← België

Arrest 186122 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.122 Rolnummer: A. 67491/X-10142 Zaak: Arrest 186122 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.122 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.122 van 9 september 2008 in de zaak A. 67.491/X-10.

  1. In zake : Victor DUBOIS, die woonplaats kiest bij advocaat J. DE BRABANTER, kantoor houdende te 1730 ASSE, Stationsstraat 69 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32, bus
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Victor DUBOIS op 7 februari 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 16 november 1995 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 1 juli 1994 van het college van burgemeester en schepenen van Kortenberg houdende weigering van de vergunning voor het regulariseren van een niet conform de bouwvergunning opgetrokken woning op een perceel gelegen te Kortenberg, Hoogveldstraat 14, kadastraal bekend sectie A, nr. 207/f7, als onontvankelijk wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 21 februari 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure, ingediend door de verzoekende partij; X-10.142-1/14 Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat L. MOSSELMANS, die loco advocaat J. DE BRABANTER verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. DURNEZ, die loco advocaat M. VAN BEVER verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De feiten 1.
  4. De verzoeker is eigenaar van een eengezinswoning, gelegen aan de Hoogveldstraat 14 te Kortenberg. Voor het oprichten van deze woning verleende het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg de verzoeker op 18 juli 1984 een bouwvergunning “onder voorwaarde dat het vrijblijvend gedeelte van de aanpalende woning nr. 16 afgewerkt zou worden in dezelfde bouwmaterialen als de op te richten constructie”. 1.
  5. Op 28 augustus 1985 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg de verzoeker een nieuwe bouwvergunning tot “wijziging-aanpassing” van de reeds eerder vergunde eengezinswoning, waarbij zij de voorwaarde, opgelegd door de op 18 juli 1984 verleende vergunning, uitdrukkelijk herneemt. 1.
  6. De verzoeker betwist de voormelde voorwaarde en richt op 17 juni 1994 aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg een aangetekend schrijven met de vraag “een regularisatievergunning te verlenen”, teneinde “ontslagen (te worden) van de uitvoering van de voorwaarden opgenomen in voormelde bouwvergunningen” : X-10.142-2/14 “Geachte heer Burgemeester, Heren Schepenen, Betreft : Regularisatievergunning - bouwvergunning 150/AB/4979/
  7. Ondergetekende, Victor DUBOIS, wonende te Kortenberg, Hoogveld 14, is zo vrij ondermeer op grond van art 65 par. 3 van de wet van 29 maart 1962, Uw administratie te verzoeken een regularisatievergunning te verlenen. Dit verzoek is gesteund op de hiernavermelde overwegingen en alle andere middelen in de loop van de administratieve procedure te doen gelden: (...) BESLUIT : Verzoeker vordert de afgifte van de vereiste vergunning waardoor hij om voormelde redenen ontslagen wordt van de uitvoering van de voorwaarden opgenomen in voormelde bouwvergunningen. Aanvaardt, geachte Burgemeester, Heren schepenen, de verzekering van zijn gevoelens van bijzondere hoogachting”. 1.
  8. Met een brief van 1 juli 1994 beantwoordt het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kortenberg de voormelde vraag als volgt: “Geachte Heer, In antwoord op uw schrijven dd. 17 juni 1994 i.v.m. regularisatie- bouwvergunning, delen we het volgende mee. Gezien op de ingediende plannen dd. maart 1994 gewijzigd op 04 mei 1984, de aanvrager zelf stelt dat het hier gaat om een ‘gemene muur te paard op scheidingslijn’. Dit maakt de woning nr. 16 duidelijk tot een aanpalende woning. Uit precedenten in de gemeente blijkt dat het bouwtechnisch haalbaar is, om een vrije gevel af te werken op de gevraagde manier. Met dezelfde soort materialen als de op te richten constructie (zie vergunning) wordt een zelfde type, kleur en schakering van materiaal bedoeld. De verplichting om de zijgevel van de woning nr. 16 af te werken met dezelfde soort materialen als deze gebruikt voor woning nr. 14 blijft gehandhaafd. Met achting”. 1.
