id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 04 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.045 Rolnummer: A. 189406/IX-6018 Zaak: Arrest 186045 - Politie - 04/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-08 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:30 Fiche Arrest nr 186.045 van 4 september 2008 Instellingen, Binnenlandse zaken en lokale besturen - Politie Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.045 van 4 september 2008 in de zaak A. 189.406/IX-
- In zake : Kathleen DE CLEENE, die woonplaats kiest bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te 3600 GENK, Stoffelbergstraat 4 tegen : de Politiezone MAASLAND, die woonplaats kiest bij advocaat W. MERTENS, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat
- DE VOORZITTER VAN DE XIIe VAKANTIEKAMER, Gezien het verzoekschrift dat Kathleen DE CLEENE op 20 augustus 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van :
- het besluit van 3 juli 2008 van het politiecollege van de Politiezone Maasland 5383 waarbij verzoekende partij bij dringendheid en ordemaatregel voorlopig wordt geschorst voor een periode van 4 maanden en waarbij een inhouding van wedde wordt opgelegd en wordt beslist dat de mandaatvergoeding als secretaris van het politiecollege en de politieraad vervalt, en
- het besluit van 9 juli 2008 van het politiecollege van de Politiezone Maasland 5383 waarbij wordt beslist het besluit van 3 juli 2008 te handhaven en verzoekende partij voorlopig te schorsen voor een duur van 4 maanden vanaf 3 juli inbegrepen, waarbij een inhouding van wedde wordt opgelegd van 20 % op de voltijdse wedde van de verzoekende partij, en waarbij wordt beslist dat gedurende de periode van de schorsing de mandaatvergoeding als secretaris van het politiecollege en de politieraad vervalt; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 28 augustus 2008; IX-6018-1/5 Gehoord het verslag van kamervoorzitter L. HELLIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- De gegevens van de zaak. 1.
- In de politiezone Maasland is een intern onderzoek gevoerd naar het telefoongebruik. 1.
- Als gevolg van dat onderzoek is vastgesteld dat verzoekster oneigenlijk gebruik heeft gemaakt van de diensttelefoon die haar is toegewezen. 1.
- Dat oneigenlijk gebruik heeft ook geleid tot de vaststelling dat verzoeksters opgegeven tijdsgebruik niet overeen zou stemmen met de werkelijkheid. 1.
- Op 3 juli 2007 neemt het politiecollege kennis van het informatieverslag opgesteld door de zonechef met betrekking tot die vaststellingen en neemt op dezelfde datum de eerste bestreden beslissing die op 9 juli 2008, na verzoekster te hebben gehoord, grotendeels wordt bevestigd en de tweede bestreden beslissing uitmaakt.
- De grond. Overwegende dat krachtens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid kan worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten akte of verordening kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke IX-6018-2/5 tenuitvoerlegging van de bestreden akte of verordening een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen; 2.
- Overwegende dat verzoekster met betrekking tot de eerste voorwaarde aanvoert dat er op 14 augustus 2008 een oproep werd gericht om zich kandidaat te stellen voor de tweede mobiliteitsronde van het jaar 2008; dat zij zich ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing in de administratieve toestand van non-activiteit bevindt en dus niet kan deelnemen aan de mobiliteitsronde; dat de uiterste datum voor het indienen van de kandidaatstellingen is vastgesteld op 12 september 2008 en dat een gewone schorsingsprocedure te laat zou komen, omdat het quasi zeker is dat er vóór 12 september geen uitspraak zal zijn tussengekomen; dat zij niet getalmd heeft met het instellen van haar vordering, aangezien de oproep op 14 augustus 2008 werd gepubliceerd en zij nauwelijks zes dagen later haar vordering heeft ingesteld; 2.
- Overwegende dat de verwerende partij in haar nota stelt, samengevat, dat bij de beoordeling van de uiterst dringende noodzakelijkheid dient uitgegaan te worden van het ogenblik waarop kennis genomen wordt van de beslissing en niet van het ogenblik waarop een oproep gebeurt voor kandidaturen; dat indien het standpunt van verzoekster zou worden gevolgd zijzelf de datum zou kunnen vaststellen vanaf wanneer de tijdigheid moet worden beoordeeld; dat verzoekster zich onmiddellijk bewust moest zijn van de gevolgen van de bestreden beslissing en dat zij niet aantoont dat zij zich geen kandidaat meer kan stellen; dat zij wat de eerste bestreden beslissing betreft 49 dagen gewacht heeft en voor de tweede bestreden beslissing 34 dagen zodat zij onredelijk lang gewacht heeft; 2.
