← België

Arrest 186118 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 08 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.118 Rolnummer: A. 186255/X-13574 Zaak: Arrest 186118 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 08/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-10 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.118 van 8 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Inwilliging tussenkomst Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.118 van 8 september 2008 in de zaak A. 186.255/X-13.574. In zake : 1. Joseph MARTENS, 2. Joris VRANCKEN, die woonplaats kiezen bij advocaat I. DEDECKER, kantoor houdende te 3600 GENK, Sint-Martensbergstraat 9 tegen : 1. de deputatie van de provincieraad van LIMBURG, die woonplaats kiest bij advocaat K. WAUTERS, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Gouverneur Roppesingel 131, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg 187. tussenkomende partij : de n.v. BROUWERIJEN ALKEN-MAES, die woonplaats kiest bij advocaat E. DESAIR, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Ankerrui 26. DE Wnd. VOORZITTER VAN DE Xe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat Joseph MARTENS en Joris VRANCKEN op 10 december 2007 hebben ingediend, en waarin zij de schorsing van de tenuitvoerlegging vorderen van: 1. het besluit van 20 juni 2007 van de provincieraad van Limburg houdende de definitieve vaststelling van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en uitbreiding Kolmen” en de bijbehorende onteigeningsplannen, en 2. het besluit van 21 september 2007 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening houdende goedkeuring van het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan “Regionale bedrijventerreinen Brouwerij-Alken en X-13.574-1/9 uitbreiding Kolmen” in de gemeente Alken en waarbij tevens wordt bepaald dat het algemeen nut de onteigening vordert van de onroerende goederen aangegeven op de onteigeningsplannen, en aan de gemeente Alken en de provinciale ontwikkelingsmaatschappij Limburg machtiging tot onteigening wordt verleend; Gezien de nota’s van de verwerende partijen; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 18 april 2008 waarbij de terecht- zitting bepaald wordt op 23 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. DEDECKER, die verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat K. WAUTERS, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat S. VANDEWIELE, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat E. DESAIR, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Rechtspleging Met een verzoekschrift van 20 februari 2008 heeft de n.v. BROUWERIJEN ALKEN-MAES gevraagd om in het administratief kort geding te mogen tussenkomen. Er is grond om het verzoek in te willigen. X-13.574-2/9 2. De feiten 2.1. In uitvoering van een beleidsoptie die is opgenomen in haar ruimtelijk structuurplan, vat de provincie Limburg het plan op om op het grondgebied van de gemeente Alken een provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan op te maken. Dit provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan omvat twee deel- gebieden. Vooreerst is er een gedeelte “Brouwerij Alken”, waar de Brouwerij ALKEN-MAES gevestigd is. De bedrijfsgebouwen en de terreinen daarrond zijn door het gewestplan Hasselt-Genk bestemd tot industriegebied, maar uit onderzoek is gebleken dat de waterhuishouding van de gronden een volledige benutting van dit gebied voor die doeleinden niet toelaat. Samen met het natuurgebied van de beekvallei van de Herk wordt voor een gedeelte een herbestemming naar valleigebied doorgevoerd, terwijl enkel de gronden die onmiddellijk palen aan de bedrijfshallen worden bestemd tot “zone voor historisch gegroeide bedrijvigheid- brouwerij” en zone voor regionale bedrijvigheid. Het provinciaal ruimtelijk uitvoeringsplan bevat ook een tweede gedeelte “uitbreiding Kolmen”, gesitueerd in noordwestelijke richting ten opzichte van de gebouwen van de brouwerij. Het betreft een ingesloten “strip” agrarisch gebied van het gewestplan, afgebakend door de spoorweg en de N722 (de “Steenweg”) en de Stationsstraat en de Meerdegatstraat. Dit gebied, dat aansluit bij de bestaande bedrijvenzone “Kolmen”, wordt omgevormd tot een zone voor regionale bedrijvigheid, met een bufferstrook van 25 meter ten opzichte van de bewoonde eigendommen langs de Steenweg en de Stationsstraat. 2.2. In het kader van het vooroverleg over het plan, wordt op 6 juli 2006 een plenaire vergadering gehouden. 2.3. Het ontwerp van provinciaal RUP wordt door de provincieraad voorlopig vastgesteld op 14 november 2006. 2.4. Met een besluit van 27 februari 2007 adviseert de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening het provinciaal RUP beter te onderbouwen “vanuit een globale visie op het economisch knooppunt in de X-13.574-3/9 ruimtelijk-economische structuur van de regio”, en worden ook nog een aantal planologisch-technische opmerkingen geformuleerd. 2.5. Tijdens het openbaar onderzoek over het plan wordt ook namens de verzoekende partijen een bezwaarschrift ingediend. 