id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.111 Rolnummer: A. 189454/IX-6025 Zaak: Arrest 186111 - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan - 08/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-09 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.111 van 8 september 2008 Openbaar ambt - Leger en bijzondere korps - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.111 van 8 september 2008 in de zaak A. 189.454/IX-
- In zake : Katia MEERSMAN, die woonplaats kiest bij advocaat H. VERMEIRE, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-72 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Landsverdediging. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE IXe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Katia MEERSMAN op 27 augustus 2008 heeft ingediend om bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing van de tenuitvoerlegging te vorderen van de beslissing waarbij zij niet geslaagd wordt verklaard als kandidaat-officier bij de Krijgsmacht; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 september 2008, om 11.00 uur; Gehoord het verslag van staatsraad A. VANDENDRIESSCHE; Gehoord de opmerkingen van advocaat H. VERMEIRE, die verschijnt voor verzoekster, en van luitenant-kolonel militair administrateur A. DE DECKER, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur H. COLIN; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, IX-6025-1/8 OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten.
- Verzoekster heeft deelgenomen aan de proeven om toegelaten te worden tot de Koninklijke Militaire School. Op 30 juli 2008 wordt haar mede- gedeeld dat zij voor de proef “eerste taal” 9,5 punten op 20 behaalde, terwijl zij daarvoor krachtens de wet van 30 juli 1938 betreffende het gebruik der talen bij het leger minimaal 50% van de punten moest behalen. Haar kandidatuur wordt daarom niet aangenomen. Deze beslissing vormt het voorwerp van de vordering. Verzoekster heeft na ontvangst van het voormeld bericht de verwerende partij om uitleg gevraagd. Zij heeft op 20 augustus 2008 een onderhoud gehad met Th. STAINIER, vakraadgever Nederlandse Taal voor het toelatings- examen KMS en betwist niet dat haar examenprestatie daar besproken werd. De voorwaarden voor de schorsing.
- Overeenkomstig artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot de schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden, dat de onmiddellijke tenuitvoer- legging van de beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen en dat de zaak hoogdringend is.
- In het enig middel, eerste onderdeel, voert verzoekster de schending aan van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van de motiveringsverplichting, van het redelijkheids- beginsel, de zorgvuldigheidsplicht, de rechten van verdediging en de informatie- plicht. Wat betreft de schending van de formele motiveringsplicht, de rechten van verdediging, het redelijkheidsbeginsel en de informatieplicht, betoogt verzoekster dat zij geen idee heeft van de -onderling afwijkende- scores die elk van de twee beoordelaars van de proef Nederlands haar hebben gegeven, noch van de overwe- gingen die hen tot die score hebben gebracht. Nochtans betrof het examen geen kennisexamen zodat de cijfers niet kunnen volstaan als motivering van de score en verzoekster een onder woorden gebrachte beoordeling van de concrete prestatie van IX-6025-2/8 de betrokkene mocht verwachten. Een duidelijke motivering was in haar geval zeker nodig, aangezien de punten die zij heeft gekregen een “randgeval” uitmaken, vermits zij, met een half punt méér, geslaagd zou zijn geweest voor de proeven en als kandidaat geselecteerd. Wat betreft de schending van het zorgvuldigheidsbegin- sel voert zij aan dat het examen plaatsvond op 25 juni 2008 en dat de verbeteraars de scores op het secretariaat moesten indienen tegen 14 juli 2008, maar dat, wegens het groot aantal kopijen dat verbeterd moest worden -de verbeteraars moesten ongeveer 20 kopijen per dag verbeteren-, een zorgvuldig nazicht en beoordeling van haar kopij onmogelijk was.
