id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.091 Rolnummer: A. 68469/X-11022 Zaak: Arrest 186091 - Monumenten en Landschappen - 08/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-22 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.091 van 8 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.091 van 8 september 2008 in de zaak A. 68.469/X-11.022. In zake : Raf WALRAVE, wonende te 9270 LAARNE, Lepelstraat 36 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Raf WALRAVE op 9 april 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 oktober 1995 van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn houdende bescherming als monument van het “Café Den Hert”, Steentjesstraat 3 te Laarne, kadastraal bekend sectie B, nr.1271/b (deel); Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op de beschikking van 2 juli 2002 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad P. LEFRANC; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. RODTS, die loco advocaat Y. DEBRABANDERE verschijnt voor de verzoeker, en van advocaat X-11.022-1/12 I. VERHELLE, die loco advocaat B. STAELENS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur E. HAESBROUCK; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten 1.1. Naar aanleiding van een voorstel van het gemeentebestuur van Laarne legt de Vlaamse minister van Verkeer, Buitenlandse Handel en Staatshervorming op basis van een aangehechte motiveringsnota van 17 mei 1993 van het bestuur voor monumenten en landschappen, bij besluit van 7 oktober 1993 een voorontwerp van lijst aan van onder meer volgend voor bescherming vatbaar monument: “Café Den Hert”, Steentjestraat 3 te Laarne, bekend ten kadaster: Laarne, 1ste afdeling, Sectie B, 3de blad, deel van perceel 1271b”. De motiveringsnota geeft de volgende beschrijving van het betrokken goed: “STEENTJESTRAAT 3. ‘CAFE DEN HERT’. Een weinig schuin ten opzichte van de straat ingeplante alleenstaande dorpsherberg zogenaamd ‘Den Hert’. Deze frequent voorkomende oude herbergnaam kan ontleend zijn aan de legende van Sint Hubertus en het hert. Er kan ook verwantschap gezien worden met het belang van de jacht in de vroegere volkse gemeenschap met de heilige Hubertus als patroon van de jacht. In de christelijke traditie komt het hert ook voor ontleend zijnde aan de afbeelding van het hert dat zich laafde aan de bron en symbool stond voor de verlossing brengende Christusfiguur. Het ‘Café Den Hert’ te Laarne vertoont bouwkundig typerende karakteristieken eigen aan de eind 18de-eeuwse Oostvlaamse boerenwoning. Het betreft een rechthoekig breedhuis van één bouwlaag en zes traveeën lang onder een zadeldak, thans bekleed met kunstleien. De verankerde bakstenen voorgevel is een lijstgevel in traditionele witte kleur geverfd, op zwarte gepikte plint en groengeschilderde elementen waaronder de deuromlijstingen en vensterluiken. De drie brede steekboogvensters zijn voorzien van gewitte tralies en houten kozijnen. De vensterluiken vertonen ieder een hartvormige lichtopening. De lage korfboogvormige voordeur in de vierde travee is gevat in een groengeschilderde rechthoekige omlijsting met oren van baksteen. Een gelijkaardige vroegere deuromlijsting in de eerste travee werd gedicht met X-11.022-2/12 uitzondering van een klein vierkant venster. De voordeur is gemarkeerd door een merkwaardig klokvormig uitgewerkt dakvenster met groengeverfde topaflijning evenals het brede korfboogvormig topstuk. Het dakvenster bezit een rechthoekig zolderluik in groengeschilderde omlijsting onder een ovale topoculus. Het dakvenster wordt ook nog gemarkeerd door drie roodgeschilderde muurankers. Boven de voordeur komt een grijsgeschilderd rechthoekig bepleisterd paneel met afgeschuinde hoeken voor met geschilderd herbergopschrift: ‘CAFE DEN HERT /BIJ / MEYSMAN M.’