id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.128 Rolnummer: A. 185322/XIV-29852 Zaak: Arrest 186128 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.128 van 9 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.128 van 9 september 2008 in de zaak A. 185.322/XIV-29.
- In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat S. BUYSSE, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 1 oktober 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van het arrest nr. 1482 van 30 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij het arrest nr. 1335 van 23 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen wordt verbeterd; Gelet op de beschikking nr. 1401 van 19 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 2 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 juni 2008; XIV-29.852-1/11 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat S. BUYSSE, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché S. BOTTU, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur M. VAN LIMBERGEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
- Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
- XXX komt op 22 juni 2006 België binnen en vraagt op 26 juni 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
- Deze aanvraag wordt op 16 januari 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
- Verzoekster tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 7 februari 2007 hoger beroep aan bij de (toenmalige) Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (sinds 1 juni 2007 de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen). 1.
- Op de zitting van 10 augustus 2007 wordt verzoekster, bijgestaan door Advocaat K. BLOMME, gehoord. 1.
- Op 23 augustus 2007 beslist de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen bij arrest nr. 1335 dat aan verzoekster de vluchtelingenstatus wordt geweigerd en de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. Deze beslissing luidt als volgt: “(...)
- Over de feitelijke gegevens van de zaak: Verzoekster verklaart dat zij België is binnengekomen op 22 juni 2006 en dat zij zich op 26 juni 2006 vluchteling heeft verklaard. Op 3 juli 2006 heeft de Minister van Binnenlandse Zaken een beslissing tot weigering van verblijf met bevel om het grondgebied te verlaten, genomen. Op 5 juli 2006 heeft verzoekster beroep ingesteld tegen voormelde weigeringsbeslissing bij de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen. XIV-29.852-2/11 Op 4 augustus 2006 heeft de commissaris-generaal beslist dat verder onderzoek noodzakelijk is. Op 16 januari 2007 heeft de commissaris-generaal de beslissing tot weigering van de vluchtelingenstatus en weigering van de subsidiaire beschermingsstatus genomen. Deze beslissing luidt als volgt: A. Feitenrelaas U, volgens uw verklaringen een Russisch staatsburger van Tsjetsjeense origine, verklaarde uw land verlaten te hebben na problemen met de autoriteiten. U bent in 1957 geboren te Kazachstan en na enkele maanden verhuisde u met uw familie naar Tsjetsjenië. In de jaren '70 huwde u met een Tsjetsjeense man, B.A.(…). In 1994 brak de eerste Tsjetsjeense oorlog uit. Uw man ging meestrijden aan de Tsjetsjeense kant nadat hij over wreedheden in enkele dorpen had gehoord. U had huizen in Alkhan-Kala en in de eerste melksofchoze en u en uw kinderen woonden tijdens deze oorlog op beide plaatsen. Op het einde van de eerste oorlog in 1996 werd uw man door zijn vrienden naar huis gebracht. Hij had blijkbaar TBC opgelopen tijdens deze periode en kwam in slechte toestand naar huis. In 1999 brak de tweede Tsjetsjeense oorlog uit. Uw man ging deze keer niet meer vechten. Rond 2000 werd uw schoonzoon, de man van uw dochter K. (…), gedood door een explosie. Hij werd onterecht voorgesteld als rebel. Op 6 juli 2001 overleed uw man thuis te Alkhan-Kala. U kreeg pas een overlijdensakte op 6 maart 2002 na bemiddeling van het dorpshoofd Malika Umasheva die later vermoord werd. Zowel uw huis in Alkhan-Kala als het huis in de eerste melksofchoze werden gedeeltelijk vernield tijdens de oorlog. Uw gezin moest zich opsplitsen: uw oudste zonen en dochters bleven in de eerste melksofchoze wonen en u ging met uw jongste kinderen naar Alkhan-Kala. Op 9 mei 2003 ging uw zoon Ism. (…) samen met andere jongemannen zich verbergen in de buurt van de eerste melksofchoze omdat die dag dronken Russen controles zouden kunnen uitvoeren en omdat hij geen paspoort had. Onder die jongemannen was ook ene S.