- De verwerende partij merkt op dat verzoekster op 20 augustus 2008, tijdens het onderhoud met Th. STAINIER, vakraadgever Nederlandse taal voor het toelatingsexamen KMS, een kopie gekregen heeft van haar examenwerk en van de beoordelingscriteria die de examinatoren gehanteerd hebben, dat zij tijdens dat onderhoud ook kennis gekregen heeft -met begeleidende mondelinge uitleg- van de scores die de twee verbeteraars haar gegeven hebben (respectievelijk 5/20 en 6/20) en dat haar toen ook medegedeeld is dat de commissie die uiteindelijk over de aanvaarding van de kandidaturen uitspraak moest doen, aan alle deelnemers vier punten extra toegekend heeft. Aldus had zij een volledig zicht op de motieven van de bestreden beslissing en kan zij zich niet nuttig op de schending van de formele motiveringsverplichting beroepen.
- Het examen over de kennis van het Nederlands, waaraan verzoekster deelgenomen heeft, had blijkens de terzake uitgevaardigde richtlijnen betrekking op de samenvatting van een tekst van ongeveer 1000 woorden betreffende een actueel onderwerp. De opdracht was de tekst, na inzage gedurende 15 minuten, zo getrouw mogelijk in ongeveer 350 woorden -40 regels- samen te vatten, zonder toevoeging van persoonlijke ideeën. Er zou belang gehecht worden aan de stijl, de spelling en de zorg van het werk. De punten zouden als volgt verdeeld worden : 10 punten voor de inhoud en 10 voor de vorm. Blijkens de vastgestelde beoordelingscriteria -richtlijnen aan de verbeteraars, stuk 5 van het dossier- werden de punten voor de “inhoud” opgesplitst in “twee punten per hoofdidee”, diende 1 punt afgetrokken te worden per ontbrekend idee en 1 punt “voor elk type fout” met betrekking tot een aantal vooraf bepaalde items (o.m. de volledige en genuanceerde weergave van de ideeën, geen afwijkingen van de oorspronkelijke tekst noch persoonlijke commentaar, het geheel IX-6025-3/8 moet correct gestructureerd zijn, de gedachte moet complex en verstaanbaar weergegeven worden, de “inrichting van de tekst” moet duidelijk weergegeven worden). De 10 punten voor de “vorm” worden toegekend naargelang “de kennis van de taal (woordenschat, morfo-syntactische structuren, spelling, enz) en de stijl” en er wordt ook rekening gehouden met “het naleven van de richtlijnen (aantal woorden)”. Op dat vlak moet 1 punt worden afgetrokken “per zware fout” en “½ punt voor elke fout tegen spelling, spraakkunst of stijl.” De beoordelingscriteria besluiten: “Rekening houden met de algemene indruk en de lengte van de tekst om het definitieve cijfer te bepalen”.
- Verzoekster is niet geslaagd verklaard omdat zij 9,5/20 behaald heeft en dat is haar ook ter kennis gebracht. Afgaand op de sub 5 vermelde gegevens, kan de proef waaraan verzoekster deelgenomen heeft -concreet de samenvatting van een uiteenzetting over “kidsvertising”, opgesplitst in vijf alinea’s- evenwel niet als kennisproef aangemerkt worden. De verbeteraars doen immers meer dan nagaan of de kandidaten een bepaalde technische kennis binnen hun vakgebied bezitten en zij beschikken bij de globale beoordeling over een ruime beslissingsvrijheid. Volgens de vaste rechtspraak van de Raad van State kan in dergelijk geval het puntenaantal op zich de examenuitslag niet deugdelijk onderbouwen, maar moeten de punten nader verantwoord worden. Te dezen betekent dit dat de examinatoren, die elk afzonderlijk de kandidaten moesten beoordelen, een verantwoording van hun punten moeten kunnen geven. Die verantwoording moet afdoende zijn. Opdat voldaan zou zijn aan de verplichtingen volgend uit de wet van 29 juli 1991 moest verzoekster ook in kennis gesteld worden van die verantwoording.
