← België

Arrest 186123 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.123 Rolnummer: A. 101560/X-10197 Zaak: Arrest 186123 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-19 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.123 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.123 van 9 september 2008 in de zaak A. 101.560/X-10.

  1. In zake : Paul DE BRUECKER, die woonplaats kiest bij advocaat J. VERMASSEN, kantoor houdende te 9340 LEDE, Kasteeldreef 48 tegen :
  2. de stad AALST,
  3. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
  4. tussenkomende partij : de n.v. JAN DE NUL, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan
  5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Paul DE BRUECKER op 12 maart 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 oktober 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad AALST waarbij aan de n.v. JAN DE NUL de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het slopen en heropbouwen van 2 loodsen en het oprichten van een nieuwe loods op een terrein gelegen te Aalst, Tragel 23, kadastraal bekend sectie B, nr. 523/r; Gelet op het arrest nr. 94.094 van 19 maart 2001 waarbij de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen; Gezien het verzoekschrift tot voortzetting, op 19 april 2001 ingediend door de verzoekende partij; X-10.197-1/18 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 mei 2001 ingediend door de n.v. JAN DE NUL; Gelet op de beschikking van 6 juni 2001 die de tussenkomst van de n.v. JAN DE NUL toelaat; Gezien de memorie van antwoord van de eerste verwerende partij en de memorie van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partij, van de eerste verwerende partij en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 1 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. PEYNSAERT, die loco advocaat J. VERMASSEN verschijnt voor de verzoekende partij, van bestuurssecretaris H. VAN DE PERRE, die verschijnt voor de eerste verwerende partij, van advocaat V. TOLLENAERE, die verschijnt voor de tweede verwerende partij, en van advocaat J. BOSQUET, die loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-10.197-2/18 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  6. De rechtspleging 1.
  7. De memorie van antwoord van de tweede verwerende partij werd buiten de voorgeschreven termijn van zestig dagen ingediend. Dienvolgens moet deze memorie uit de debatten worden geweerd. 1.
  8. De “memorie van toelichting” die de verzoeker, in antwoord op de door de tussenkomende partij ingediende toelichtende memorie, heeft ingediend, is een niet in het procedurereglement voorzien stuk en dient eveneens uit de debatten te worden geweerd.
  9. De feiten 2.
  10. Het kwestieus terrein is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 mei 1978 vastgestelde gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem gelegen in industriegebied. Het terrein is niet gelegen binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling, noch binnen die van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg of een gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. 2.
  11. Op 22 juni 2000 dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het slopen en heroprichten van 2 loodsen en het oprichten van een nieuwe loods. Het project voorziet in het slopen van 3.313 m² gebouwen, dit zijn twee industriële loodsen (de blokken P & O) en het oprichten van 4.744 m² gebouwen, namelijk het herbouwen van de twee te slopen loodsen en de nieuwbouw van een aanpalende (aan blok O) nieuwe industriële loods (blok O1). De bouwhoogte van de loodsen is tot 12,60 m. 2.
  12. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd van 22 juni 2000 tot 21 juli 2000 waarbij geen bezwaren worden ingediend. X-10.197-3/18 2.
  13. Op 28 augustus 2000 maakt het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst het dossier over aan de gemachtigde ambtenaar met een gunstig pre-advies. 2.
  14. Op 2 oktober 2000 brengt de gemachtigde ambtenaar een gunstig advies uit, waarin het volgende wordt besloten : “Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Gelet dat het bestaande gebouw O zich bevindt op de grens van het industriegebied en de bufferzone; Gelet dat die bufferzone zich situeert tussen het industriegebied en het 50 m- woongebied langs de Steenweg op Aalst; Gelet dat de herbouwde gebouwen O en P zich tevens op de grens bevinden van het eigendom; Gelet dat naar aanleiding van het openbaar onderzoek geen bezwaren werden geuit tegen deze inplanting; Gelet dat de nieuwe gebouwen van dezelfde orde van grootte en uitzicht zijn als de bestaande en kaderen in deze industrieel gebouwde omgeving; Algemene conclusie De voorgestelde bedrijfsgebouwen zijn stedenbouwkundig verantwoord in deze specifieke situatie”. 2.
  15. Op 9 oktober 2000 beslist het college van burgemeester en schepenen van de stad Aalst de stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Het college van burgemeester en schepenen motiveert zijn standpunt als volgt : “SLOPEN EN HEROPRICHTEN VAN 2 LOODSEN EN OPRICHTEN VAN EEN NIEUWE LOODS: Gunstig advies. Het goed is overeenkomstig de planologische voorzieningen van het bij K.B. d.d. 30-5-1978 vastgesteld Gewestplan Aalst-Ninove-Geraardsbergen-Zottegem gelegen in een industriegebied waarvoor art. 7.2.
  16. van het koninklijk besluit d.d. 28-12-1972 betreffende de inrichting en toepassing van de ontwerp- gewestplannen en de gewestplannen van toepassing zijn. De industriegebieden zijn bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven. Ze omvatten een bufferzone. Voor zover zulks in verband met de veiligheid en de goede werking van het bedrijf noodzakelijk is, kunnen ze mede de huisvesting van het bewakingspersoneel omvatten. Tevens worden in deze gebieden complementaire dienstverlenende bedrijven ten behoeve van de andere industriële bedrijven toegelaten, namelijk: bankagentschappen, benzinestations, transportbedrijven, collectieve restaurants, opslagplaatsen van goederen bestemd voor nationale of internationale verkoop. Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd B.P.A. Het goed is niet gelegen binnen de grenzen van een goedgekeurd gemeentelijk ruimtelijk uitvoeringsplan. De aanvraag beoogt het herbouwen van twee bestaande loodsen en het oprichten van een nieuwe loods en is aldus in overeenstemming met de hogergenoemde stedenbouwkundige bepalingen. X-10.197-4/18 Overwegende dat er naar aanleiding van het gevoerde openbaar onderzoek geen bezwaarschriften zijn ingediend; overwegende dat het belang van de aanpalende eigenaars niet wordt geschaad; overwegende dat het ontwerp qua functie, vormgeving en materiaalgebruik past in de bebouwde industriële omgeving; overwegende de ruimtelijke draagkracht van het terrein niet wordt overschreden; kan aan het voorstel een gunstig advies verleend worden”. Dit is het bestreden besluit.