-A.(…), blijkbaar een rebel. Toen ze een BTR tegenkwamen ontstond er een vuurgevecht waarbij o.a. uw zoon gewond raakte. Een vrouw leende haar auto en de jongens vluchtten weg maar vielen in panne. Iemand bracht uw zoon Ibr.(…), die ook in de melksofchoze verbleef, op de hoogte en hij ging hen ophalen. Daarna doken ze onder. Op 10 mei 2003 hoorde u over het incident en ging u naar de melksofchoze. U bracht daar de nacht door bij uw dochter K. (…) en de volgende dag 's ochtends werden jullie bij uw huis lastig gevallen door Russische militairen die naar uw zonen vroegen. Ze geloofden u niet toen u zei dat uw zonen geen rebellen waren en u werd geslagen. Na hun vertrek besloot u uw minderjarige kinderen onder te brengen bij familie en zelf verbleef u tot uw vertrek bij verschillende familieleden en kennissen in Tsjetsjenië. U zocht informatie over uw zonen. Ongeveer een maand later zag u uw zoon Ibr. (…) terug. Hij leefde ook ondergedoken. Ondertussen hoorde u verhalen van buren en familie dat de Russen nog regelmatig langskwamen om te informeren naar uw zonen. In 2003 werd uw dochter Ch. (…) uitgehuwelijkt. Ook Ibr. (…) huwde en ongeveer in 2004 werd hij door de familie naar het buitenland gestuurd. Sindsdien heeft u geen informatie meer over hem. U bleef ondertussen zoeken naar uw zoon Ism. (…) die met S.A. (…) naar de bergen zou zijn gegaan. Enkele familieleden van S.A. (…) uit de melksofchoze werden meegenomen en verdwenen. Eind 2005, begin 2006 ging uw zoon Islam u zoeken in Alkhan-Kala. Hij werd toen zonder reden door de federalen gedood. U hoorde hier later over toen u in het Shatoydistrict op zoek was naar Ism. (…). In februari 2006 kreeg u ergens in de bergen een foto van uw zoon Ism. (…)l, in gevechtsuitrusting, samen met een andere jongeman. Toen u contact opnam met uw broer zei hij dat het te gevaarlijk was en dat u ook het land moest verlaten. Hij regelde uw vertrek. U verliet het berggebied en op 15 juni 2006 verliet u Grozny met een taxi en na twee dagen zette die u af op een onbekende plaats waar u moest overstappen in een minibus. Rond 20 juni 2006 kwam u aan in België en na enkele dagen diende u op 26 juni 2006 een asielaanvraag in bij de Belgische autoriteiten. Uw vier minderjarige kinderen zouden ondertussen bij familieleden in Tsjetsjenië verblijven. U bent in het bezit van een kopie van uw intern Russisch paspoort, van de overlijdensakte van uw man, de geboorteakte van uw dochter XIV-29.852-3/11 Mar. (…), een kopie van de geboorteakte van uw dochter Mak (…) en twee foto's van Ism. (…). B. Motivering Niettegenstaande de initiële ontvankelijkheidsbeslissing die genomen werd door het Commissariaat-generaal moet in de gegrondheidsfase worden vastgesteld dat er geen geloof meer kan worden gehecht aan uw verklaringen. Vooreerst moet worden opgemerkt dat u tijdens uw opeenvolgende verklaringen (Dienst Vreemdelingenzaken, Commissariaat-generaal dringend beroep, Commissariaat-generaal ten gronde) ongeloofwaardige verklaringen aflegde omtrent uw intern Russisch paspoort en het ontbreken daarvan. U legde in het kader van uw asielaanvraag een kopie van uw intern Russisch paspoort neer. U stelde voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat u uw origineel intern paspoort verloren had in 2003 bij de vernieling van uw huis en dat uw huis vernield werd in de periode 2002-2003 (DVZ, nr.20 & 41). In dringend beroep verklaarde u voor het Commissariaat-generaal dat u denkt dat uw origineel intern paspoort verloren raakte toen uw huis in Alkhan-Kala instortte, iets wat voor 9 mei 2003 gebeurde (CGVS DB, p.7). Toen u geconfronteerd werd met het feit dat uw paspoort volgens de kopie uitgereikt was in september 2003, dus na het incident in mei 2003, verklaarde u dat u niet meer weet waar u uw paspoort verloren was (CGVS DB, p.8). Het is weinig geloofwaardig dat u zich niet meer herinnert wanneer of waar u een belangrijk identiteitsdocument zoals uw intern Russisch paspoort kwijtgeraakt bent. Ook tijdens het gehoor in ten gronde slaagde u er niet in om duidelijkheid te creëren over uw intern Russisch paspoort. U stelde dat het intern Russisch paspoort waarvan u een kopie neerlegde een authentiek paspoort was dat u zelf was gaan afhalen bij de correcte instanties (CGVS TG, p.8). U stelde dat u dit paspoort