← België

Arrest 186130 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.130 Rolnummer: A. 186009/XIV-30013 Zaak: Arrest 186130 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.130 van 9 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.130 van 9 september 2008 in de zaak A. 186.009/XIV-30.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat J. DE LIEN, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Broederminstraat 38 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Libanese nationaliteit, op 26 november 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 23 oktober 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij hem de vluchtelingen- status en de subsidiaire beschermingsstatus worden geweigerd; Gelet op de beschikking nr. 1838 van 8 januari 2008 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 19 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van dat verslag aan de partijen; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2008; Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat J. DE LIEN, die verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; XIV-30.013-1/9 Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegrondheid van het beroep. 1.1.
  3. Overwegende dat verzoeker als eerste middel aanvoert: “EERSTE MIDDEL: Schending van artikel 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Schending van de principes van het EU procesrecht met name het algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie. Verzoeker betoogt dat onderhavig beroep geenszins voldoet aan de waarborgen zoals vastgesteld in bovenvermelde rechten. Verzoeker meent dat hij recht heeft op een beroep met volle rechtsmacht en dat onderhavig beroep hieraan niet voldoet. Verzoeker meent dat hij conform bovenvermelde principes recht heeft op een onderzoek van de feiten door het jurisdictioneel orgaan dat zijn beroep behandelt en dit omwille van het feit dat de natuur van een asielaanvraag een actuele beoordeling dient in te houden van zijn asielaanvraag op het moment van de finale beslissing. Dat dit recht beperkt wordt gezien verzoekster na het indienen van onderhavig beroep geen nieuwe stukken kan aanbrengen en geen geactualiseerde memorie/conclusie kan bijbrengen. Dat geenszins sprake kan zijn van een jurisdictioneel orgaan dat volle rechtsmacht heeft. Verzoeker zal aantonen dat de principes van art. 6 EVRM thans direct van toepassing zijn. Verzoeker zal verder aantonen dat ook art. 47 van het handvest van de grondrechten van de Europese Unie van toepassing is. Verzoeker zal aantonen dat het begrip "volle rechtsmacht" een bijzondere betekenis heeft en dat de betekenis varieert van materie tot materie. Verzoeker zal tenslotte aantonen dat de waarborgen van het Europees procesrecht volledig afwezig zijn en dit ondanks het feit dat de ganse materie van asiel thans onder het Europees recht ressorteert.
  4. Wat betreft de toepassing van art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Zowel de Kwalificatierichtlijn (2004/83) als de Procedurerichtlijn verwijzen direct naar het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie en dus ook naar art. 47 van het handvest. In juni 2006 citeerde het Europees Hof van Justitie het Charter derwijze dat het zijn rechtstreekse werking bevestigde. Het stelde dat de vermelding in de preambule in de richtlijn voldoende was om het Charter van toepassing te maken (...). Een Advocaat Generaal van het Europees Hof van Justitie stelde dat het Handvest de uitdrukking is van het hoogste niveau, van een democratisch gevestigde politiek consensus welke thans beschouwd moet worden als een catalogus van fundamentele rechten gewaarborgd in het Gemeenschapsrecht. Dat voor een preliminaire studie verwezen wordt naar volgende weblink: http://www.law.kuleuven.ac.be/jura/38n1/debussere.htm. Dat deze studie reeds liet uitschijnen wat het belang van het Handvest zou worden en thans heeft. XIV-30.013-2/9 Het handvest wordt geciteerd en toegepast in diverse materie zowel bij het Europees Hof van Justitie als bij nationale rechters. Dat ook het UNHCR deze visie is toegedaan. Dat verzoeker verwijst naar "The European asylum procedures directive in Legal context.” Research Paper No.
