← België

Arrest 186129 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.129 Rolnummer: A. 182983/XIV-29456 Zaak: Arrest 186129 - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 70 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.129 van 9 september 2008 Vreemdelingen - Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.129 van 9 september 2008 in de zaak A. 182.983/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat F. JACOBS, kantoor houdende te 1050 BRUSSEL, Kroonlaan 207 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 2 mei 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 27 maart 2007 van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, tweede Nederlandse Kamer, waarbij haar beroep tot hervorming van de beslissing van 4 september 2006 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen tot weigering van de erkenning van de status van vluchteling wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 622 van 6 juni 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Adjunct-auditeur R. VAN DEN EECKHOUT, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2008; XIV-29.456-1/24 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat F. JACOBS verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt op 12 juli 2006 België binnen en vraagt op 13 juli 2006 om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 4 september 2006 door de Commissaris- generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 19 september 2006 hoger beroep aan bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. 1.
  6. Op 15 december 2006 stuurt de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen een aangetekende brief naar verzoekster waarin zij verwijst naar de inwerkingtreding van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen. Aan verzoekster wordt meegedeeld dat zij door het indienen van een “aanvullend verzoekschrift” dient duidelijk te maken dat zij de door haar opgestarte beroepsprocedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen wil verderzetten. Tevens wordt gesteld dat dit met zich meebrengt dat het initiële verzoekschrift wordt aangepast aan de nieuwe procedurevoorschriften. Zij wordt daarbij attent gemaakt op de strenge voorwaarden van artikel 235, §3, van voormelde wet van 15 september
  7. XIV-29.456-2/24 1.
  8. Op 10 januari 2007 dient verzoeksters toenmalige raadsvrouw het verzoekschrift tot voortzetting in bij de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen. Hierin herneemt zij wat zij reeds in het inleidend verzoekschrift heeft uiteengezet: “II. MIDDELEN Onverminderd alle andere middelen aan te voeren na onderzoek van het administratief dossier of ambtshalve op te werpen door de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, werpt verzoekster de volgende middelen op: - schending van de motiveringsplicht zoals vereist door artikel 62 van de Vreemdelingenwet en door de Wet Motivering Bestuurshandelingen; - manifeste appreciatiefout, In tegenstelling tot hetgeen het CGVS heeft beslist, bevatten de verklaringen van verzoekster wel degelijk voldoende aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. De elementen in het dossier tonen duidelijk aan dat verzoekster persoonlijk vervolgd wordt omwille van haar afkomst en politiek engagement alsook dat haar leven in gevaar is doordat haar echtgenoot reeds werd vermoord en haar reeds een pink werd afgesneden als teken van waarschuwing. Doordat wijlen de echtgenoot van verzoekster alsook de broer van verzoekster actief hebben deelgenomen aan de tweede Tsjetsjeense oorlog, werd verzoekster als teken van waarschuwing een pink afgesneden en werd zij nadien nog herhaaldelijk, zowel bij wijze van anonieme dreigbrief als op straat bedreigd. In de bestreden beslissing wordt ten onrechte gesteld dat er geen geloofwaardigheid kan orden gehecht aan de verklaringen van verzoekstern op basis van een aantal elementen uit verzoeksters dossier. Verzoekster heeft naar aanleiding van het interview op het CVGS inderdaad blijkbaar een aantal vragen niet correct begrepen. Dit doet evenwel geen afbreuk aan de grond en de inhoud van haar asielrelaas. In geen geval kan het CVGS in casu duidelijk stellen dat de verklaringen van verzoekster elke geloofwaardigheid zouden missen. Trouwens, de zus van verzoekster, XXX (O.V. 5.081.596) die in hetzelfde dorp woonachtig was als V, werd onlangs wel erkend als vluchteling. Verzoekster kan om evidente redenen niet meer terugkeren naar Tsjetsjenië. Het is duidelijk dat de veiligheid van verzoekster in gevaar is in Tsjetsjenië alwaar zij niet kan rekenen op voldoende bescherming. Er is geen enkele reden om de geloofwaardigheid en de eerlijkheid van de rest van verzoeksters verklaringen in twijfel te trekken.”. 1.
  9. Op de zitting van 20 maart 2007 wordt verzoekster, bijgestaan door haar raadsvrouw, gehoord. 1.
  10. Op 27 maart 2007 neemt de voorzitter van de tweede Nederlandse Kamer van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de thans bestreden beslissing. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “(...) Verzoekster roept in een eerste en enig middel de schending van de motiveringsplicht in zoals vereist door artikel 62 van de Vreemdelingenwet en door de Wet Motivering Bestuurshandelingen en de manifeste appreciatiefout van de Commissaris-generaal. XIV-29.456-3/24 Verzoekster roept tevens de schending van de Conventie van Genève in. Het is aannemelijk dat zij hierbij verwijst naar het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie). Verzoekster duidt niet aan welke bepaling van de Vluchtelingenconventie zij geschonden acht. Het is aannemelijk dat zij doelt op de definitie van vluchteling die in deze Conventie is opgenomen. Wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, heeft de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekster verwijst naar “de manifeste appreciatiefout van de Commissaris-generaal”. Zij betwist aldus de beoordeling door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van de aangehaalde feiten. De verzoekende partij voert aldus de schending van de materiële motiveringsplicht aan, zodat dit middel ook vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. De bestreden beslissing stelt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdens de jaren voor haar aankomst in België effectief in Tsjetsjenië heeft verbleven. De bestreden beslissing stelt: “Wat betreft de eerste Tsjetsjeense oorlog die begon in 1994, verklaarde u verkeerdelijk dat deze duurde tot 1998/
  11. U weet ook niet waarom deze oorlog werd gevoerd, noch hoe hij werd stopgezet. (CGVS, p.31-32) Gevraagd of u Lebed kende, bleef u het antwoord schuldig (CGVS, p.37). De Russische veiligheidschef Alexander Lebed was nochtans samen met A. Mashkadov verantwoordelijk voor het beëindigen van de eerste Tsjetsjeense oorlog in
  12. U wist verder niet wat de aanleiding was van de tweede Tsjetsjeense oorlog die in september 1999 begon (CGVS, p.34). Gevraagd naar een eventuele link tussen Sjamil Basaev en het begin van deze oorlog, wist u niet wat deze kon zijn (CGVS, p.56). De inval van Baseav in Bothlik, Dagestan in augustus 1999 was echter de directe aanleiding voor de start van de tweede Tsjetsjeense oorlog. In dit verband herkende u Bothlik evenmin (CGVS, p.37). U verklaarde bovendien dat het merendeel van de Tsjetsjeense vluchtelingen die naar Ingoesjetië trokken aanvankelijk gemakkelijk de grens over konden (CGVS, p.40-41). Uit de op het Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt echter aan dat Russische militairen reeds bij het begin van de tweede oorlog de grens met Ingoesjetië hadden gesloten waardoor er kilometers lange rijen vluchtelingen onstonden aan de grensposten. Vermits het Atchkoy-Martan district het grootste deel van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische grens vormt, is het zeer opmerkelijk dat u hiervan niet op de hoogte zou zijn. Vervolgens bent u zeer onduidelijk over de militaire strijd die werd gevoerd om Valerik tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog. Aanvankelijk stelde u dat er enkel rebellen naar Valerik kwamen en dat er eigenlijk geen echte oorlog was (CGVS, p.34). Later verklaarde u dat de Russen in januari 2002 Valerik aanvielen (CGVS, p.35). Voordien waren er ook al Russen in Valerik geweest, maar u weet blijkbaar niet meer of er tussen september 1999 en januari 2002 bombardementen waren op Valerik (CGVS, p.36-37). Wanneer u gevraagd werd de sfeer in Valerik het eerste jaar van de tweede oorlog te beschrijven, zei u dat het rustig was in het dorp. Het dorp zou in die periode nooit afgesloten of geblokkeerd geweest zijn en mensen konden zonder problemen het dorp binnenkomen of verlaten. De beschikbare informatie vermeldt echter dat Valerik begin januari 2000 door Russische militairen werd afgesloten en dat iedereen die het dorp probeerde te verlaten werd neergeschoten. Van iemand die beweerde tijdens de tweede oorlog in Valerik gewoond te hebben, mag toch minstens verwacht worden op de hoogte te zijn van dergelijke ingrijpende gebeurtenissen. Behalve uw verblijf in Valerik aan het begin van de tweede Tsjetsjeense oorlog, heeft u evenmin uw verblijf de laatste drie jaar in Valerik aannemelijk gemaakt. Gevraagd XIV-29.456-4/24 naar grootschalige zuiveringsacties in de periode 2004-2006 in Valerik, zei u dat er enkel kleine acties waren. Grootschalige acties zouden er niet geweest zijn. Valerik zou volgens u ook nooit afgesloten of geblokkeerd zijn. (CGVS, p.44) Voornoemde informatie spreekt beide verklaringen echter tegen. Op 1 november 2005 werd Valerik afgesloten en werd er een grote zuiveringsactie gehouden. Gevraagd naar opvallende zuiveringsacties voor 2004, stelde u dat die er niet waren (CGVS, p.45). Nochtans werd in december 2003 een grote zuiveringsactie gehouden in Valerik met 500 leden van de ordediensten die in het dorp aankwamen met 32 wagens. Het is onmogelijk dat u als inwoner van Valerik dergelijk grootschalige operatie niet zou opgemerkt hebben. Daarenboven is het zeer opmerkelijk dat u meent dat het district Atchkoy-Martan district enkel omgeven is door Tsjetsjeens grondgebied (CGVS, p.15), terwijl het een groot deel vormt van de grens met Ingoesjetië. Ingoesjetië is ook de enige deelrepubliek die u kan noemen wanneer u gevraagd werd naar de omringende deelrepublieken van Tsjetsjenië (CGVS, p.29).” Verzoekster stelt dat de verwerende partij in dit verband een manifeste appreciatiefout heeft begaan. In tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing staat, bevatten de verklaringen van verzoekster weldegelijk voldoende aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Zij stelt dat in de bestreden beslissing dan ook ten onrechte wordt gesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan haar verklaringen op basis van een aantal elementen uit het dossier. Uit de bestreden beslissing blijkt de ontoereikende kennis van verzoekster over de situatie in Tsjetsjenië in de periode die haar definitief vertrek voorafgaat. De door de verwerende partij aangehaalde feiten worden gestaafd door informatie die in het administratief dossier is terug te vinden. De verzoekende partij vervolgt dat ze een aantal vragen blijkbaar niet correct begrepen had, hetgeen nochtans geen afbreuk doet aan de grond en inhoud van haar asielrelaas. Dit wordt niet concreet toegelicht door verzoekster en blijkt niet uit het administratief dossier. Bij de aanvang van het gehoor bij het CGVS (gehoorverslag 24 augustus 2006, p. 1) werd de verzoekende partij erop gewezen dat eventuele problemen (betreffende de tolk of andere) gemeld moeten worden, maar zij heeft bij het CGVS geen opmerkingen gemaakt in dit verband. Uit het gehoorverslag op het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoekster er aan een grondig gehoor werd onderworpen en dat daar waar zij een vraag niet meteen scheen te begrijpen, deze vraag haar nogmaals werd geformuleerd waardoor ze deze, afgaande op haar antwoorden, wel begreep. De bestreden beslissing stelt dat aangezien geen geloof kan worden gehecht aan het recente verblijf van verzoekster, er evenmin enig geloof kan worden gehecht aan de door haar aangehaalde vervolgingsfeiten die ze er zou hebben meegemaakt. Verzoekster stelt nochtans dat het Commissariaat-generaal in geen geval kan stellen dat haar verklaringen elke geloofwaardigheid zouden missen. De bestreden beslissing moet worden gelezen als een geheel en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dient na te gaan of de verschillende motieven in gezamenlijke lezing voldoende draagkrachtig zijn. De bestreden beslissing wijst erop dat de verzoekende partij haar recent verblijf in Tsjetsjenië niet aannemelijk maakt, waaruit voortvloeit dat geen geloof kan worden gehecht aan de door haar ingeroepen vluchtmotieven, met name de moord op haar man op 6 juni 2006 en de nasleep hiervan die immers de rechtstreekse aanleiding vormde voor verzoekster om haar land te ontvluchten. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat verzoekster geen enkel begin van bewijs aanbrengt aangaande de aangehaalde feiten, onder meer (de dood van) haar man. Verzoekster werpt terloops nog op dat haar zus onlangs als vluchteling werd erkend. Het loutere feit dat een familielid van de verzoekende partij als vluchteling werd erkend is op zich geen bewijs van de hoedanigheid van vluchteling. Verzoekster wijst niet aan welke elementen uit het relaas van haar zus het bewijs zijn van haar gegronde vrees voor vervolging. XIV-29.456-5/24 De verzoekende partij weerlegt het besluit van de bestreden beslissing niet dat zij niet aannemelijk maakt dat zij tijdens de jaren voor haar aankomst in België effectief in Tsjetsjenië heeft verbleven en dat de aangehaalde feiten derhalve niet bewezen zijn. De verzoekster toont niet aan dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli
  13. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen. (...).”.
