← België

Arrest 186090 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.090 Rolnummer: A. 70383/X-6827 Zaak: Arrest 186090 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 08/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-22 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.090 van 8 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.090 van 8 september 2008 in de zaak A. 70.383/X-6827. In zake : Jack BAINES, die woonplaats kiest bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat H. SEBREGHTS, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jack BAINES op 19 augustus 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 5 juni 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, waarbij zijn beroep tegen het besluit van 12 oktober 1995 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende weigering van de bouwvergunning voor het oprichten van een woning aan de Venuslei 14 te Kapellen kadastraal bekend sectie K, nr. 70/g, wordt verworpen; Gelet op het arrest nr. 69.827 van 26 november 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 15 januari 1998 ingediend door de verzoeker; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur J. CLEMENT; X-6827-1/12 Gelet op de beschikking van 20 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat H. SEBREGHTS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. De verzoeker is sinds 26 maart 1964 eigenaar van het perceel aan de Venuslei 14 te Kapellen, er kadastraal bekend onder sectie K, nr. 70/g. 1.2. Het betrokken perceel is krachtens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in bosgebied en in reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied. Het betrokken perceel is niet gelegen binnen een gebied waar een door de Koning -thans de Vlaamse Regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg noch gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan bestaat, en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. X-6827-2/12 1.3. Op 5 april 1961 had de gemachtigde ambtenaar zijn akkoord gegeven voor het verkavelingsontwerp voor de gronden gelegen sectie K nrs. 7/4q, 68/c, 68/g, 68/h, 69/a, 69/d, 70/b, 70/c, 71, 72/g, 72/n, 112/s, 112/t, 112/u en sectie I nr. 191/z. Voor het perceel van de verzoeker werd door de gemachtigde ambtenaar geen akkoord gegeven. 1.4. Een eerste bouwaanvraag voor het betrokken perceel, ingediend op 24 september 1964, werd op 3 november 1964 geweigerd en dit om volgende reden : “het perceel valt in de zone voor het ontworpen kanaal (30255/B)”. 1.5. De verzoeker dient op 20 juni 1994 een bouwaanvraag in tot het oprichten van een woning op zijn perceel. 1.6. Op 28 november 1994 weigert het college van burgemeester en schepenen van Kapellen de bouwvergunning op grond van het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar van 21 november 1994 dat luidt als volgt : “Het perceel is volgens het vastgestelde gewestplan (K.B. 3.10.1979) gelegen in bosgebied. In bosgebieden zijn enkel gebouwen toegelaten noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen; evenals jagers- en vissershutten op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf al ware het maar tijdelijk. Het perceel is volgens het gewestplan eveneens gelegen in de reservatiestrook voor toekomstige projecten zoals Noorderlijn, duwvaartkanaal e.d. Bovendien is het dossier onvolledig : - de inplanting van de gracht, kalibreringswijze, profiel e.d. werden niet opgegeven; - een degelijk bomenplan werd niet bijgevoegd (rooien bomen, aanplantingen, ...)”. 