  5. p. 20 ev. (www.unhcr.org) Dat de toepassing van art. 47 van het Handvest dan ook gewaarborgd dient te worden in alle zaken die de Europese Unie regelt waaronder het asielrecht. Dat art. 47 als volgt luidt: Recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een onpartijdig gerecht Eenieder wiens door het recht van de Unie gewaarborgde rechten en vrijheden zijn geschonden, heeft recht op een doeltreffende voorziening in rechte, met inachtneming van de in dit artikel gestelde voorwaarden. Eenieder heeft recht op een eerlijke en openbare behandeling van zijn zaak, binnen een redelijke termijn, door een onafhankelijk en onpartijdig gerecht dat vooraf bij wet is ingesteld. Eenieder heeft de mogelijkheid zich te laten adviseren, verdedigen en vertegenwoordi- gen. Rechtsbijstand wordt verleend aan diegenen die niet over toereikende financiële middelen beschikken, voorzover die bijstand noodzakelijk is om de daadwerkelijke toegang tot de rechter te waarborgen. Dat de invulling van art. 47 gelijklopend is met de invulling van art. 6 EVRM met het verschil dat het toepassingsgebied zich uitstrekt niet alleen over burgerlijke en strafrechtelijke materies maar ALLE materies die het Europees recht regelt waaronder dus ook het asielrecht. Dat de tekst zowel art. 13 EVRM als art. 6 EVRM incorporeert. Dat de rechtspraak ivm art. 6 EVRM dan ook relevant is ter beoordeling van het feit of dat onderhavig beroep voldoet aan de voorwaarde zoals gesteld in het Europees Handvest. Dat evenwel art. 47 van het handvest geen vereiste stelt van burgerlijke of politieke rechten.
  6. Begrip “volle rechtsmacht”. Verzoeker stelt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen volle rechtsmacht dient te hebben en thans niet voldoet aan deze vereist. Verzoeker betoogt dat het principe dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen geen eigen onderzoek kan stellen in strijd is met het begrip "full jurisdiction" volle rechtmacht zoals vastgelegd in het EVRM en dus indirect van toepassing via art. 47 van het Handvest (zie hierboven). ‘Full jurisdiction' Van belang is om te beginnen dat artikel 6 lid 1 EVRM niet alleen toegang tot een rechter garandeert maar ook eisen stelt aan de rechterlijke toetsing van overheidsoptre- den. In het kader van een procedure moet op grond van vaste jurisprudentie ten minste één rechterlijke instantie met volledige rechtsmacht ('full jurisdiction') de betreffende besluiten kunnen controleren (...). De eis van 'full jurisdiction' houdt in dat de betreffende rechter de bevoegdheid moet hebben: 'to examine all questions of fact and law relevant to the dispute before it.’ (...) De rechter moet op grond van artikel 6 lid 1 EVRM dus alle voor het betreffende geschil relevante vragen van juridische en feitelijke aard kunnen onderzoeken. Het is belangrijk om expliciet te constateren dat er geen onderscheid wordt gemaakt tussen rechtsvragen en feitelijke vragen (...). Uit het voorgaande volgt dat de rechter om te voldoen aan de eisen van artikel 6 EVRM dus ook moet kunnen oordelen over de vaststelling van de feiten als deze relevant zijn in het geschil. Daarmee is van belang wat wordt bedoeld met 'facts relevant to the dispute'. Immers alleen met betrekking tot deze feiten geldt het vereiste van 'full jurisdiction'. Daarmee is de vraag aan de orde hoe intensief de rechter terzake moet kunnen toetsen. Uitgangspunt van de jurisprudentie van het EHRM lijkt te zijn dat de rechter een eigen oordeel over de feiten moet geven hetgeen impliceert dat hij de bestuurlijke feitenvast- stelling vol moet kunnen toetsen. Gewezen kan hier worden op de uitspraak van het XIV-30.013-3/9 EHRM in de zaak Terra Woningen t. Nederland. Daarin werd een schending van artikel 6 lid 1 EVRM aangenomen omdat de kantonrechter bij het vaststellen van een huurprijs niet zelfstandig wilde onderzoeken of er sprake was van bodemverontreini- ging (een factor bij het bepalen van de huurprijs) en het standpunt van Gedeputeerde Staten daarover zonder meer overnam. Dit ondanks het feit dat partijen van mening verschilden over de vraag of er inderdaad sprake was van bodemverontreiniging. Uit het voorgaande zou kunnen worden afgeleid dat een meer terughoudende - marginale toetsing van de feitenvaststelling