id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.117 Rolnummer: A. 186239/X-13573 Zaak: Arrest 186117 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-12 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.117 van 8 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.117 van 8 september 2008 in de zaak A. 186.239/X-13.
- In zake :
- Rudi NELISSEN,
- Willy ILIAENS,
- de n.v. VANILIMMO,
- Carine BEX,
- Clement DUYSSENS,
- Eddy WINTMOLDERS, die woonplaats kiezen bij advocaten W. MERTENS en A. BEELEN, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5 tegen :
- het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187,
- de deputatie van de provincieraad van LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat K. WAUTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel
- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Rudi NELISSEN, Willy ILIAENS, de n.v. VANILIMMO, Carine BEX, Clement DUYSSENS en Eddy WINTMOLDERS op 10 december 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van:
- het besluit van 20 juni 2007 van de provincieraad van Limburg houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” en de bijbehorende onteigeningsplannen, en
- het besluit van 21 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” in de gemeente Alken en waarbij tevens wordt bepaald dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen X-13.573-1/9 aangegeven op de onteigeningsplannen, en aan de gemeente Alken en de provinciale ontwikkelingsmaatschappij Limburg machtiging tot onteigening wordt verleend; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 28 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat W. MERTENS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat S. VANDEWIELE, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- In uitvoering van een beleidsoptie die is opgenomen in haar ruimtelijk structuurplan, vat de provincie Limburg het plan op om op het grondgebied van de gemeente Alken een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. Dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan omvat twee deelgebieden. Vooreerst is er een gedeelte “Brouwerij Alken”, waar de Brouwerij ALKEN-MAES gevestigd is. X-13.573-2/9 De bedrijfsgebouwen en de terreinen daarrond zijn door het gewestplan Hasselt-Genk bestemd tot industriegebied, maar uit onderzoek is gebleken dat de waterhuishouding van de gronden een volledige benutting van dit gebied voor die doeleinden niet toelaat. Samen met het natuurgebied van de beekvallei van de Herk wordt voor een gedeelte een herbestemming naar valleigebied doorgevoerd, terwijl enkel de gronden die onmiddellijk palen aan de bedrijfshallen worden bestemd tot “zone voor historisch gegroeide bedrijvigheid- brouwerij” en zone voor regionale bedrijvigheid. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan bevat ook een tweede gedeelte “uitbreiding Kolmen”, gesitueerd in noordwestelijke richting ten opzichte van de gebouwen van de brouwerij. Het betreft een ingesloten “strip” agrarisch gebied van het gewestplan, afgebakend door de spoorweg en de N722 (de “Steenweg”) en de Stationsstraat en de Meerdegatstraat. Dit gebied, dat aansluit bij de bestaande bedrijvenzone “Kolmen”, wordt omgevormd tot een zone voor regionale bedrijvigheid, met een bufferstrook van 25 meter ten opzichte van de bewoonde eigendommen langs de Steenweg en de Stationsstraat. 1.
- In het kader van het vooroverleg over het plan, wordt op 6 juli 2006 een plenaire vergadering gehouden. 1.
- Het ontwerp van provinciaal RUP wordt door de provincieraad voorlopig vastgesteld op 14 november
- 1.
- Met een besluit van 27 februari 2007 adviseert de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het provinciaal RUP beter te onderbouwen “vanuit een globale visie op het economisch knooppunt in de ruimtelijk-economische structuur van de regio”, en worden ook nog een aantal planologisch-technische opmerkingen geformuleerd. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek over het plan wordt ook namens de verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. 1.
- De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van Limburg (PROCORO) verleent op 9 mei 2007 advies, en stelt voor om de bezwaren grotendeels te verwerpen en het RUP definitief vast te stellen, mits een aantal voorwaarden en opmerkingen. X-13.573-3/9 1.
- Bij het thans bestreden besluit van 20 juni 2007 stelt de provincieraad van Limburg het provinciaal RUP definitief vast. De provincieraad stelt uitdrukkelijk zich aan te sluiten bij het advies van de PROCORO. 1.
- Bij het thans eveneens bestreden besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 21 september 2007 wordt het provinciaal RUP en het daarbij horende onteigeningsplan goedgekeurd. 1.