  9. Op 12 augustus 1994 dient de verzoeker tegen deze brief “hoger beroep” in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Brabant. Het provinciebestuur meldt bij brief van 6 september 1994 de goede ontvangst van dit schrijven. Op 26 april 1995 deelt adjunct van de directeur J. Bulteel van het provinciebestuur, “namens de gouverneur”, aan de verzoeker mee dat zijn brief van 12 augustus 1994 “niet als een beroepsschrift kan worden aanzien” en dat er “geen verder gevolg” aan kan worden gegeven, aangezien er nooit een geldige bouwaanvraag werd ingediend waaromtrent het gemeentebestuur in toepassing van artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw heeft kunnen beslissen : X-10.142-3/14 “Uw schrijven van 12 augustus 1994, in verband met de in rand gemelde aangelegenheid, werd aan een onderzoek onderworpen. Uit inlichtingen ingewonnen bij het gemeentebestuur van Kortenberg, is evenwel gebleken dat het college van burgemeester en schepenen geen beslissing heeft genomen overeenkomstig de bepalingen van artikel 55 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw. Dit gebeurde omwille van het feit dat u GEEN bouwaanvraag in toepassing van artikel 53 hebt ingediend, zodat het college van burgemeester en schepenen u dan ook geen ontvangstbewijs heeft kunnen afleveren. Ik vestig bijgevolg uw aandacht op het feit dat uw bovenvermeld schrijven niet als een beroepsschrift kan worden aanzien daar, volgens de bepalingen van artikel 55 van de reeds hierboven vermelde stedebouwwet, de aanvrager, binnen de dertig dagen na ontvangst van de beslissing van het schepenencollege genomen in toepassing van bewust artikel 55, in beroep kan komen bij de bestendige deputatie, wat in de gegeven omstandigheden niet mogelijk is. Aan uw bovenvermelde brief kan derhalve geen verder gevolg gegeven worden”. 1.
  10. Op 17 mei 1995 richt de verzoeker een aangetekend schrijven aan de bevoegde Vlaamse minister, en stelt hij aldus “hoger beroep in te stellen (...) bij gebreke van ontvangst van de beslissing van de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams Brabant”, die enkel “bij eenvoudig schrijven van 26.04.95” heeft laten weten geen formele beslissing te zullen nemen. Dit “hoger beroep” is in de volgende termen gesteld : “Ondergetekende steunt dit hoger beroep op voormelde middelen en de hiernavermelde overwegingen: 1) Bij aangetekend schrijven dd. 17.06.94 heeft ondergetekende een regelmatig regularisatieverzoek ingesteld bij het College van Burgemeester en Schepenen van de Gemeente Kortenberg, dat, bij beslissing dd 01.07.94 wel degelijk genomen namens het Schepencollege, dit verzoek heeft geweigerd. 2) Tegen dit weigeringsbesluit kan de aanvrager overeenkomstig art 55 § 1 van de Wet op Stedebouw hoger beroep instellen bij de Bestendige Deputatie van de Provincie; 3) Verzoeker heeft binnen de wettelijke termijn na ontvangst van het weigeringsbesluit hoger beroep ingesteld bij de Bestendige Deputatie van de toenmalige Provincie Brabant; Deze administratie laat thans bij eenvoudig schrijven weten dat geen beslissing zal worden genomen door de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams Brabant, omdat volgens inlichtingen die deze administratie heeft ingewonnen bij de diensten van de administratie die de aangevochten beslissing heeft genomen, het schrijven van het Schepencollege van 01.07.94 waarbij het regularisatieverzoek door de aanvrager ingediend werd afgewezen, niet als een weigeringsbesluit kan worden beschouwd overeenkomstig de Wet op stedebouw Het Schepencollege laat dus aan haar hogere overheid weten dat zij geen weigeringsbesluit heeft genomen in de zin van art 65 van de Wet op stedebouw; Het verzoek van ondergetekende was nochtans zeer duidelijk gesteund op voormelde wetgeving en meer bepaald op art 65 van de Wet van 29.03.
