← België

Arrest 186081 - Examens (onderwijs) - 05/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 05 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.081 Rolnummer: A. 189540/XII-5538 Zaak: Arrest 186081 - Examens (onderwijs) - 05/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-09 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:30 Fiche Arrest nr 186.081 van 5 september 2008 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELINGBESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.081 van 5 september 2008 in de zaak A. 189.540/XII-

  1. In zake : Tom WALSCHARTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. Deridder, kantoor houdende te Antwerpen, Mechelsesteenweg 210 A tegen : VZW SINT-LIEVENSCOLLEGE, dat woonplaats kiest bij advocaten S. Verbist en R. Tijs, kantoor houdende te Antwerpen, Graaf van Hoornestraat
  2. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Tom Walscharts, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn ouders W. Walscharts en K. Moens, op 3 september 2008 heeft ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 26 juni 2008 waarbij de delibererende klassenraad van het tweede jaar van de eerste graad Techniek-Wetenschappen hem een oriënteringsattest B geeft met clausulering voor Wetenschappen ASO en Sport ASO en van de beslissing van 14 augustus 2008 van de raad van bestuur om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 4 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008, om 14.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Deridder, die verschijnt voor verzoeker, en van advocaat S. Verbist, die verschijnt voor de verwerende partij; XII-5538-1\12 Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De voornaamste feitelijke gegevens van de zaak
  3. Verzoeker is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling van het tweede jaar van de eerste graad secundair onderwijs, richting Techniek- Wetenschappen, aan het Sint-Lievenscollege te Antwerpen. Blijkens het eindrapport is verzoeker voor alle vakken geslaagd. Op het einde van het schooljaar geeft de delibererende klassenraad hem een oriënteringsattest B, met clausulering voor Wetenschappen ASO en Sport ASO en advies over te gaan naar een derde jaar TSO. Het motief hiervoor is “zwak resultaat voor wetenschappen, Engels en Frans”. De klassenleraar voegt daar het volgende eigen commentaar aan toe : “Je bent er in geslaagd om alle tekorten weg te werken. Maar, het totaalbeeld blijft erg zwak. Denk daarom na over je studiekeuze! Blijf ook ernstig werken aan je persoonlijkheid [...]”. Tijdens een onderhoud met de directie op 26 juni 2008 wijzen de ouders er op -althans volgens het verzoekschrift- dat de tijdens het jaar vastgestelde gedragsstoornissen van verzoeker mogelijk op een aandoening wijzen, dat verzoeker volgens hun huisarts vermoedelijk aan een aandachtsstoornis met hyperactiviteit (ADHD) lijdt, dat deze diagnose waarvoor verzoeker is doorverwezen medisch nog niet gesteld kan worden wegens lange wachttijden voor het uitvoeren van de gepaste testen, dat een kinderpsychiatrisch onderzoek aangevraagd is, dat verzoeker in juni aangepaste medicatie is voorgeschreven en dat die medicatie allicht de zeer gunstige ontwikkeling van zijn examenresultaten verklaart. Daags nadien deelt de directeur mee dat de klassenraad niet opnieuw wordt samengeroepen. XII-5538-2\12 Op 1 juli 2008 stellen de ouders van verzoeker beroep in bij de beroepscommissie. In het bezwaarschrift wordt nogmaals verwezen naar de behandeling voor ADHD met medicatie sinds begin juni, de aanzienlijk verbeterde schoolresultaten, de goede resultaten voor wiskunde (63,2%) op het eindproefwerk en de intentie van verzoeker om van school te veranderen en de richting ASO Sport met minder uren wiskunde