verloren had, maar u weet niet meer waar of wanneer precies (CGVS TG, p.8). Toen u gevraagd werd waarom u na het verlies van dit paspoort geen nieuw paspoort heeft aangevraagd verklaarde u dat dit onmogelijk was omdat u problemen had en dat uw problemen begonnen op 9 mei 2003 (CGVS TG, p.8-9). Nogmaals werd er op gewezen dat uw paspoort -volgens de kopie die u ervan neerlegde- dateerde van na uw problemen en opnieuw gaf u geen concrete verklaring hiervoor (CGVS TG, p.9). Uit uw opeenvol- gende verklaringen blijkt dat u uw zoon Ism. (…) ging zoeken na mei 2003 tot uw vertrek in 2006 en dat u dit deed zonder een paspoort (DVZ, nr.41; CGVS DB, p.16; CGVS TG, p.8 & 14). Concluderend moet worden vastgesteld dat uw verklaringen over uw intern Russisch paspoort niet sluitend zijn: u stelt dat u het verloren bent en dat u het niet kon laten vervangen omdat u problemen kende die begonnen op 9 mei 2003 terwijl uit de kopie van uw paspoort blijkt dat dit uitgereikt werd op 20 september 2003 een half jaar na het begin van uw problemen. Aangezien u in het kader van uw asielaanvraag geen concreet identiteitsdocument neerlegde in verband met uw persoon zou men toch mogen verwachten dat u hierover geen ongeloofwaardige verklaringen aflegt. Bovendien ondermijnt het feit dat u in september 2003 nog persoonlijk een paspoort ging afhalen uw verklaringen als zou u sinds mei 2003 ernstige problemen gekregen hebben en als zou het voor u onmogelijk zijn geweest om sinds het begin van uw problemen een paspoort aan te vragen en op te halen. Ten tweede wordt de geloofwaardigheid van het incident op 9 mei 2003 -het begin van uw persoonlijke problemen- verder ondermijnd door enkele tegenstrijdigheden. Zo is er een tegenstrijdigheid op te merken over het aantal jongeren dat zich ging verbergen en problemen kreeg met de Russen en de BTR. U verklaarde voor de Dienst Vreemde- lingenzaken dat uw zoon Ism. (…) samen met S.A. (…) en nog drie anderen zich gingen verbergen en dat er bij het incident op 9 mei 2003 ook gewonden waren bij de vijf jongeren (DVZ, nr.41). Voor het Commissariaat-generaal in dringend beroep stelde u dat ze tijdens het incident op 9 mei 2003 met vier waren: S.A. (…),Ism. (…), B. (…) en nog iemand (CGVS DB, p.15). In ten gronde wijzigde u echter opnieuw het aantal van de jongeren: u stelde dat ze die dag met vijf naar een veld in de buurt vluchten (Ism. (…), S.A.(…), B. (…) en nog anderen die u niet kent) (CGVS TG, p.12). Tevens is er een tegenstrijdigheid over de hulp die Ibr. (…) bood die dag. Zo verklaarde u voor de Dienst Vreemdelingenzaken dat uw zoon Ibr. (…) zijn broer Ism. (…) naar Nazran XIV-29.852-4/11 bracht en dat hij de rest afzette in Zakan-Yurt (DVZ, nr.41). In uw verzoekschrift tot dringend beroep en in uw antwoord op de vragenlijst werd gesteld dat Ibr. (…) die dag zijn broer en de anderen naar het dorp Zakiyurt of Zakan-Yurt bracht (schriftelijke verklaring verzoekschrift, p.2; Vragenlijst pt. H). In ten gronde verklaarde u dan weer dat Ibr. (…) hen niet allemaal ophaalde maar alleen zijn broer Ism. (…) en nog een gewonde en dat hij de gewonde naar zijn familie bracht en dat u niet meer weet naar waar hij Ism. (…) bracht (CGVS TG, p.12-13). Toen u geconfronteerd werd met het feit dat u de vorige keer verklaard had dat hij ze allemaal naar Zakan-Yurt bracht verklaarde u dat u zich dat niet meer herinnert (CGVS TG, p.13). Ook uw verklaringen over de het bezoek van de Russische militairen daarna zijn niet gelijklopend. Zo blijkt uit uw verklaringen voor de Dienst Vreemdelingenzaken en voor het Commissariaat-generaal in dringend beroep dat u de nacht van 10 op 11 mei 2003 doorbracht in uw eigen huis in de melksofchoze en dat uw dochter -die haar eigen huis had in een andere straat in de sofchoze- met haar kinderen die nacht bij u bleef en dat dan de Russen jullie kwamen lastig vallen (DVZ, nr.41; CGVS DB, p.15). In ten gronde verklaarde u voor het Commissariaat-generaal echter dat u die nacht doorbracht in de sofchoze in het huis van uw dochter en dat u de volgende dag 's ochtends naar uw eigen huis in de sofchoze ging, samen met uw dochter en zonder haar kinderen, en dat jullie daar lastig gevallen werden door de Russen (CGVS TG, p.13). Tenslotte mag ook opgemerkt worden dat in verband met het incident op 9 mei 2003 het Commissariaat-generaal er na onderzoek niet in geslaagd is om hierover enige informatie te vinden (CGVS TG, p.18). Ten derde werden er tussen uw opeenvolgende verklaringen zwaarwichtige tegenstrijdigheden opgemerkt omtrent uw zoon Isl. (…). Zo maakte u voor de Dienst Vreemdelingenzaken geen enkele melding over uw zoon Isl.