  17. De ontvankelijkheid van het beroep 3.
  18. De tussenkomende partij voert in haar verzoekschrift tot tussenkomst de volgende exceptie van onontvankelijkheid van het beroep wegens gebrek aan belang aan : “
  19. Overwegende dat noch verzoeker noch zijn rechtsvoorganger bij de opmaak van het gewestplan een bezwaar heeft ingediend tegen het ontwerp van gewestplan. Dat er geen bezwaar tegen bestond dat een gedeelte van de tuin (+/- 21 meter) zou dienst doen als interne buffer van het industriegebied. Dat er zelfs geen bezwaar bestond tegen het feit dat de achtergevel van zijn woning maar op nauwelijks 1,90 meter ligt van de achterste grens van de woonzone.
  20. Overwegende dat de eigendom van verzoeker zelfs ‘zonevreemd’ is. Dat in dit verband dient verwezen te worden naar het verslag van de landmeter-expert (...): ‘Door de projectie wordt duidelijk dat het perceel 512r2, eigendom van de heer DE BRUECKER Paul, voor een deel in de woonzone en voor een deel in de industriezone is gesitueerd. ... Zo kan worden vastgesteld dat ongeveer +/- 21,3m van het eigendom DE BRUECKER (perceel 512r2) binnen de industriezone is gelegen. De grenslijn van de bestemmingszone loopt dwars door de garage en rakelings (+/- 1,9) achter de achtergevel van de woning. Het bestaande te slopen bedrijfsgebouw op perceel 512 L2, eigendom van de ondernemingen NV JAN DE NUL, is geheel gelegen binnen de industriezone. Het gebouw staat ingeplant op ongeveer 29,8 meter van de grens tussen de industriezone en de woonzone. Blok O en blok O1 worden volgens de bouwplannen ingeplant binnen de industriezone op 29,80 meter van de grens met de woonzone langsheen de Kammenstraat. De woningen op het perceel 512r2, eigendom van de heer Paul DE BRUECKER, en op perceel 512s2 zijn achterliggende bouwkavels (woningen in de tweede bouwzone. Zij liggen weliswaar nog binnen de woonzone. De achtergevel ligt echter slechts op ongeveer 1,9 meter van de achterste grens van de woonzone. X-10.197-5/18 Door het bestuur van de stedebouw worden, voor wat betreft de achterliggende bouwkavels (bouwkavels in tweede zone), reeds meer dan 25 jaar normen gehanteerd omtrent afstand van de woning tot de eigendomsgrenzen (min 10 meter), de breedte van de toegang (min 5 meter) omwille van veiligheid en bereikbaarheid en voor o.a. brandweerwagen en oppervlakte (min. 1000 m²). Bovendien dient enkel het deel van het eigendom gelegen binnen de woonzone in rekening gebracht vermits slechts dit deel als woonfunctie wordt erkend. De achtergevel van een woning in de tweede zone dient op minimum 6 meter van de grens van de woonzone te worden ingeplant zodat het terras of/en koer nog binnen de woonzone komen te liggen en geen bijhorigheden bij de woonfunctie (terras) buiten de woonzone zijn gesitueerd. De woningen op de percelen 512r2 en 512s2 voldoen aan geen enkele norm. De woningen liggen aan de rand van het woongebied en de afstand van 6 meter vanaf de achtergevel tot de grens wordt zeker niet behaald (slechts +/- 1,9 m). De voorwaarden voor achterliggende bouwkavels worden evenmin gerespecteerd. Zo bedraagt de toegang slechts 3 meter per kavel i.p.v. minimum 5 meter, de minimumafstand tot de eigendomsgrenzen van minimum 10 meter wordt verre van behaald en de oppervlakte van het kavel binnen de woonzone is amper 375 m² voor perceel 512r2 i.p.v. 1.000 m². Het is duidelijk dat bij het afbakenen van de bestemmingsgebieden op het gewestplan in 1978 men beide percelen 512r2 en 512s2 niet als stedebouwkundig aanvaardbare bouwkavels beoordeelde. Om reden dat beide achterliggende woningen zowel qua zonering als aanleg niet voldoen aan de gestelde eisen van goede ruimtelijke ordening kan hun bestaan enkel nog worden gedoogd. Behalve onderhouds- en herstellingswerken is het bekomen van een stedebouwkundige vergunning voor uitbreiding en/of verbouwing eigenlijk niet mogelijk. Op basis van het gewestplan, vastgesteld in 1978, kunnen woningen op de percelen 512r2 en 512s2 bijgevolg geen factor spelen bij de ordening van de aangrenzende industriezone. (...)
  21. Dat verzoeker dan ook niet beschikt over het rechtens vereiste wettige belang om een vordering tot vernietiging in te dienen”. 3.
  22. In de toelichtende memorie betoogt de tussenkomende partij dat er een minnelijke regeling is tussengekomen zodat de zaak zonder voorwerp is geworden en de verzoeker dan ook geen belang meer heeft. De minnelijke regeling zou erin bestaan dat er een 5 meter brede buffer wordt voorzien langs de zijde van de Kammenstraat, met beplantingsverplichting. De tussenkomende partij brengt stukken voor die zij betitelt als een voorstel tot minnelijke regeling, een onvoorwaardelijk akkoord en een notariële akte van 3 augustus 2001 “waarbij uitvoering werd gegeven aan het akkoord, met name door de vestiging (van) een notarieel bekrachtigd zakelijk recht bij wijze van erfdienstbaarheid”. 3.