  14. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  15. Overwegende dat verzoekster als enig middel aanvoert: “MIDDELEN EERSTE MIDDEL Schendig van art. 2 par. 2 en 3 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de formele motiveringsplicht van administratieve akten en artikel 57/22 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, artikel 149 G.W.; Schending van de principes van behoorlijk bestuur, principes van machtsoverschrijding en de schending van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces, Schending van artikels 39/65 et 48/4, 49/3 van de Wet van 15.12.1980 betreffende de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdeling, en van artikel 3 van de Conventie van de Mensenrechten Dat echter de motivering moet betrekking hebben op de ingeroepen feiten, waarbij melding moet worden gemaakt van de toepasselijke juridische regels en waarbij dient gemeld te worden hoe en waarom deze juridische regels hebben aanleiding gegeven tot de genomen beslissing; Bovendien stelt de wet dat de motivering afdoende dient te zijn. Teneinde als afdoende kunnen beschouwd te worden dient de motivatie steun te vinden in het administratief dossier en alle elementen die ter kennis van de administratie werden gebracht in overweging te nemen, hetgeen eveneens inhoudt rekening te houden met een algemeen gekende situatie in het land dat ontvlucht werd. Dat deze principes ook de VBCV een voorzichtigheid en - zorgvuldigheidsplicht opleggen bij de behandeling van dossiers die aan hun beoordeling worden voorgelegd; De Vaste Beroepscommissie baseert tevens haar beslissing op onvolledige elementen; De rechtspraak van de Raad van State is in dit kader zeer duidelijk ( arrest nr. 51.170 dd. 17.01.1995 arrest nr. 53.194 dd. 10.05.1992 en arrest nr. 49.995 dd. 28.10.1994); De beslissing van de Vaste-Beroepscommissie getuigt van een uitzonderlijke achteloosheid waarmee hij het dossier van verzoekende partij heeft behandeld, - hoewel er voldoende aanwijzingen bestaan om te besluiten dat er een reële vrees bestaat voor haar leven en haar fysieke integriteit in geval verzoekende partij zou terugkeren naar haar land, De bestreden beslissing is bijgevolg strijdig met het principe van behoorlijk bestuur en schendt tevens het recht op een eerlijke behandeling van de zaak; De beslissing schendt artikels 48/4, 49/3 van de Wet van 15.12.1980 Het behoorde de VBC na te gaan of de aanvraag van verzoekster niet met andere criteria aanknoop die de toekenning van het status van subsidiaire bescherming kon rechtvaardigen; XIV-29.456-6/24 Dat deze vereiste in verband dient te worden gelegd met artikel 3 van de Conventie van de Mens; Dat het recht beschermd door artikel 3 onaantastbaar, ongedeerd en absoluut dient te blijven en geen enkele uitzondering duldt; Dat het samen met artikel 1, het de Staten een verbod oplegt maar ook een positieve verplichting oplegt, iedere mens te beschermen tegen slechte behandelingen. «L'Etat où se trouve l'étranger qui fait valoir des griefs défendables doit prendre en considération la situation du pays vers lequel il est susceptible d'être renvoyé ( ou d'être contraint de retourner ), sa législation, et le cas échéant, les assurances de celui-ci, afin de s'assurer qu'il n'existe pas d'éléments suffisamment concrets et déterminants permettant de conclure qu'il y risquerait un sort interdit par l'article 3 ( C.E.S.D.H, 7 mars 2000, T.L/ Royaume uni ).;» De getroffen beslissing luidt als volgt : "Verzoekster roept in een eerste en enig middel de schending van de motiveringsplicht in zoals vereist door artikel 52 van de Vreemdelingenwet en door de Wet Motivering Bestuurshandelingen en de manifeste appreciatiefout van de Commissaris-generaal. Verzoekster roept tevens de schending van de Conventie van Genève in. Het is aannemelijk dat zij hierbij verwijst naar het Internationaal Verdrag betreffende de status van vluchtelingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951 (Vluchtelingenconventie), Verzoekster duidt niet aan welke bepaling van de Vluchtelingenconventie zij geschonden acht. Het is aannemelijk dat zij doelt op de definitie van vluchteling die in de%e Conventie is opgenomen. Wat de ingeroepen schending van de motiveringsplicht betreft, heeft de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen tot doel de betrokkene een zodanig inzicht in de motieven van de beslissing te verschaffen, dat hij of zij in staat is te 2weten of het zin heeft zich tegen die beslissing te verweren met de middelen die het recht hem of haar verschaft. Uit het verzoekschrift blijkt dat verzoekster de motieven van de bestreden beslissing kent, zodat het doel van de uitdrukkelijke motiveringsplicht in casu is bereikt. Hetzelfde geldt voor de aangevoerde schending van artikel 62 van de Vreemdelingenwet. Verzoekster verwijst naar “de manifeste appreciatiefout van de Commissaris-generaal”. Zij betwist aldus de beoordeling door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen van de aangehaalde feiten. De verzoekende partij voert aldus de schending van de materiële motiveringsplicht aan, zodat dit middel ook vanuit dit oogpunt wordt onderzocht. De bestreden beslissing stelt dat verzoekster niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij tijdens de jaren voor haar aankomst in België effectief in Tsjetsjenië heeft verbleven. De bestreden beslissing stelt: "Wat betreft de eerste Tsjetsjeense oorlog die begon in 1994, verklaarde u verkeerdelijk dat deze duurde tot 1998/
  16. U weet ook niet waarom deze oorlog werd gevoerd, noch hoe hij werd stopgezet. (CGVS, p. 31-32) Gevraagd of u Lebed kende, bleef u het antwoord schuldig (CGVS, p.37). De Russische veiligheidschef Alexander Lebed was nochtans samen met A. Mashkadov verantwoordelijk voor het beëindigen van de eerste Tsjetsjeense oorlog in
  17. U wist verder niet wat de aanleiding was van de tweede Tsjetsjeense oorlog die in september 1999 begon (CGVS, p.34). Gevraagd naar een eventuele link tussen Sjamil Basaev en het begin van deze oorlog, wist u nier wat deze kon zijn (CM, p.56). De inval van Baseav in Bothlik, Dagesran in augustus 1999 was echter de directe aanleiding voor de start van de tweede Tsjetsjeense oorlog. In dit verband herkende u Bothlik evenmin (CGVS, p.37). U verklaarde bovendien dat het merendeel van de Tsjetsjeense vluchrelingen die naar Ingoesjetië trokken aanvankelijk gemakkelijk de grens over konden (CGVS, p. 40-41). Uit de op her Commissariaat-generaal beschikbare informatie blijkt echter aan dat Russische militairen reeds bij het begin van de tweede oorlog de grens met Ingoesjetië hadden gesloten waardoor er kilometers lange rijen vluchtelingen onstonden aan de grensposten. Vermits het Atchkoy-Martan district het grootste deel van de Tsjetsjeens-Ingoesjetische grens vormt, is het zeer opmerkelijk dat u hiervan niet op de hoogte zou zijn. Vervolgens bent u zeer onduidelijk over de XIV-29.456-7/24 militaire strijd die werd gevoerd om Valerik tijdens de tweede Tsjetsjeense oorlog. Aanvankelijk stelde u dat er enkel rebellen naar Valerik kwamen en dat er eigenlijk geen echte oorlog was (CGVS, p. 34). Later verklaarde u dat de Russen in januari 2002 Valerik aanvielen (CGVS, p. 35), Voordien waren er ook al Russen in Valerik geweest, maar u weet blijkbaar niet meer of er russen september 1999 en januari 2002 bombardementen waren op Valerik (CGVS, p. 3637). Wanneer u gevraagd werd de sfeer in Valerik het eerste jaar van de tweede oorlog te beschrijven, zei u dat het rustig was in het dorp. Het dorp zou in die periode nooit afgesloten of geblokkeerd geweest zijn en mensen konden zonder problemen het dorp binnenkomen of verlaten. De beschikbare informatie vermeldt echter dat Valerik begin januari 2000 door Russische militairen werd afgesloten en dat iedereen die het dorp probeerde te verlaten werd neergeschoten. Van iemand die beweerde tijdens de tweede oorlog in Valerik gewoond te hebben, mag toch minstens verwacht worden op de hoogte te zijn van dergelijke ingrijpende gebeurtenissen. Behalve uw verblijf in Valerik aan het begin van de tweede Tsjetsjeense oorlog, heeft u evenmin uw verblijf de laatste drie jaar in Valerik aannemelijk gemaakt. Gevraagd naar grootschalige zuiveringsacties in de periode 2004-2006 in Valerik, zei u dat er enkel kleine acties waren. Grootschalige acties zouden er niet geweest zijn. Valerik zou volgens u ook nooit afgesloten of geblokkeerd zijn. (CGVS, p. 44) Voornoemde informatie spreekt beide verklaringen echter tegen. Op 1 november 2005 werd Valerik afgesloten en werd er een grote zuiveringsactie gehouden. Gevraagd naar opvallende zuiveringsacties voor 2004, stelde u dat die er niet waren (CGVS, p.46). Nochtans werd in december 2003 een grote zuiveringsactie gehouden in Valerik met 500 leden van de ordediensten die in het dorp aankwamen met 32 wagens. Het is onmogelijk dat u als inwoner van Valerik dergelijk grootschalige operatie niet zou opgemerkt hebben. Daarenboven is het zeer opmerkelijk dat u meent dat het district Atchkoy-Marran district enkel omgeven is door Tsjetsjeens grondgebied (CGVS, p. 15); terwijl het een groot deel vormt van de grens met Ingoesjetië.. Ingoesjetië is ook de enige deelrepubliek die u kan noemen wanneer u gevraagd werd naar de omringende deelrepublieken van Tsjetsjenie (CGVS, p. 29)." Verzoekster stelt dat de verwerende partij in dit verband een manifeste appreciatiefout heeft begaan. In tegenstelling tot hetgeen in de bestreden beslissing staat, bevatten de verklaringen van verzoekster wel degelijk voldoende aanwijzingen voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève. Zij stelt dat in de bestreden beslissing dan ook ten onrechte wordt gesteld dat er geen geloof kan worden gehecht aan haar verklaringen op basis van een aantal elementen uit het dossier. Uit de bestreden beslissing blijkt de ontoereikende