  11. Het schrijven van het Schepencollege kan toch niet worden aangezien als een toelating; bovendien heeft het Schepencollege geen enkele opmerking gemaakt X-10.142-4/14 op het regularisatieverzoek door ondergetekende ingediend, noch op de vorm, noch op de inhoud : Het Schepencollege dient ook de Bestendige Deputatie niet in te lichten over de aard van de beslissing die zij wel degelijk heeft genomen; dit zou een ontoelaatbare schending van de meeste essentiële rechtsbeginselen betekenen; het is immers niet de lagere overheid, doch wel haar toeziende hogere overheid die dient te beslissen of het weigeringsbesluit van de lagere overheid al dan niet een administratieve beslissing in de zin van art 55 van de Wet op stedebouw uitmaakt Het schrijven van de Bestendige Deputatie van de Provincie Vlaams Brabant dient dus te worden aangezien als een weigering om een administratieve beslissing te nemen nadat een regelmatig hoger beroep tegen een beslissing van de lagere overheid werd ingesteld Deze weigering laat ondergetekende toe overeenkomstig de bepalingen van art 55 § 2 van de Wet op Stedebouw hoger beroep in te stellen bij Uw Administratie. 3) Betreffende de grond van de aanvraag door verzoeker ingesteld verwijst ondergetekende naar de middelen opgenomen in het beroepschrift bij aangetekend schrijven van 12.08.94 verzonden aan de Bestendige Deputatie van de Provincie Brabant; ondergetekende bevestigt deze middelen en beschouwt deze middelen als hernomen in huidig verzoekschrift tot hoger beroep. Aanvaard, Hooggeachte Minister, de verzekering van zijn gevoelens van bijzondere hoogachting”. 1.
  12. Op 10 augustus 1995 wordt de verzoeker door de administratieve diensten van de minister gehoord, naar aanleiding waarvan de verzoeker een “toelichtingsnota” neerlegt en per brief van 11 augustus 1995 nog aanvullende stukken opstuurt. 1.
  13. Bij ministerieel besluit van 16 november 1995 verwerpt de minister het beroep van de verzoeker als onontvankelijk, met de volgende motivering : “Overwegende dat dd. 18 juli 1984 de bouwvergunning voor een eengezinswoning werd afgegeven onder de voorwaarde het vrijblijvend gedeelte van de aanpalende gevel van woning nr. 16 af te werken in dezelfde bouwmaterialen als de op te richten konstruktie; dat van de bouwplannen werd afgeweken en een muur werd opgetrokken naast de woning nr. 16 met een tussenruimte die echter werd opgevuld om de stabiliteit van de woning nr. 16 te verzekeren; dat op basis van de aangepaste plans op 28 augustus 1985 een gewijzigde bouwvergunning werd afgegeven waarbij is gesteld dat het vrijblijvend gedeelte van de aanpalende gevel van de woning nr. 16 dient te worden afgewerkt met dezelfde materialen als de op te richten konstruktie; dat deze afwerking van de zijmuur niet werd uitgevoerd en op 8 februari 1995 bij het Parket van de Procureur des Konings aanpassingswerken werden gevorderd teneinde de in de bouwvergunning opgelegde voorwaarde te doen naleven; dat belanghebbende in toepassing van artikel 65 § 3 verzoekt om de regularisatie- vergunning; dat dit verzoek per aangetekend schrijven van 17 juni 1994 aan het college van burgemeester en schepenen werd gericht; dat het gemeentebestuur geen ontvangstbewijs luidens artikel 53 van de stedebouwwet voor het indienen X-10.142-5/14 en afhandelen van de bouwaanvraag heeft afgegeven; dat in vervolg op het schrijven van 17 juni 1994 van appellant het gemeentebestuur volgend schrijven op 1 juli 1994 aan belanghebbende heeft verzonden : ‘In antwoord op uw schrijven dd. 17 juni 1994 i.v.m. regularisatie- bouwvergunning, delen we het volgende mee. Gezien op de ingediende