nooit door de beugel zou kunnen,365 maar uit de zaak Bryan t. Verenigd Koninkrijk blijkt dat het EHRM onder bepaalde omstandigheden daarmee wel genoegen neemt (...). Deze zaak betrof een handhavings- besluit op grond waarvan de heer Bryan twee huizen moest slopen en bouwmateriaal moest verwijderen. Daartegen kwam hij vergeefs op bij het bestuursorgaan dat het besluit nam, waarna er beroep werd ingesteld bij de rechter. Daar kon echter de juistheid van de vastgestelde feiten die de basis vormden van het besluit niet meer direct worden betwist. De rechter was alleen bevoegd ten aanzien van rechtsvragen en kon geen nader bewijs ontvangen. Wel had de rechter de bevoegdheid om te beoordelen of de procedure waarin de feiten waren vastgesteld rechtmatig was en of de feitenvaststel- ling 'perverse or irrational' was. Beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling bevinden zich dus 'in de gevarenzone van artikel 6 EVRM', maar zijn gelet op de zaak Bryan niet zonder meer ongeoorloofd. Voor dergelijke beperkingen moet wel een overtuigende rechtvaardigingsgrond bestaan, zoals de oord van het materiële rechtsgebied en de daaraan verbonden bestuurlijke vrijheid en het gespecialiseerde karakter van de feitenvaststelling. Daarbij is van belang dat de bestuurlijke feitenvaststelling in een met voldoende waarborgen omklede - quasirechterlijke gespecialiseerde administratieve voorprocedure heeft plaatsgevonden. Hieruit lijkt voort te vloeien dat het in dergelijke gevallen in het licht van artikel 6 EVRM ook mogelijk is grenzen te stellen aan het inbrengen van bepaald nieuw bewijsmateriaal in de rechterlijke procedure. Sommige bewijsmateriaal vergt immers een geheel nieuwe beoordeling door de rechter, iets waartoe hij echter juist niet in staat is gelet op, bijvoorbeeld, de daartoe vereiste specialisatie. De beperkingen van rechterlijke controle op de bestuurlijke feitenvaststelling mogen in ieder geval nooit zo ver gaan dat de rechter zich geheel verlaat op het oordeel van het bestuur. Dat zou immers feitelijk betekenen dat de betrokkene opdat punt geen toegang heeft tot de rechter. Er moet in het kader van de rechterlijke procedure een debat kunnen worden gevoerd over de juistheid van het bestuurlijke feitenoordeel en de wijze waarop dat tot stand is gekomen. Het geheel uitsluiten daarvan kan blijkens de jurisprudentie van het EHRM niet door de beugel. Gewezen kan worden op de al genoemde zaak Terra Woningen t. Nederland en op de meer recente zaak Chevrol t. Frankrijk (...). Deze laatste zaak werd aan het EHRM voorgelegd nadat de Franse Raad van State (Conseil d'Etat) het beroep van verzoekster tegen de weigering haar Algerijnse artsexamen te erkennen had afgewezen. Daarbij heeft de Raad van State zijn eigen jurisprudentie gevolgd, waarbij hij, bij de beantwoording van de vraag of de betreffende verdragen toepasselijk waren, zich geheel heeft verlaten op het oordeel van een bestuursorgaan, ook waar dat de feitenvaststelling betrof. Het EHRM is daarover kritisch: ook al lijkt raadpleging van de minister door de Raad van State over de beoordeling van de voorwaarde van wederkerigheid bij de erkenning van diploma's noodzakelijk, door deze wijze van werken verplicht de Raad van State zich het oordeel te volgen van de minister, dat wil zeggen van. een buiten de Raad staande en tot de uitvoerende macht behorende autoriteit, zonder het oordeel van die autoriteit aan kritiek of aan een contradictoir debat te onderwerpen. Het Hof is verder van oordeel dat met betrekking tot het inwinnen van het oordeel van de minister, dat bepalend zou zijn voor hetgeen in het geschil ter beslissing stond, voor appellante geen enkele voorziening openstond. Zij heeft geen enkele gelegenheid gekregen zich uit te spreken over het gebruik van het ministerieel oordeel, of over de formulering van de aan de minister gestelde vraag, of over de elementen van de beantwoording van die vraag. Appellante XIV-30.013-4/9 heeft aan de Raad van State verscheidene stukken overgelegd om aan te tonen dat de Algerijnse overheid de betreffende regelingen feitelijk wel degelijk toepaste. Deze stukken zijn zelfs niet onderzocht door de Raad, die derhalve niet heeft willen onderzoeken of zij een goede grondslag voor het betoog