. De voorgevel is tenslotte nog afgelijnd door een onderbroken architraaflijstje en geprofileerde daklijst met hanggoot. Het interieur van dit dorpscafé bezit nog de voornaamste elementen waardoor het een authentiek volks karakter behield. De originele structuur en indeling van het oorspronkelijk 18-de eeuwse gebouw bleven behouden. De zoldering is in hout uitgevoerd en bestaat uit kinderbalken rustend op moerbalken. De centrale kamer, dienstig als gelagkamer, betreedt men via een vierkant tochtportaal waarvan de binnendeur gevat is in een bakstenen omlijsting. Tegen de zijwand van het portaal komt nog een vaste zitbank voor. De vloer van de gelagkamer bestaat uit grijze tegels. Aan de rechterzijde van de gelagkamer vinden we het traditionele vierdeuren geheel gevormd door de achterdeur, de opkamerdeur, de kelderdeur en de deur naar een zijkamer (vroegere keuken), laatstgenoemde met brede vroegere open haard met Leuvense stoof en opzij de gedichte mond van een broodbakoven. De schouwwand van de gelagkamer bevat naast de kleine later aangebrachte schouw aan weerszij een verticale strook bezet met blauwe zogenaamde ‘Delftse’ tegels (12 tegels hoog en 5 tegels breed), waarschijnlijk oorspronkelijk binnen een brede open haard gezeten. Links ervan bevindt zich een slaapkamerdeur in een bakstenen omlijsting”. De evaluatie in de motiveringsnota luidt dan als volgt: “‘Café Den Hert’ aan de Steentjestraat 3 te Laarne is een goed bewaard voorbeeld van een kleine dorpsherberg in een 18de-eeuwse boerenwoning. Het gebouw vertoont typische karaktistieken voor de landelijke woningbouw uit die periode: de witte bakstenen voorgevel is een lage lijstgevel op gepikte plint met getraliede vensters met groene luiken, een lagere omlijste voordeur en een gedichte tweede deur in een hoektravee. Aan het dakvenster dat boven de deur voorkomt werd met de klokgeveltop een aparte vorm meegegeven die de aandacht trekt. De dorpsherberg bewaart de originele structuur en indeling van het oud boerenhuis met oorspronkelijke bevloering, binnendeuren en houten balkenzoldering; heel typisch ook zijn latere ingrepen zoals het houten tochtportaal met zitbank en de Leuvens stoof in de oude Vlaamse haard van de zijkeuken”. Op basis van de voormelde beschrijving en evaluatie wordt in de motiveringsnota geadviseerd om het genoemde “Café Den Hert” te beschermen als monument “omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, artistieke en volkskundige waarde als voorbeeld van een goed bewaarde eind 18de eeuwse dorpsherberg met typische bouwkarakteristieken eigen aan de boerenhuizen van die periode, met een opvallend dakvenster en een interieur dat zijn voornaamste originele aspecten behield”. X-11.022-3/12 1.2. Bij brief van 22 april 1994 dient de verzoeker een bezwaarschrift in waarin wordt gesteld dat “de beschrijving tot klassering van het handelshuis café “DEN HERT” (...) niet overeen(stemt) met de werkelijkheid”. Hij wijst in dit verband op het feit dat de buitenmuren niet gekalkt maar geschilderd zijn, dat het tochtportaal met zitbank, de vloer en de “zogenaamde Leuvense stoof” in de oude keuken en “de schouw in de café van Delftse steentjes voorzien” dateren uit de 20ste eeuw, dat het huis in 1960 aan de achterzijde werd uitgebreid en dat “de naamgeving (...) van recentere datum (
- is)dan het gebouw zelf”. 1.3. Op 4 mei 1994 brengt de provinciale commissie voor monumenten en landschappen een gunstig advies uit. Het genoemde café moet worden beschermd als monument “vanwege het algemeen belang gevormd door de historische, artistieke en volkskundige waarde als voorbeeld van een goed bewaard eind 18de-eeuwse dorpsherberg met typische bouwkarakteristieken eigen aan de boerenhuizen van die periode, met een opvallend dakvenster en een interieur dat zijn voornaamste originele aspecten behield”. 1.4. Bij besluit van 9 mei 1994 overweegt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Laarne dat het “zich (kan) aansluiten bij de voornoemde bezwaren” en geeft het “gunstig advies voor de monumenten (...) die volgens de experten ter zake als waardevol kunnen aanzien worden”. 1.5. Op 22 september 1994 beantwoordt het bestuur voor monumenten en landschappen de bezwaren van de verzoeker als volgt: “BESPREKING l.