  23. In haar laatste memorie betoogt de tussenkomende partij nog wat volgt : X-10.197-6/18 “Overwegende dat tussenkomende partij in haar toelichtende memorie reeds heeft gewezen op het feit dat er ondertussen een minnelijke regeling is tot stand gekomen waardoor verzoekster haar belang bij voorliggende vordering verliest; dat met name in tussentijd werd overeengekomen dat werd voorzien in een 5 meter brede buffer langs de zijde van de Kammenstraat met een beplantingsverplichting via een notarieel bekrachtigd zakelijk recht dat werd gevestigd bij een notariële akte van 3 augustus 2001; Dat tussenkomende partij bij haar toelichtende memorie ter zake tevens een kopie heeft gevoegd van: - Het desbetreffende voorstel tot minnelijke regeling dd. 16 maart 2001; - Het onvoorwaardelijke akkoord met dit voorstel; - De notariële akte dd. 3 augustus 2001 waarbij uitvoering werd gegeven aan het akkoord, met name door de vestiging van een notarieel bekrachtigd zakelijk recht bij wijze van erfdienstbaarheid. Welnu, het is zonneklaar dat uit voormelde drie stukken blijkt dat er een allesomvattende principiële overeenstemming bestaat tussen verzoekende partij en tussenkomende partij omtrent de oprichting van een buffer in de zin van de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw zolang dit planologisch vereist is, waardoor het perceel van verzoeker op voldoende wijze wordt afgeschermd van de bouwwerken die worden vergund op grond van de in casu bestreden vergunningsbeslissing; Overwegende dat verzoekende partij immers op 16 maart 2001 een precies voorstel tot minnelijke regeling heeft gericht aan tussenkomende partij; met name: ‘Een 5 meter brede buffer langs de zijde van de Kammenstraat met beplantingsverplichting, via een notarieel bekrachtigd zakelijk recht. Hoogte van het bouwwerk zou alsdan gelijk kunnen blijven’ Overwegende dat tussenkomende partij zich met een officieel schrijven van 23 mei 2001 onvoorwaardelijk akkoord heeft verklaard met dit voorstel; Dat er zodoende op dat ogenblik een wilsovereenstemming bestond tussen beide partijen omtrent het voorwerp van de minnelijke schikking, waardoor de dadingsovereenkomst bijgevolg ontegensprekelijk tot stand gekomen is; Dat tussenkomende partij haar engagement omtrent deze dading vervolgens heeft veruitwendigd en verankerd in een notariële akte waarbij door middel van een erfdienstbaarheid wordt verzekerd dat er een groenscherm met een breedte van 5 meter wordt gerealiseerd langs de Kammenstraat die dienst zal doen als een bufferzone in de zin van de wetgeving op de ruimtelijke ordening en de stedenbouw zolang dit planologisch vereist is; Dat de Raad van State zodoende van deze dading enkel akte kan nemen; dat de Raad van State geenszins bevoegd is om een nadere inhoudelijke kwalificatie te geven aan de juridische draagwijdte van deze dadingsovereenkomst, op straffe van een manifeste bevoegdheidsoverschrijding; Dat de beschouwing van het Auditoraat dat op grond van voormelde stukken niet zou vaststaan wat de aard en de hoogte van de beplanting is, wat de lengte van de buffer is alsook de termijn van de oplossing (30 jaar-eeuwigdurend), stuk voor stuk elementen zijn die ontsnappen aan de beoordelingsbevoegdheid van de Raad van State, precies omdat deze elementen slaan op de precieze draagwijdte van een ‘overeenkomst’, waarover enkel de burgerlijke rechter kan oordelen; Dat zelfs in de mate dat Uw Raad zich toch bevoegd zou achten om deze elementen nader te onderzoeken, op straffe van een manifeste bevoegdheidsoverschrijding, in ieder geval dient vastgesteld te worden dat het Auditoraat ter zake een volkomen onjuiste feitelijke beoordeling maakt en kennelijk geen acht slaat op de stukken die tussenkomende partij in verband X-10.197-7/18 met deze dading reeds heeft overgemaakt aan de Raad van State en het Auditoraat op 22 oktober 2001 (...) ; Op 22 oktober 2001 heeft tussenkomende partij immers een aangetekende brief gestuurd naar verzoekende partij die gaat als volgt: Geachte heer De Bruecker, Wij ontvingen in goede orde uw schrijven van 5 oktober jongstleden alsmede kopie van de memorie van toelichting die U zou ingediend hebben bij de griffie van de Raad van State. Aangezien wij evenmin nog enige reactie ontvangen vanwege uw raadsman en U ons rechtstreeks aanschrijft, zien wij ons genoodzaakt om U ook rechtstreeks te antwoorden. Wij verwijzen naar de toelichtende memorie met bijlagen die wij op 13 augustus 2001 ter griffie van de Raad van State hebben ingediend. Tevens verwijzen wij naar de betekening bij exploot van de gerechtsdeurwaarder waarbij wij U de documenten hebben genotificeerd die het akkoord bevatten. Wij zijn zo vrij er uw aandacht op te vestigen dat het akkoord vanzelfsprekend wel bestaat met toepassing van artikel 32.5 van de deontologische regelen en het huishoudelijk reglement van de Nederlandse Orde van Advocaten bij de balie te Brussel, op grond waarvan een zelfs vertrouwelijk namens een partij gedane mededeling zijn vertrouwelijk karakter verliest zodat ze zonder toelating van de Stafhouder mag gebruikt worden, wanneer deze mededeling bepaalde voorstellen omvat die onvoorwaardelijk namens de andere partij worden aangenomen. Voormeld artikel 32.5 is de overname van het reglement van de nationale orde van 6 juni 1970 zoals later opeenvolgend gewijzigd. Welnu, ingevolge het onvoorwaardelijk akkoord d.d. 23 mei 2001 met het voorstel d.d. 16 maart 2001 is het akkoord tot stand gekomen. Op geen enkel moment werd in het schrijven d.d. 16 maart 2001 meegedeeld dat het voorstel niet gedekt was door Uzelf. Mocht het voorstel niet gedekt geweest zijn door Uzelf, dan had daarvan uitdrukkelijk melding dienen gemaakt te worden zoals voorgeschreven in de aanbeveling van de Raad van de Orde van juni 1976 in verband met briefwisseling tussen advocaten terzake van dadingen. Integendeel : in het schrijven van 16 maart 2001 werd zonder enig voorbehoud meegedeeld dat U bereid was de zaak minnelijk op te lossen op basis van het advies van de dienst ruimtelijke ordening van de stad Aalst, met name een vijf meter brede buffer langs de zijde van de Kammenstraat met beplantingsverplichting via een notarieel bekrachtigd zakelijk recht. De hoogte van het bouwwerk zou gelijk blijven. Aan de dading werd overigens reeds uitvoering gegeven in de eerste plaats ingevolge het verlijden van een notariële akte d.d. 3 augustus 2001 die eveneens officieel ter kennis werd gebracht aan uw toenmalige raadsman d.d. 9 augustus