van appellante vormden. Aldus heeft de Raad zich gebonden geacht aan het oordeel van de minister, en zichzelf de bevoegdheid ontzegd om feitelijke gegevens die beslissend konden zijn voor het aan hem voorgelegde geschil in zijn beoordelingen te betrekken. Onder deze omstandighe- den kan volgens het EHRM niet worden gezegd dat appellante toegang heeft gehad tot een rechterlijke instantie die een toereikende bevoegdheid had, dan wel erkende dat zij een dergelijke bevoegdheid had, om zich te buigen over alle feitelijke en juridische kwesties die relevant waren om het geschil te beoordelen. Toegepast op de beroepsprocedure bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen, meent verzoeker dat deze procedure geenszins voldoet. Dat de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen ambtshalve dient over te gaan tot een onderzoek van alle feiten relevant voor deze zaak. Meer bepaald dient zij zich ervan te vergewissen dat verzoeker geen enkel risico op een mensonterende behandeling zal ondergaan wanneer hij terug zou keren naar Libanon. De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen negeert in zijn geheel de aanvullende nota en replieknota van verzoeker verwijzend naar art. 39/60 en 39/76 van de Vreemdeling- enwet. Dat verzoeker van mening is dat deze bepalingen in strijd zijn met art. 47 van het Handvest. Dat verzoeker in extenso had uiteengezet waarom de Raad voor Vreemdelingenbetwis- tingen rekening diende te houden met de aanvullende nota en repliekmemorie. Dat van al deze gegevens geen letter in het bestreden arrest wordt vermeld. Dat het een schending van de rechten van verdediging is door verzoeker van mening is dat zich dienstig moet kunnen verweren tegen de repliek van het Commissariaat- Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen.
  7. Algemeen rechtsbeginsel van recht van verdediging en het beroep met volle rechtsmacht zoals vastgelegd in de rechtspraak van het Europees Hof van Justitie Verzoeker stelt dat mocht art. 47 van het Handvest geen rechtstreekse werking hebben het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging algemene rechtsbeginselen zijn waarop verzoeker zich rechtsreeks op kan beroepen. Verzoeker verwijst naar het zaak 222/86 (Heylens) waarin voormeld principe van de rechten van verdediging bevestigd wordt.
  8. AANGEZIEN DE VRIJE TOEGANG TOT HET ARBEIDSPROCES EEN FUNDAMENTEEL RECHT IS DAT HET VERDRAG AAN IEDERE WERKNEMER VAN DE GEMEENSCHAP INDIVIDUEEL TOEKENT, IS DE MOGELIJKHEID VAN BEROEP IN RECHTE TEGEN IEDERE BESLISSING VAN EEN NATIONA- LE INSTANTIE WAARBIJ DE UITOEFENING VAN DAT RECHT WORDT GEWEIGERD, VAN WEZENLIJK BELANG OM DE PARTICULIER EEN DOELTREFFENDE BESCHERMING VAN ZIJN RECHT TE WAARBORGEN . DIT VEREISTE VORMT EEN ALGEMEEN BEGINSEL VAN GEMEENSCHAPS- RECHT, DAT VOORTVLOEIT UIT HET CONSTITUTIONELE ERFGOED DAT ALLE LID-STATEN GEMEEN HEBBEN EN DAT EVENEENS IS NEERGELEGD IN DE ARTIKELEN *6 EN *13 VAN HET EUROPEES VERDRAG TOT BESCHER- MING VAN DE RECHTEN VAN DE MENS Verzoeker herhaalt de uiteenzetting inzake volle rechtsmacht en stelt dat het recht op een beroep met volle rechtsmacht en de rechten van verdediging een algemeen rechtsbeginsel zijn. Verzoeker meent dat ook dat gelet op het feit dat huidige Vreemdelingenwet de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen niet toelaat dergelijk onderzoek te voeren de initiële beslissing voorgenoemde artikelen schendt. Dat het beroep bij de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen hoogstens een beroep tot herziening genoemd kan worden. Dat verzoeker eveneens verzoekt aan de Raad voor State een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie die als volgt luidt: XIV-30.013-5/9 "Dienen de lidstaten te voorzien in een beroep bij een administratief rechtscollege inzake de materie van de Kwalificatierichtlijn 2004/83 en houdt art. 47 van het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie of het algemeen rechtsbeginsel recht op verdediging en recht op een beroep met volle rechtsmacht in dat deze administratieve rechtscolleges over een eigen onder-zoeksbevoegdheid te beschikken die hen toelaat tot op de dag van de eindbeslissing onderzoek te verrichten naar alle relevante feiten die nuttig zijn om de zaak te beoordelen".”; 1.1.