kennis van verzoekster over de situatie in Tsjetsjenië in de periode die haar definitief vertrek voorafgaat. De door de verwerende partij aangehaalde feiten worden gestaafd door informatie die in het administratief dossier is terug te vinden.' De verzoekende partij vervolgt dat ze een aantal vragen blijkbaar niet correct begrepen had, hetgeen nochtans geen afbreuk doet aan de grond en inhoud van haar asielrelaas. Dit wordt niet concreet toegelicht door verzoekster en blijkt niet uit het administratief dossier. Bij de aanvang van het gehoor bij het CGVS (gehoorverslag 24 augustus 2006, p. 1) werd de verzoekende partij erop gewezen dat eventuele problemen (betreffende de tolk of andere) gemeld moeten worden, maar zij heeft bij het CGVS geen opmerkingen gemaakt in dit verband. Uit het gehoorverslag op het Commissariaat-generaal blijkt dat verzoekster er aan een grondig gehoor werd onderworpen en dat daar waar zij een vraag niet meteen scheen te begrijpen, deze vraag haar nogmaals werd geformuleerd waardoor ze deze, afgaande op haar antwoorden, wel begreep. De bestreden beslissing stelt dat aangezien geen geloof kan worden gehecht aan het recente verblijf van verzoekster, er evenmin enig geloof kan worden gehecht aan de door haar aangehaalde vervolgingsfeiten die ze er zou hebben meegemaakt. XIV-29.456-8/24 Verzoekster stelt nochtans dat het Commissariaat-generaal in geen geval kan stellen dat haar verklaringen elke geloofwaardigheid zouden missen. De bestreden beslissing moet worden gelezen als een geheel en de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen dient na te gaan of de verschillende motieven in gezamenlijke lezing voldoende draagkrachtig zijn. De bestreden beslissing wijst erop dat de verzoekende partij haar recent verblijf in Tsjetsjenië niet aannemelijk maakt, waaruit voortvloeit dat geen geloof kan worden gehecht aan de door haar ingeroepen vluchtmotieven, met name de moord op haar man op 6 juni 2006 en de nasleep hiervan die immers de rechtstreekse aanleiding vormde voor verzoekster om haar land te ontvluchten. Volledigheidshalve zij opgemerkt dat verzoekster geen enkel begin van bewijs aanbrengt aangaande de aangehaalde feiten, onder meer (de dood van) haar man. Verzoekster werpt terloops nog op dat haar zus onlangs als vluchteling werd erkend. Het loutere feit dat een familielid van de verzoekende partij als vluchteling werd erkend is op zich geen bewijs van de hoedanigheid van vluchteling. Verzoekster wijst niet aan welke elementen uit het relaas van haar zus het bewijs zijn van haar gegronde vrees voor vervolging. De verzoekende partij weerlegt het besluit van de bestreden beslissing niet dat zij niet aannemelijk maakt dat zij tijdens de jaren voor haar aankomst in België effectief in Tsjetsjenië heeft verbleven en dat de aangehaalde feiten derhalve niet bewezen zijn. De verzoekster toont niet aan dat zij de bescherming van het land waarvan zij de nationaliteit bezit niet kan of niet wil inroepen omwille van een gegronde vrees voor vervolging zoals bepaald in art. 1, par. A, al. 2 van het Verdrag van Genève van 28 juli
  18. BESLUIT: Enig artikel. Het beroep wordt verworpen. ÷ Er dient vooreerst te worden opgemerkt en benadrukt dat de Tsjetsjeense origine van verzoekende partij op zich niet in twijfel wordt gebracht, Dat de Tsjetsjeense origine van verzoekende partij echter ook getoetst werd /of kon worden aan de hand van concrete elementen, waaronder haar kennis van de Tsjetsjeense taal, de Tsjetsjeense gebruiken; Verzoekster heeft het originele van haar geboorteakte voorgelegd, document waarvan de authenticiteit niet wordt betwist en die duidelijk de Tsjetsjeense origine van verzoekster bewijst langs vaders en moeders-zij de; Dat evenmin de verwantschap met de in België erkende zus wordt ontkend, element dat op zich niet van aard is om de problemen van verzoekster te staven, doch wel haar Tsjetsjeense origine en haar verblijfplaats in Tsjetsjenië; De erkende zus heeft de identiteit van haar zus en verblijfplaats aangegeven toen zij hiervan verzocht werd; Deze elementen zijn op zich reeds van aard om allerminst de subsidiaire bescherming toe te kennen; Verzoekster is in 1981 geboren en de oorlog is in 1994 uitgebroken; Zij was derhalve amper 13 jaar oud; Zij is weinig geschoold geweest en heeft Tsjetsjenë niet verlaten, noch gedurende de eerste noch gedurende de tweede oorlog; Dit houdt in dat zij nooit iets anders dan oorlog, geweld, stress heeft meegemaakt; Zij is bovendien verminkt, vermits haar pink afgekapt werd; Dat er bijgevolg reden voor handen is te menen dat verzoekster niet volkomen in staat is zich hetgeen zij meegemaakt heeft te weergeven, deels omdat de feitelijke omstandigheden in omvang te enorm zijn, deels omdat zij getraumatiseerd werd; Uit verschillende studies in verband met het mechanisme van het geheugen, blijkt dat het geheugen helemaal niet werkt als een computer waarin alle gegevens gestockeerd blijven, en die als dusdanig op informatische wijze, op ieder ogenblik kunnen worden weergegeven ( Israel ROSENFIELD, L'invention de la mémoire, Flammarion, 1988, o.m. p 203 en volgenden) XIV-29.456-9/24 Volgens BARTLETT, «La remémoration n'est pas une réactivation d'innombrables traces inanimées et fragmentaires. C'est une reconstruction ou construction imaginative, que fonde notre attitude face à une globalité active, composée de réactions passées ou d'expériences, en relation à un petit détail saillant, qui apparaît généralement sous forme d'image ou à travers le langage. Ainsi, le souvenir n'est que rarement fidèle, même dans son expression la plus élémentaire, où ce qui est répété est appris par coeur... » ( F.C. BARTLETT, Remembering: a study in experimental and social psychology, Cambridge, Cambridge University Press, 1964, p. 213). Dat ivm personen afkomstig uit Tsjetsjenië, de VBC reeds herhaaldelijk heeft moeten vaststellen dat zij niet meer in staat waren een "chronologie" weer te geven; - Dat de VBCV reeds herhaaldelijk beslissingen heeft gemotiveerd als volgt: “Ref.- VB104- 28501E575, dd. 22.06.2005 ... ... Overwegende dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen (Human Rights Wateh, Amnesty International, http://~ews.bbc.co.uk, Algemeen ambtsbericht noordelijke Kaukasus van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei 2003 en januari 2005) bevestigen dat de veiligheidssituatie in Tsjetsjenië uitermate precair blijft; dat de algemene situatie na de moord op president Kadyrov in 2004 nog verslechterd is en het conflict uitbreiding neemt naar de andere republieken uit de Noordelijke Kaukasus; dat zowel van de kant van de Russische troepen als van de kant van de Tsjetsjeense strijdende partijen, waaronder de rebellen maar ook pro-Moskou gezinde milities, regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan Tsjetsjeense burgers slachtoffer werden; dat de mensenrechtenschendingen gedijen in een klimaat van straffeloosheid dat overheerst in de republiek,- dat de ontwerpresolutie, door België mee ondertekend en opgemaakt door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties voor de 59ste vergadering van de United Nations High Commissioner tor Human Rights te Genève, haar grote bezorgdheid uitdrukt voor de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in de Tsjetsjeense Republiek en hierbij verdwijningen, buitenrechtelijke en arbitraire terechtstellingen, foltering, mishandeling en willekeurige arrestaties benadrukt (Situation of human rights in the Republic of Chechnya of the Russian Federation, E/CNA/2003/L. 13, 09/04/2003); dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) de mening is toegedaan dat Tsjetsjenen die uit Tsjetsjenië komen, waar zij hun woonplaats hadden alvorens een asielaanvraag in het buitenland in te dienen, internationale bescherming nodig hebben (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the Chechen Republic, Russian Fédération, oktober 2004); dat er op basis van de stukken uit het administratieve dossier en het verhoor ter zitting, en gelet op de grove mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit dit conflict, geen ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op appellant omdat hij betrokken was bij feiten bepaald in artikel 1, F van het Verdrag van Genève; Overwegende dat appellant, gelet op zijn leeftijd, tot de risico van de in alle rapporten veelbesproken verdwijningen en ontvoeringen mannen geviseerd worden tussen achttien en veertig jaar; dat uit diverse rapporten blijkt dat het aantal ontvoeringen en verdwijningen in 2004 niet is afgenomen; .... ". "N/ 04-3344/F1915/cd m.b.t. een man van Tsjeense origine uit Dagestan, dorp Osman- Yurt .... Que le requérant est d'origine tchétchène; qu'il a été arbitrairement arrêté dufait de cette origine et d'une suspicion de complicité avec les combattants tchétchènes; Que le requérant craint de subir des persécutions en cas de retour dans son pays, du fait de sa nationalité et d'opinions politiques qui lui seraient imputées; Que cette crainte est raisonnable au vu du profil particulier du requérant, ancien policier affecté au contrôle de lafrontière avec la Tchetchénie, et de la déffadation générale de la situation des droits de l'homme en Tchétchénie et dans les ré-aions environnantes Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève; qu'en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques XIV-29.456-10/24 communes» (directive 20041831CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §1, c) JO. 30-09-2004) ; que les Tchétchènes doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on évalue si un demandeur craint avec raison d'être persécuté, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique lui soit attribuée par l'agent de persécution» (idem, art. 10, §2) ; Que la Commission n'aperçoit aucune raison de penser que le requérant se