(…) (DVZ, nr.14 & 41). Pas in uw dringend beroep verklaarde u dat u ook een zoon Isl.(…)had die gedood werd (CGVS DB, p.5 & 6). Toen u geconfronteerd werd met het feit dat u voor de Dienst Vreemdelingenza- ken hierover niets verteld had stelde u dat u toen enkel over de levenden had verteld (CGVS DB, p.6). Deze verklaring is niet afdoende: een belangrijk en zwaarwichtig incident als de moord op één van uw zonen door Federalen in 2005-2006 zou u moeten vermelden. Tevens legde u in het kader van uw asielaanvraag tijdens uw gehoor in dringend beroep een foto neer van u met meerdere kinderen. U verklaarde aanvankelijk dat de jongeman op de foto uw zoon Ism. (…) was om daarna uw verklaring te wijzigen en te stellen dat het niet Ism. (…) was maar Isl. (…) (CGVS DB, p.9). In ten gronde echter verklaarde u opnieuw dat de man op de foto Ism. (…) was (CGVS TG, p.10). Toen u geconfronteerd werd met deze tegenstrijdigheid stelde u dat u nooit kon gezegd hebben dat het Isl.(…) was (CGVS TG, p.10). Aldus moet worden vastgesteld dat u geen begin van bewijs aanbrengt omtrent uw zoon Isl.(…) en zijn overlijden. Bovendien mag worden opgemerkt dat het Commissariaat-generaal een poging heeft ondernomen om enige informatie te verwerven omtrent het incident met uw zoon Islam en dat hierover geen vermelding werd teruggevonden. Verder moet worden vastgesteld dat u in dringend beroep verklaarde dat u de foto van uw zoon Ism. (…) met een andere jongeman in wapenuitrusting kreeg toen u in mei 2006 -toen het warmer werd- naar de bergen ging (CGVS DB, p.16) terwijl u in ten gronde voor het Commissariaat-generaal stelde dat u deze foto kreeg in februari 2006 (CGVS TG, p.10). Omwille van bovenstaande vaststellingen die de geloofwaardigheid van uw verklaringen ondermij- nen moet worden vastgesteld dat u er niet in geslaagd bent om uw vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of een reëel risico op het lijden van ernstige schade bij een terugkeer zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming aannemelijk te maken. De door u in het kader van uw asielaanvraag neergelegde documenten kunnen bovenstaande beoordeling van uw asielaanvraag niet in een ander daglicht plaatsen. De kopie van uw intern Russisch paspoort is slechts een kopie en werd in een bovenstaande paragraaf al besproken. De overlijdensakte van uw echtgenoot bevat geen gegevens die in deze beslissing worden betwist. De geboorteakte van B. Mar.(…) en de kopie van de geboorteakte van B. Mak.(…) bevatten enkel persoonsgegevens van de personen met deze namen en kunnen aldus de in het kader van uw asielaanvraag vastgestelde tegenstrijdigheden niet verklaren. De foto van u met XIV-29.852-5/11 meerdere kinderen en de foto van uw zoon met een andere jongeman werden in een bovenstaande paragraaf al besproken en bevatten bovendien geen objectieve, concrete informatie die de appreciatie van uw asielaanvraag kan wijzigen. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u noch als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend, noch voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt. Dit is de bestreden beslissing.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep: Verweerder werpt een exceptie van onontvankelijkheid op wegens het ontbreken van een middel. Verzoekster stelt in haar verzoekschrift dat zij zich niet kan vinden in de overwegingen waarop de bestreden beslissing is gesteund. Zij betwist dat zij persoonlijk in september 2003 een paspoort zou afgehaald hebben bij de officiële instanties. Voorts voert zij aan dat zij niet weet wie haar zoon Ism. meebracht, daar zij hiervan geen rechtstreekse getuige was en het haar enkel interesseerde dat haar andere zoon Ibr. erbij was. Tevens benadrukt verzoekster dat zij steeds de waarheid heeft gesproken, in tegenstelling tot wat de bestreden beslissing suggereert. Uit het verzoekschrift blijkt bijgevolg voldoende duidelijk dat verzoekster het niet eens is met de overwegingen van de bestreden beslissing. Er kan worden aangenomen dat verzoekster aldus de schending aanvoert van de materiële motiveringsplicht. De exceptie kan niet worden aangenomen.