te volgen. Op 14 augustus 2008 deelt verwerende partij aan de ouders van verzoeker mee beslist te hebben, op advies van de beroepscommissie, om de delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. De motieven van de beroepscommissie daartoe zijn : “- Sedert 6 juni 2008 hebben de ouders directeur Herman Jacobs ingelicht over een mogelijk ADHD-probleem, maar zij hebben tot op vandaag hiervan geen attest voorgelegd. Er is dus geen bijkomende informatie t.o.v. de datum van bijeenkomst van de delibererende klassenraad op 23 juni. - Wij lezen als motivering voor de beslissing van de klassenraad ‘zwak resultaat voor wetenschappen, wiskunde, Engels en Frans’.”. De ontvankelijkheid
  4. De artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna: het organisatiebesluit), laatst gewijzigd bij besluit van 7 sep- tember 2007, organiseren een beroep binnen de school tegen beslissingen van de delibererende klassenraad, dat moet worden uitgeput alvorens de Raad van State kan worden geadieerd. De Raad van State herinnert ambtshalve de redengeving die hij heeft ontwikkeld, onder meer in de arresten Labaere, nr. 103.155, van 5 februari 2002 en Verlende, nr. 126.481, van 16 december 2003, dat de beslissing waarmee die beroepsprocedure wordt afgesloten, de eindbeslissing is, vatbaar voor beroep voor de Raad van State en dat die eindbeslissing kan zijn, ofwel de “definitieve beslissing ten aanzien van de betrokken leerling” van de delibererende klassenraad (artikel 74 van het organisatiebesluit), ofwel de beslissing van de inrichtende macht dat de delibererende klassenraad niet opnieuw dient samen te komen met het oog op het nemen van een definitieve beslissing (artikel 73, tweede lid, van het organisatiebesluit). Zulks betekent dat de voorliggende vordering niet ontvankelijk is voor zover ze is gericht tegen de eerste bestreden beslissing. XII-5538-3\12 Zoals de Raad van State onder meer in voornoemd arrest nr. 103.155, of ook nog in de arresten Verfaillie, nr. 123.773, van 2 oktober 2003, Jacobs, nr. 126.192, van 9 december 2003 en Vanlook, nr. 149.871, van 6 oktober 2005, heeft opgemerkt, kunnen de onwettigheden die verzoeker de beslissing van de delibererende klassenraad aanwrijft echter wel in aanmerking worden genomen voor de beoordeling van de wettigheid van de bestreden eindbeslissing : wanneer immers de delibererende klassenraad onwettig heeft gehandeld -in de huidige stand van de rechtspleging: lijkt te hebben gehandeld- moest zulks voor het schoolbestuur een reden zijn om die klassenraad opnieuw te doen samenkomen. Immers, uit artikel 6quater, tweede lid, van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959 -en uit artikel 5, § 1, van het organisatiebesluit- blijkt dat de delibererende klassenraad als enig orgaan fungeert op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn, nu die bepaling hem aanwijst “als enig orgaan op het vlak van de beslissingen inzake het al dan niet geslaagd zijn” en voorts preciseert dat hij “oordeelt of een regelmatige leerling in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt om al dan niet te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar en/of een van rechtswege geldend studiebewijs behaalt dat een bepaald civiel effect impliceert”. Het organisatiebesluit kent inzake de bekrachtiging van de studies geen bevoegdheid toe aan het schoolbestuur zelf. Het schoolbestuur krijgt in artikel 73 -en in artikel 70- van het organisatiebesluit enkel de bevoegdheid om te beoordelen of er redenen zijn om de delibererende klassenraad opnieuw samen te roepen, zonder zich met de inhoud van de te nemen beslissing te mogen mengen. De schorsingsvoorwaarden
  5. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de eerste en de derde schorsingsvoorwaarde XII-5538-4\12 4.