  24. Uit uw schrijven van 5 oktober jongstleden leiden wij af dat U het akkoord, ten onrechte, in twijfel trekt. Deze twijfel is in strijd met de hiervoren aangehaalde documenten. Bovendien heeft uw zienswijze niets met het gesloten akkoord te maken, doch hoogstens met de communicatie met uw raadsman. Het zal U niet onbekend zijn dat diegene die het niet eens schijnt te zijn met proceshandelingen gesteld door zijn raadsman, de daartoe voorziene procedure dient te volgen, hetgeen evenwel veronderstelt dat uw toenmalige raadsman buiten zijn mandaat is opgetreden. Is dit laatste het geval, dan zult U zich dienen te wenden tot de Stafhouder van uw toenmalige raadsman, alvorens de geëigende procedure die voorzien is te volgen. X-10.197-8/18 Tot nader bericht kan aan het akkoord niet getornd worden en cliënte heeft bevestigd dat zij de minnelijke regeling voorzeker conform wenst uit te voeren. Evenwel, wij noteren uit de laatste paragraaf van uw schrijven van 5 oktober jongstleden dat U de onmiddellijke uitvoering van het groenscherm niet toegenegen is en als overhaast beschouwt. Cliënte is bereid volgens uw uitdrukkelijk verzoek en in het kader van de goede nabuurschap de aanplanting van het groenscherm tot het einde van het lopende plantseizoen d.i. uiterlijk tot half februari 2002 op te schorten. Ondertussen kan U een nieuwe raadsman aanstellen die zich met ons in verbinding kan stellen en waardoor minstens de procedurele verhouding tussen partijen geregulariseerd en uitgeklaard kan worden. Evenwel, U zal willen noteren dat de opschorting van de aanplantingswerkzaamheden gebeurt zonder nadelige erkenning wat de geldigheid van het akkoord betreft en onder voorbehoud van alle rechten om de verbintenissen uit hoofde van die minnelijke regeling uit te voeren. U zal dan ook noteren dat cliënte de uitvoering van de aanplantingswerken thans plant einde februari, uiterlijk begin maart
  25. Nadat reeds op 5 oktober 2001 betekening per exploot van de gerechtsdeurwaarder (...) is gebeurd van:
  26. een voorstel tot minnelijk akkoord gedateerd 16 maart 2001;
  27. een onvoorwaardelijk akkoord bevestigd op 23 mei 2001;
  28. een notariële akte dd. 3 augustus 2001 houdende vestiging van een zakelijk recht bij wijze van erfdienstbaarheid voor de aanleg van de gevraagde groenbuffer;
  29. een officiële kennisgeving van 9 augustus 2001 van de notariële akte aan de raadsman van de verzoekende partij;
  30. toelichtende memorie ingediend onder aangetekende zending op 13 augustus 2001 met vermelding van het akkoord en voeging van de daarop betrekking hebbende documenten Dat, in tegenstelling tot wat het Auditoraat beweert, de lengte van buffer en de termijn van de oplossing immers wél duidelijk vaststaan: - dat de buffer een lengte heeft die overeenstemt met de ‘lengte van het perceel’ dat duidelijk genoemd wordt in de notariële akte (...); - dat de oplossing blijft gelden zolang dit ‘planologisch vereist’ is (...); Dat wat de aard en de hoogte van het groen betreft, dient vastgesteld te worden dat niemand minder dan verzoekende partij zelf deze elementen als dermate ondergeschikt beschouwd heeft dat hieromtrent zelfs geen uitdrukkelijk voorafgaand schriftelijk akkoord behoefde te bestaan om tot dading over te gaan (...); Welnu, uiteraard kan het Auditoraat niet naderhand, in de plaats van de procespartijen, gaan beweren dat er geen minnelijk akkoord omtrent het geschil zou bestaan, op grond van de vaststelling dat er enkel geen uitdrukkelijk akkoord bestaat omtrent die elementen die door de procespartijen eerder reeds als irrelevant werden beschouwd om te komen tot een minnelijke regeling omtrent het geschil; Dat zodoende vaststaat dat er een minnelijke oplossing bestaat waarvan Uw Raad enkel ‘akte kan nemen’; Uit de ‘memorie van toelichting’ blijkt overigens overduidelijk dat verzoekende partij probeert terug te komen op een akkoord dat middels zijn toenmalige raadsman tot stand gekomen is; Welnu, een procespartij kan niet op een akte terugkomen dan middels de procedure ontkentenis van een proceshandeling; Het Auditoraat gaat hieraan volledig voorbij en het komt het Auditoraat niet toe in de plaats van de verzoekende partij deze procesakte (namelijk het akkoord) te betwisten; X-10.197-9/18 Dat de procedure ontkentenis van een proceshandeling weliswaar geregeld is in artikel 848 van het Gerechtelijk Wetboek, doch krachtens artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek zijn de regels van dit wetboek van toepassing op alle rechtsplegingen behoudens wanneer deze geregeld worden door niet uitdrukkelijk opgeheven wetsbepalingen of door rechtsbeginselen, waarvan de toepassing niet verenigbaar is met de toepassing van de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek; Dat het Arbitragehof reeds gesteld heeft dat er geen principiële bezwaren bestaan tegen de toepassing van artikel 2 in het administratief contentieux (...); Dat ook Uw Raad heeft geoordeeld dat het mogelijk is de regels uit het Gerechtelijk Wetboek toe te passen in een administratiefrechtelijke procedure, wanneer deze bepaalde lacunes vertoont, op voorwaarde dat dit te verzoenen is met