serait rendu coupable de crimes ou d'agissements visés à l'article ler, section F, de la Convention de Genève, qui seraient de nature à l'exclure du bénéfice de la protection internationale prévue par ladite Convention; Considérant enfin que la Commission dispose de plusieurs sources d'information établissant que sur l'ensemble du territoire de la Fédération de Russie, des personnes d'origine caucasienne etlou soupçonnées d'apporter leur soutien à la cause tchétchène sont régulièrement victimes de violations des droits l'homme en raison de cette origine et/ou de leurs opinions politiques supposées (pièce 1/1 du dossier de procédure: note de la Commission sur la situation des Tchétchènes en Fédération de Russie; Entretien avec un représentant de l'association Mémorial; US. Government, Department of State, Country Reports on Human Rights Practices - 2004, Russia, fevrier 2005 ; International Helsinki Federation of Human Rights, FSB Raids the Russian - Tchetchen Friendship Society, Vienne, 2010112005 ; M, Russia. M disturbed that journalist's appeal denied, 21 janvier 2005; Amnesty international; voir également: CPRRI04-2143/F1664 du 7janvier 2005 et CPRR1042073/F1771 du 9 mars 2005); Qu'il n'existe, en règle générale, pas d'alternative raisonnable de protection interne dans la Fédération de Russie pour les Tchétchènes qui sont contraints de fuir leur région d'origine (pièce 1/1 du dossier de procédure); - Dat verzoeker in casu van gemengde origine is, Ingoesh via zijn vader, Tsjetsjeens via zijn moeder en dat hij zijn permanent verblijf in Grozny had. Dat dit reeds op zich reeds volstaat om een vrees tot vervolging te verwekken. Dat de situatie sedert de aankomst van verzoeker niet is verbeterd en dat uit de volgende informatie blijkt dat de situatie in 2005 steeds heel precair en gevaarlijk bleef, ondanks de beweerde "normalisatie"; - Médecins Sans Frontières: TCHÉTCHÉNIE - Visite à Grozny http://www.msf.ch/TCHETCHENIEVisite.
  19. 98.html?&tx - ttnews[pointer]=6&tX...17/07/2006 20.04.2005 Sous la pression des autorités russes et ingouches, beaucoup de Tchétchènes réfugiés dans la république voisine d'Ingouchie ont pris la route du retour. Ils ne sont plus aujourd'hui que 34 000 en Ingouchie, contre 80 000 voici un an et demi. Pour prendre en compte cette réalité nouvelle, nous avons décidé de renforcer nos équipes et nos activités en Tchétchénie. Denis Lemasson, responsable adjoint de nos programmes dans la région était à Grozny le 11 février dernier. Voici son témoignage. Ruines de la ville de Grozny Nazran (Ingouchie), 10 février
  20. En début de soirée, en fonction des informations recueillies, nous prenons la décision d'aller à Grozny le lendemain. Lever matinal. Nous passons sans ennui, dans le brouillard, le fameux "Kavkaz check point" qui sépare lIngouchie de la Tchétchénie. Nous doublons les tanks russes qui roulent au pas encadrant des équipes de démineurs. Grozny, enfin. En ruines. Une ville où l'on cherche désespérément les signes d'une reconstruction. Où l'on ressent, presque physiquement, lampleur des bombardements passes, la volonté de rayer la ville de la carte. Retour en Tchétchénie Pourtant, Grozny n'est plus aujourd'hui une ville fantôme. Beaucoup de Tchétchènes sont de retour. Trois années de pressions et de politique d'intimidation des autorités russes et ingouches ont porté leurs fruits, et il ne reste plus aujourd'hui que 34 000 réfugiés tchétchènes en Ingouchie. Ils étaient 80 000 il Y a encore un an et demi. "Quitte à subir le même degré de violence et de peur, il vaut mieux rentrer", disent-ils. Malgré l'hiver, quelques milliers sont encore rentrés ces 3 dernières semaines. XIV-29.456-11/24 Depuis 1997, pour des raisons de sécurité - enlèvements de volontaires MSF dans le Nord Caucase -, nous n'avions plus d'activité médicale directe en Tchétchénie, même si nous apportions, à travers trois collaborateurs thcétchènes présents à Grozny, un soutien en médicaments et en matériel médical à des structures de santé. En Ingouchie, nos activités se concentraient dans les camps et les kompakniki, ces fermes ou usines désaffectées où habitaient les réfugiés, leur proposant des consultations gynecoobstétriques et pédiatriques, ainsi qu'un soutien logistique afin d'améliorer leurs conditions de vie inacceptables. En 2004, compte tenu du départ de nombreux réfugiés tchétchènes, nous avons vu le nombre de consultations diminuer, tandis que les besoins augmentaient en Tchétchénie. Fin 2004, après mûre réflexion pour bien peser les risques, nous avons décidé de relancer nos activités en Tchétchénie. La relation de confiance que nous avons nouée avec nos collègues tchétchènes nous le permet. La situation n'autorise pas la présence continue de volontaires expatriés dans le Nord Caucase, trop exposés au risque d'enlèvement, mais seulement des visites n-régulières et de courte durée. Une guerre qui dure toujours... Les discours du pouvoir central russe, repris par des institutions internationales, sur l'évolution vers une situation de "post-conflit" ou de "normalisation" ne doivent pas nous cacher une réalité tout autre: la guerre n'est pas terminée. Ses modalités ont changé. Le nombre de disparitions est resté constant, voire a augmenté ces derniers mois. Il est plus dur aujourd'hui d'en faire le décompte. Les opérations de "nettoyage", qui visaient souvent des villages entiers, sont maintenant ciblées. La présence militaire russe reste la même: environ 80 000 soldats. Des opérations militaires ont toujours lieu sur des points sensibles. De plus, nées de la guerre et encouragées par les autorités fédérales, plusieurs factions tchétchènes se tournent les unes contre les autres. "Tout le monde se méfie de tout le monde; on ne parle plus de conflit ni de politique à l'intérieur même de sa famille, dans son propre foyer", peut-on entendre. Les Tchétchènes ont aujourd'hui aussi peur des militaires russes que des milices armées tchétchènes. Parallèlement, on constate une dégradation progressive de la sécurité dans l'ensemble du Caucase Nord au cours des neuf derniers mois, touchant maintenant la Kabardino- Balkarie et la Karatchaevo Tcherkessie. Vie précaire et santé dégradée L'ensemble de la population de Grozny vit dans des conditions d'autant plus difficiles que l'hiver est particulièrement rigoureux cette année. En ce début de mois de février, les températures oscillent entre 0/ et -10/C... Les gens éprouvent des difficultés pour se chauffer, ne disposent pas tous d'infrastructures sanitaires (latrines, douches ... ) suffisantes et doivent souvent acheter l'eau. Rien n'a été fait pour un accueil acceptable des tchétchènes rentrant chez eux. Certains ont eu la chance de retrouver une maison familiale. Mais 36 000 sont logés dans des TACs (Temporary Accommodation Centers), où seuls les chauffages électriques sont autorisés dans des bâtiments parfois dépourvus de courant.. . Face à cette précarité très forte, le système de soins ne s'améliore pas, contrairement aux affirmations récentes du ministère de la santé. L'approvisionnement des hôpitaux, lorsqu'il a lieu, ne couvre que 40 à 50% des besoins. Ainsi, la maternité de Grozny n’avait reçu ni médicaments ni matériel médical depuis 2 mois et demi, l'unité des brûlés depuis 4 mois... L'unique soutien de ces deux structures reste MSF. Relance de nos activités médicales en Tchétchénie Début février, nous avons donc ouvert deux centres de consultations MSF à Gromy. Dans la polyclinique n05, une clinique gynécologique, et dans la polyclinique n03 une clinique pédiatrique. Dans les deux cas, nos consultations sont parmi les seuls soins gratuits de ce type dans la ville. Dès les premiers jours, sans avoir communique, nous accueillons déjà 30 à 40 patientes par jour dans notre clinique gynécologique, et réalisons quotidiennement une soixantaine de consultations dans la clinique pédiatrique. "Les patients arrivent dans un état catastrophique, leurs conditions de vie sont pires que celles des réfugiés il y a deux ans en Ingouchie", nous disent les médecins MSF. La XIV-29.456-12/24 plupart de nos patients souffrent de pathologies multiples. Nous leur proposons une prise en charge globale. L'environnement sanitaire désastreux comme les conditions de stress sont ceux d'un conflit "actif, bien loin d'une soi-disant "normalisation" mise en avant par les autorités russes. Cette visite m'a permis de constater que rien n'est vraiment en place pour accueillir dans des conditions décentes les réfugiés poussés au retour en Tchétchénie. Les conditions de sécurité demeurent inquiétantes, limitent la présence d'une aide humanitaire étrangère et indépendante. Nous devons poursuivre la défense d'un espace de travail, que les événements récents menacent par leur radicalisation. 2005 a été une année particulièrement violente pour la Tchétchénie : les exactions contre les civils demeurent quotidiennes, et ce au nom de la lutte de la Russie contre le terrorisme. En réponse à cela, plusieurs attentats meurtriers ont été commis par la guérilla tchétchène. La population vit dans la peur et la pauvreté, les structm hospitalières sont obsolètes et nombreux sont ceux qui n'ont toujours pas accès aux soins de santé primaire. Soutenir les victimes du conflit Grozny, Gudermes, Drus-Martan, Argun, Kurchaloy Districts de Nozhay-lurt et Vedeno Activités: En 1999, pour des raisons de sécurité, MdM a dû adopter un système de «pilotage à distance» de la mission dl base de Moscou. L'activité de MdM porte sur l'amélioration des soins en chirurgie, des soins de santé primain secondaire et la mise en place d'une assistance en santé mentale. Plus précisément, notre travail comprend: - la coordination et l'approvisionnement de 7 structures hospitalières des villes principales de Tchétchénie (m. médical et chirurgical) ; - la coordination et l'approvisionnement de 3 hôpitaux ruraux en médicaments essentiels et consommables m -l'approvisionnement de 11 centres médicaux et obstétricaux en médicaments essentiels et consommables mé - la sensibilisation et la formation du personnel soignant des structures de Grozny en santé mentale. Perspectives: Il est prévu pour 2006 une extension des activités SSP sur le district de Vedeno, ainsi que la mise en place d'm de consultation de psychologie dans une polyclinique de Grozny à compter de janvier