1.7. Het beroep van de verzoeker wordt op 12 oktober 1995 door de bestendige deputatie van Antwerpen verworpen onder meer om volgende reden : “Overwegende dat het terrein volgens het gewestplan Antwerpen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979, in bosgebied gelegen is; dat dit gebied uit de beboste of te bebossen gebieden bestemd voor het bosbedrijf bestaat; dat er gebouwen voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen toegestaan zijn evenals jagers- en vissershutten die niet, zelfs niet tijdelijk, als woonverblijf gebruikt kunnen worden; Overwegende dat het terrein volgens het voormeld gewestplan tevens in de reservatiestrook voor het duwvaartkanaal gesitueerd is; X-6827-3/12 Overwegende dat het terrein aan de op 3 m breedte bitumineus verharde gemeenteweg Venuslei paalt; Overwegende dat het oprichten van een residentiële woning op het terrein strijdig is met de voorschriften van het gewestplan; Overwegende dat het onderzoek heeft uitgewezen dat in tegenstelling tot de bewering van de raadsman van de beroeper het terrein niet behoort tot een verkaveling die dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962, houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, en waarvoor de gemachtigde ambtenaar een voorafgaand akkoord heeft verleend”. 1.8. Onder aanvoering van volgende argumenten stelt de verzoeker op 28 november 1995 beroep in tegen die beslissing : - het bestaan van een regelmatig, niet vervallen akkoord van de gemachtigde ambtenaar voor een verkavelingsontwerp van 21 april 1961 dat primeert op het gewestplan; - de onwettigheid van het gewestplan Antwerpen van 3 oktober 1979. 1.9. Met het bestreden ministerieel besluit van 5 juni 1996 wordt het beroep van verzoeker verworpen op grond van de volgende motieven : “Overwegende dat het bouwontwerp strekt tot het oprichten van een woning; dat kwestieuze grond, gelegen aan de venuslei, zijnde een 3 m bitumineus verharde gemeenteweg, volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgesteld gewestplan Antwerpen te situeren is in een bosgebied en tevens binnen een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied; dat de artikels 12 en 18 § 7.3. van het koninklijk besluit van 28 december 1972, betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen van toepassing zijn; dat luidens artikel 12 de bosgebieden bestemd zijn voor het bosbedrijf, waarin enkel gebouwen noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk, toegelaten zijn; dat artikel 18 § 7.3. stipuleert dat in de reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden beperkingen aan de handelingen en werken kunnen worden gelegd, ten einde de nodige ruimten te reserveren voor de werken van openbaar nut, of om deze werken te beschermen of in stand te houden; dat in casu de vooropgestelde te reserveren ruimte het tracé van het duwvaartkanaal (verbindingskanaal Oelegem-Zandvliet) betreft; dat het bouwen van een residentiële woning strijdig is met de bij gewestplan vastgelegde planologische bestemming; Overwegende anderzijds dat kwestieus perceel, kadastraal bekend, sectie K, nr. 70 g, geen deel uitmaakt van een verkaveling die dateert van vóór de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962, en waarvoor de gemachtigde ambtenaar een voorafgaand akkoord heeft gegeven; dat de gemachtigde ambtenaar stelt dat het perceel niet is begrepen binnen de grenzen van de verkaveling met kenmerk 10-057-549 waarvoor op 5 april 1961 zijn akkoord werd gegeven; dat deze overweging wordt gestaafd door een op 17 februari 1961 bij het bestuur van de stedebouw voor de provincie Antwerpen ingediend verkavelingsontwerp namens het college van burgemeester en schepenen van X-6827-4/12 de gemeente Kapellen; dat desbetreffend perceel niet binnen het omschrijvingsgebied van de verkaveling van 5 april 1961 valt; dat het kadastraal nummer 70 g niet is begrepen onder de aangegeven kadastrale percelen; dat belanghebbende overigens niet heeft aangetoond dat desbetreffend perceel begrepen is onder de verkavelingsvergunning van 21 april 1961 (referte V 8/61); dat aansluitend hierop dient verwezen naar het op 20 september 1989 afgegeven stedebouwkundig attest nr. 2 (N.V. Extensa) met de ongunstige adviezen van het bestuur van de stedebouw en van het gemeentebestuur; dat om de boven vernoemde redenen het beroep dient afgewezen”. 