de autonomie van de procedure, meer bepaald het inquisitoriaal karakter ervan (...); In de mate dat Uw Raad van oordeel zou zijn dat artikel 848 Gerechtelijk Wetboek, in samenlezing met artikel 2 van het Gerechtelijk Wetboek, in casu niet van toepassing zou zijn, verzoekt tussenkomende partij Uw Raad om in ieder geval volgende prejudiciële vraag te stellen aan het Arbitragehof omdat in dat geval tussenkomende partij een proceswaarborg wordt onthouden tegen een procespartij die een procesakte ontkent: ‘Is het verenigbaar met de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat een tussenkomende partij in een procedure voor de Raad van State niet zou mogen verwijzen naar de procedureregeling inzake ontkentenis van proceshandelingen (artikel 848 en volgende Ger.W.) wanneer een verzoekende partij een procesakte, in casu een dading, wenst te betwisten wegens gebrek aan mandaat in hoofde van de toenmalige procesvertegenwoordiger, terwijl deze proceswaarborg wel bestaat voor de Hoven en de Rechtbanken?’ Overwegende dat Uw Raad verplicht is om deze prejudiciële vraag te stellen op grond van artikel 26 §2, eerste lid van de Bijzondere Wet Arbitragehof) (...); Dat voorliggende vraag nog niet gesteld is aan het Arbitragehof, doch de relevantie ervan hierboven is aangetoond op grond van wél gekende principiële rechtspraak van het Arbitragehof; Dat het antwoord op voorliggende vraag daarenboven onontbeerlijk is om uitspraak te doen in deze zaak, precies omdat tussenkomende partij een exceptie van onontvankelijkheid bij gebrek aan belang opwerpt op grond van stukken waarvan verzoekende partij nu het bindend karakter ontkent. Dat tussenkomende partij bovendien hierna bij de uiteenzetting van de weerlegging van het tweede en derde middel zal toelichten waarom verzoekende partij geen actueel belang meer heeft bij deze middelen ingevolge de inmiddels afgesloten dadingsovereenkomst inzake voorliggend geschil”. 3.4.
  31. De verzoeker woont in de onmiddellijke nabijheid van het bouwperceel en doet hierdoor alleen reeds blijken van een voldoende belang om de vernietiging te vorderen van een stedenbouwkundige vergunning die naar zijn mening met schending van de wet is verleend. De omstandigheid dat een deel van zijn eigendom door het toepasselijke gewestplan tot industriezone is bestemd, vermag aan dit belang geen afbreuk te doen. Dat de verzoeker tijdens het openbaar onderzoek over dit gewestplan geen bezwaar heeft ingediend, vermag hem evenmin zijn belang bij het ingestelde annulatieberoep te ontnemen. X-10.197-10/18 3.4.
  32. Uit het schrijven van 16 maart 2001 van de voormalige raadsman van de verzoeker mag enkel blijken dat de verzoeker bereid was de zaak minnelijk op te lossen op basis van het advies van de dienst ruimtelijke ordening van de stad Aalst, zijnde de aanleg van een 5 meter brede buffer langs de zijde van de Kammenstraat met beplantingsverplichting, via een notarieel bekrachtigd zakelijk recht, en dat hij ten dien einde op korte termijn een vergadering wenste te beleggen om de modaliteiten nader te bepalen. Een dergelijke vergadering blijkt niet te hebben plaatsgehad, zodat het betoog van de tussenkomende partij dat een “precies voorstel tot minnelijke regeling” voorlag, niet kan worden aangenomen. Aangezien het schrijven van 16 maart 2001 geen precies voorstel tot minnelijke regeling inhield, kan evenmin worden aangenomen dat het antwoordschrijven van 23 mei 2001 van de raadslieden van de tussenkomende partij, waarbij deze “officieel mededelen onvoorwaardelijk akkoord te gaan met het voorstel”, een minnelijk akkoord heeft tot stand gebracht, op grond waarvan de verzoeker moet worden geacht van zijn annulatieberoep afstand te hebben gedaan en zijn belang bij het annulatieberoep te hebben verloren. Bij afwezigheid van een minnelijk akkoord, kan de afstand van het beroep of het gebrek aan belang evenmin worden afgeleid uit de, in afwezigheid van de verzoeker, verleden notariële akte van 3 augustus 2001, waarmee volgens de tussenkomende partij aan dit “akkoord” uitvoering zou zijn gegeven. 3.4.
  33. De Raad van State is bevoegd om de voorgaande elementen, die betrekking hebben op het bestaan van het belang bij het annulatieberoep en de wil van de verzoeker om afstand te doen van zijn beroep, te beoordelen. 3.4.
  34. De tussenkomende partij betoogt in haar laatste memorie dat wanneer de verzoeker in zijn toelichtende memorie de dading als procesakte betwist op grond van een gebrek aan mandaat in hoofde van zijn voormalige raadsman, hij dit doet met schending van artikel 848 van het Gerechtelijk Wetboek. De tussenkomende partij verzoekt de Raad van State om de volgende prejudiciële vraag aan het Grondwettelijk Hof te stellen : “Is het verenigbaar met de grondwettelijke regels van de gelijkheid en de niet-discriminatie in de zin van de artikelen 10 en 11 van de Grondwet dat een tussenkomende partij in een procedure voor de Raad van State niet zou mogen verwijzen naar de procedureregeling inzake ontkentenis van proceshandelingen (artikel 848 en volgende Ger.W.) wanneer een verzoekende partij een procesakte, in casu een dading, wenst te betwisten wegens gebrek aan mandaat in hoofde van de toenmalige procesvertegenwoordiger, terwijl deze proceswaarborg wel bestaat voor de Hoven en de Rechtbanken ?”. X-10.197-11/18 Gelet op de afwezigheid van een minnelijk akkoord, zoals onder het randnummer 3.4.2 werd uiteengezet, mist het betoog van de tussenkomende partij met betrekking tot de betwisting van dit akkoord als procesakte en de schending van artikel 848 van het Gerechtelijk Wetboek, alsook de daarop betrekking hebbende prejudiciële vraag, relevantie. De prejudiciële vraag moet niet worden gesteld. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  35. De gegrondheid van het beroep - Tweede middel 4.