  21. En outre, MdM pl ouvrage, Paroles tchétchènes, recueil de témoignages sur le parcours de Tchétchènes depuis le début de la guerre Nous avons également ouvert fin 2005 un programme similaire au Daghestan (district de Khassaviourt). QUAND LES RUSSES ATTISENT LA GUERRE CIVILE Ravalement de façade en Tchétchénie » De retour, à la mi-avril, d'un voyage en Tchétchénie, M. Antonio Guterres, haut. commissaire aux réfugiés des Nations unies, a assuré que l'« amélioration de ICJ situation en termes de sécurité» devrait permettre la réouverture prochaine d'ul 1 bureau de son organisation à Grozny. Pourtant, l'apparente normalisation, que cette annonce confirme, est trompeuse. Le pouvoir pro russe mise sur la violence.. et sur la résignation. Par ANNE NIVAT Journaliste, auteure de Par les monts et les plaines d Asie centrale et Islamistes: comment ils nous voient, l'un et l'autre chez Fayard, Paris,
  22. Près de sept ans après le déclenchement de la seconde campagne militaire russe en Tchétchénie il est toujours aussi risqué de pénétrer, en tant que journaliste, sur le territoire où se déroule l'« opération antiterroriste»

(1). D'Ingouchie, pour rejoindre à nouveau une Tchétchénie « normalisée » où les conséquences de la guerre font que les horreurs quotidiennes apparaissent presque banales, il faudra se diriger vers l'est, non par la route principale sur laquelle se dresse toujours le fameux poste de contrôle Kavkaz, mais par des chemins de traverse, toujours aussi tristes et boueux. Auparavant, dans l'avion de Moscou, Aza, une belle Ingouche de 50 ans, les cheveux auburn al XIV-29.456-13/24 carré, maquillée avec soin, raconte qu'elle se rend dans sa famille à Sleptsovsk (à la frontière aveuple frère" ? Quandje vois ce Ramzan Kadyrov (2: se pavaner en jogging au Kremlin aux côtés de Poutine, je suis submergée par la honte Pourquoi l'ont-ils choisi, c'est un incapable, la bêtise se lit sur son visage J » Comme de très nombreux Ingouches, Aza a toujours eu un faible pour M. Rouslan Aouchev président de l'Ingouchie jusqu'à son limogeage en 2003. Cet ancien militaire avait tenté d{ conserver de bonnes relations avec Aslan Maskhadov, le président indépendantiste tchétchène assassiné en mars 2005 par les forces russes. «Tous ces gens-là appartiennent maintenant Ut passé. Quel gâchis J, se larnente-t-elle. Mais, surtout, aucune des questions posées par le indépendantistes n'a été résolue par cette guerre. Que va-t-il se passer maintenant?» En suspens, cette question hante tous ceux qui, Tchétchènes ou non, parce qu’ils n’avaient nulle pari où aller, sont restés sur ce territoire exsangue où il est encore difficile, près de sept ans plus tard de trouver électricité et eau courante. A Sleptsovsk, Mouslim, 28 ans, le quatrième fils d'une famille de sept enfants
(3), continue à vivre chez ses parents après une « escapade» de quelques mois au Kazakhstan, où il a travaillé sur del chantiers. Depuis que sa mère l'a supplié de revenir, il tente de gagner un peu d'argent, maÜ s'ennuie ferme. Mouslim a récupéré, auprès d'un ancien champion de boxe tchétchène exilé i Moscou, cinq machines à sous. Celles-ci ont atterri en Ingouchie depuis que M. Kadyrova interdit les salles de jeu sur le territoire tchétchène. Mouslim s'efforce de rentabiliser sa « salle de jeu» mais se plaint de la concurrence. En âge de fonder un foyer, il n'a cependant pas trouvé l'« ame soeur », au grand dam de ses parents, qui conditionnent son départ éventuel en Pologne pour rejoindre son frère à ce mariage. En revanche, Ahmed, un de ses amis, va se marier, lui, début mai. Et il a l'intention de déménage! à Grozny, avec son épouse, âgée de 22 ans. A l'entendre, la capitale tchétchène semble même avoir récupéré son statut de «grande ville » ! Il espère y trouver du travail grâce à un oncle employé de l'administration prorusse et a l'intention d'échanger sa voiture Jigouli dernier modèle, achetée neuve 10 000 dollars, contre un appartement de deux pièces dans le centre de la ville. Mouslim le sait: seuls ceux qui ont ce genre de « contacts» peuvent trouver du travail i Grozny. Il pourrait aussi s'engager dans les kadyrovtsi, ces « gros bras» qui forment l'entourage du premier ministre Kadyrov, mais il n'en a aucune envie. Anzor, son frère aîné, survit grâce à de- magouilles - il paie, par exemple, un médecin pour lui délivrer un certificat d'invalidité donnanl droit à une petite pension. « Ça coûte 800 dollars, mais on peut ensuite toucher 30 dollars pm mois jusqu'à la fin de ses jours...» Une fois la frontière tchétchène passée, nous partons en minibus pour Grozny. Il pleut de la neig{ fondue. La radio crache les habituels « hits » russes. Dans chaque voiture, la musique est à fond comme pour oublier et se griser. Depuis l'apparition des téléphones portables, il y a deux an- environ, tout le monde en possède un. Mais chacun préfère se faire appeler plutôt que de passe! des appels, car ceux-ci coûtent très cher, la Tchétchénie étant techniquement considérée comme ~ « zone bloquée ». On soupçonne Megafon, la seule compagnie ayant le droit d'émettre dans 1- république, de liens avec les services secrets. Parfois, son siège à Grozny est le théâtre d{ manifestations d'utilisateurs mécontents, aux cris de «Megafon nous vole! ». De temps en temps, en une nuit, le crédit de certains clients disparaîtrait... A l'heure des règlements de comptes Le long de la route, des pompes à essence flambant neuves de la marque Leader, qui appartient i la famille Kadyrov. De pimpantes maisons en briques rouges côtoient des bâtiments criblés d{ XIV-29.456-14/24 balles, aux pans déchirés, à la toiture soufflée. Des panneaux, porteurs d'indications routières 01 de publicités, ont fait leur apparition aux grands croisements. A l'entrée de la capitale, le immenses lettres «Grozny» ont été refaites et replacées. En ville, les feux de signalisatior fonctionnent, même si les conducteurs hésitent parfois encore à s'arrêter. La place de la Minoutka offre toujours le même spectacle de gigantesques débris de béton. Ici rien n'a été reconstruit. Après le tunnel, on s'engage dans l'avenue de la Victoire (anciennemen- avenue Lénine). A gauche trône une statue grandeur nature, au faîte d'un gigantesque piédesta en marbre rouge: c'est Akhmad Kadyrov coiffé d'une papakha (la toque de fourrun traditionnelle), un chapelet dans la main droite. Deux militaires armés d'un kalachnikov veillent sur le monument, vingt-quatre heures sur vingt-quatre. Passé l'église orthodoxe bleu pastel sur la droite (un des premiers édifices religieux à avoir été reconstruit), on arrive dans le centre d{ Grozny. Là se trouve le bazar, en pleine activité à la mi-journée. Toujours surplombé{ d'immeubles troués, sa partie couverte a été partiellement reconstruite en contreplaqué, mais le- commerçants continuent à déployer leurs étals alentour. Depuis Sleptsovsk, nous avons franch onze postes de contrôle, soit trois fois moins qu'il y a deux ans. Dans les rues, un grand nombre de jeunes, qui ont presque tous moins de 20 ans. Beaucoup avaient pourtant quitté le pays au plus fort de la guerre, sous les bombardements russes de l'hiver 1999-2000. Le couvre-feu ayant été levé, on peut maintenant circuler à la nuit tombée, mais cela reste risqué. Interrogés dans les petites cafétérias où l'on engloutit un bol de laghman (pâtes am légumes et viande) pour 30 roubles (moins de 1 euro), les étudiants disent apprécier M. Kadyrov avec lequel certains d'entre eux se targuent même d'avoir eu une conversation filmée par le télévision locale. « R est franc, direct et véritablement prêt à nous aider, affirme l'un d'eux. Or avait besoin d'un autobus pour se rendre de nos villages à l'université, Ramzan c immédiatement donné des ordres et, le lendemain, notre problème était réglé. » La plupart de ces jeunes n'ont pas envie de quitter la république dévastée, même s'ils sentent qm «la guerre n'est pas terminée» et que «les boeviki [combattants tchétchènes] peuvenj revenir ». Aslan, 17 ans, finit par avouer son rêve: se faire embaucher au MVD, le ministère d { l'intérieur, «pour porter une arme en toute légalité et avoir un document qui m'autorise à mIE déplacer librement sur tout le territoire ». Sa soeur, Madina, de dix ans son aînée, lève les yeux al ciel. Mais Aslan poursuit: «Je n'ai pas le choix.. Ou alors, j'aimerais faire des affaires ej devenir riche. En tout cas, une chose est sûre: étudier ne sert à rien. C'est beaucoup trop cher le niveau est nul et il n ~ a aucun débouché. » La nuit, Grozny ne retentit presque plus des bruits habituels de la guerre; omniprésentes entn 2000 et 2004, les colonnes de blindés, souvent longues de plusieurs kilomètres, se sont faiteplus rares; on ne parle plus autant des zatchistki, les terribles opérations de « nettoyage ». Mah la médaille a son revers: la république vit à l'heure des règlements de comptes, cette fois-ci entn Tchétchènes, orchestrés avec brio par Moscou. Et si la capitale paraît à nouveau affàirée, ce nles 1 que façade, à l'image de la « reconstruction» de l'avenue de la Victoire et du vide de la classE politique nouvellement élue, obsédée par son allégeance au chef prorusse, craint « comme Stalim en son temps », soulignent les autochtones. Directrice de l'organisation non gouvernementale (ONG) Echo de la guerre, Mme ZaÏnal Gashaeva partage son temps entre