- Primordiaal voor het gebouw ‘Café Den Hert’ is dat het typologisch een waardevol en zeldzaam geworden voorbeeld is van een laat 18de-eeuws boerenhuis waarvan zowel het uitwendig aspect, met name de typische voorgevel met origineel dakvenster boven de omlijste voordeur, als het inwendige met ondermeer zijn oorspronkelijke structuur en indeling, in grote mate hun authentiek karakter behielden. Sommige details of onderdelen werden inderdaad later gewijzigd of vervangen, maar zijn daarom niet altijd storend (zoals bijvoorbeeld de vloer in de zijkeuken). Sommige elementen van het veranderingsproces van een gebouw kunnen als een bijkomend historisch gegeven waardevol zijn. Een latere wijziging betekent niet a priori een waardevermindering. Er dient ook rekening mee gehouden dat dankzij bepaalde wijzigingen het gebouw in gebruik of bewaard kon blijven. Minder gelukkige ingrepen, zoals de in 1960 vernieuwde achterbouw, kunnen mogelijk in de toekomst ongedaan gemaakt of verbeterd worden en brengen ons inziens de waarde van het monument hier niet in het gedrang. - Het feit dat de voorgevel niet meer witgekalkt is maar witgeverfd verandert weinig aan het globaal uitzicht ervan. X-11.022-4/12 - Het later toegevoegde tochtportaal met zitbank is een veel voorkomende typische wijziging bij boerenhuizen ter verbetering van het wooncomfort; dit element illustreerteen interessant evolutief aspect van de volkse bouwwijze en doet geen afbreuk aan de waarde van het gebouw. - Essentieel voor het interieur is de bewaarde houten balkenzoldering, de oorspronkelijke deuren met het typische vier deuren geheel en de oude tegelvloer in de centrale kamer (café). De oorspronkelijke brede Vlaamse haard is er vervangen door de huidige kleine schouw (begin 20ste eeuw) bezet met ‘Delftse’ tegels; aan weerszij van deze schouw komen twee verticale stroken tot de vloer met dergelijke tegels voor. Deze blauw/witte tegels dateren uit de tweede helft van de 18de eeuw tot begin 19de eeuw. In boerenhuizen uit de regio treffen we nog geregeld dergelijke bekleding van de binnenzijde van de haard aan. Het is zeer goed mogelijk dat hier deze tegels daarvan een overblijfsel zijn en voor een deel hergebruikt werden voor de recentere schouw. In deze context kan dit element geenszins als motivatie tegen de bescherming worden aangevoerd. - Op het platteland was het herberg houden gedurende de 18de en 19de eeuw een veel voorkomend nevenbedrijf van de boeren, dikwijls zonder toegekende vergunning. Het boerenhuis diende tevens tot herberg en de kleine dorpsherbergen onderscheidden zich vrijwel niet van de andere boerenhuizen. Als dorpsherberg verkreeg het boerenhuis in de Steentjesstraat 3 te Laarne in de loop van de 19de eeuw de benaming ‘Den Hert’, een benaming en functie die tot op heden behouden bleef. Dit volkskundig gegeven verleent het gebouw een bijkomende waarde. Dat de benaming jonger is dan het gebouw is niet essentieel. Besluit: de aangehaalde gegevens zijn geen reden om van een bescherming af te zien”. Het bestuur adviseert vervolgens de bescherming als monument “- omwille van het algemeen belang gevormd door de historische waarde: als zeldzaam geworden voorbeeld voor de architectuurgeschiedenis van een goed bewaard eind 18de-eeuws boerenhuis en latere dorpsherberg met typische bouwkarakteristieken eigen aan de boerenhuizen van die periode, met een opvallend dakvenster en een interieur dat zijn voornaamste riginele aspecten behield. - omwille van het algemeen belang gevormd door de artistieke waarde: als mooi voorbeeld van een eind 18de-eeuws boerenhuis waarbij het originele klokvormige dakvenster boven de omlijste voordeur een fraai accent verleent aan de typische lage lijstgevel - omwille van het algemeen belang gevormd door de volkskundige waarde: als karakteristiek voorbeeld van een oude dorpsherberg volgens verspreide landelijke gewoonte uitgebaat in een boerenhuis”. 