2. De gegrondheid 2.1.1. De verzoeker voert in een eerste middel de schending aan van artikel 74, § 1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, “doordat, aan verzoeker de bouwvergunning wordt geweigerd onder verwijzing naar de ligging van het perceel waarvoor de bouwvergunning wordt aangevraagd in bosgebied op het gewestplan Antwerpen, en doordat, in het bestreden besluit geen gewag wordt gemaakt van het feit dat het desbetreffende perceel gelegen is in een gebied waarvoor een verkavelingsvergunning bestaat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de stedenbouwwet, die reeds in uitvoering was op 22 april 1962, en waarvan de uitvoeringswerken vóór 1 oktober 1970 waren voltooid, terwijl, uit de stukken van het dossier blijkt dat met betrekking tot dit perceel een verkaveling bestaat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de stedenbouwwet, waarvan de werken vóór 1 oktober 1970 waren voltooid, en terwijl, uit artikel 74 van de stedenbouwwet blijkt dat de verkavelingen die op 22 april 1962 in uitvoering waren, zonder vergunning mogen worden verdergezet indien de verkavelaars van een voorafgaand akkoord van het bestuur van de stedenbouw doen blijken, en terwijl, dus met betrekking tot gronden waarvoor een dergelijke verkaveling bestaat, deze verkaveling primeert op de gewestplanbestemming, zodat, de overheid, door de vergunning te weigeren onder verwijzing naar het gewestplan Antwerpen, en het bestaande verkavelingsakkoord te miskennen, artikel 74 van de stedenbouwwet schendt”. 2.1.2. De verwerende partij repliceert dat “redelijkerwijze niet (kan) betwist worden dat het perceel van verzoeker geen deel uitmaakt van de verkaveling van 5 april 1961”, “de koopakte (...) afgesloten in 1964 (...) niets (bewijst)”, “de aanduiding in die akte als ‘bouwgrond’ (...) geen enkele rechtsbasis (heeft)” en “geenszins (...) een basis (vormt) om tot het bestaan van een verkaveling te besluiten”, “de ligging van het (...) perceel aan een wegenis (...) niet tot zulk besluit (kan) leiden”, “de wegenis (...) louter het gevolg (

  1. is)van de verkaveling van 5 april 1961 die aan de andere kant van de weg is tot stand gekomen”. X-6827-5/12 2.1.3. De verzoeker dupliceert dat het bestaan van de verkaveling blijkt uit de koopakte van 26 maart 1964 en “uit het feit dat de rechtsvoorgangers van beroeper voor de aanleg van de Venuslei afstand deden van het voorste deel van hun eigendom” en dat hij die grondafstand niet zou hebben gedaan “indien de aanleg van de Venuslei enkel zou gebeurd zijn ter realisering van de verkaveling ‘Extensa’”. 2.1.4. In de laatste memorie betoogt de verzoeker dat de wet niet vereist “dat het bewijs van het akkoord van het bestuur stedenbouw over de in uitvoering zijnde contractuele verkaveling voorafgaand aan de inwerkingtreding van de stedenbouwwet schriftelijk moet zijn”, “het bewijs (...) door alle middelen van recht, zelfs door vermoedens en overeenstemmende gedragingen, (kan) bewezen worden”, te dezen het bewijs van het bestaan van het akkoord van het bestuur uit nieuwe stukken blijkt die aantonen “dat de rechtsvoorganger van beroeper, de heer Mahieu, een deel van zijn perceel heeft afgestaan voor de aanleg van de wegenis, en dat deze tevens de som van 20.000 Fr. heeft betaald voor deelname in de kosten voor de aanleg van de wegenis” en het “dan ook (behoort) dat de Raad van State het Auditoraat voorafgaandelijk aan de beoordeling van het eerste middel opdraagt een aanvullend onderzoek te plegen teneinde na te gaan welke de verkaveling is waarnaar wordt verwezen in de aankoopakte waarbij beroeper het litigieuze perceel kocht”, het perceel van de verzoeker volgens één van de nieuwe stukken lot twee vormt van “de verkaveling Buizerdlaan”, “teneinde te kunnen nagaan of in uitvoering van deze akte en de verkaveling van de terreinen die erop volgde tevens een akkoord werd verleend van het bestuur Stedenbouw over de aanleg van de wegenis, (het) behoort (...) dat de desbetreffende stukken worden opgevraagd bij de gemeente” door het Auditoraat aangezien “de beroeper (...) er tot op vandaag niet in geslaagd (
  2. is)deze stukken te bemachtigen”, “de Raad van State (...) niet bevoegd (