Grozny et Moscou. En avril, elle a terminé la construction d'ur orphelinat grâce à un soutien allemand. Elle est très marquée par les propos de Rachid, 33 ans un jeune homme auquel elle a demandé de peindre les deux escaliers du bâtiment: «Je voulai- quelque chose de gai. Or il a peint un truc très triste, m'expliquant qu'il ne pouvait rien fairE d'autre car c'était le reflet de son âme. En insistant, j'ai réussi à luifaire refaire le travail. Il m'e avoué douter que d'autres hommes politiques, moins corrompus, arrivent au pouvoir.» Dans la cour de l'orphelinat, où il est venu à vélo, et après quelques heures de discussion, Rachic illustre la profondeur de la dépression dans laquelle sont plongés les gens de son âge: «Je suÙ dégoûté par tout ce qui se passe dans mon pays. Rien n'est propre, tout le monde souffre. Le religion est mon refuge. Mais pas à la mosquée du coin, où chacun va pour se plaindre de se- problèmes, de son bétail, de sa retraite ou de XIV-29.456-15/24 ses maladies. On va chez les uns, chez les autres... >. Rachid et ses amis se préviennent par texto pour organiser leurs séances de prière. «Now n'avons plus de respect pour les anciens, car ils n'en ont plus pour eux-mêmes: ils se sont trol impliqués dans la politique. La guerre est sans doute finie militairement, mais elle se prolonge avec une pression psychologique constante. » Lui aussi s'est vu proposer de travailler pour le- kadyrovisi, mais il a refusé par crainte de «se salir ». Lui non plus ne veut pas quitter sa patrie « Si tout le monde part, qui restera? » Certes, ce qui frappe d'emblée, c'est le changement: reprise d'une certaine activité économiqUE (bazar, transports en commun, administrations, chantiers de reconstruction de la ville, cafés el restaurants) et normalisation politique (référendum sur la Constitution, élection présidentielle élections parlementaires). Mais, derrière ces apparences, le spectre de la guerre hante tous le- esprits. Il a même forgé un nouveau type de relations entre individus, structuré par la méfiance «Si, avant, on comptaitplus ou moins les uns sur les autres, ce n'estplus le cas désormais déplore Mme Gashaeva. Les gens se dénoncent mutuellement pour se faire bien voir de tellé OL telle personne influente du gouvernement ou pour obtenir un petit rien. Mais, surtout, ils viveni cloîtrés dans la peur. Que se passera-t-il demain? Personne ne le sait vraiment. Le premie.J ministre Kadyrov est-il au pouvoir pour longtemps? Sera-t-il assassiné comme son père
(4)?J. quel moment les boeviki contre-attaqueront-ils et, le cas échéant, reprendront-ils le pouvoir; Chacun renâcle à trop s'impliquer politiquement afin de ne pas risquer des représailles en cas de retournement de situation. En fait, conclut Mme Gashaeva, personne ne croit à la stabilité de CE régime parrainé par Moscou. » Non seulement les questions posées par la guerre n'ont pas été réglées, mais, pis, elles sonI devenues taboues. Qui, par exemple, ose se souvenir que le premier chef de l'Etat tchétchènE s'appelait Djokhar Doudaev
(5)? Officiellement, à l'école, les petits Tchétchènes apprennent qUE leur premier président est Akhmad Kadyrov, père de Ramzan.
(1)Officiellement, tout journaliste doit être muni d'une accréditation ad hoc (que l'auteure n'a pas) et/ou participer à un voyage organisé par le Kremlin.
(2)Fils d'Akhmad Kadyrov, président tchétchéne pro russe désigné par Moscou à la tête de la Tchétchénie en juir 2000 et assassiné en mai 2004. Le 4 mars 2006, M. Ramzan Kadyrov, qui aura 30 ans en octobre 2006, a été nommé premier ministre. http://www.monde-diplomatique.fr/imprimerI13483/47 ee 7b2248 17/07/2006
(3)Le deuxième est Islam, le héros de Chienne de guerre. Après de longues années d'errance à Moscou, en marge de la société, Islam est finalement parti pour l'Occident. Il vit en Pologne, où, depuis l'été 2005, il bénéficie du statut de réfugié politique.
(4)En Tchétchénie, la majeure partie de la population est convaincue qu'Akhmad Kadyrov, père de Ramzan et ancien mufti de la république, a été assassine, non par les rebelles indépendantistes (comme l'affirme la version officielle), mais plus ou moins directement par le Kremlin, qui se serait débarrassé d'un personnage devenu « gênant ». Beaucoup craignent que le même scénario se reproduise avec M. Kadyrov fils.
(5)Djokhar Doudaev, à la tête de l'insurrection contre Moscou en 1994, a été abattu en 1996 par les forces russes. http://www.monde-diplomatique.fr/2006/05/N IV A T/13483 - MAI 2006 http://www.monde-diplomatique.fr/imprimerI13483/47 ee 7b2248; 17/07/2006 De mogelijkheid tot vluchtalternatief binnen de Russische Federatie zijn bovendien uitermate beperkt voor personen uit de Kaukasus en nog meer voor mensen van Tsjetsjeense origine. Dit heeft de VBC zelf herhaaldelijk moeten toekennen; - Dat in dit verband de VBCV reeds als volgt heeft beslist: "Ref. VB/04- 2850/E575, dd. 22.06.2005 .. ... Overwegende dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen (Human Rights Wateh, Amnesty International, http://~ews.bbc.co.uk Algemeen ambtsbericht noordelijke Kaukasus van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei XIV-29.456-16/24 2003 en januari 2005) bevestigen dat de veiligheidssituatie in Tsjetsjenié uitermate precair blijft, dat de algemene situatie na de moord op president Kadyrov in 2004 nog verslechterd is en het conflict uitbreiding neemt naar de andere republieken uit de Noordelijke Kaukasus; dat zowel van de kant van de Russische troepen als van de kant van de Tsjetsjeense strijdende partijen, waaronder de rebellen maar ook pro-Moskou gezinde milities, regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan Tsjetsjeense burgers slachtoffer werden; dat de mensenrechtenschendingen gedijen in een klimaat van straffeloosheid dat overheerst in de republiek; dat de ontwerpresolutie, door België mee ondertekend en opgemaakt door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties voor de 59ste vergadering van de United Nations High Commissioner tor Human Rights te Genève, haar grote bezorgdheid uitdrukt voor de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in de Tsjetsjeense Republiek en hierbij verdwijningen, buitenrechtelijke en arbitraire terechtstellingen, foltering, mishandeling en willekeurige arrestaties benadrukt (Situation of human rights in the Republic of Chechnya of the Russian Federation, E/CNA/2003/L. 13, 09/04/2003); dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) de mening is toegedaan dat Tsjetsjenen die uit Tsjetsjenië komen, waar zij hun woonplaats hadden alvorens een asielaanvraag in het buitenland in te dienen, internationale bescherming nodig hebben (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the Chechen Republic, Russian Fédération, oktober 2004); dat er op basis van de stukken uit het administratieve dossier en het verhoor ter zitting, en gelet op de grove mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit dit conflict, geen ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op appellant omdat hij betrokken was bij feiten bepaald in artikel 1, F van het Verdrag van Genève; Overwegende dat appellant, gelet op zijn leeftijd, tot de risico van de in alle rapporten veelbesproken verdwijningen en ontvoeringen mannen geviseerd worden tussen achttien en veertig jaar,- dat uit diverse rapporten blijkt dat het aantal ontvoeringen en verdwijningen in 2004 niet is afgenomen; .... ". "N/ 04-33441F1 9151cd m. b. t. een man van Tsjeense origine uit Dagestan, dorp Osman-Yurt .... Que le requérant est d'origine tchétchène; qu'il a été arbitrairement arrêté du fait de cette origine et d'une suspicion de complicité avec les combattants tchétchènes ; Que le requérant craint de subir des persécutions en cas de retour dans son pays, du fait de sa nationalité et d'opinions politiques qui lui seraient imputées; Que cette crainte est raisonnable au vu du profil particulier du requérant, ancien policier affecté au contrôle de la frontière avec la Tchetchénie, et de la dégradation générale de la situation des droits de l'homme en Tchétchénie et dans les régions environnantes Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève; qu'en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques communes» (directive 2004/83/CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §1,
  1. c)JO. 30-09-2004) ; que les Tchétchènes doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on évalue si un demandeur craint avec raison d'être persécuté, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique -lui soit attribuée par l'agent de persécution» (idem, art. 10, §2) ; Que la Commission n'aperçoit aucune raison de penser que le requérant se serait rendu coupable de crimes ou d'agissements visés à l'article ler, section F, de la Convention de Genève, qui seraient de nature à l'exclure du bénéfice de la protection internationale prévue par ladite Convention; Considérant enfin que la Commission dispose de plusieurs sources d'information établissant que sur l'ensemble du territoire de la Fédération de Russie, des personnes d'origine caucasienne et/ou soupçonnées d'apporter leur soutien à la cause tchétchène XIV-29.456-17/24 sont régulièrement victimes de violations des droits l'homme en raison de cette origine et/ou de leurs opinions politiques supposées (pièce 1/1 du dossier de procédure: note de la Commission sur la situation des Tchétchènes en Fédération de Russie; Entretien avec un représentant de l'association Mémorial; US. Government, Départment of State, Country Reports on Human Rights Practices - 2004, Russia, fjvrier 2005 ; International Helsinki Federation of Human Rights, FSB Raids the Russian - Tchetchen Friendship Society, Vienne, 20/01/2005 ; CPJ, Russia.. CPJ disturbed that journalist's appeal denied, 21 janvier 2005; Amnesty international; voir également: CPRR104-2143/FI664 