  6. Wat de derde schorsingsvoorwaarde betreft, wijst verzoeker er op dat een nietigverklaring te laat zou komen omdat het nieuwe schooljaar zal zijn verstreken. Wat de eerste schorsingvoorwaarde betreft betoogt verzoeker dat ook een gewone schorsingsvordering dreigt te laat tussen te komen om nog nuttig effect te hebben. Wat nog meer het nadeel betreft, merkt hij op hetzij een schooljaar te zullen verliezen, hetzij verplicht te worden een richting te volgen die niet zijn voorkeur heeft aangezien hij zijn studies wenst voort te zetten in ASO Sport. Hij wijst er ook op dat de nieuwe school op basis van de concrete situatie bereid is hem in te schrijven in die richting en brengt de moeilijkheden ter sprake om op een later tijdstip nog om te schakelen van een TSO-richting naar ASO-sport. Verwerende partij verklaart ter terechtzitting over het aangevoerde nadeel geen verweer te voeren, gezien de rechtspraak van de Raad van State, op dit punt. Wel verwijt zij aan verzoeker een gebrek aan diligentie door te wachten tot 3 september 2008 om het beroep in te stellen: aldus heeft verzoeker volgens haar de uiterst dringende noodzakelijkheid zelf gecreëerd. 4.
  7. De bestreden beslissing is op 14 augustus 2008 aangetekend verstuurd en kan dus ten vroegste op 18 augustus 2008 zijn ontvangen -verzoeker beweert dat het nog later was, maar op heden zijn daar geen bewijsstukken van voorhanden. Een periode van ongeveer twee weken (ten hoogste 16 dagen) is niet van aard om te dezen aan verzoeker een gebrek aan passende voortvarendheid te verwijten. De Raad van State is voorts van oordeel dat de uiteenzetting van verzoeker genoegzaam aantoont dat de bedoelde voorwaarden vervuld zijn. XII-5538-5\12 Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde Standpunt van de partijen
  8. Verzoeker voert als enig middel de schending aan van de formele motiveringsplicht, van het zorgvuldigheidsbeginsel, van het redelijkheidsbeginsel en van het evenredigheidsbeginsel. Hij betoogt dat de bestreden beslissing geen inzicht verschaft in de motieven om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. De bestreden beslissing voegt niets toe aan wat de klassenraad reeds had gesteld en gaat dus voorbij aan de argumenten die hij in de beroepsprocedure heeft laten gelden. Wat de aandoening betreft waaraan hij lijdt, moet volgens verzoeker van de school worden verwacht dat zelfs zonder attest een correcte en ernstige inschatting wordt gemaakt van het feit dat hem aangepaste medicatie werd voorgeschreven, aangezien dergelijk geneesmiddel uitsluitend op voorschrift te verkrijgen is, het aan zeer strikte doseringen is onderworpen en enkel wordt voorgeschreven voor aandachts- en concentratiestoornissen. Bovendien moet toch zijn opgemerkt dat sedert het toedienen van de medicatie iets “drastisch” is veranderd, gelet op het rustiger gedrag en de betere schoolresultaten. Bovendien is de school op de hoogte van het bestaan van wachtlijsten en de problemen om een afspraak geregeld te krijgen -wat ondertussen op 2 september gelukt zou zijn. De klassenraad heeft aldus zijn afweging over de slaagkansen van verzoeker voor een volgend jaar niet gemaakt op basis van alle beschikbare feitelijke elementen. Wat de beoordeling van de klassenraad betreft, bevat de bestreden beslissing voorts een loutere herhaling van de oorspronkelijke motivering en wordt geen antwoord gegeven op de grieven van verzoeker. Verzoeker merkt op dat het schoolreglement geen minimum vermeldt om geslaagd te worden verklaard, dat zijn juniresultaten voor wiskunde en natuurwetenschappen geenszins zwak waren, dat hij goede resultaten behaalt voor het wetenschappelijk vak biologie en dat hij voor geen enkel vak een jaartekort heeft. Kijkt men toch naar de tekorten, dan heeft hij voor aardrijkskunde een beperkt tekort voor dagelijks werk (47,1%) dat door het merkelijk beter totaal op de proefwerken resulteert in een algemeen totaal van 57,2% (mediaan 58,8%). Voor Engels is er eveneens een jaartekort voor dagelijks werk (44,8%), gecompenseerd door goede proefwerkresultaten (60,2%) en een XII-5538-6\12 voldoende jaartotaal. Voor Frans is er een licht tekort voor de proefwerken (49%) en voor natuurwetenschappen is het kleinst mogelijke tekort te noteren (49,9%) op de proefwerken. In juni behaalde verzoeker voor dat vak echter 59,4%. Verzoeker noemt het kennelijk onredelijk om op basis van deze resultaten een clausulering voor ASO op te leggen. Eveneens onredelijk noemt verzoeker het feit dat geen rekening is gehouden met de resultaten sedert het opstarten van de behandeling: geslaagd voor alle vakken tenzij voor Frans (47,5%) en een gemiddelde van 60,5%.
