vernietigen omwille van zijn gebrekkige motivering en onzorgvuldige behandeling. Dat dit nooit de bedoeling kan zijn van de nieuwe wet m.b.t. het subsidiaire beschermings- statuut.”;
  3. Overwegende dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, ten overstaan van wie door de commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen een beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus is genomen, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een beroep bij de toenmalige Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep tot nietigverklaring zelf door bedrog is aangetast; dat de eventuele ongegrondheid van het beroep bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet volstaat om dat beroep als niet-ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen; dat het middel in die mate niet kennelijk ongegrond is; Overwegende dat, nu de kamer het niet eens is met de conclusies van het verslag, het cassatieberoep overeenkomstig de artikelen 13 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State, wordt voortgezet, XIV-29.552-3/4 BESLUIT: Artikel
  4. Het cassatieberoep wordt voortgezet overeenkomstig de artikelen 13 tot 18 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie- procedure bij de Raad van State. Artikel
  5. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drie september tweeduizend en acht, door : de HH. C. ADAMS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, J. CASNEUF, griffier. De griffier, De voorzitter, J. CASNEUF. C. ADAMS. XIV-29.552-4/4 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.009 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.199.110 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.