du 7janvier 2005 et CPRR1042073/FI 771 du 9 mars 2005) ; Qu'il n'existe, en règle générale, pas d'alternative raisonnable de protection interne dans la Fédération de Russie pour les Tchétchènes qui sont contraints de fuir leur région d'origine (pièce 1/1 du dossier de procédure) ; Dat de VBC hiermee geen rekening houdt; - Dat de Tsjetsjeense origine van verzoekende partij haar jonge leeftijd en haar vermeende banden met de Tsjetsjeense rebellen als doorslaggevende elementen ter ondersteuning van de asielmotieven dienen te worden beschouwd , in de huidige stans van het Tsjetsjeens conflict, conflict dat zich thans meer en meer verspreid tot de naburige Republieken, nl Dagestan, Ingoeshetië, Ossetië, Kabardino-Balkarië ; - Dat de situatie in de Tsjetsjeense Republiek sedert 2005 nog verslecht is en dat het conflict zich duidelijk uitbreid tot de naburige republieken; - Dat in dit verband de VBCV reeds als volgt heeft beslist : "Ref.: VB104-2850/E575, dd. 22.06.2005 ... ... Overwegende dat alle mensenrechtenrapporten en publieke bronnen (Human Rights Wateh, Amnesty International, http://news.bbc.co.uk, Algemeen ambtsbericht noordelijke Kaukasus van het Nederlandse Ministerie van Buitenlandse Zaken van mei 2003 en januari 2005) bevestigen dat de veiligheidssituatie in Tsjetsjenië uitermate precair blijft, dat de algemene situatie na de moord op president Kadyrov in 2004 nog verslechterd is en het conflict uitbreiding neemt naar de andere republieken uit de Noordelijke Kaukasus; dat zowel van de kant van de Russische troepen als van de kant van de Tsjetsjeense strijdende partijen, waaronder de rebellen maar ook pro-Moskou gezinde milities, regelmatig sprake is van ernstige mensenrechtenschendingen en gewelddadige acties waarvan Tsjetsjeense burgers slachtoffer werden; dat de mensenrechtenschendingen gedijen in een klimaat van straffeloosheid dat overheerst in de republiek; dat de ontwerpresolutie, door België mee ondertekend en opgemaakt door de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties voor de 59ste vergadering van de United Nations High Commissioner tor Human Rights te Genève, haar'grote bezorgdheid uitdrukt voor de aanhoudende schendingen van de mensenrechten in de Tsjetsjeense Republiek en hierbij verdwijningen, buitenrechtelijke en arbitraire terechtstellingen, foltering, mishandeling en willekeurige arrestaties benadrukt (Situation of human rights in the Republic of Chechnya of the Russian Federation, E/CNA/2003/L. 13, 09/04/2003); dat de vluchtelingenorganisatie van de Verenigde Naties (UNHCR) de mening is toegedaan dat Tsjetsjenen die uit Tsjetsjenië komen, waar zij hun woonplaats hadden alvorens een asielaanvraag in het buitenland in te dienen, internationale bescherming nodig hebben (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees _from the Chechen Republic, Russian Federation, oktober 2004); dat er op basis van de stukken uit het administratieve dossier en het verhoor ter zitting, en gelet op de grove mensenrechtenschendingen die voortvloeien uit dit conflict, geen ernstige redenen zijn om te veronderstellen dat de bepalingen van dit Verdrag niet van toepassing zijn op appellant omdat hij betrokken was bij feiten bepaald in artikel 1, F van het Verdrag van Genève; Overwegende dat appellant, gelet op zijn leeftijd, tot de risico van de in alle rapporten veelbesproken verdwijningen en ontvoeringen mannen geviseerd worden tussen achttien en veertig jaar,- dat uit diverse rapporten blijkt dat het aantal ontvoeringen en verdwijningen in 2004 niet is afgenomen; .... ". "N/ 04-33441F1 9151cd m. b. t. een man van Tsjeense origine uit Dagestan, dorp Osman-Yurt XIV-29.456-18/24 .... Que le requérant est d'origine tchétchène; qu'il a été arbitrairement arrêté dufait de cette origine et d'une suspicion de complicité avec les combattants tchétchènes ; Que le requérant craint de subir des persécutions en cas de retour dans son pays, du fait de sa nationalité et d'opinions politiques qui lui seraient imputées; Que cette crainte est raisonnable au vu du profil particulier du requérant, ancien policier affecté au contrôle de la frontière avec la Tchetchénie, et de la dégradation générale de la situation des droits de l'homme en Tchétchénie et dans les régions environnantes Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève;qu’en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques communes)] (directive 20041831CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §1,
  2. c)JO. 30-09-2004) ; que les Tchétchènes doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on evalue si un demandeur craint avec raison d'être persécuté, il est indifférent qu'il possède effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique lui soit attribuée par l'agent de persécution» (idem, art. 10, §2) ; Que la Commission n'aperçoit aucune raison de penser que le requérant se serait rendu coupable de crimes ou d'agissements visés à l'article ler, section F, de la Convention de Genève, qui seraient de nature à l'exclure du bénéfice de la protection internationale prévue par ladite Convention; Considérant enfin que la Commission dispose de plusieurs sources d'information établissant que sur l'ensemble du territoire de la Fédération de Russie, des personnes d'origine caucasienne etlou soupçonnées d'apporter leur soutien à la cause tchétchène sont régulièrement victimes de violations des droits l'homme en raison de cette origine etlou de leurs opinions politiques supposées (pièce 1/1 du dossier de procédure: note de la Commission sur la situation des Tchétchènes en Fédération de Russie; Entretien avec un représentant de l'association Mémorial; US. Government, Department of State, Country Reports on Human Rights Practices - 2004, Russia, jé-vrier 2005 ; International Helsinki Federation of Human Rights, FSB Raids the Russian - Tchetchen Friendship Society, Vienne, 20/01/2005 ; M, Russia.. CPJ disturbed that journalist's appeal denied, 21 janvier 2005; Amnesty international; voir également: CPRRI04- 2143/F1664 du 7 janvier 2005 et CPRR1042073/F1 771 du 9 mars 2005) ; Qu'il n'existe, en règle générale, pas d'alternative raisonnable de protection interne dans la Fédération de Russie pour les Tchétchènes qui sont contraints de fuir leur région d'origine (pièce 1/1 du dossier de procédure) ; - Dat deze rechtspraak, - die eveneens van de VBCV uitgaat en die toegepast werd mbt tot etnische Tsjetsjenen , thans plots blijkt niet meer te worden toegepast; - Dat de VBC dit helemaal niet uitlegt en bovendien niet duidelijk maakt waarom verzoekster niet van het voordeel van de twijfel kon genieten, indien bepaalde punten van haar relaas onduidelijk bleven; - Dat de VBCV terzake niet uitlegt waarom verzoekende partij niet van deze rechtspraak zou kunnen genieten noch waarom zij, desgevallend, niet van het voordeel van de twijfel zou kunnen genieten; Dat de VBCV reeds herhaaldelijk herinnerd heeft dat de etnische Tsjetsjenen hetgeen betekent ongeacht hun staatsburgerschap en hun streek van herkomst als een « nationaliteit » dienen te worden beschouwd "cfr Que cette crainte se rattache aux critères visés à l'article ler, section A, paragraphe 2, de la Convention de Genève; qu'en effet, d'une part, la nationalité au sens de cette disposition recouvre «en particulier, l'appartenance à un groupe soudé par son identité culturelle, ethnique ou linguistique, ses origines géographiques ou politiques communes» (directive 2004/83/CE du Conseil de l'Union européenne, du 29 avril 2004, art. 10, §1,
  3. c)JO. 30-09-2004) ; que les Tchétchènes doivent être considérés comme une nationalité selon cette acception; que d'autre part, « lorsque l'on évalue si un demandeur craint avec raison d'être persécuté, il est indifférent qu'il possède XIV-29.456-19/24 effectivement la caractéristique liée [notamment] aux opinions politiques à l'origine de la persécution, pour autant que cette caractéristique lui soit attribuée par l'agent de persécution» (idem, art. 10, §2) ; - Dat de « origine » die zodus aanleiding geeft tot de bescherming van de Conventie van Genève zoals hierboven opgevat, juist geen rekening houdt met de plaats van inschrijving of propiska binnen de Russische Federatie; - Dat in de mate de Tsjetsjeense origine van verzoekster niet in twijfel getrokken werd door de VBCV onmogelijk het besluit kon worden getrokken dat verzoekster degelijk wel in state was de bescherming in te roepen van de Russische autoriteiten, of van de Tsjetsjeens Pro Russische autoriteiten, hetgeen de beslissing in fine stelt; OM DIE REDENEN En alle andere te laten gelden na inzage van het administratief dossier, Vraag verzoekende partij U, Dames en Heren huidig verzoekschrift te willen ontvangen en bijgevolg de bestreden beslissing van 27.03.07 zoals genomen door de Vaste Beroepscommissie en aan verzoekende partij werd betekend op 02.04.07 te willen VERBREKEN en haar toe te laten te mogen genieten van de rechtsbijstand”; 2.2. Overwegende dat de verwerende partij antwoordt: “II. Onderzoek van de middelen In haar eerste en enige middel beroept verzoekster zich op een schending van artikel 2 van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van bestuurshandelingen en van de artikelen 39/65, 48/4, 49/3, 57/22 en 62 van de Vreemdelingenwet, alsook van artikel 149 van de Grondwet en van de principes van behoorlijk bestuur, machtsoverschrijding en van de algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces. Verzoekster beroept zich eveneens op artikel 3 van het E.V.R.M. 2.1 Verweerder wijst er vooreerst op de motiveringsverplichting zoals vervat in de Wet van 29 juli 1991 niet van toepassing is op de beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is en jurisdictionele beslissingen uitspreekt (R.v.St., nr. 46.851 van 1 april 1994). Wat de aangevoerde schending van artikel 149 van de Grondwet betreft, evenals (oud) artikel 57/22 en (nieuw) artikel 39/65 van de Vreemdelingenwet, merkt verweerder op dat de bestreden beslissing in een overzicht van de rechtspleging en de weergaven van het asielrelaas de middelen van verzoekster op omstandig gemotiveerde wijze bespreekt. De bestreden beslissing wordt gedragen door in feite en in rechte aanvaardbare motieven en is afdoende gemotiveerd. Verweerder meent dan ook dat aan de motiveringsplicht van jurisdictionele beslissingen is voldaan, aangezien de bestreden beslissing duidelijk de redenen vermeldt waarop zij werd gesteund. 