  9. Verwerende partij antwoordt dat de formele motieven wel degelijk in de beslissing zijn opgenomen, waar deze verwijst naar de twee argumenten van de beroepscommissie. Die motieven zijn weliswaar beknopt, maar afdoende, namelijk om te doen begrijpen dat verzoeker weliswaar net iets meer dan 50% heeft (reden waarom geen C-attest wordt gegeven) maar alleszins geen resultaten die van aard zijn om zonder meer een A-attest te kunnen toekennen. Het feit dat de resultaten “zwak” zijn kan moeilijk worden ontkend. Verwerende partij geeft nog een overzicht van de onvoldoendes en de “zeer matige” cijfers die verzoeker tijdens het jaar behaalde op de zes periodes van dagelijks werk (tussen de twee en de zes onvoldoendes op elk rapport) en wijst op de telkens twee onvoldoendes voor de examens van het eerste (wiskunde, natuurkunde) en het tweede (Frans, godsdienst) trimester. Al die onvoldoendes zijn aan verzoeker bekend en moeten in de beslissing niet meer formeel worden herhaald, aldus verwerende partij. Niettegenstaande deze zwakke resultaten wordt verzoeker geen C-attest gegeven, maar een heroriëntering via een B-attest opgelegd. De gegeven motivering is evenredig met de aard van die beslissing. Verwerende partij herinnert voorts aan de ruime discretionaire bevoegdheid van de klassenraad, tegenover de slechts marginale toetsing waartoe de Raad van State mag overgaan. Nergens in het organisatiebesluit is bepaald dat wie meer dan 50% behaalt geslaagd moet zijn. Er zijn gevallen waar het redelijk is om iemand die in totaal 50% behaalt toch een C-attest te geven, zo meent verwerende partij en, a fortiori, een B-attest. Nu geen medisch attest voorligt, kan verzoeker van haar niet verwachten dat zij voor arts speelt. Alleszins kan haar geen onzorgvuldigheid bij de beoordeling worden verweten. XII-5538-7\12 Beoordeling
  10. Verzoeker heeft een oriënteringsattest B gekregen. Een dergelijk B-attest betekent luidens artikel 39 van het organisatiebesluit “dat de leerling het leerjaar met vrucht beëindigd heeft in de betrokken onderwijsinstelling en derhalve tot het volgend leerjaar mag worden toegelaten, behalve in bepaalde onderwijsvormen en/of onderverdelingen” waarbij artikel 38, 1/, van hetzelfde besluit preciseert dat een leerling met vrucht het tweede leerjaar van de eerste graad beëindigt “indien hij in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen heeft bereikt en aldus bekwaam wordt geacht zijn studies voort te zetten in het volgend leerjaar”. Dit betekent dat verzoeker, ook met de woorden van artikel 6quater van de zogenaamde schoolpactwet van 29 mei 1959, volgens de delibererende klassenraad “in voldoende mate de doelstellingen die in het leerplan zijn opgenomen, heeft bereikt” om “te kunnen overgaan naar een volgend leerjaar” en dat dienvolgens aan verzoeker als geslaagde leerling overeenkomstig artikel 43 van het organisatiebesluit het getuigschrift is uitgereikt van de eerste graad van het secundair onderwijs. De zo-even gegeven definitie van een B-attest doet de Raad van State vooralsnog aannemen dat de motivering van een dergelijk attest de redenen moet kenbaar maken waarom de leerling die het leerjaar met vrucht heeft beëindigd en die bekwaam wordt geacht zijn studies verder te zetten in een volgend leerjaar, in de ogen van de klassenraad toch de toegang tot welbepaalde richtingen moet worden ontzegd. Daarenboven ligt een geval voor waarin de oorspronkelijke beslissing binnen het raam van de in het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure is aangevochten maar het schoolbestuur na advies van de beroepscommissie