- De verwerende partij legt in het administratief dossier -stuk 6- een kopie neer van de handgeschreven bemerkingen die de twee examinatoren bij het werkstuk van verzoekster hebben gemaakt. Verzoekster brengt geen enkel concreet gegeven aan dat de bewijswaarde van deze stukken zou ontkrachten. Worden die bemerkingen naast de kopij van verzoekster gelegd, dan blijkt dat de examinatoren, ieder voor zich, de weergave van de vijf in de tekst verwerkte ideeën inhoudelijk gewaardeerd hebben -zij beschikten daarvoor over beoordelingscriteria- en dat zij concrete bemerkingen hebben gemaakt bij de taal en de stijl die verzoekster gehanteerd heeft om daarbij te besluiten: “niet bondig, spreektaal, woordvariatie, woordkeuze, compleet verkeerde stijl” (examinator De Smet) en “mist bondigheid, IX-6025-4/8 beheerst het genre niet, vindt juiste toon niet, fragmentair, onvoldoende”(examinator Coolens). In punten vertaald krijgt verzoekster dan volgende cijfers : - examinator 1: inhoud 3/10 vorm 2/10 - totaal: 5/20 - examinator 2: inhoud 3,5/10 vorm 2,5/10 - totaal 6/
- De vermelde motieven laten toe de gedachtengang van de examinatoren te reconstrueren. Hun commentaar is gelinkt aan concrete passages uit het werk van verzoekster. In de mate zij de prestatie van verzoekster vanuit hun vakgebied echt beoordelen, kan de Raad van State, in de huidige stand van de rechtspleging en in acht genomen de marginale bevoegdheid waarover hij terzake beschikt, enkel vaststellen dat de examinatoren, waar zij op grond van de vermelde gegevens verzoekster een zwaar onvoldoende hebben gegeven, geen kennelijk onredelijk gebruik gemaakt hebben van hun beoordelingsbevoegdheid.
- Verzoekster is van oordeel dat zij in het ongewisse gehouden is over de redenen die de examinatoren tot hun eindoordeel gebracht hebben; zij heeft immers de schriftelijke bemerkingen van de twee examinatoren niet materialiter in mededeling ontvangen. Op grond van de stukken van het dossier kan die stelling niet gevolgd worden. Inderdaad, verzoekster heeft op 20 augustus 2008 een persoonlijk onderhoud gehad met Th. STAINIER, eerstaanwezend taalleraar en als vakleraar Nederlandse taal door de commandant van de KMS aangewezen als vakraadgever voor het taalexamen Nederlands. Deze vakraadgever was er, blijkens de instructie 08-256093 van 30 april 2008, mee belast de proef waaraan verzoekster deelgenomen heeft voor te bereiden, de typeoplossingen en de correctiesleutels vast te stellen, de examinatoren richtlijnen en advies te geven en beslissingen te nemen in betwistbare gevallen. Vanuit die functie had Th. STAINIER dan ook een belangrijke inbreng in de afwikkeling van de taalexamens en kon hij, beter dan wie ook, relevante mededelingen doen over de beoordeling van de prestaties. Terecht heeft deze vakraadgever dan ook gemeend dat verzoeksters belangen beter gediend waren met een verhelderend persoonlijk gesprek dan met de eenvoudige mededeling van de geschriften van de examinatoren. Uit de verklaringen die Th. STAINIER met betrekking tot dat onderhoud -dat ongeveer een uur geduurd heeft en waarvoor hij het werk van verzoekster ook persoonlijk nagekeken heeft en het onvoldoende bevonden heeft- IX-6025-5/8 afgelegd heeft (stukken 13 en 15 van het administratief dossier) blijkt dat hij de motivering van de examinatoren inderdaad niet als zodanig aan verzoekster bezorgd heeft -omdat zij “moeilijk leesbaar zijn voor een niet-ingewijde”- maar dat hij er de voorkeur aan gegeven heeft om “op basis van de aantekeningen van de correctoren (verzoekster) een uitvoerige mondelinge bespreking van haar werk te geven”. Verzoekster brengt geen enkel argument aan dat aanleiding kan zijn om de juistheid van deze verklaring in twijfel te trekken. Zij wordt dan ook als een bewijskrachtig gegeven bij de beoordeling van de onderhavige zaak betrokken. Besloten dient dan ook te worden dat verzoekster na het onderhoud met Th. STAINIER terdege ingelicht was over de precieze beweeg- redenen die de examinatoren tot hun eindoordeel gebracht hebben.