  3. is)om uitspraak te doen over het al dan niet bestaan van een contractuele verkaveling” en dat “indien de Raad van State (...) niet de plano aanneemt dat dergelijke contractuele verkaveling voorhanden is, (...) de procedure (dient) te worden opgeschort teneinde beroeper toe te laten hierover een uitspraak te vorderen van de burgerlijke rechter. 2.1.5. De verwerende partij antwoordt in de laatste memorie onder meer dat de verzoeker “geen geschreven akkoordstuk” voorlegt “waaruit zou blijken dat er een akkoord was gesloten tussen verzoeker en het bestuur (...), waardoor het verzoeker toegestaan zou zijn om zonder vergunning de verkaveling die zou zijn X-6827-6/12 opgestart vóór 22 april 1962 verder te zetten”, de verzoeker niet bewijst dat zijn perceel deel uitmaakt van de verkaveling “Buizerdlaan” en dat “met betrekking tot deze verkaveling een akkoord zou bestaan met het bestuur”, geen rekening kan worden gehouden met de nieuwe stukken omdat die “eerder in de loop van de procedure hadden kunnen worden overgelegd”, en “er duidelijk een schriftelijk bewijs voorhanden (moet) zijn van het akkoord”. 2.1.6. Ten tijde van de bestreden beslissing was volgend artikel 74, § 1 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw van kracht : “De verkavelingen die op 22 april 1962 in uitvoering waren, mogen zonder vergunning worden voortgezet indien de verkavelaars van een voorafgaand akkoord van het bestuur van de stedebouw doen blijken. Het akkoord vervalt evenwel, behoudens overmacht, indien op 1 oktober 1970 geen van de werken is aangevat die in bedoeld akkoord zijn voorzien in verband met de geplande en in het akkoord aanvaarde aanleg van nieuwe verkeerswegen, wijziging of opheffing van bestaande verkeerswegen. Zijn werken aangevangen, dan komt de vergunning te vervallen indien deze werken niet voltooid zijn vóór 31 december 1972. Wanneer de verkavelingen langs een bestaande, voldoende uitgeruste weg moesten worden uitgevoerd, vervalt het akkoord eveneens indien de verkoop van minstens een derde van de percelen niet vóór 1 oktober 1970 is geregistreerd”. 2.1.7. De verzoeker betwist niet dat de aanvraag in strijd is met de bestemming die het perceel gekregen heeft in het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen, maar hij meent dat krachtens voornoemd artikel 74, § 1 een verkaveling waarvoor een voorafgaand akkoord van het bestuur van de stedenbouw voorligt primeert op de gewestplanbestemming. 2.1.8. De in voormeld artikel 74, § 1, bedoelde verkavelingsakkoorden kunnen niet worden gelijkgesteld met de verkavelingsvergunningen bedoeld in de decreten betreffende de ruimtelijke ordening en hebben op zichzelf geen verordenende waarde. Bij afwezigheid van een uitdrukkelijke wettelijke bepaling, houden de in artikel 74, § 1, bedoelde verkavelingsakkoorden geen rechten gestand tegenover een later gewestplan dat bindende en verordenende kracht heeft krachtens artikel 2 van de voormelde wet van 29 maart 1962. 2.1.9. Hieruit volgt dat - daargelaten het bewijs van het bestaan van een verkavelingsakkoord waarvan het perceel van de verzoeker deel zou uitmaken - de verwerende partij voornoemd artikel 74, § 1 niet heeft geschonden door de X-6827-7/12 vergunning te weigeren op grond van de bestemming die het perceel gekregen heeft in het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen. Het eerste middel is niet gegrond. 2.2.1. De verzoeker voert in een tweede middel de schending aan van artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur, “doordat, de Vlaamse regering de bouwvergunning weigert af te leveren onder verwijzing naar de ligging van dit perceel in het reservatiegebied voor de aanleg van het Duwvaartkanaal (verbindingskanaal Oelegem-Zandvliet), terwijl, het reservatiegebied waarnaar in de bestreden beslissing wordt verwezen reeds sedert meer dan 30 jaar bestaat (cfr. bouwweigering dd. 3 november 1964), en terwijl, er geen enkele aanleiding toe bestaat aan te nemen dat het kanaal ten behoeve waarvan de reservatiestrook werd voorzien ooit nog zal worden gerealiseerd, en terwijl, het opleggen en handhaven van een dergelijke eigendomsbeperking gedurende een lange periode, in de wetenschap dat deze reservatie elke zin verloren heeft, een schending uitmaakt van artikel 16 van de gecoördineerde Grondwet, artikel 1 van het Eerste Aanvullende Protocol van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden, het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel als algemene beginselen van behoorlijk bestuur”. 