  36. In een tweede middel voert de verzoeker de schending aan van artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen : “Doordat met de aangevochten akte een bouwvergunning wordt verleend voor een aan de rand van een industriegebied gelegen bouwplaats, zonder dat in de vergunning in een bufferzone, in de zin van voormeld artikel 7, 2.
  37. wordt voorzien, Terwijl industriegebieden een bufferzone behoren te omvatten, waarvan de omvang en inrichting dient te worden gespecificeerd in de individuele vergunningsakten die voor het industriegebied worden verleend. Toelichting: In het voorgaande middel werd de afwezigheid van een bestemmingsgebied ‘bufferzone’ op het gewestplan aangeklaagd. In onderhavig middel wordt aangeklaagd dat in de bouwvergunning zelf geen bepaling is opgenomen waarbij de tot het industriegebied behorende bufferzone nader wordt uitgewerkt. Overeenkomstig artikel 7, 2.0 van het K.B. van 28 december 1972 bevatten de industriegebieden inderdaad een bufferzone. De breedte en aanleg dient te worden bepaald in de vergunningen die voor de randpercelen worden toegestaan. Vergunningen die de vereiste bufferzone niet opleggen of een te kleine bufferzone voorschrijven zijn onwettig (...). De verzoeker stelt vast dat in de aangevochten bouwvergunning niets wordt bepaald omtrent zo’n bufferzone, laat staan dat de breedte en aanleg ervan worden gespecificeerd. Wel kon de verzoeker bij inzage van het administratief dossier vaststellen dat de dienst ruimtelijke ordening van de stad Aalst adviseerde om langs de zijde van de Kammenstraat over de ganse lengte van de perceelgrens een 5 meter brede buffer op te leggen, met een 3 rijen brede aanplanting van inheemse struiken en hoogstambomen. Dat advies wordt kennelijk niet gevolgd. Een gelijkluidende voorwaarde is alleszins niet in de vergunning terug te vinden. En ware voormeld advies gevolgd, moet worden opgemerkt dat een amper 5 meter brede bufferzone kennelijk ontoereikend zou zijn. In de administratieve toelichting bij het K.B. van 28 december 1972 wordt inderdaad voorgesteld om bufferzones van minimaal 15 meter breedte vast te stellen, te verdubbelen bij X-10.197-12/18 aanpalende woongebieden. Er zijn geen redenen om ten aanzien van de verzoeker op discriminerende wijze af te wijken van zo’n beleidslijn”. 4.
  38. De eerste verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord als volgt : “De door het College van Burgemeester vergunde loodsen zullen worden ingeplant in het industriegebied maar niet op de grens met een woongebied zoals door verzoeker wordt vooropgesteld. Het is blijkbaar de bedoeling van verzoeker om een verkeerde voorstelling van de feiten te brengen door in niets gewag te maken van het feit dat zijn eigendom is gelegen in het industriegebied. Uit de plannen en het gewestplan blijkt duidelijk dat de woning van verzoeker is ingeplant buiten het woongebied. Verzoeker stelt steeds dat de thans vergunde loodsen worden ingeplant hetzij palend aan het woongebied hetzij op 10 meter afstand van het woongebied. Er zou geen sprake zijn van een bufferzone. Ten opzichte van de andere woningen in de Kammenstraat ligt de woning van verzoeker op de tweede bouwlijn en niet binnen de 50 meterstrook van het woongebied. Inderdaad werd door de dienst Planning van de stad Aalst voorgesteld om een groenstrook van 5 meter aan te leggen doch hiermee werd geen rekening gehouden door de dienst Ruimtelijke Ordening noch door de gemachtigde Ambtenaar en dit om reden van het feit dat een gedeelte van de gebouwen van verzoeker en de volledige tuin zonevreemd zijn ingeplant”. 4.
  39. De tussenkomende partij betoogt in haar verzoekschrift tot tussenkomst het volgende : “Dat verzoeker verder volkomen ten onrechte beweert dat de stedenbouwkundige vergunning in strijd zou zijn met artikel 7.2.
  40. van het K.B. van 28 december
  41. Meer bepaald: Doordat met de aangevochten akte een bouwvergunning wordt verleend voor een aan de rand van het industriegebied gelegen bouwplaats, zonder dat in de vergunning in een bufferzone, in de zin van voormeld artikel 7,2.
  42. wordt voorzien, (...) Terwijl industriegebieden een bufferzone horen te omvatten, waarvan de omvang en inrichting dient te worden gespecificieerd in de individuele vergunningsakten die voor het industriegebied worden verleend. Dat verzoeker op grond van artikel 7, 2.
  43. van het Inrichtingsbesluit met betrekking tot de bufferzone meent dat de breedte en aanleg dient te worden bepaald in vergunningen die voor de randpercelen zijn toegestaan. Vergunningen die de vereiste bufferzone niet opleggen zijn onwettig. Dat verzoeker aldus meent dat krachtens artikel 7,2.