1.6. Op basis van deze laatste motiveringsnota stelt de genoemde minister bij besluit van 19 december 1994 het ontwerp van lijst vast van voor bescherming vatbare monumenten waaronder “Café Den Hert”. Het besluit wordt aan de verzoeker betekend op 31 maart 1995. X-11.022-5/12 1.7. Het op 1 juni 1995 bekrachtigd advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 6 april 1995 luidt als volgt: “... Na kennis te hebben genomen van de adviezen en de bezwaarschriften, waarbij ze de beoordeling ervan door het Bestuur tot de hare maakt, en na grondige beraadslaging brengt de KCML het volgend gemotiveerd advies uit: Dient te worden beschermd als monument (...) - ‘Café Den Hert’ (...) Omwille van het algemeen belang gevormd door de historische, artistieke en volkskundige waarde als voorbeeld van een goed bewaard eind 18de-eeuwse dorpsherberg met typische bouwkarakteristieken eigen aan de boerenhuizen van die periode, met een opvallend dakvenster en een interieur dat zijn voornaamste originele aspecten behield”. 1.8. Bij het bestreden besluit van de Vlaamse minister van Cultuur, Gezin en Welzijn van 18 oktober 1995 wordt “Café Den Hert” omwille van het algemeen belang door de voormelde historische, artistieke en volkskundige waarde ervan beschermd als monument. Het besluit wordt aan de verzoeker betekend op 12 februari 1996. 2. De gegrondheid 2.1.1. In het eerste middel betwist de verzoeker het algemeen belang als beschermingsgrond. Hij stelt dat de redenen tot bescherming te dezen “helemaal niet van die aard (zijn) dat zij het louter locale belang overstijgt”. 2.1.2. De verwerende partij verwijst naar de voormelde “uitgebreid omschreven” waarden die het algemeen belang aantonen, stelt dat zij “uit de argumentatie van het verzoekschrift niet (kan) afleiden waarom het algemeen belang wordt betwist” en besluit dat het middel onontvankelijk, minstens ongegrond is. 2.1.3. De verzoeker dupliceert dat “geen van de weerhouden waarden overtuigen als ‘momentwaarde’” en dat hij die waarden “met de meeste klem “ betwist. 2.1.4. Het bestreden besluit bepaalt dat het algemeen belang gevormd wordt door de omstandig omschreven historische, artistieke en volkskundige X-11.022-6/12 waarden van “Café Den Hert”. Uit die omschrijving van de voormelde waarden in het bestreden besluit blijkt dat de bescherming in historisch, artistiek en volkskundig opzicht van algemeen belang is en dus het lokaal belang overstijgt. In die omstandigheden kan de verzoeker voor het inwilligen van dit middel niet volstaan met de loutere affirmatie dat de vermelde waarden het lokale belang niet overstijgen en hem niet overtuigen en dat hij ze met de meeste klem betwist. Het middel wordt verworpen. 2.2.1. In een tweede middel werpt de verzoeker op dat “niet of onvoldoende (wordt) gepreciseerd welk deel van het groter perceel bekend ten kadaster Sectie B, nummer 1271/B wordt beschermd”. De verzoeker stelt dat “Café Den Hert” “deel uit(maakt) van een groter geheel”, meer bepaald het gebouw en de aanpalende grond met een totale oppervlakte van 14 are 76 centiare en dat “het (...) aangewezen (was) (...) te preciseren welk deel van het onroerend goed voor bescherming (...) in aanmerking komt”. 2.2.2. De verwerende partij repliceert dat de verzoeker nalaat aan te duiden welke wettelijke bepaling zou geschonden zijn en besluit dat het middel onontvankelijk is. Zij stelt nog dat “op genoegzame wijze (
- is)aangeduid welk onroerend goed wordt beschermd” en dat “de ligging ervan precies (wordt) aangeduid”. 2.2.3. De verzoeker dupliceert dat de vage omschrijving van het onroerend goed niet beantwoordt aan de rechtspraak van de Raad van State. 2.2.4. Uit het bestreden besluit blijkt dat “Café Den Hert” ... deel van perceel 1271b (...) als (...) voorbeeld (...) van een goed bewaard (...) boerenhuis en latere dorpsherberg” wordt beschermd. Aldus wordt precies aangegeven wat het voorwerp is van het beschermingsbesluit. Het middel wordt verworpen. 