plannen dd. maart 1994 gewijzigd op 4 mei 1984, de aanvrager zelf stelt dat het hier gaat om een ‘gemene muur te paard op de scheidingslijn’. Dit maakt de woning nr. 16 duidelijk tot een aanpalende woning. Uit precedenten in de gemeente blijkt dat het bouwtechnisch haalbaar is, om een vrije gevel af te werken op de gevraagde manier. Met dezelfde soort materialen als de op te richten constructie (zie vergunning) wordt een zelfde type, kleur en schakering van materiaal bedoeld. De verplichting om de zijgevel van de woning nr. 16 af te werken met dezelfde soort materialen als deze gebruikt voor woning nr. 14 blijft gehandhaafd’.; dat belanghebbende geen bouwdossier conform het ministerieel besluit tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning van 6 februari 1971 heeft ingediend; dat evenmin de aanvrager werd medegedeeld dat zijn dossier onvolledig was; dat de gemachtigde ambtenaar mededeelt dat het verzoek tot regularisatie van 17 juni 1994 van belanghebbende hem evenmin bekend is; dat derhalve geen geldig bouwdossier bestaat; dat conform de artikels 54 en 55 tegen een dusdanige vraag geen beroep mogelijk is; dat om deze reden het beroep als niet ontvankelijk dient te worden verworpen”. Dit is het bestreden besluit. 1.
  14. Een afschrift van het bestreden besluit wordt aan de verzoeker betekend bij aangetekend schrijven van 11 december
  15. De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 2.
  16. De verwerende partij voert in haar memorie van antwoord aan dat het verzoekschrift niet is gedateerd en dat uit het exemplaar dat aan haar werd overgemaakt, aan de hand van de stempel van de griffie, niet is op te maken wanneer het werd ingediend. Nog volgens de verwerende partij is de termijn voor de indiening van het verzoekschrift van openbare orde, zodat zij de Raad van State verzoekt om ambtshalve over de naleving ervan te waken. 2.
  17. Met de verzoeker moet worden vastgesteld dat het bestreden besluit hem bij aangetekend schrijven van 11 december 1995 werd betekend, zodat het op 7 februari 1996 bij een ter post aangetekend schrijven verzonden verzoekschrift tijdig werd ingediend. X-10.142-6/14
  18. De gegrondheid van het beroep 3.
  19. Eerste middel 3.1.
  20. Standpunt van de partijen 3.1.1.
  21. In zijn eerste middel voert de verzoeker de schending aan van “het algemeen rechtsbeginsel dat iedere administratieve rechtshandeling moet zijn ingegeven door beginselen van behoorlijk bestuur” : “Eerste onderdeel : Doordat onmiskenbaar tegenstrijdigheden zijn opgenomen in de beweegredenen van de beslissing van de Vlaamse Minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening, die beslist tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep door verzoeker ingesteld tegen de beslissing van de Bestendige Deputatie van de provinieraad van VLAAMS BRABANT en tegelijkertijd in zijn beslissing aanstipt dat het hoger beroep door verzoeker ingesteld tegen de beslissing van het College van Burgemeester en Schepenen bij de Bestendige Deputatie wel ontvankelijk is; Dat een eerste tegenstrijdigheid in de aangevochten beslissing aldus hierin bestaat : Dat het hoger beroep van verzoeker door de Vlaamse Minister onont- vankelijk wordt verklaard omdat de Minister vaststelt dat conform art 54 en 55 van de Wet van 29.03.62 tegen een dusdanige vraag door verzoeker ingediend geen beroep mogelijk is ; Dat in de motivering van zijn eigen beslissing de Minister echter wel aanvaardt dat het hoger beroep van verzoeker ingesteld bij de Bestendige Deputatie, wel ontvankelijk is, alhoewel dit beroep betrekking heeft op dezelfde aanvraag door verzoeker bij een lagere