- Verzoekster is van oordeel dat zij met een puntentotaal van 9,5/20 “een randgeval” is en dat zij om die reden een meer uitgewerkte motivering had mogen verwachten. Bij de beoordeling van dat gegeven mag niet uit het oog verloren worden dat blijkens het verslag van de verrichtingen van 17 juli 2008, de selectie- commissie besloten heeft om het resultaat van alle kandidaten die aan de proef Nederlands-eerste taal hebben deelgenomen met vier punten te verhogen. Dergelijke lineaire vermeerdering, die blijkbaar geïnspireerd was door de vaststelling dat met het behoud van de initieel toegekende punten, er te weinig kandidaten tot de studies zouden toegelaten worden, is op zich niet onregelmatig. Dat het puntentotaal van verzoekster een “randgeval” is geworden, ligt dus aan de -op een objectief gegeven gesteunde- beslissing van de selectie- commissie en niet aan de beoordeling van de examinatoren, die haar een duidelijk onvoldoende hadden gegeven en hun puntenaantal ook verantwoord hebben. In het raam van de vraag naar de afdoende motivering van de beslissingen van de examintoren kan geen rekening gehouden worden met de uit het eindcijfer blijkende nipte mislukking van verzoekster.
- Verzoekster verwijt aan het bestuur onzorgvuldigheid doordat de examinatoren over onvoldoende tijd beschikten om alle kopijen terdege te onderzoeken. Die stelling wordt niet aangenomen. Uit niets blijkt -verzoekster brengt terzake ook geen enkel concreet gegeven aan- dat de examinatoren niet de IX-6025-6/8 nodige aandacht besteed hebben aan haar werk. Integendeel, uit de neergeschreven motiveringen kan opgemaakt worden dat zij beiden haar geschrift grondig hebben gelezen en getoetst aan de vooropgestelde beoordelingscriteria. Overigens zou het slechts in het voordeel van verzoekster hebben kunnen spelen indien de examina- toren onder tijdsdruk bepaalde fouten over het hoofd gezien zouden hebben.
- Een en ander leidt tot het besluit dat de bestreden beslissing afdoende gemotiveerd is, dat verzoekster die motieven kende toen zij de onder- havige vordering indiende en dat niet blijkt dat de examinatoren wegens tijdsdruk de proef van verzoekster op een voor haar nadelige wijze verbeterd hebben. Het eerste onderdeel van het middel is niet ernstig.
- In het tweede onderdeel van het middel voert verzoekster de schending aan van de bij het eerste onderdeel geformuleerde rechtsregels. Zij stelt nu dat zij niet weet welke instantie besloten heeft dat zij niet geslaagd is, aangezien zij enkel beschikt over een mededeling ondertekend door de commandant van het Vliegwezen en commandant van de ombudsdienst van het Onthaal en Oriëntatie.
- De verwerende partij merkt op dat verzoekster niet uiteenzet welke onwettigheid zij hier aanvoert.
- In de huidige stand van de rechtspleging kan de vaststelling volstaan dat uit het verslag van 17 juli 2008 -stuk 7- blijkt dat de beslissing om verzoekster niet geslaagd te verklaren getroffen is door de Commissie van de Selectieproeven van Schoolse Kennis voor Officieren. Verzoekster toont niet aan dat dit de bevoegde overheid niet zou zijn. De omstandigheid dat dit niet als zodanig ter kennis van verzoekster gebracht is maakt het besluit niet onwettig. Het onderdeel van het middel is niet ontvankelijk.
- Verzoekster voert geen middel aan dat tot de vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Een van de grondvoorwaarden voor het bevelen van de schorsing is niet vervuld. IX-6025-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE Wnd. VOORZITTER : Artikel
- De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 8 september 2008, door : de HH. A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, wnd. kamervoorzitter, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. A. VANDENDRIESSCHE. IX-6025-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.111 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.189.927 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.