2.2.2. De verwerende partij repliceert dat “het uitsluiten of aan banden leggen van woningbouw in afgebakende stedenbouwkundige gebieden (...) geen inbreuk (impliceert)” op de voormelde grondwettelijke of verdragsrechtelijke bepaling. Voorts betoogt zij dat “het betrokken perceel (...) niet alleen als reservatiegebied gezoneerd (is), maar (...) zich tevens en in de eerste plaats in bosgebied (bevindt)” waardoor “de door de verzoeker geplande woning (...) niet vergunbaar” is, “het (...) deze onverenigbaarheid met de bestemmingsvoorschriften is die het grondmotief uitmaakte van de ministeriële weigeringsbeslissing”, “het gegeven dat de aanleg van het Duwvaartkanaal tot op heden niet werd uitgevoerd en dat dit kanaal in de toekomst eventueel ook niet verwezenlijkt zou worden, (...) niet relevant (is)”, “de bestemming als bosgebied (...) op zich een voldoende reden (
  4. is)om de vergunningsaanvraag te weigeren”, “die geplande nabestemming (...) enkel een bijkomend motief (vormde) ter vrijwaring van de zone voor bebouwing”. 2.2.3. De verzoeker dupliceert dat hij “vast(stelt) dat de erfdienstbaarheid van openbaar nut, bestaande uit het reserveren van een strook X-6827-8/12 grond met het oog op onteigening voor de aanleg van een kanaal in casu elk openbaar nut verloren heeft, nu vaststaat dat het Duwvaartkanaal nooit zal worden gerealiseerd” en dat zijn eigendom “belast (wordt) met een blijvende bevriezing met het oog op latere onteigening terwijl het Vlaamse Gewest nu reeds weet dat deze onteigening nooit zal doorgaan omdat het onteigeningsdoel nooit zal worden uitgevoerd” hetgeen “neer(komt) op een quasi-onteigening”. 2.2.4. Het bestreden besluit weigert de bouwvergunning onder meer om volgende redenen : “(...) dat kwestieuze grond (...) volgens het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgesteld gewestplan Antwerpen te situeren is in een bosgebied en tevens binnen een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied; dat de artikels 12 en 18, § 7.3., van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen van toepassing zijn; dat luidens artikel 12 de bosgebieden bestemd zijn voor het bosbedrijf, waarin enkel gebouwen noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen worden gebruikt als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk, toegelaten zijn; dat artikel 18, § 7.3. stipuleert dat in de reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden beperkingen aan de handelingen en werken kunnen worden gelegd, ten einde de nodige ruimten te reserveren voor de werken van openbaar nut, of om deze werken te beschermen of in stand te houden; dat in casu de vooropgestelde te reserveren ruimte het tracé van het duwvaartkanaal (verbindingskanaal Oelegem-Zandvliet) betreft; dat het bouwen van een residentiële woning strijdig is met de bij gewestplan vastgestelde planologische bestemming”. De verzoeker voert in het middel de onwettigheid aan van het weigeringsmotief dat de bouwaanvraag strijdig is met de bestemming reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied volgens het gewestplan Antwerpen. Hij betwist de wettigheid van de bestemming bosgebied niet. Het betrokken perceel is volgens de voorschriften van het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgestelde gewestplan Antwerpen gelegen in bosgebied en binnen een “reservatie- en erfdienstbaarheidgebied”. Luidens artikel 12, 4.1. van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen, zijn de bosgebieden bestemd “voor het bosbedrijf”. Krachtens deze bepaling zijn in de bosgebieden enkel “gebouwen toegelaten, noodzakelijk voor de exploitatie van en het toezicht op de bossen, evenals jagers- en