de vraag afwijst om de delibererende klassenraad opnieuw te doen samenkomen om die oorspronkelijke beslissing te heroverwegen of minstens te expliciteren. Dan moet het schoolbestuur zorgvuldig toezien hoe hij in de veruitwendigde motieven van zijn eindbeslissing de door hem gemaakte afwijzing verantwoordt. Immers, wil zij enig nut hebben, moet de bij het organisatiebesluit geregelde beroepsprocedure er in ieder geval op gericht zijn om de klachten en de argumenten van een leerling te onderzoeken; verzoeker diende te dezen een antwoord op zijn bezwaren te kunnen vinden in de eindbeslissing van het schoolbestuur. XII-5538-8\12
  11. Te dezen verwijst de beslissing van de raad van bestuur enkel naar het advies van de beroepscommissie, zodat moet worden aangenomen dat hij zich deze, en enkel deze, redenen heeft eigen gemaakt. Het eerste motief om een nieuwe samenkomst van de klassenraad overbodig te achten, is het ontbreken van “bijkomende informatie” en in het bijzonder een attestering van ADHD. De Raad van State is het op het eerste gezicht eens met verzoeker dat hij het ontbreken van een formeel attest op plausibele wijze heeft verantwoord door te wijzen op de lange wachttijden en dat hij minstens een ernstige aanwijzing van een aandachtsstoornis heeft gegeven door te wijzen op de voorgeschreven medicatie en de doorverwijzing naar gespecialiseerde zorgverleners. Het komt de Raad van State voor dat de door de beroepscommissie geformuleerde opmerking geen deugdelijk motief vormt om niet met de ADHD-problematiek rekening te houden. Op de vraag van verzoeker of de delibererende klassenraad wel degelijk op 23 juni 2008 rekening heeft gehouden met die problematiek heeft hij derhalve in de loop van de beroepsprocedure geen antwoord gekregen. De beslissing van 23 juni 2008 laat daarover ook niets uitschijnen, zodat enkel de klassenraad zelf op die vraag opheldering kan geven. Verzoeker wijst op het eerste gezicht terecht op de positieve evolutie van zijn studieresultaten sedert de start van de behandeling, zodat het niet uitgesloten is dat tot een andersluidend attest wordt besloten wanneer zou blijken dat tot hiertoe met deze achtergrondinformatie geen rekening is gehouden. In zoverre is het middel ernstig. Ook ten aanzien van het tweede door de beroepscommissie aangevoerde argument wordt verzoeker vooralsnog bijgevallen. Verzoeker deed voor de beroepscommissie gelden dat hij ASO-sport wilde volgen, dat een leerling die aantoont 63% te kunnen halen op een proefwerk wiskunde daarvan niet uitgesloten mag worden en dat in de bedoelde richting het aantal uren wiskunde zou verminderen. Met verzoeker wordt vastgesteld dat hij daar geen enkel antwoord op heeft gekregen. De beroepscommissie herhaalt louter wat te lezen is in de oorspronkelijke beslissing, maar preciseert met geen woord waarom de argumenten van verzoeker over zijn resultaten daar tegenover zonder waarde zijn. Nu verzoeker voor geen enkel vak een onvoldoende heeft behaald op jaarbasis en zijn resultaten grotendeels in stijgende lijn lijken te zijn gegaan, is dat voor de Raad van State XII-5538-9\12 allesbehalve een zodanige evidentie, dat mag worden volstaan met een louter herhalen van hetgeen door verzoeker net in vraag is gesteld. Ook in die mate is het middel ernstig. Ten slotte stelt de Raad van State met verzoeker vast dat hij voor geen enkel vak, alle dagelijks werk en proefwerken samen genomen, een jaartekort heeft. Het vak lichamelijke opvoeding (85%) nog buiten beschouwing gelaten behaalt verzoeker jaarresultaten die liggen tussen 50,5% en 66,3%. Zijn algemeen jaargemiddelde