overheid ingediend Dat een tweede inhoudelijke tegenstrijdigheid blijkt uit de vaststelling dat de Vlaamse Minister de bepalingen van art 54 en 55 van de Wet op Stedebouw niet toepasselijk acht, maar toch in toepassing van deze wetsbepalingen partijen heeft opgeroepen om overeenkomstig het verzoek van eiser gehoord te worden; Dat immers door gevolg te verlenen aan het verzoek van eiser om overeenkomstig de bepalingen van art 55 § 2 van de stedebouwwet, de Vlaamse Minister het hoger beroep van eiser reeds ontvankelijk verklaarde en nadien in zijn eindbeslissing niet meer kan voorhouden dat de bepalingen van art 54 en 55 van de wet van 29.03.62, die hijzelf toepaste, niet van toepassing zijn op de aanvraag door verzoeker ingesteld ; Tweede onderdeel: Doordat de administratieve overheid het regularisatieverzoek door eiser ingesteld afwijst op grond van haar eigen verzuim en tekortkomingen, A. Dat de Vlaamse Minister immers beslist dat belanghebbende geen bouwdossier conform het Ministerieel Besluit tot vaststelling van de samenstelling van het dossier van de aanvraag om bouwvergunning van 06.02.71 heeft ingediend, terwijl dit dossier reeds werd ingediend bij de aanvraag tot de bouwvergunning dd. 18.07.84 zelf en aangevuld ter gelegenheid van de aanvraag tot bouwvergunning die werd afgeleverd op 28.08.85; X-10.142-7/14 Dat naar aanleiding van het verzoek tot regularisatie ingesteld door verzoeker, geen enkele wijziging werd gebracht aan het bouwdossier waarover de administratieve overheid reeds beschikte; Dat verzoeker ten andere in zijn verzoek dd. 17.09.94 zeer uitdrukkelijk verwezen heeft naar het bouwdossier 150/AB/4979/84 waarin al de bouwgegevens zoals opgelegd bij het Ministerieel Besluit van 06.02.71 opgenomen werden; Dat de Vlaamse Minister aldus ten onrechte vaststelt dat ‘evenmin de aanvrager werd medegedeeld dat zijn dossier onvolledig is’; Dat deze vaststelling onjuist is, vermits het Schepencollege van de Gemeente Kortenberg over het volledig bouwdossier beschikte”. 3.1.1.
  22. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : “A. Eerste onderdeel. 1* Er is geen strijdigheid in de argumentatie. Wat betreft het beroep bij de bestendige deputatie heeft het bestreden besluit onderzocht of dit al dan niet naar tijd en vorm correct werd ingesteld. Op dit gebied blijkt er geen probleem te zijn betreffende de ontvankelijkheid. Het beroep bij de Minister zelf werd dan ook niet om deze redenen onontvankelijk verklaard (zodat er geen strijdigheid is in de argumentatie), maar wel omdat er geen geldig bouwdossier bestaat. 2* - Het belang dat verzoeker bij deze stelling heeft ontgaat aan concluante. Klaarblijkelijk meent verzoeker dat zijn beroep onontvankelijk verklaard moest worden, zonder dat hij eerst gehoord werd, hoewel hij hierom uitdrukkelijk verzocht heeft!?! - Pas op het moment dat de Minister effectief over het beroep beslist, kan vastgesteld worden of het beroep al dan niet ontvankelijk is. De Stedebouwwet voorziet nl. geen twee verschillende procedures enerzijds voor de ontvankelijke beroepen en anderzijds voor de onontvankelijke beroepen. Er bestaat ook geen enkele wettelijke bepaling die stelt dat de ontvankelijkheid van het beroep moet onderzocht worden voordat de partijen opgeroepen worden voor een hoorzitting. Noch bestaat er een wettelijke bepaling die meebrengt dat een oproeping voor een hoorzitting automatisch de ontvankelijkheid van het beroep meebrengt. B. Tweede onderdeel. 