- Overwegende dat verzoekster bij toepassing van artikel 59 van de wet van 13 mei 1999 houdende het tuchtstatuut van de personeelsleden van de politiediensten (hierna: de Tuchtwet) bij ordemaatregel voorlopig wordt geschorst voor een duur van vier maanden vanaf 3 juli 2008; dat artikel VIII.II.6 van het koninklijk besluit van 30 maart 2001 tot regeling van de rechtspositie van het personeel van de politiediensten (hierna: RPPol) bepaalt dat de voorlopige schorsing bedoeld in artikel 59 van de Tuchtwet de betrokkene van rechtswege in de administratieve stand van non-activiteit plaatst; dat artikel VIII.II.7 van RPPol bepaalt dat de personeelsleden in non-activiteit, tenzij anders bepaald, geen recht hebben op wedde, op bevordering, op de baremische loopbaan en op tussentijdse verhogingen; dat artikel VI.II.10, 4/, van RPPol bepaalt dat voor de mobiliteit IX-6018-3/5 uitsluitend het personeelslid in aanmerking komt dat zich bevindt in een administratieve stand waar het zijn aanspraken op bevordering en baremische loopbaan kan doen gelden; dat verzoekster aldus ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de tweede bestreden beslissing geen kandidaat kon zijn voor de tweede mobiliteitsronde van 2008; dat zij in haar verzoekschrift er op wijst dat de mobiliteitsregeling concreet uitgewerkt is in een systeem van mobiliteitsrondes, waarbij drie maal per jaar een oproep tot kandidaatstelling, tezamen met een lijst van alle vacatures in België binnen het operationeel en het administratief en logistiek kader wordt gepubliceerd; dat volgens dit systeem de data van publicatie in principe midden april, midden augustus en midden december zijn; dat die regelmaat reeds in voege is sedert 2002 zodat verzoekster, die sedert juni 2004 tewerkgesteld is als adviseur-secretaris van de politiezone, genoegzaam bekend is met die regeling en derhalve wist dat er midden augustus 2008 een tweede mobiliteitscyclus zou worden gepubliceerd; dat zij derhalve op 3 juli 2008 terdege de wetenschap had dat indien er uiterlijk op 13 juli 2008 een bekrachtigingsbeslissing zou tussenkomen, haar administratieve toestand van non- activiteit ongewijzigd zou blijven en dat haar mogelijkheid om zich kandidaat te stellen voor de tweede mobiliteitsronde op de helling zou komen te staan; dat de tweede bestreden beslissing, de bekrachtigingsbeslissing, genomen is op 9 juli 2008 en dat die beslissing nog op dezelfde dag middels een aangetekende brief aan verzoekster werd betekend; dat verzoekster weliswaar die beslissing evenals een tweede betekening heeft afgehaald op een veel latere datum, namelijk op 24 juli 2008 en dat hiervoor ter zitting geen verklaring kan gegeven worden evenmin over de vraag waarom zij, indien zij geen kennis had van de tweede bestreden beslissing, zich niet spontaan heeft aangeboden op haar werk na 13 juli 2008; dat nadat verzoekster uiteindelijk de tweede bestreden beslissing heeft afgehaald op 24 juli 2008, zij nog tot 20 augustus 2008 heeft gewacht alvorens zich met haar verzoek tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid tot de Raad van State te wenden; dat die vordering weliswaar is ingesteld zes dagen nadat de oproep tot kandidaatstelling voor de tweede mobiliteitsronde werd gepubliceerd, doch dat dit niet wegneemt dat verzoekster vanaf het ogenblik dat zij voorlopig was geschorst de zich opdringende diligente houding had moeten aannemen indien zij zinnens was te kandideren in de mobiliteitsronde van midden augustus 2008; dat zij aldus niet op afdoende wijze de vereiste uiterst dringende noodzakelijkheid aantoont, IX-6018-4/5 BESLUIT: Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 4 september 2008, door : de H. L. HELLIN, kamervoorzitter, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. L. HELLIN. IX-6018-5/5 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.045 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.189.057 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div