  9. Overwegende dat in tegenstelling tot hetgeen verzoeker voorhoudt, uit de bestreden beslissing genoegzaam blijkt dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen heeft onderzocht of hij in aanmerking komt voor de vluchtelingenstatus of de subsidiaire beschermingsstatus, hetgeen, haars inziens, niet het geval is; dat dit besluit inzonderheid steunt op de - overigens niet betwiste - vaststelling dat zij in het ongewisse blijft over de precieze reden waarom verzoeker wordt vervolgd door de Hezbollah daar hij noch in zijn beroepschrift noch ter zitting de door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen vastgestelde ernstige tegenstrijdigheden en de voorgehouden vervolging door de Hezbollah nader toelicht en hij geen concrete elementen aanvoert waaruit blijkt dat hij in aanmerking komt voor de toekenning van de subsidiaire bescherming; dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker beweert, de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - onder verwijzing naar de artikelen 39/60 en 39/76 van de Vreemdelingenwet - geenszins zijn aanvullende nota en zijn replieknota “negeert”, doch genoegzaam motiveert waarom deze niet in aanmerking worden genomen, met name omdat - zoals overigens door verzoeker niet wordt betwist - hij in deze nota’s geen “nieuwe elementen en/of nieuwe bewijzen” aanbrengt doch wel nieuwe middelen aanvoert die betrekking hebben op de bestreden beslissing van de Commissaris- generaal, terwijl niets hem belette deze middelen aan te voeren in het inleidend verzoek- schrift; dat aldus naar behoren wordt gemotiveerd waarom deze buiten de beroepstermijn aangevoerde middelen niet in overweging worden genomen; dat dient opgemerkt dat, in tegenstelling tot hetgeen verzoeker meent, het Handvest van de Grondrechten van de Europese Unie geen bindende rechtsbron is; dat, wat de ingeroepen schending van artikel 6 van het E.V.R.M. en de daarop gebaseerde argumenten betreft, betwistingen in verband met de toegang, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen en de erkenning van hun asielrecht buiten de toepassingssfeer van voormeld artikel 6 van het E.V.R.M. vallen omdat de desbetreffende regels een publiekrechtelijk karakter hebben; dat voormeld artikel in deze niet toepasselijk is omdat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen noch over burgerlijke rechten noch over de gegrondheid van een strafvervolging uitspraak doet; dat hij er door de wet mee belast is na te gaan of de betrokkene beantwoordt aan de definitie van vluchteling zoals bepaald in het Internationaal Verdrag betreffende de status van Vluchte- lingen, ondertekend te Genève op 28 juli 1951, goedgekeurd bij de wet van 26 juni 1953; dat, gelet op hetgeen voorafgaat en op het feit dat de ontwikkelde uiteenzetting in het middel XIV-30.013-6/9 volledig is afgeleid uit artikel 47 van het Handvest voor de Grondrechten van de Mens en uit artikel 6 van het E.V.R.M., die in deze niet toepasselijk zijn, dan ook niet dient te worden ingegaan op de vraag om een prejudiciële vraag te stellen aan het Europees Hof van Justitie; dat het eerste middel in de mate het ontvankelijk is, niet gegrond is; 1.2.