1* Zo verzoeker een regularisatieaanvraag wenst in te dienen, dan moet hij een geldig bouwdossier overmaken. Immers: Verzoeker vraagt geen lichte wijziging aan een hangende aanvraag, maar hij wil een nieuw dossier openen. ‘De vergunningsprocedure vangt aan met het indienen van een aanvraag. De inhoud van de bouw- en verkavelingsaanvragen is in detail bepaald in de M.B.’s samenstelling dossier bouwaanvraag resp. samenstelling dossier verkavelingsaanvraag.’ Bij het verlenen van een regularisatievergunning moeten alle wettelijke regels i.v.m. de normale afgifte van de vergunning worden toegepast. (...) Het logische besluit is dan ook dat verzoeker een geldig en volledig dossier moest indienen. Het is niet aan de Gemeente, aan de Bestendige Deputatie of aan de Minister om voor verzoeker zijn bouwdossier bij mekaar te zoeken. 2* Concluante verwijst naar het K.B. van 06/02/1971 betreffende de behandeling en openbaarmaking van de bouwaanvragen. X-10.142-8/14 Krachtens art. 1 van dit K.B. stuurt het College van Burgemeester en Schepenen ‘binnen de 25 dagen na de datum van het bewijs van ontvangst van het volledig dossier der bouwaanvraag, aan de gemachtigde ambtenaar twee exemplaren van het plan der werken en een exemplaar van elk van de stukken van het volledige dossier der bouwaanvraag, ...’ Aangezien er geen volledig dossier ingediend werd, werd ook geen ontvangstbewijs uitgereikt en kon ook geen dossier voor advies overgemaakt worden aan de gemachtigde ambtenaar. Het probleem ligt dus in essentie bij het feit dat verzoeker geen geldig bouwdossier indiende ...”. 3.1.1.
  23. In zijn memorie van wederantwoord herneemt de verzoeker het middel zoals dit in zijn verzoekschrift is uiteengezet. 3.1.
  24. Onderzoek van het middel 3.1.2.
  25. Onder een middel in de zin van artikel 2, § 1, 2/ van het algemeen procedurereglement, zoals dit gold op het ogenblik van de indiening van het beroep door de verzoeker, moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die regel of dat beginsel naar het oordeel van de verzoeker door de bestreden beslissing werd geschonden. 3.1.2.
  26. De verzoeker voert een schending aan van “het algemeen rechtsbeginsel dat iedere administratieve rechtshandeling moet zijn ingegeven door beginselen van behoorlijk bestuur”. In een eerste middelonderdeel betoogt de verzoeker dat “tegen- strijdigheden” in de beweegredenen van het bestreden besluit zijn opgenomen. In een tweede middelonderdeel voert de verzoeker aan dat de verwerende partij het regularisatieverzoek afwijst op grond van haar eigen verzuim en tekortkomingen. Hij omschrijft aldus op onvoldoende duidelijke wijze het door hem geschonden geachte beginsel van behoorlijk bestuur. Het middel is onontvankelijk. X-10.142-9/14 3.
  27. Tweede middel 3.2.
  28. Standpunt van de partijen 3.2.1.
  29. In zijn tweede middel voert de verzoeker de schending aan van “de motiveringsplicht” en een “afwezigheid van de rechtens vereiste feitelijke grondslag” : “Doordat de Vlaamse Minister zijn beslissing beperkt heeft tot de onontvankelijkheid van het hoger beroep ingesteld door verzoeker en nagelaten heeft de gegrondheid van het verzoek te onderzoeken en hierover te beslissen”. 3.2.1.
  30. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord dat het bestreden besluit geen uitspraak doet over de gegrondheid omdat het beroep niet ontvankelijk wordt geacht, dat het onlogisch is om de gegrondheid te onderzoeken van een beroep dat wordt verworpen als zijnde niet ontvankelijk en dat dit de motiveringsplicht niet schendt, aangezien de redenen van de onontvankelijkheid voldoende duidelijk zijn weergegeven in de beslissing zelf en wel op dergelijke wijze dat de verzoeker de mogelijkheid had om te beoordelen of het al dan niet zinvol was om een annulatieberoep in te stellen. 3.2.1.