2.2 Verder wijst verweerder erop dat, ongeacht de vraag of machtsoverschrijding als cassatiemiddel tegen een jurisdictionele beslissing kan worden aangewend, verzoekster niet concreet uiteenzet op welke wijze machtsoverschrijding zou zijn gepleegd. Bovendien zijn het zorgvuldigheids- en voorzichtigheidsbeginsel als beginselen van behoorlijk bestuur niet van toepassing op de arresten van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen, dat een administratief rechtscollege is (R.v.St., nr. 1005 van 26 juli 2007). 2.3 Met betrekking tot artikel 3 van het E.V.R.M., merkt verweerder op dat dit artikel vereist dat verzoekster doet blijken dat er ernstige en zwaarwichtige gronden aanwezig zijn om aan te nemen dat zij in het land waarnaar zij mag worden teruggeleid, een ernstig en reëel risico loopt om te worden blootgesteld aan foltering of mensonterende behandeling (zie o.a. R.v.St., nr. 167.413, 2 februari 2007). De Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen heeft in het kader van huidig beroep niet de bevoegdheid om artikel 3 E.V.R.M. rechtstreeks te toetsen. De Commissie onderzoekt enkel het reële risico op foltering of onmenselijke of vernederende behandeling of XIV-29.456-20/24 bestraffing van verzoekster in zijn land van herkomst in casu in het kader van de subsidiaire bescherming van artikel 48/4, §2,
  4. b)van de Vreemdelingenwet. Om voor de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking te komen moet verzoekster het bestaan van zwaarwegende gronden voor een reëel risico op ernstige schade aantonen bij terugkeer naar haar land van herkomst. In zoverre de rechtstreekse schending van artikel 3 van het E.V.R.M. wordt aangevoerd is dit onderdeel onontvankelijk. Bovendien kan artikel 3 van het E.V.R.M. niet dienstig worden aangevoerd tot staving van de nietigverklaring van een beslissing, waarbij zonder een verwijderingsmaatregel te nemen, uitsluitend over de hoedanigheid van vluchteling van verzoekster uitspraak wordt gedaan (R.v.St., nr. 39.750 van 18 juni 1992). 2.4 Geheel terecht en op gefundeerde wijze is vast te komen staan dat verzoekster geenszins aannemelijk heeft gemaakt de jaren voor haar vertrek in Tsjetsjenië verbleven te hebben, waardoor geen geloof kan gehecht worden aan haar recent verblijf in Tsjetjenië, noch aan haar vluchtmotieven. Verweerder stelt vast dat verzoeksters vage, algemene en ongestaafde beweringen, evenmin als haar verwijzingen naar andere beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen die niet kunnen worden gerelateerd aan haar situatie nu verzoeksters relaas als volstrekt ongeloofwaardig dient te worden beschouwd, hieraan afbreuk kunnen doen. Voorts kan het voordeel van de twijfel slechts worden verleend indien alle elementen werden onderzocht en men overtuigd is van de geloofwaardigheid van de afgelegde verklaringen (UNHCR, Guide des procédures et critères à appliquer pour déterminer le statut de réfugié, Genève, 1992, 54). 2.5 Verweerder merkt tenslotte op dat in het aanvullend verzoekschrift van verzoekster niet wordt verwezen naar de subsidiaire bescherming, terwijl dit nochtans verplicht is. Het aanvullend verzoekschrift dient niet enkel betrekking te hebben op de formele vereisten en alle elementen en grieven, maar ook op de eventuele toepassing van subsidiaire bescherming. Immers, daar waar sinds 10 oktober 2006 de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen automatisch onderzocht of er eventueel subsidiaire bescherming kan worden toegekend, dient vanaf 1 december 2006 expliciet in het verzoekschrift te worden vermeld waarom de subsidiaire beschermingsstatus van toepassing zou zijn. Aangezien verzoekster, zowel in haar initieel verzoekschrift (regeling van subsidiaire bescherming was toen nog niet van toepassing) als in haar aanvullend verzoekschrift tot voortzetting naliet om te verwijzen naar de elementen die de toepassing van de subsidiaire bescherming kunnen verantwoorden, diende de Vaste Beroepscommissie voor Vluchtelingen zich niet uit te spreken over de eventuele toekenning van subsidiaire bescherming aan verzoekster. Het eerste en enige middel is niet gegrond.”; 2.3. Overwegende dat verzoekster in de memorie van wederantwoord, die veeleer een herhaling is dan een samenvatting van het middel in het verzoekschrift, de schending aanvoert van “artikel 2 par. 2 en 3” van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, artikel 57/22 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdelingenwet), artikel 149 van de Grondwet, van de “principes van behoorlijk bestuur”, “principes van machtsoverschrijding” en de “algemene principes van het recht op een eerlijke en openbare behandeling van het proces”; dat zij tevens de schending aanvoert van de artikelen 39/65, 48/4 en 49/3 van de Vreemdelingenwet juncto artikel 3 van het E.V.R.M.; XIV-29.456-21/24 2.4. Overwegende dat noch de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen noch de “de principes van behoorlijk bestuur” van toepassing zijn op de jurisdictionele beslissingen van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen, die een administratief rechtscollege is; dat artikel 57/22 van de Vreemdelingenwet werd opgeheven bij artikel 194 van de wet van 15 september 2006 tot hervorming van de Raad van State en tot oprichting van een Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, met ingang van 1 december 2006; dat verzoekster niet concreet uiteenzet op welke wijze de bestreden beslissing “het recht op een eerlijke en openbare behandeling van de zaak” heeft geschonden; dat zij evenmin op concrete wijze duidelijk maakt in welke zin de Vaste Beroepscommissie haar beslissing op “onvolledige elementen” baseert; dat, wat de aangevoerde schending van de motiveringsplicht betreft, verzoekster zich beperkt tot algemene beschouwingen; dat zij evenwel niet concreet uitwerkt op welke wijze de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen de motiveringsplicht heeft geschonden bij het nemen van de bestreden beslissing; dat verder dient vastgesteld dat verzoekster nalaat aan te geven met welke (“andere”) elementen van subsidiaire bescherming de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen ten onrechte geen rekening heeft gehouden; dat verzoekster in de procedure voor de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen niet heeft uiteengezet waarom zij meende voor de toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus in aanmerking te komen; dat zij nochtans daartoe de kans had vermits haar op de mogelijkheid werd gewezen een verzoek tot voortzetting in te dienen; dat dit verzoekschrift tot voortzetting, dat een loutere herhaling vormt van het initiële beroepschrift, evenwel geen enkel argument bevat met het oog op het verkrijgen van de subsidiaire beschermingsstatus; dat verzoekster integendeel stelt dat “[haar] verklaringen (...) wel degelijk voldoende aanwijzingen [bevatten] voor een gegronde vrees voor vervolging in de zin van de Conventie van Genève”; dat slechts in huidig verzoekschrift voor de Raad van State zij zich baseert op haar Tsjetsjeense origine en op de toestand in het land van herkomst om aan te tonen dat zij aanspraak maakt op de subsidiaire beschermingsstatus; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen slechts nader dient in te gaan op gegevens die haar worden aangebracht ter ondersteuning van een aanvraag tot toekenning van de subsidiaire beschermingsstatus; dat de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen het dan ook niet kan verweten worden niet te zijn ingegaan op elementen inzake subsidiaire bescherming die men heeft nagelaten voor haar aan te brengen; dat met betrekking tot de schending van artikel 3 van het E.V.R.M, verzoeker dit evenmin voor de Vaste Beroepscommissie heeft aangevoerd, zodat het middel op dit punt niet ontvankelijk is; dat voor het overige verzoeksters middel er in wezen toe strekt de feitelijke beoordeling door de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen te bekritiseren; dat verzoekster eigenlijk om een andere inhoudelijke benadering van de feiten vraagt; dat de Raad van State als cassatierechter, niet bevoegd is XIV-29.456-22/24 om de feitenbeoordeling van de Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen over te doen; dat hij enkel de wettigheid van de hem voorgelegde beslissing kan nagaan; dat het de Raad van State niet toekomt de beoordeling van de feitenrechter in verband met de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas over te doen en op zijn beurt na te gaan of leemten in het relaas of gebrek aan kennis te verklaren zijn door de traumatische ervaringen die de asielzoeker heeft meegemaakt; dat dit ook geldt wat de beoordeling betreft van het eventueel voorhanden zijn van een binnenlands vestigingsalternatief; dat het de Raad van State als administratieve cassatierechter niet toekomt deze beoordeling (over) te doen; dat het enig middel onontvankelijk is; 2.5. Overwegende dat het beroep bij gebrek aan een ontvankelijk middel zelf niet ontvankelijk is; BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. XIV-29.456-23/24 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.456-24/24 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.129 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.