vissershutten, op voorwaarde dat deze niet kunnen gebruikt worden als woonverblijf, al ware het maar tijdelijk”. Luidens artikel 18, 7.3. van hetzelfde besluit zijn “de reservatie- en erfdienstbaarheidsgebieden (...) die waar beperkingen kunnen worden opgelegd aan de handelingen en werken, teneinde de X-6827-9/12 nodige ruimten te reserveren voor de uitvoering van werken van openbaar nut, of om deze werken te beschermen of in stand te houden”. Het bouwen van een residentiële woning is strijdig met de krachtens voormeld artikel 12 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 voor bosgebieden geldende stedenbouwkundige voorschriften, die zodanige bebouwing niet toelaten. Zoals de verwerende partij terecht antwoordt, volstaat de overweging in het bestreden besluit dat het bouwen van een residentiële woning strijdig is met de bestemming bosgebied om de weigering te verantwoorden. De in het middel bekritiseerde overweging betreft een overtollig motief. Kritiek op een overtollig motief kan niet tot vernietiging leiden. Het middel is niet gegrond. 2.3.1. De verzoeker voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet en het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur, “doordat, bij besluit van 28 juni 1965 aan de heer BUYTAERT een bouwvergunning werd afgeleverd met betrekking tot een perceel dat paalt aan het perceel van verzoeker, ondanks de ligging van dit perceel in de toen reeds bestaande reservatiestrook voor het duwvaartkanaal, en doordat, meer dan 30 jaar later de vergunning aan verzoeker wordt geweigerd onder verwijzing naar het bestaan van deze reservatiestrook, terwijl, het gelijkheidsbeginsel de vergunningverlenende overheden verplicht rechtsonderhorigen die zich in een zelfde situatie bevinden, op een zelfde wijze te behandelen, zodat, het Vlaams Gewest, door de vergunning aan verzoeker te weigeren, terwijl deze aan een naburige eigenaar die zich in dezelfde omstandigheden bevond, toe te staan, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet, alsook het gelijkheidsbeginsel als algemeen beginsel van behoorlijk bestuur heeft geschonden”. 2.3.2. De verwerende partij repliceert dat de verzoeker “niet aan(toont) dat hij en de heer Buytaert zich in identieke omstandigheden bevonden”, geen sprake was van een gewestplan “met zonering als bosgebied” bij het afleveren van de “bouwvergunning van de heer Buytaert (...) volgens de verzoeker van 28.06.1965”, “de verwijzing naar genoemde reservatie in de beslissing dd. 05.06.1996 een louter bijkomend en overtollig motief (vormde)”. 2.3.3. Het in de Grondwet vastgelegde gelijkheidsbeginsel vereist dat allen die zich in een zelfde feitelijke en rechtstoestand bevinden op gelijke wijze worden behandeld. Het komt de verzoeker toe het bewijs van de schending ervan te leveren. De verzoeker voert ter staving van het middel enkel aan dat “bij Besluit van 28 juni 1965 aan de heer Buytaert een bouwvergunning werd afgeleverd met X-6827-10/12 betrekking tot een perceel dat paalt aan het perceel van verzoeker, ondanks de ligging van dit perceel in de toen reeds bestaande reservatiestrook voor het duwvaartkanaal”. Inmiddels werd bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 het gewestplan Antwerpen vastgesteld, dat verzoekers grond niet alleen opneemt in een reservatie- en erfdienstbaarheidsgebied, maar ook tot bosgebied bestemt. Uit het onderzoek van het tweede middel is gebleken dat het bouwen van een woning strijdig is met de krachtens artikel 12 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en de gewestplannen geldende stedenbouwkundige voorschriften voor bosgebieden. Uit een en ander blijkt dat de verzoeker zich niet in dezelfde rechtstoestand bevindt als de genaamde BUYTAERT. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-6827-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-6827-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.090 Gerelateerde publicatie(
  5. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.69.827 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.