  31. In zijn memorie van wederantwoord herneemt de verzoeker het middel zoals dit in zijn verzoekschrift is uiteengezet. 3.2.
  32. Onderzoek van het middel Het onontvankelijk bevinden van een administratief beroep brengt evident met zich mee dat de gegrondheid ervan niet dient te worden onderzocht. De verzoeker toont niet aan hoe de verwerende partij door aldus te handelen de motiveringsplicht zou hebben geschonden. Het middel is niet gegrond. X-10.142-10/14 3.
  33. Derde middel 3.3.
  34. Standpunt van de partijen 3.3.1.
  35. In zijn derde middel voert de verzoeker in een eerste onderdeel de schending aan van “art. 54, art. 55 § 2 (...) van de Wet van 29 maart 1962” en in een tweede onderdeel van “art. 65 van de Wet van 29 maart 1962” : “Eerste onderdeel : schending van art 54 en art 55 : Doordat verzoeker overeenkomstig de mogelijkheid die hem wordt geboden bij art 65 van de Wet op stedebouw een regularisatieverzoek heeft ingesteld en zich hiervoor heeft gericht tot het College van Burgemeester en Schepenen bij verzoek van 17.06.94 omdat volgens de bepalingen van art 65 de Minister of de gemachtigde ambtenaar ‘in overleg met het Schepencollege’ een vergelijk kan treffen met de overtreder; Dat dit verzoek tot regularisatie door verzoeker dan ook terecht werd ingediend bij het bevoegde College van Burgemeester en Schepenen dat in overleg met de gemachtigde ambtenaar dit regularisatieverzoek diende te onderzoeken, temeer daar op strafrechtelijk gebied de klacht van de gemachtigde am(b)tenaar zonder gevolg werd gerangschikt; Dat het Schepencollege bij beslissing van 01.07.94, overgemaakt aan verzoeker bij schrijven afgestempeld op 20.07.94 en door verzoeker ontvangen op 22.07.94 dit verzoek afwees ; Dat de inhoud van deze beslissing geen twijfel laat over de vaststelling dat de beslissing werd genomen door het College van Burgemeester en Schepenen en dit in het raam van de wet van 29.03.62, zodat deze beslissing vatbaar was voor verhaal bij de Bestendige Deputatie van de toenmalige provincie Brabant; Dat de Vlaamse Minister de bepalingen van art 54 en 55 van de wet op stedebouw heeft miskend door te stellen dat het beroep tegen onderscheidenlijk de beslissing dd. 01.07.94 van het Schepencollege en de beslissing van de Bestendige Deputatie conform art 54 en 55 niet mogelijk is Tweede onderdeel : Schending van art 65 Doordat de Vlaamse Minister het verzoek door eiser ingesteld strekkende tot regularisatie niet heeft aanvaard als een regularisatieverzoek ; Dat eiser immers voldeed aan de vereisten opgelegd bij art 65 van de stedebouwwet omdat de niet naleving van de voorwaarden opgelegd in de bouwvergunning dd.28.08.85 niet strijdig is met de voorschriften van de plannen van aanleg bij gebreke aan het bestaan van zulke voorschriften en in geen enkel opzicht de goede plaatselijke ruimtelijke ordening schaadt ; Dat verzoeker tijdens de administratieve procedure heeft aangetoond dat het bekleden van de zijgevel van de woning nr 16, zoals opgelegd in de initiële bouwvergunning, het uitzicht van de omgeving of de plaatselijke ruimtelijke ordening helemaal geen schade toebrengt, vermits ook de zijgevel van de woning nr 18 niet werd bekleed met gevelsteen, zodat een nieuwe bekleding van de zijgevel van de woning nr 16 eerder storend voor de omgeving zou voorkomen; Dat immers het oude en agrarisch karakter van de onmiddellijke omgeving zeer ernstig zou worden gestoord door een onnatuurlijke bekleding ; Dat eens deze voorwaarden voorhanden verzoeker in het raam van de strafprocedure die zonder gevolg werd gerangschikt, overeenkomstig art 65 van de Wet op Stedebouw een regularisatieverzoek kon indienen”. X-10.142-11/14 3.3.1.