2.6. De provinciale commissie voor ruimtelijke ordening van Limburg (PROCORO) verleent op 9 mei 2007 advies, en stelt voor om de bezwaren grotendeels te verwerpen en het RUP definitief vast te stellen, mits een aantal voorwaarden en opmerkingen. 2.7. Bij het thans bestreden besluit van 20 juni 2007 stelt de provincieraad van Limburg het provinciaal RUP defintief vast. De provincieraad stelt uitdrukkelijk zich aan te sluiten bij het advies van de PROCORO. 2.8. Bij het thans eveneens bestreden besluit van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting en Ruimtelijke Ordening van 21 september 2007 wordt het provinciaal RUP en het daarbij horende onteigeningsplan goedgekeurd. 2.9. Hiervan wordt melding gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 12 oktober 2007. 3. Over de grondvoorwaarden voor de schorsing 3.1. Krachtens artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. 3.2. Luidens artikel 17, § 3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State dient de vordering tot schorsing een uiteenzetting van de middelen en de feiten te bevatten die volgens de indiener ervan het bevelen van de schorsing rechtvaardigen. Artikel 8, eerste lid, 3/ van het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, bepaalt dat de vordering tot schorsing dient te bevatten “een uiteenzetting van de X-13.574-4/9 feiten die van aard zijn aan te tonen dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden akte de verzoekende partij een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen, waarbij alle stukken worden gevoegd die het risico op dergelijk nadeel aantonen”. Uit deze bepaling volgt dat de verzoekende partijen in hun verzoekschrift duidelijk en concreet dienen aan te geven waarin precies het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zij ingevolge de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden besluit ondergaan of dreigen te ondergaan, en dat met nadien bijgebrachte feiten en verklaringen en niet bij het verzoekschrift gevoegde stukken geen rekening kan worden gehouden. De verzoekende partijen mogen zich in hun uiteenzetting niet beperken tot vaagheden en algemeenheden, maar dienen integendeel zeer concrete en precieze gegevens aan te brengen waaruit blijkt dat zij persoonlijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel ondergaan of dreigen te ondergaan. 3.2.1. In het verzoekschrift zetten de verzoekende partijen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden besluiten hen kan berokkenen, uiteen als volgt: “Het nadeel dat de verzoekende partij dreigt te lijden is een moeilijk (

  1. te)herstellen ernstig nadeel. De percelen van verzoekende partijen worden gedeeltelijk onteigend. In de eerste bestreden beslissing wordt dienaangaande gesteld: ‘Overwegende dat de onteigeningsplann(e)n drie onderling gescheiden gebieden behel(z)en, die belangrijk zijn voor de realisatie van de doelstellingen van het vermelde PRUP, met name: - de percelen of delen ervan in deelgebied 2: Brouwerij-Alken, met nr. 37c, 36 A, 1A, 33E, 2A, 3, 4, 5, 32T2, 32N2, 31B, 31D, 31C, 30/2G, 30/2L, 8G, 8H, 9K, 30/2K, 6G, 30P, 11M, 11N, 30E en 13G zijn in handen van vennootschappen en particulieren. Een onmiddellijke onteigening hiervan is noodzakelijk voor de ontwikkeling van de zone voor regionale bedrijvigheid en de zone voor historisch gegroeide bedrijvigheid (brouwerij) (incl. wegenis en buffering) De percelen worden opgenomen ter voorkoming van speculatie en winstbejag.’ (...) D eerste verzoekende partij is eigenaar van het perceel 30/2K. (cf onteigeningsplan) De tweede verzoekende partij is eigenaar van het perceel 30/12G. (cf. onteigeningsplan) Zoals hoger aangegeven, is er geen verantwoording voor de onteigening van de percelen van verzoekende partijen. De onmiddellijke onteigening impliceert dat de eigendomssituatie onmiddellijk en onomkeerbaar verandert. Dit kan niet meer gewijzigd worden door een arrest mbt de vordering tot nietigverklaring van Uw Raad dat nadien zou tussenkomen. X-13.574-5/9 Bovendien vloeit er ook onmiddellijk een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voort uit de definitieve vaststelling van het PRUP doordat de bestemmingen definitief worden vastgesteld waarnaar de vergunningverlenende overheden zich dienen te richten. Er kan bijgevolg niet worden gesteld dat het moeilijk te herstellen ernstig nadeel slechts zou ontstaan op het ogenblik van het verlenen van de stedenbouwkundige vergunningen en/of milieu- vergunningen. Bovendien is er de terecht(