- Over de rechtspleging: De advocaat van verzoeker legt ter zitting een nota neer. Dit stuk is niet voorzien in het koninklijk besluit van 21 december 2006 houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Aangezien dit stuk niet is voorzien in het toepasselijke procedurereglement wordt het uit de debatten geweerd. Verzoekster legt ter zitting een medisch attest neer van een gezinstherapeut dat bevestigt dat verzoekster te kampen heeft met verwardheid, vergeetachtigheid en blokkage op communicatief vlak. Het feit dat dit attest dateert van 30 juli 2007 verklaart niet waarom verzoekster deze medische vaststelling niet eerder had kunnen laten doen, gezien zij reeds meer dan een jaar in België verblijft. Bij gebrek aan een aannemelijke verklaring dat dit attest niet eerder in de procedure had kunnen worden verkregen en meegedeeld, wordt dit stuk niet in aanmerking genomen en uit de debatten geweerd.
- Over de gegrondheid van het beroep: 4.
- Over de hoedanigheid van vluchteling: Zoals voormeld reeds werd gesteld voert verzoekster in een eerste middel de schending van de materiële motiveringsplicht aan. In een eerste onderdeel van het middel benadrukt verzoekster dat zij steeds de waarheid heeft verteld en dat hiaten in haar verklaringen te wijten zijn aan geheugenproblemen. Zij is bereid dit medisch te laten vaststellen. Haar verklaringen inzake de data waarop zij haar intern Russisch paspoort bekwam, dienen in deze context gezien te worden. Het louter aanhalen van stress, trauma’s en geheugenproblemen is geen verschonings- grond voor de in de bestreden beslissing aangehaalde gebreken in verzoeksters verklaringen. Verzoekster heeft voldoende tijd gehad om haar beweerde geheugenpro- blemen met bewijsstukken te staven voor het verhoor ten gronde op het Commissariaat- generaal. Haar nalatigheid dienaangaande kan haar niet tot voordeel strekken. In een tweede onderdeel van het middel ontkent verzoekster dat zij in september 2003 een intern Russisch paspoort heeft afgehaald bij de bevoegde instanties. Haar origineel paspoort heeft zij weliswaar persoonlijk afgehaald, maar de neergelegde kopie werd bekomen via haar broer. Uit verzoeksters verklaringen tijdens het verhoor van 23 november 2006 blijkt dat zij op de vraag “Het paspoort waarvan u een kopie heeft, is dat een echt officieel, authentiek paspoort door de juiste instanties afgeleverd zelf gaan afhalen of vals paspoort?” antwoordde “Ik heb het allemaal zelf gedaan, het is geen vals paspoort” XIV-29.852-6/11 (p.8). Het is duidelijk dat de verklaringen afgelegd tijdens het verhoor ten gronde niet in overeenstemming zijn met verzoeksters beweringen in haar verzoekschrift. In haar verzoekschrift zet verzoekster een derde versie van de feiten neer. De vastgestelde tegenstrijdigheid blijft gehandhaafd. Bovendien betreft het neergelegde document een kopie van een intern Russisch paspoort dat werd uitgereikt op 20 september 2003 op naam van verzoekster. Verzoeksters stelling dat zij op deze datum geen paspoort heeft afgehaald, ondermijnt de bewijswaarde van dit document. Tevens dient te worden opgemerkt dat het slechts een kopie betreft, waaraan de Raad geringe bewijswaarde hecht omdat deze gemakke- lijk te vervalsen zijn (R.v.St., nr. 142.624, 24 maart 2005; R.v.St., nr. 133.135, 25 juni 2004). Verzoekster voert ook nog aan dat zij tijdens de verhoren werd bijgestaan door een tolk Russisch, een taal die zij niet goed beheerst. Dit zou volgens haar hebben geresulteerd in gebreken in haar verklaringen. Indien verzoekster tolken- of taalproblemen ondervond tijdens het gehoor bij de Dienst Vreemdelingenzaken of het Commissariaat-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen is het haar verantwoordelijkheid om dit tijdig te signaleren en eventuele fouten met de nodige precisie aan te duiden en te corrigeren. Uit de stukken van het administratief dossier blijkt dat verzoekster zelf om een tolk die de Russische taal spreekt, heeft gevraagd. Verzoekster heeft het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken zonder voorbehoud ondertekend en heeft geen melding gemaakt van taalproblemen tijdens de verhoren op het Commissariaat-generaal. Bovendien