- Hiervan wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober
- Over de grondvoorwaarden voor de schorsing 2.
- Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 2.
- Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen X-13.573-4/9 mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 2.2.
- In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten hen kan berokkenen, uiteen als volgt: “Conform art. 17 §2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan de schorsing worden bevolen indien de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Verzoekers zijn woonachtig aan de Stationsstraat, de Oude Baan en de Steenweg (...) Voorafgaandelijk aan het PRUP werden verzoekers afgeschermd van en beschermd tegen de hinder voortvloeiend uit de activiteiten op het bedrijven- terrein Kolmen door de aanwezigheid van tussenliggende landbouwgronden met een breedte variërend van 150m tot 250m (...) Door de bestreden beslissing wordt het bedrijventerrein Kolmen echter uitgebreid tot aan de Oude Baan en zelfs tot deels op de achtertuinen van de percelen gelegen aan de Stationsstraat (...). Verzoeker Nelissen, woonachtig aan de Stationsstraat, verliest zo trouwens een gedeelte van zijn achtertuin. Verzoeker Iliaens, woonachtig aan de Oude Baan, en verzoekers Duyssens, woonachtig aan de Steenweg, maar tevens eigenaar van de kwestieuze landbouwgronden aan de Oude Baan, verliezen hun eigendommen aan de Oude Baan zelfs volledig. De tussengelegen landbouwgronden worden door het PRUP dus volledig gesupprimeerd en hun bestemming wordt gewijzigd in zone voor regionale bedrijvigheid en, in een klein gedeelte, in bufferzone. Door de bestemmingswijziging en door de onmiddellijke nabijheid van het uitgebreide bedrijventerrein dreigen verzoekers geconfronteerd te worden met visuele hinder, geluidshinder, lichthinder, geurhinder, stofhinder, toename van verkeer, etc. Het PRUP voorziet aan de Oude Baan weliswaar in een bufferzone, maar die is beperkt (cf. supra, 25m) en in ieder geval niet van aard om die verschillende vormen van hinder uit te schakelen. Ter hoogte van het perceel van verzoeker Wintmolders is er in het PRUP trouwens géén bufferzone voorzien (...). De vaststellingen dat er minstens een risico is op hinder enerzijds en dat ingevolge de uitbreiding en de bestemmingswijziging het bestaande woon- en leefklimaat van verzoekers wijzigt in een ongunstige zin anderzijds, volstaan voor het weerhouden van ‘het moeilijk te herstellen ernstig nadeel’. De bestreden beslissingen kunnen bovendien ook als grondslag dienen voor het afleveren van stedenbouwkundige en milieuvergunningen op het gesupprimeerde lanbouwgebied wat op zich een moeilijk te herstellen ernstig nadeel vormt voor verzoekers. Bij gebreke aan schorsing van de bestreden beslissingen zouden verzoekers immers verplicht worden om al de afgeleverde individuele vergunningen ook nog eens afzonderlijk aan te vechten bij Uw Raad. Verzoeker DUYSSENS wordt tenslotte nog met een specifiek nadeel geconfronteerd in die zin dat hij meer dan 9ha gronden verliest voor de uitbating van zijn landbouwbedrijf. Verzoeker DUYSSENS wordt als gevolg hiervan bedreigd met een faillissement aangezien het bedrijf na verlies van de X-13.573-5/9 gronden niet meer rendabel zal zijn terwijl de leningslasten verschuldig(d) blijven (...)”. 2.2.
- In haar nota met opmerkingen antwoordt de eerste verwerende partij samengevat dat het aangevoerde nadeel klaarblijkelijk hoofdzakelijk voortvloeit uit de toekomstige onteigeningen, dat deze pas doorgang zullen kunnen vinden indien de vrederechter deze toestaat en wettig bevindt, dat de uiteenzetting omtrent de hinderaspecten uiterst vaag blijft, en dat de voorziene buffer deze hinder in ieder geval zal beperken. 2.2.
- In haar nota met opmerkingen antwoordt de tweede verwerende partij samengevat dat het eigendomsverlies pas zal optreden indien de vrederechter de onteigening toestaat, en betoogt voorts dat het nadeel niet concreet wordt gestaafd, dat de verzoekende partijen nu reeds wonen in de nabijheid van de industriezone Kolmen en het betonbedrijf Max Pels, en dat een afdoende buffer is voorzien. 2.2.
- Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel 2.2.4.
- In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat zij uit hun respectievelijke eigendommen dreigen te worden ontzet, moet met de verwerende partijen worden vastgesteld dat het aangevoerde nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt in de uitvoering van het onteigeningsplan. Luidens artikel 73 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, worden de in deze afdeling bedoelde onteigeningen, zijnde deze vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, gevorderd met toepassing van de gemeenrechtelijke onteigeningsprocedure of van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden. De verzoekende partijen zullen derhalve pas uit hun respectievelijke eigendommen worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening slechts uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft onderzocht. De verzoekende partijen kunnen de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoeren, nog doen gelden voor de vrederechter. Deze zal erover uitspraak moeten doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van de eigendom alsnog afgewend kunnen worden. Het Grondwettelijk Hof heeft onder meer in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni X-13.573-6/9 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig bevonden met de wettigheidscontrole die de Raad van State kan doen. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor verzoekende partijen, moet worden vastgesteld dat deze alleszins geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2.2.4.
- Voor het overige is de uiteenzetting van de verzoekende partijen beperkt tot de opwerping dat zij nu nog van het huidige bedrijventerrein Kolmen zijn afgeschermd door de strip landbouwgrond van 150 tot 250 meter breed, en dat deze gronden zullen ingenomen worden door bedrijvigheid met het risico op “visuele hinder, geluidshinder, lichthinder, geurhinder, stofhinder, toename van verkeer etc.”. Dergelijke summiere en vage uiteenzetting kan niet volstaan om een moeilijk te herstellen ernstig nadeel aan te tonen. Bij het opstellen van de stedenbouwkundige voorschriften voor het gebied blijkt bovendien ook rekening gehouden te zijn met de bestaande woonfunctie langs de Steenweg en de Stationsstraat. De verwerende partijen wijzen in dit verband terecht op de verplicht te respecteren “bufferzone bedrijvigheid/wonen” van artikel 8 van de stedenbouwkundige voorschriften, die op de plannen is ingetekend tussen de zone voor regionale bedrijvigheid en de woningen langs de Steenweg en de Stationsstraat, en waarvoor is bepaald dat deze een “dichte” en “niet onderbroken” structuur moet hebben om de hinder “tot een minimum” te beperken, dat deze moet bestaan uit een onderste struikenlaag en een kruinlaag van bomen, en dat dient gewerkt te worden met “snelgroeiers” om reeds op korte termijn groen te krijgen. Dat voor de eigendom van de verzoekende partij WINTMOLDERS geen buffer is voorzien lijkt op het eerste gezicht geen ernstige hinder tot gevolg te kunnen hebben, nu uit de gegevens van de zaak blijkt dat deze aan de overzijde van de Steenweg is gelegen, met vooral zicht op de bestaande gebouwen en terreinen van het betonbedrijf Max Pels. Ook in het stedenbouwkundig voorschrift 2 voor de zone voor regionale bedrijvigheid zelf blijkt rekening te zijn gehouden met de nabijheid van de woonfunctie, nu binnen die zone een “codering” wordt gehanteerd, waarbij in de strook met code 1 die het dichtst gelegen is bij de woningen langs de Steenweg X-13.573-7/9 slechts bedrijven mogelijk zijn “met een beperkte negatieve impact (geur, geluid,...) op de directe omgeving”, en het de bedoeling is dat aldus “een voldoende brede overgangszone tussen het regionale bedrijventerrein langsheen de spoorlijn 21 en het woonlint langsheen de Steenweg N722” zou ontstaan en “er optimaal rekening (wordt) gehouden met het goed functioneren van de aanpalende woonbestemming”. 2.2.4.
- Het in algemene bewoordingen door de verzoekende partijen aangevoerde nadeel, met name dat zij “dreigen (....) geconfronteerd te worden met visuele hinder, geluidshinder, lichthinder, geurhinder, stofhinder, toename van verkeer, etc.” zonder enige verdere verduidelijking, volstaat dan ook niet om aannemelijk te maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden provinciaal RUP een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 2.
- Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel
- De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. X-13.573-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-13.573-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.117 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div