  2. e)vrees dat het uitvoeren van voorbereidende werken in dit waterzieke (gebied) een onmiddellijk overstromingsgevaar zal opleveren. De onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissingen, dwz. de toepassing ervan vooraleer de Raad van State ten gronde uitspraak heeft kunnen doen over het ertegen ingestelde beroep tot nietigverklaring, brengt derhalve een nadeel mee in hoofde van verzoekende partijen dat moeilijk te herstellen en ernstig is. Een vernietigingsarrest van Uw Raad zal dan ook onmiskenbaar te laat komen”. 3.2.2. In haar nota met opmerkingen antwoordt de eerste verwerende partij dat het eigendomsverlies pas zal optreden indien de vrederechter de onteigening toestaat, en betoogt voorts dat het nadeel inzake de waterproblematiek “een loutere bewering” blijft en niet concreet wordt gestaafd. 3.2.3. Ook de tweede verwerende partij antwoordt dat het aangevoerde nadeel klaarblijkelijk hoofdzakelijk voortvloeit uit de toekomstige onteigeningen, dat deze pas doorgang zullen kunnen vinden indien de vrederechter deze toestaat en wettig bevindt, en dat de uiteenzetting omtrent het risico op overstromingen bijzonder vaag blijft. 3.2.4. De tussenkomende partij antwoordt eveneens dat het nadeel dat voortvloeit uit de onteigeningsmachtiging niet in rekening kan worden genomen. Zij voegt eraan toe dat de verzoekende partijen hun bedoelingen met betrekking tot hun eigendommen niet kenbaar maken, dat slechts het achterste gedeelte van hun gronden in het onteigeningsplan valt, en dat het overstromingsgevaar niet wordt aangetoond. 3.2.5. Onderzoek van het aangevoerde moeilijk te herstellen ernstig nadeel. 3.2.5.1. In zoverre de verzoekende partijen aanvoeren dat zij uit hun respectievelijke eigendommen dreigen te worden ontzet, moet met de verwerende partijen en de tussenkomende partij worden vastgesteld dat het aangevoerde nadeel zijn rechtstreekse oorzaak vindt in de uitvoering van het onteigeningsplan. Luidens X-13.574-6/9 artikel 73 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, worden de in deze afdeling bedoelde onteigeningen, zijnde deze vereist voor de verwezenlijking van de ruimtelijke uitvoeringsplannen, gevorderd met toepassing van de gemeenrechtelijke onteigeningsprocedure of van de rechtspleging bij hoogdringende omstandigheden. De verzoekende partijen zullen derhalve pas uit hun respectieve- lijke eigendommen worden ontzet als de vrederechter de onteigening zal hebben toegestaan. De vrederechter kan die onteigening slechts uitspreken en de provisionele vergoeding slechts bepalen nadat hij het machtigingsbesluit zowel op zijn interne als op zijn externe wettigheid heeft onderzocht. De verzoekende partijen kunnen de wettigheidsbezwaren die zij thans aanvoeren, nog doen gelden voor de vrederechter. Deze zal erover uitspraak moeten doen en, indien zij gegrond worden bevonden, zal het risico van het verlies van de eigendom alsnog kunnen worden afgewend. Het Grondwettelijk Hof heeft onder meer in zijn arrest nr. 51/95 van 22 juni 1995 en in zijn eerdere arresten waarnaar het in dat arrest verwijst, de wettigheidscontrole van de burgerlijke rechter evenwaardig bevonden met de wettigheidscontrole die de Raad van State kan doen. Zonder te moeten nagaan of de dreiging van het verlies van de betrokken eigendom een ernstig nadeel betekent voor verzoekende partijen, moet worden vastgesteld dat deze alleszins geen moeilijk te herstellen karakter heeft in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 3.2.5.2. In zoverre de verzoekende partijen voorts nog aanvoeren dat een moeilijk te herstellen ernstig nadeel voortvloeit uit de definitieve vaststelling van het provinciaal RUP doordat de bestemmingen definitief worden vastgesteld waarnaar de vergunningverlenende overheden zich dienen te richten, en dat het uitvoeren van voorbereidende werken in dit waterzieke gebied een onmiddellijk overstromingsgevaar zal opleveren, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partijen in gebreke blijven te verduidelijken waarin concreet voor hen het moeilijk te herstellen ernstig nadeel is gelegen dat zijn rechtstreekse oorzaak vindt in de definitieve vaststelling van de bestemmingen, en dat zij evenmin verduidelijken op welke wijze het aangevoerde “overstromingsgevaar”, dat overigens niet aan de hand van concrete gegevens wordt gestaafd, hen in hun persoonlijke levens- of woonsituatie zou raken. X-13.574-7/9 3.2.5.3. De uiteenzetting van de verzoekende partijen bevat aldus geen concrete en precieze gegevens die aannemelijk maken dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van het bestreden provinciaal RUP hen een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen in de zin van artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. 3.3. Uit hetgeen voorafgaat blijkt dat niet is voldaan aan één van de door artikel 17, § 2 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State opgelegde voorwaarden om de schorsing van de tenuitvoerlegging te kunnen bevelen. Die vaststelling volstaat om de vordering af te wijzen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Het verzoek tot tussenkomst van de n.v. BROUWERIJEN ALKEN-MAES in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel 2. De vordering tot schorsing wordt verworpen. Artikel 3. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de tussenkomst in de schorsingsprocedure wordt uitgesteld. X-13.574-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op acht september 2008, door : de H. J. BOVIN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. J. BOVIN. X-13.574-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.118 Gerelateerde publicatie(
  3. s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.208.334 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.