blijkt uit de verhoorverslagen dat verzoekster op heldere wijze haar asielrelaas kon uiteenzetten en dat zij voldoende Russisch kende om de verhoren vlot te laten verlopen. Verzoeksters opmerking aangaande de tolk vindt geen steun in het administratief dossier. In het derde onderdeel van het middel voert verzoekster aan dat zij steeds de waarheid heeft verteld inzake de ernstige problemen van haar zonen. Met betrekking tot het incident van 9 mei 2003 stelt verzoekster dat ze zelf geenszins getuige is geweest van het incident. Ze heeft alles slechts vernomen via andere mensen. Tot op heden is het voor verzoekster zelf nog niet duidelijk door wie haar zoon Ism. vergezeld was. Hetzelfde geldt voor wat betreft de hulp die geboden werd door Ibr.. Wat het bezoek van de Russische militairen betreft stelt verzoekster dat zij in haar eigen huis werd lastiggevallen en dat zij de nacht voordien doorbracht in het huis van haar dochter. Verzoekster ontkent dat ze ooit iets anders zou hebben verklaard. De Raad stelt vast dat verzoekster de vastgestelde tegenstrijdigheden tracht te minimaliseren. De door de Commissaris-generaal vastgestelde tegenstrijdigheden vinden echter allen hun weerslag in het administratief dossier. Een verklaring post factum ontkracht de vastgestelde tegenstrijdigheden niet. In zoverre verzoekster aanvoert dat zij door Russische militairen werd lastiggevallen in haar eigen huis en de nacht voordien doorbracht in het huis van haar dochter en nooit iets anders te hebben verklaard, stelt de Raad vast dat uit het verslag van het verhoor voor de Dienst Vreemdelingenzaken blijkt dat verzoekster voor deze instantie verklaarde dat ze de desbetreffende nacht in haar eigen huis sliep (Dienst Vreemdeling- enzaken, p. 12, nr. 41). Haar verklaringen bij de Dienst Vreemdelingenzaken heeft verzoekster zonder voorbehoud ondertekend, zodat de opmerking als zou de interviewer haar verhaal verkeerd genoteerd hebben laattijdig is. Bovendien is het onmogelijk dat verzoekster de vraag verkeerd begreep, aangezien haar werd gevraagd naar de redenen waarom ze haar land van herkomst verliet, een algemene vraag. Verzoeksters opmerkingen in het verzoekschrift zijn dan ook niet van die aard dat ze de vastgestelde tegenstrijdigheid kunnen herstellen. De geloofwaardigheid van verzoekster asielrelaas wordt verder ondermijnd. In een vierde onderdeel van het middel betwist verzoekster het motief van de bestreden beslissing dat betrekking heeft op haar zoon Isl.. Verzoekster voert aan dat zij reeds voor het Commissariaat-generaal verklaarde dat zij tijdens het gehoor voor de Dienst XIV-29.852-7/11 Vreemdelingenzaken enkel sprak over haar levende kinderen en daarom het bestaan van haar zoon Isl. niet vermeldde. De bewijslast rust in beginsel op verzoekster die in de mate van het mogelijke bewijzen moet aanbrengen van de feiten die zij aanhaalt. Het is vervolgens de taak van de persoon die de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling moet onderzoeken om de waarde van de bewijselementen en de geloofwaardigheid van de verklaringen van verzoekster te beoordelen. De verklaringen van verzoekster kunnen een voldoende bewijs zijn van haar hoedanigheid van vluchteling op voorwaarde dat ze mogelijk, plausibel en oprecht zijn. Deze verklaringen moeten coherent zijn en niet in strijd met algemeen bekende feiten. (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, september 1979, 195-205). De ongeloofwaar- digheid van een asielrelaas kan niet alleen worden afgeleid uit tegenstrijdigheden, maar ook uit vage, incoherente en ongeloofwaardige verklaringen. De verklaring van verzoekster voor de omissie is niet afdoende. Gezien de zwaarwich- tigheid en het belang van de moord op verzoeksters zoon Isl., mag van haar redelijker- wijze worden verwacht dat zij van dit incident melding maakte bij de uiteenzetting van haar asielrelaas tijdens het initiële verhoor. Het niet vermelden tast dan ook de geloofwaardigheid van verzoeksters asielrelaas aan. Verder benadrukt verzoekster dat de persoon op de foto haar zoon Ism. is. Een andere optekening in het verslag van het verhoor in dringend beroep voor het