  44. in de kwestieuze vergunning een bufferstrook moest zijn voorzien, daar het in casu om een randperceel zou gaan. Dat verzoeker in casu evenwel foutief abstractie maakt van de juiste reële situatie. Dat het perceel in kwestie van de NV Jan De Nul hoegenaamd niet de rand van het industriegebied uitmaakt. Dat de rand van het industriegebied gelegen is in de tuin van verzoeker! Dat uit de deskundige nota (...) ontegensprekelijk blijkt dat de tuin van verzoeker ongeveer 21.3 meter is gelegen binnen de industriezone. X-10.197-13/18 Dat er tussen de tuin van verzoeker en de NV De Nul bovendien nog eens een strook ligt die de toegangsweg vormt tot de percelen van de NV De Somer. Dat met andere woorden het kwestieuze gebouw wordt ingeplant op ongeveer 29,8 meter van de grens tussen de industriezone en de woonzone. Dat er aldus in casu een wetsconforme buffer voor het industriegebied bestaat, met name de hoger genoemde toegangsweg tesamen met dat deel van de eigendom van verzoeker dat is gelegen binnen het industriegebied. Dat de vergunningverlenende overheid in casu dan ook in het geheel niet gehouden was om ook maar in enige mate een buffer te voorzien in de vergunning in kwestie, aangezien het industriegebied in casu reeds beschikt over een buffer van om en bij de 30 meter, conform de vooropgestelde breedte van de overigens niet bindende circulaire in dit verband en dus ook conform de breedte waarnaar verzoeker verwijst. Dat verzoeker nu dan ook niet kan beweren dat in de vergunning van verzoeker een buffer diende geïncorporeerd te worden opdat een interne buffer tussen het industriegebied en het woongebied zou zijn gevrijwaard. Verzoeker heeft bijgevolg geen enkel wettig belang bij het middel. Het gebrek aan belang klemt des te meer daar verzoeker (of zijn rechtsvoorganger) destijds verzuimd heeft bezwaar aan te tekenen in het openbaar onderzoek bij de totstandkoming van het oorspronkelijke gewestplan, met name in zoverre haar eigendom met een aanzienlijk gedeelte gelegen is in een industriegebied en in zoverre haar woning werkelijk volledig aanleunt tegen dat industriegebied”. 4.
  45. De verzoeker dupliceert in zijn memorie van wederantwoord als volgt : “De verwerende partijen trachten voor te houden dat het betrokken perceel geen ‘randperceel’ is, waar in een bufferzone in de zin van artikel 7.2.
  46. van het K.B. van 28 december 1972 dient te worden voorzien. Een blik op het kadastraal plan dat het Vlaams Gewest mededeelde, toont duidelijk aan dat dit verweer onzinnig is. De nieuwe loods O1 komt op circa 10 meter van de grens met verzoekers eigendom. In de aangevochten vergunning wordt evenwel met geen woord gerept over enige bufferzone, laat staan dat de inrichting van deze zone wordt gespecificeerd, en dit ondanks het feit dat de dienst ruimtelijke ordening van de Stad Aalst zo’n bepaling wél adviseerde. Dat er een ‘interne’ buffer zou bestaan, m.n. de tuin van verzoeker zelf, is uiteraard geen ernstig verweer. Uit geen enkel stuk van het administratief dossier blijkt trouwens dat de overheid van dergelijke overweging uitging om geen nadere regeling van een bufferzone vast te stellen. Het middel is dan ook gegrond”. 4.
  47. De eerste verwerende partij herhaalt in haar laatste memorie wat zij reeds in haar memorie van antwoord heeft gesteld. 4.
  48. De tussenkomende partij betoogt in haar laatste memorie nog wat volgt : X-10.197-14/18 “Overwegende dat het Auditoraat van oordeel is dat artikel 7 van het Inrichtingsbesluit van 28 december 1972 in casu zou zijn geschonden omdat er in de bestreden beslissing geen afdoende motivering zou bestaan omtrent het al dan niet bestaan van een bufferzone tussen het perceel van verzoekende partij en het perceel waarop de werken werden uitgevoerd; Dat in eerste instantie dient vastgesteld te worden dat artikel 7 van het Inrichtingsbesluit geen materiële of formele motiveringsverplichting oplegt voor de beoordeling van stedenbouwkundige vergunningsaanvragen in industriegebieden; Artikel 7 bepaalt immers enkel dat industriegebieden een buffer dienen te omvatten; Welnu, er bestaat in casu een buffer tussen het perceel van verzoekende partij en het perceel waarop de werken zullen worden uitgevoerd; Dat immers uit de technische nota van landmeter expert W. DE LANNOY duidelijk blijkt dat de tuin van verzoeker ongeveer 21.3 meter is gelegen binnen het industriegebied (...); Dat er tussen de tuin van verzoeker en de NV DE NUL daarenboven nog eens een strook ligt die de toegangsweg vormt tot de percelen van de NV De SOMER, zodat de vergunde gebouwen in feite worden ingeplant op 29,8 meter van de grens tussen de industriezone en de woonzone; Dat precies deze strook van 29,8 meter fungeert als ‘buffer’; Dat deze accurate feitelijke vaststellingen niet worden ontkracht, laat staan tegengesproken door het Auditoraat of verzoeker; Dat in het Auditoraatsverslag overigens volkomen ten onrechte de indruk wordt gewekt dat het bestaan van deze buffer slechts zou kunnen worden aangetoond door middel van ‘gesofisticeerde afdrukken’, nu het bestaan van deze groene buffer reeds duidelijk blijkt uit de luchtfoto die tevens werd gevoegd in het deskundige verslag (...); Dat precies het feit, dat er in casu duidelijk een afdoende feitelijke groene buffer bestond, impliceert dat de vergunningverlenende overheid ter zake geen uitdrukkelijke motivering diende op te nemen in het bestreden besluit; dat wat duidelijk is immers geen omstandige motivering behoeft; Dat daarenboven dient vastgesteld te worden dat het Auditoraat bij de beoordeling van het tweede middel geen motiveringsgebrek kan weerhouden op grond van de algemene motiveringsverplichting zoals bedoeld in de Wet van 29 juli 1991 inzake de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen, aangezien in het tweede middel niet uitdrukkelijk verwezen wordt naar deze motiveringsverplichting; Dat ten slotte dient benadrukt te worden dat nu onbetwistbaar vaststaat dat er in casu in feite een buffer bestaat, verzoeker precies hierdoor sowieso elk belang bij dit middel verliest; eens te meer nu uit de hierboven genoemde stukken inzake de dading blijkt dat het bestaan van deze feitelijke buffer inmiddels nog eens notarieel bekrachtigd werd; Dat immers een vernietiging van voorliggende vergunningsbeslissing op grond van het tweede middel enkel impliceert dat de vergunningverlenende overheid bij de heroverweging enkel ‘uitdrukkelijk’ dient te stellen dat er in casu een groene buffer bestaat, doch dat zulks inhoudelijk niet zal leiden tot een andere beoordeling van de aanvraag in kwestie; Eens te meer de inmiddels afgesloten dadingsovereenkomst getuigt van het feit dat verzoeker zelf van oordeel is dat de kwestieuze werken aanvaardbaar zijn, mits het respecteren van de groene buffer, die nu zelfs notarieel vastligt en onaantastbaar is geworden; Los van de ontstentenis van het rechtens vereist belang bij het annulatieberoep (zie hoger onder II), heeft verzoekende partij al evenmin nog een rechtens vereist belang bij het tweede middel; De exceptie van niet-ontvankelijkheid van het middel is gegrond. X-10.197-15/18 Het tweede middel is niet-ontvankelijk minstens ongegrond”. 4.7.