  36. De verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : “A. Eerste onderdeel: Verzoeker kan niet ontkennen dat hij nooit een volledige aanvraag heeft ingediend. (In feite geeft hij dit toe, door te stellen dat alle gegevens in zijn eerdere dossiers kunnen teruggevonden worden.) Mocht verzoeker wel een geldige aanvraag hebben ingediend, dan zou hij hiervan een ontvangstbewijs kunnen voorleggen. ‘De vergunningsprocedure vangt aan met het indienen van de aanvraag. De inhoud van de bouw- en verkavelingsaanvragen is in detail bepaald in de M.B.’s samenstelling dossier bouwaanvraag resp. samenstelling dossier verkavelingsaanvraag.’ (...) Zonder geldige aanvraag kon een vergunningsprocedure dus nooit aanvangen. Daar waar nooit een vergunningsprocedure gestart werd, is ook geen beroep mogelijk tegen beslissingen die zouden genomen zijn in de loop van deze -niet gestarte- procedure. B. Tweede onderdeel: Het feit dat een aanvraag mogelijkerwijze niet strijdig is met de bestaande plannen van aanleg en met de goede ruimtelijke ordening (wat klaarblijkelijk al niet de stelling van de gemeente is), houdt eerst en vooral geen subjectief recht op het verkrijgen van een bouwvergunning in en betekent daarenboven geenszins dat de overige procedurevoorschriften -zoals het indienen van een geldig dossier- niet meer zouden moeten gevolgd worden”. 3.3.1.
  37. In zijn memorie van wederantwoord voegt de verzoeker niets aan het middel toe. 3.3.
  38. Onderzoek van het middel 3.3.2.
  39. Artikel 65, § 3 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw (hierna : steden- bouwwet), zoals dit gold op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit, luidt als volgt : “Bestaat het misdrijf niet in het uitvoeren van werken of het verrichten van handelingen in strijd met de voorschriften van de plannen van aanleg, van de ter uitvoering van deze wet vastgestelde verordeningen of van een verkavelingsvergunning, en komen die werken en handelingen, met het oog op de goede plaatselijke ruimtelijke ordening, in aanmerking voor afgifte van de vereiste vergunning, dan kan de Minister of de gemachtigde ambtenaar, in overleg met het college van burgemeester en schepenen een vergelijk treffen met de overtreder, mits deze binnen de termijn die hij opgeeft een geldsom betaalt, gelijk aan het dubbel van het bedrag der bouwbelasting, die niettemin aan de gemeente verschuldigd blijft. De Koning bepaalt de te betalen geldsommen per categorie van werken en handelingen die van de bouwbelasting zijn vrijgesteld. X-10.142-12/14 De betaling geschiedt in handen van de ontvanger der registratie, op een speciale rekening van de door de Minister beheerde begroting. De publieke vordering en het recht van de overheid om enig verder herstel te eisen, vervallen door de betaling”. 3.3.2.
  40. Het middel gaat in zijn beide onderdelen uit van de foutieve veronderstelling dat artikel 65, § 3 van de stedenbouwwet, dat aan de minister of de gemachtigde ambtenaar, in overleg met het college van burgemeester en schepenen, de mogelijkheid biedt om met de overtreder een vergelijk te treffen, zodat de publieke vordering en het recht van de overheid om herstelmaatregelen te vorderen, vervallen, tevens een rechtsgrond biedt om een regularisatieaanvraag in te dienen en de randvoorwaarden bevat om een regularisatievergunning te verkrijgen. Dat de verzoeker mogelijk voldeed aan de wettelijke voorwaarden om op grond van de voormelde bepaling met de bevoegde overheden een vergelijk te treffen, doet niets af aan de vereiste om een volwaardige vergunningsaanvraag in te dienen teneinde een regularisatievergunning te bekomen. 3.3.2.
  41. Het middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  42. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  43. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. X-10.142-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.142-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.122 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.