Commissariaat- generaal, is volgens verzoekster te wijten aan een verkeerde notering of verkeerde verklaring. Uit het administratief dossier blijkt dat verzoekster tijdens het verhoor in dringend beroep duidelijk verklaarde dat de persoon op de foto haar zoon Isl. en niet haar andere zoon Ism. is. Het louter vasthouden aan een andere verklaring over de bewuste foto is onvoldoende om de tegenstrijdigheid te verklaren. Daarnaast is het onwaarschijnlijk dat de interviewer op het Commissariaat-generaal verzoeksters verklaringen verkeerd zou hebben genoteerd, daar uit het verhoorverslag duidelijk blijkt dat verzoekster aanvankelijk stelde dat het een foto van Ism. betrof, om onmiddellijk daarna te verklaren dat het niet Ism., maar Isl. is (verhoor in dringend beroep, p. 9). De aard van de verklaring maakt een vergissing in de notering onmogelijk. De vastgestelde tegenstrijdigheid draagt bij tot de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van verzoekster. De bestreden beslissing steunt op in rechte en in feite aanvaardbare motieven. De Raad stelt vast dat de bestreden beslissing de materiële motiveringsplicht niet schendt. Het middel is ongegrond. 4.2 Over de subsidiaire bescherming: Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoekster in ondergeschikte orde vraagt dat haar, overeenkomstig artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. Zij steunt dit verzoek op dezelfde gronden als diegene die zij aanhaalde in het kader van haar verzoek om toekenning van de hoedanigheid van vluchteling. Krachtens artikel 48/4, §1, van de Vreemdelingenwet wordt de subsidiaire bescher- mingsstatus toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9 ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4 valt. De Raad stelt vast dat er geen geloof kon worden gehecht aan de door verzoekster afgelegde verklaringen. Aangezien verzoeksters asielrelaas niet geloofwaardig is, kan zij zich bijgevolg niet langer steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat zij in geval van een terugkeer naar haar land van XIV-29.852-8/11 herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/8 § 2 van de Vreemdelingenwet. De Raad stelt vast dat verzoekster buiten de verwijzing naar haar feitenrelaas geen enkel ander element aanbrengt ter ondersteuning van haar vraag naar de subsidiaire beschermingsstatus. Ook voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus rust de bewijslast op verzoekster. Uit nalezing van het administratief dossier blijken er geen elementen voorhanden te zijn die de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zouden kunnen wettigen. De subsidiaire beschermingsstatus wordt niet toegekend. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Artikel 1 De vluchtelingenstatus wordt aan de verzoekende partij geweigerd. Artikel 2 De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij toegekend. (...).”. 1.
- Op 30 augustus 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen het arrest nr. 1482 ter verbetering van voormeld arrest nr. 1335 van 23 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Dit arrest luidt als volgt: “(...) Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 2 februari 2007 heeft ingediend tegen de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van 16 januari
- Gelet op het arrest nr. 1335 van 23 augustus
- Overwegend dat er in het arrest nr. 1335 van 23 augustus 2007 een materiële vergissing is geslopen; dat er reden is om die vergissing recht te zetten. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig Artikel Artikel 2 van het dictum moet als volgt worden gelezen: De subsidiaire beschermings- status wordt aan de verzoekende partij geweigerd. (...).”. Dit is de thans bestreden beslissing.
- Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
- Overwegende dat uit de lezing van het arrest nr. 1335 van 23 augustus 2007 blijkt dat bij de redactie van het dictum een louter materiële vergissing - een duidelijke verschrijving - werd begaan omtrent de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus (artikel 2 van het dictum stelt: “De subsidiaire beschermingsstatus wordt aan de verzoekende partij toegekend.”); dat in punt “4.