  49. De verzoeker heeft belang bij zijn middel daar waar het leidt tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing. De omstandigheid dat de verzoeker niet is opgekomen tegen een bouwvergunning van 4 september 1995 voor het oprichten van een opslagruimte op een naburig perceel door de N.V. De Somer, noch de loutere bewering van de tweede verwerende partij dat de verzoeker in de huidige bestaande toestand zou hebben berust, noch het betoog van de tussenkomende partij dat de verzoeker zich niet tegen de totstandkoming van het gewestplan heeft verzet, vermogen aan dit belang afbreuk te doen. Hetzelfde geldt voor het betoog van de tussenkomende partij luidens hetwelk het industriegebied reeds zou beschikken over een buffer van om en bij de 30 meter, conform de vooropgestelde breedte van de niet-bindende omzendbrief, om reden dat de Raad van State deze feitelijk vastgestelde buffer niet als voldoende vermag te beschouwen zonder op de beoordeling van de overheid vooruit te lopen. De excepties zijn niet gegrond. 4.7.
  50. Luidens artikel 7.2.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, zijn de industriegebieden bestemd voor de vestiging van industriële of ambachtelijke bedrijven en omvatten zij een bufferzone. De breedte en de aanleg van deze bufferzone dienen te worden bepaald in de bouwvergunning, verleend voor de randpercelen van het gebied, of bij de goedkeuring van het verkavelingsplan of het aanlegplan van het gebied. De ministeriële omzendbrief van 8 juli 1997 zet met betrekking tot de bufferzone onder meer nader uiteen dat het een strook betreft, binnen het industriegebied, waarvan de breedte en de aanleg afhankelijk is van de oppervlakte en de vorm van het industriegebied zelf, van de aard van de industrieën, van de eigenlijke hinderlijkheid ervan en van de bestemming van de aanpalende gebieden. 4.7.
  51. Het perceel waarvoor de bestreden stedenbouwkundige vergunning is afgegeven, ligt in een gebied dat door het gewestplan Aalst-Ninove- Geraardsbergen-Zottegem bestemd is voor industrie. Dit industriegebied grenst aan een woongebied, waartoe de eigendom van de verzoeker gedeeltelijk behoort. De afstand tussen dit woongebied en de op te richten gebouwen bedraagt ongeveer 30 meter. X-10.197-16/18 4.7.
  52. Het bestreden besluit besteedt geen aandacht aan de exacte ligging van het woongebied waartoe de eigendom van de verzoeker minstens gedeeltelijk behoort en de verhouding ervan tot het aangrenzende industriegebied. Evenmin bevat het enige verwijzing naar een bufferzone, noch enige aanwijzing dat de eerste verwerende partij concreet aandacht heeft besteed aan een bufferzone en deze daadwerkelijk bij de beoordeling van de bouwaanvraag heeft betrokken. Een dergelijke aanwijzing wordt evenmin door enig stuk uit het administratief dossier gereveleerd, terwijl het thans door de eerste verwerende partij voorgehouden betoog dat met het voorstel van de dienst Planning van de stad Aalst om een groenstrook van 5 meter aan te leggen geen rekening werd gehouden om reden van het feit dat een gedeelte van de gebouwen van de verzoeker en de volledige tuin zonevreemd zouden zijn ingeplant, evenmin uit het bestreden besluit of uit het administratief dossier mag blijken. In die omstandigheden is de vaststelling dat er niettemin “in de feiten” een bufferzone van 30 meter bestaat, of dat er inmiddels bij notariële akte van 3 augustus 2001 een groenstrook van 5 meter werd vastgesteld, zonder belang. De Raad van State kan deze feitelijke of bij notariële akte vastgestelde buffer immers niet als voldoende beschouwen zonder, zoals reeds onder randnummer 4.7.1 werd aangegeven, op de beoordeling van de overheid vooruit te lopen. Om dezelfde reden is het betoog van de tussenkomende partij dat het vergunde perceel geen randperceel is, evenmin aanneembaar. De in het middel aangehaalde bepaling is geschonden. Het middel is gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  53. Vernietigd wordt het besluit van 9 oktober 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de stad AALST waarbij aan de n.v. JAN DE NUL de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het slopen en heropbouwen van 2 loodsen en het oprichten van een nieuwe loods op een terrein gelegen te Aalst, Tragel 23, kadastraal bekend sectie B, nr. 523/r. Artikel
  54. X-10.197-17/18 De kosten van de vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 123,95 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.197-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.123 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2001:ARR.94.094 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.