is 57,9%. Als verwerende partij wijst op de vele onvoldoendes voor dagelijks werk, lijkt dit er op te wijzen dat verzoeker aantoont in staat te zijn om tijdens de proefwerken, wanneer grotere gehelen ingestudeerd moeten worden, zijn tekorten doorheen het jaar ruimschoots te kunnen compenseren. De Raad van State mag zich weliswaar niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. Zoals de Raad van State echter reeds heeft opgemerkt in het arrest Rudakov, nr. 176.333, van 30 oktober 2007, kan aan een delibererende klassenraad geen voorspellende gaven worden toegedicht over de toekomstige studies van een leerling, en moet hij zijn “prospectieve” beslissing om een B-attest uit te reiken des te meer steunen op de concrete en objectieve gegevens van het individuele dossier van de betrokken leerling. Een delibererende klassenraad die zijn noodzakelijk ook deels subjectieve oordeel over het gebrek aan redelijke slaagkansen van een leerling in een volgend jaar niet kan relateren aan de objectieve gegevens van het dossier -in het bijzonder de bagage waarover de leerling thans beschikt- zou de grenzen van zijn discretionaire beoordelingsvrijheid overschrijden. Aan de Raad van State is geen regel bekend die van een leerling in het secundair onderwijs die voor elk individuele vak -en dus ook voor het totaal- geslaagd is voor doorstroming naar een hoger leerjaar nog hogere eisen stelt, zoals een minimumpercentage van 60% voor het geheel of voor een welbepaald vak, of een slagen voor zowel dagelijks werk als de proefwerken. Verwerende partij mag resultaten tussen 50% en 66% wel zwak noemen, het zijn uiteindelijk wel slaagcijfers. De inschatting van de delibererende klassenraad om huidige verzoeker XII-5538-10\12 niettemin alle kansen te ontzeggen over een succesvolle voortzetting van zijn studies in de geclausuleerde ASO-richtingen is, zoals hiervoor prima facie is vastgesteld, niet tot uiting gekomen in een afdoende gefundeerde beslissing. Dit gebrek aan deugdelijke motieven houdt in dat de Raad van State niet met zekerheid over de gegevens beschikt om die beslissing aan het redelijkheidsbeginsel te toetsen. Voor zover de beoordeling van de klassenraad echter gesteund zou zijn op de tekorten voor dagelijks werk en op de gedragsproblematiek die medisch begeleid kan worden -op het eerste gezicht met succes- dan oordeelt de Raad in de huidige stand van de procedure en uitgaande van die veronderstelling, dat het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. De door de delibererende klassenraad gemaakte inschatting van de kennis en kunde van verzoeker vermag op basis van de thans voorliggende gegevens in redelijkheid, zo lijkt, een beslissing om hem het bestreden B-attest te geven niet verantwoorden. Ook in die mate is het middel ernstig.
  12. Er is voldaan aan de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen. XII-5538-11\12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  13. Bevolen wordt de schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 14 augustus 2008 van de raad van bestuur van de vzw Sint-Lievenscollege te Antwerpen om de over Tom Walscharts delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Artikel
  14. De vordering wordt voor het overige verworpen. Artikel
  15. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijf september 2008, door : de H. G. VAN HAEGENDOREN wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5538-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.081 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.440 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.