- Over de subsidiaire bescherming” van dit arrest omtrent de weigering van de subsidiaire beschermingsstatus immers uitdrukkelijk het volgende wordt gemotiveerd: XIV-29.852-9/11 “4.2 Over de subsidiaire bescherming: Uit de bewoordingen van het verzoekschrift blijkt dat verzoekster in ondergeschikte orde vraagt dat haar, overeenkomstig artikel 48/4 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: de Vreemdelingenwet), de subsidiaire beschermingsstatus wordt toegekend. Zij steunt dit verzoek op dezelfde gronden als diegene die zij aanhaalde in het kader van haar verzoek om toekenning van de hoedanigheid van vluchteling. Krachtens artikel 48/4, §1, van de Vreemdelingenwet wordt de subsidiaire bescher- mingsstatus toegekend aan de vreemdeling, die niet voor de vluchtelingenstatus in aanmerking komt en die geen beroep kan doen op artikel 9 ter, en ten aanzien van wie er zwaarwegende gronden bestaan om aan te nemen dat, wanneer hij naar zijn land van herkomst, of in het geval van een staatloze, naar het land waar hij vroeger gewoonlijk verbleef, terugkeert, een reëel risico zou lopen op ernstige schade zoals bepaald in paragraaf 2 en die zich niet onder de bescherming van dat land kan of, wegens dat risico, wil stellen en niet onder de uitsluitingsgronden zoals bepaald in artikel 55/4 valt. De Raad stelt vast dat er geen geloof kon worden gehecht aan de door verzoekster afgelegde verklaringen. Aangezien verzoeksters asielrelaas niet geloofwaardig is, kan zij zich bijgevolg niet langer steunen op de elementen aan de basis van dat relaas teneinde aannemelijk te maken dat zij in geval van een terugkeer naar haar land van herkomst een reëel risico op ernstige schade zou lopen zoals bedoeld in artikel 48/8 § 2 van de Vreemdelingenwet. De Raad stelt vast dat verzoekster buiten de verwijzing naar haar feitenrelaas geen enkel ander element aanbrengt ter ondersteuning van haar vraag naar de subsidiaire beschermingsstatus. Ook voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus rust de bewijslast op verzoekster. Uit nalezing van het administratief dossier blijken er geen elementen voorhanden te zijn die de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus zouden kunnen wettigen. De subsidiaire beschermingsstatus wordt niet toegekend.”; dat de materiële vergissing derhalve dermate overduidelijk was dat ieder aandachtig lezer het gebrek aan overeenstemming tussen het dictum en voormelde overwegingen onder punt “4.
- Over de subsidiaire bescherming”, waarin uitdrukkelijk wordt gesteld dat “(d)e subsidiaire beschermingsstatus (...) niet (wordt) toegekend”, kon vaststellen; dat niettegenstaande de klaarblijkelijke vergissing in het dictum van arrest nr. 1335 van 23 augustus 2007 geen misverstand mogelijk was omtrent de precieze nadelige gevolgen van het genomen arrest op de rechtstoestand van verzoekster; dat het dan ook een verschrijving betreft die aan de hand van het thans bestreden arrest werd verbeterd, zonder dat daarbij evenwel de rechtstoestand van de betrokkene werd gewijzigd; dat het thans bestreden verbeterend arrest, dat niet na een nieuw onderzoek tot stand is gekomen doch enkel na de vaststelling van voormelde, louter materiële vergissing, uitsluitend tot doel heeft het wegwerken van een verschrijving die kan worden verbeterd aan de hand van de gegevens die in de beslissing zelf vervat zijn; dat de rechtzetting waartoe de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen is overgegaan in zijn arrest nr. 1482 van 30 augustus 2007 in niets de rechtstoestand wijzigde van verzoekster; dat het in casu om een louter materiële vergissing gaat, die door verzoekster niet wordt betwist; dat zowel uit het in het beroep omschreven voorwerp, als uit de lezing van de middelen blijkt dat het voorliggend cassatieberoep uitsluitend gericht is tegen het verbeterend arrest nr. 1482 XIV-29.852-10/11 van 30 augustus 2007; dat, aangezien het thans voorliggend arrest geen wijziging aanbrengt in de rechtstoestand van verzoekster, het niet vatbaar is voor cassatieberoep; dat het beroep niet ontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.852-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.128 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.