2.3.1. In een derde middel voert de verzoeker de miskenning aan van substantiële of op straffe van nietigheid voorgeschreven vormvereisten. In een eerste onderdeel betoogt hij “dat de aanvraag tot klassering ondubbelzinnig uitging van het Gemeentebestuur der gemeente Laarne” zodat “het initiatief tot bescherming” niet uitging van de bevoegde minister terwijl “volgens artikel 5 § 1 van het decreet van 3 maart 1976 (...) het initiatiefrecht (...) bij de bevoegde minister” berust. X-11.022-7/12 2.3.2. De verwerende partij repliceert dat de beschermingsprocedure werd ingezet bij ministerieel besluit van 7 oktober 1993 zodat de stelling van de verzoeker “kant noch wal raakt”. 2.3.3. De verzoeker dupliceert dat de verwerende partij niet weerlegt dat “de aanvraag tot klassering ondubbelzinnig uitging van het gemeentebestuur”. 2.3.4. Uit de gegevens van het administratief dossier blijkt dat het initiatief om het kwestieuze goed te beschermen uitgaat van de bevoegde minister. Het feit dat het gemeentebestuur de minister gevraagd heeft om dat initiatief te nemen, doet niets af aan deze vaststelling. Het eerste onderdeel van het derde middel wordt verworpen. 2.4.1. In een tweede onderdeel van dit derde middel voert de verzoeker de “ontstentenis (aan) van precisering en concretisering” in de voormelde ministeriële besluiten van 7 oktober 1993, 19 december 1994 en 18 oktober 1995 van “hetzij de mogelijke op te leggen erfdienstbaarheden (...) hetzij de positieve onderhoudsverplichtingen vervat in artikel 11 § 1 van het decreet van 03.03.1976”. Hij betoogt dat een algemene verwijzing naar het besluit van de Vlaamse regering van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten hem onvoldoende informeert “nopens de concrete opgelegde erfdienstbaarheden en positieve verplichtingen”. 2.4.2. De verwerende partij repliceert dat geen specifieke erfdienstbaarheden werden opgelegd en dat enkel verwezen werd naar de wettelijk bepaalde rechtsgevolgen die van toepassing zijn en die niet moeten worden geciteerd. 2.4.3. Het bestreden besluit legt geen specifieke erfdienstbaarheden op. In artikel 2 van het bestreden besluit wordt gesteld dat “met het oog op de bescherming (...) de beschikkingen van het koninklijk besluit van 17 november 1993 tot bepaling van de algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten en de stads- en dorpsgezichten” van toepassing zijn. Artikel 11, § 1 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van Monumenten en Stads- en Dorpsgezichten, bepaalt dat de eigenaars en vruchtgebruikers van een beschermd monument ertoe gehouden zijn, door de nodige instandhoudings- en X-11.022-8/12 onderhoudswerken, het in goede staat te behouden en het niet te ontsieren, te beschadigen of te vernielen. In aansluiting met deze decretale bepaling werd het voormelde besluit van 17 november 1993 genomen door de Vlaamse regering waarin algemene voorschriften inzake instandhouding en onderhoud van de monumenten werden opgenomen. In artikel 2 van het bestreden besluit wordt precies en concreet aangegeven dat deze voorschriften van toepassing zijn op het beschermde “Café Den Hert”. Het middel wordt verworpen. 2.5.1. In een derde onderdeel van hetzelfde middel voert de verzoeker de schending aan van de “formele motiveringsplicht” vervat in “de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen”. Hij betoogt dat de minister “noch min noch meer tekortgekomen is in zijn verplichting alle opmerkingen en bezwaren te onderzoeken”, dat de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen zich ertoe beperkt te stellen dat zij kennis heeft genomen van de adviezen en de bezwaarschriften, “waarbij ze de beoordeling ervan door het bestuur tot de hare maakt”, “zonder de kwestieuze bezwaren van verzoeker gemotiveerd te weerleggen” en dat het bestreden besluit verwijst naar het advies van de voormelde commissie van 6 april 1995 terwijl het met het bestreden besluit medebetekend advies de datum van 1 juni 1995 draagt. 2.5.2. De verwerende partij repliceert dat de bezwaren van de verzoeker geëvalueerd en weerlegd werden, dat de weerlegging van de bezwaren moet onderscheiden worden van de motivering van het beschermingsbesluit en dat de minister alle opmerkingen en bezwaren onderzoekt “zonder dat hij daarom alle indieners een persoonlijk antwoord moet bezorgen”, en dat de Koninklijke Commissie een gemotiveerd gunstig advies heeft verleend. 