  10. Overwegende dat verzoeker als tweede middel aanvoert: “TWEEDE MIDDEL: Schending van het artikel 39/56 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 39/59 van de Vreemdelingenwet. Schending van het artikel 3 van het Koninklijk besluit houdende de rechtspleging voor de Raad voor Vreemdeling- enbetwistingen. Art. 39/56 van de Vreemdelingenwet luidt als volgt: "Art. 39/
  11. De beroepen bedoeld in artikel 39/2 kunnen voor de Raad worden gebracht door de vreemdeling die doet blijken van een benadeling of van een belang. De Minister of diens gemachtigde kan een beroep instellen tegen een beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen, die hij strijdig acht met de wet of met de Koninklijke besluiten die ermee in verband staan. De partijen mogen zich laten vertegenwoordigen of bijstaan door advocaten die ingeschreven zijn op de tabel van de Orde der Advocaten of op de lijst van de stagiairs, alsook, volgens de bepalingen van het Gerechtelijk Wetboek, door de onderdanen van een lidstaat van de Europese Unie die gerechtigd zijn om het beroep van advocaat uit te oefenen. Onverminderd deze mogelijkheid, wordt bij een beroep tegen een beslissing van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, deze partij vertegenwoordigd door de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen, door een van de adjuncten of door een door de Commissaris-Generaal aangewezen gemachtigde." Op de zitting d.d. 10.08.2007 was de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen in casu beweerdelijk vertegenwoordigd door attaché L. VANDERVOORT. Uit geen enkel stuk uit het administratief dossier blijkt dat L. VANDERVOORT een aangewezen gemachtigde van de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen zou zijn. De raadsman van verzoeker heeft tijdens de zitting van 12.10.2007 uitdrukkelijk gesteld dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig vertegenwoordigd was en heeft de voorzitter uitdrukkelijk verzocht de machtiging van de vertegenwoordiger te onderzoeken. De beweerde gemachtigde repliceerde dat er een brief zou zijn van de Commissaris Generaal waaruit zijn machtiging zou blijken. Hij was echter niet in het bezit van deze brief en wist zelfs niet wanneer deze brief zou zijn verstuurd. Verzoeker is van mening dat elkeen die beweert gemachtigd te zijn door de Commissa- ris Generaal voor de Vluchtelingen en verschijnt voor de Raad voor Vreemdelingenbe- twistingen hiervan bewijs dient te leveren op de zitting zelf, of minstens dat het dossier zelf een spoor bevat van deze machtiging. Ondergeschikt meent verzoekster dat een dergelijke machtiging een procedurestuk betreft dat in eik dossier dient te worden bijgevoegd zodat het controleerbaar is. Verzoeker stelt vast dat van de opgeworpen procedurekwestie geen spoor in het arrest hieromtrent te vinden. Derhalve kan geen machtiging worden aangetoond. Dat zulks een machtiging een procedurestuk betreft dat zich in het dossier dient te bevinden. Dat een algemene machtiging niet kan en indien er zulks een algemene machtiging zou bestaan dan diende de Commissaris-Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dan ook toepassing moeten maken van het artikel 39/59 § 2 van de Vreemdelingenwet. XIV-30.013-7/9 Dit artikel 39/59 §2 luidt als volgt: "§
  12. Alle partijen verschijnen ter terechtzitting of zijn er vertegenwoordigd. Wanneer de verzoekende partij noch verschijnt noch vertegenwoordigd is, wordt het beroep verworpen. De andere partijen die niet zijn verschenen of niet vertegenwoordigd zijn, worden geacht in te stemmen met de vordering of het beroep. In elke kennisgeving van een beschikking tot vaststelling van de rechtsdag wordt melding gemaakt van deze paragraaf.” De Raad voor Vreemdelingenbetwistingen had dus moeten vaststellen dat de Commissaris Generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen niet geldig was vertegen- woordigd en dat het artikel 39/59 volle uitwerking diende te krijgen, met name dat er ingestemd werd met de vordering. Dit middel zou moeten leiden tot cassatie van de bestreden beslissing.”; 1.2.
  13. Overwegende dat uit geen enkel stuk van het administratief dossier, inzonderheid het verslag van de zitting van 12 oktober 2007 en de bestreden beslissing, blijkt dat de raadsman van verzoeker tijdens voormelde zitting van 12 oktober 2007 uitdrukkelijk zou hebben gesteld “dat het Commissariaat-Generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen niet geldig vertegenwoordigd was”, laat staan dat hij “de voorzitter uitdrukkelijk (heeft) verzocht de machtiging van de vertegenwoordiger te onderzoeken”; dat het rechtscollege dan ook geenszins verplicht was daaromtrent een redengeving in haar beslissing op te nemen; dat het tweede middel niet ontvankelijk is;
  14. Overwegende dat er grond is om toepassing te maken van artikel 19 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; dat het cassatieberoep wordt verworpen, BESLUIT: Artikel
  15. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  16. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-30.013-8/9 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-30.013-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.130 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.