2.5.3. Wanneer de overheid een onroerend goed als monument beschermt, moet zij, om te voldoen aan de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, in het besluit zelf de juridische en feitelijke overwegingen vermelden waarop het is gesteund. Het is niet vereist dat in het besluit zelf de bezwaren en opmerkingen worden beantwoord die tijdens de voorafgaande procedure, met name tijdens het openbaar onderzoek, werden ingediend. Het volstaat dat het besluit opgeeft om welke redenen van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, industrieel-archeologische of andere sociaal-culturele waarde het bestuur van oordeel is dat het beschermde onroerend goed van algemeen belang is. X-11.022-9/12 Uit de gegevens van het dossier komt naar voor dat de bezwaren van de verzoeker daadwerkelijk werden onderzocht en weerlegd door het bestuur voor monumenten en landschappen en vervolgens door de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen die stelt dat zij kennis heeft genomen van de bezwaren en dat zij de beoordeling ervan door het genoemde bestuur “tot de hare maakt (...) na grondige beraadslaging”. En voorts dat het ministerieel besluit van 19 december 1994 werd genomen “gezien de motiveringsnota van 22 september 1994 houdende bespreking van de adviezen en bezwaren” en dat het bestreden besluit werd genomen “gelet op het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen (...) van 6 april 1995”. Zoals blijkt uit hetgeen voorafgaat, vermeldt het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 6 april 1995 dat op 1 juni 1995 werd bekrachtigd, en aldus ook het bestreden besluit dat daarop uitdrukkelijk is gesteund, in concreto de motieven waarom het betrokken onroerend goed omwille van het algemeen belang gevormd door zijn historische, artistieke en volkskundige waarde als monument wordt beschermd. Aldus is aan de door voornoemde wet van 29 juli 1991 opgelegde motiveringsplicht voldaan. De omstandigheid dat de motivering van het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen identiek is aan de motivering van het advies van het bestuur voor monumenten en landschappen, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. In dat geval bestaat de eigen beoordeling van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen in het “na grondige beraadslaging” bijtreden van de motieven van laatstgenoemd advies. Het derde onderdeel van het derde middel is in zijn geheel genomen niet gegrond. 2.6.1. In een vierde onderdeel van hetzelfde middel stelt de verzoeker dat het ontwerp van lijst bij het voormelde ministerieel besluit van 19 december 1994 “niet (werd) ondertekend, noch gedagtekend door de bevoegde Vlaamse Minister”. 2.6.2. De verwerende partij repliceert dat uit het dossier blijkt dat het bedoelde ministerieel besluit door de minister werd ondertekend en dat het gedagtekend is. 2.6.3. De verzoeker dupliceert dat het voormelde ministerieel besluit wel gedagtekend is maar niet ondertekend werd door de minister en dat het ontwerp van X-11.022-10/12 lijst bij dat ministerieel besluit noch gedagtekend noch ondertekend werd door de minister. 2.6.4. De minister heeft op 19 december 1994 het besluit tot vaststelling van de ontwerplijst gedag- en ondertekend blijkens het administratief dossier. Het besluit vermeldt enerzijds de precieze kadastrale gegevens van de op de ontwerplijst geplaatste monumenten en verwijst anderzijds uitdrukkelijk voor de afbakening van het op de ontwerplijst geplaatste dorpsgezichten naar een bijgaand plan. Het plan dat aan de verzoeker werd meebetekend, is een uittreksel uit het kadasterplan. Het behoeft in de gegeven omstandigheden geen afzonderlijke handtekening. Het middel wordt verworpen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoeker. X-11.022-11/12 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.022-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.091 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div