← België

Arrest 186133 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.133 Rolnummer: A. 107055/X-10422 Zaak: Arrest 186133 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-24 Raadplegingen: 65 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.133 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.133 van 9 september 2008 in de zaak A. 107.055/X-10.

  1. In zake :
  2. Daniël BEKAERT,
  3. Reginette SAELENS, die woonplaats kiezen bij advocaat B. STAELENS, kantoor houdende te 8000 BRUGGE, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus 1 tegen :
  4. de gemeente MOORSLEDE, die woonplaats kiest bij advocaat X. D’HULST, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Doorniksewijk 66,
  5. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat Y. FRANCOIS, kantoor houdende te 8790 WAREGEM, Eertbruggestraat
  6. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniël BEKAERT en Reginette SAELENS op 6 juli 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 2 mei 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente MOORSLEDE waarbij aan Dirk DEGRAEVE- DESIMPELAERE de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het plaatsen van een houten tuinomheining op een perceel gelegen te Moorslede, Elzerijstraat 14, kadastraal bekend sectie A, nr. 411/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 25 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.422-1/19 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 22 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 16 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat M. DEWEIRDT, die loco advocaat X. D’HULST verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat Y. FRANCOIS, die verschijnt voor de tweede verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  7. De rechtspleging 1.1.
  8. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord vooreerst dat zij een beslissing van de eerste verwerende partij bestrijden, dat zij enkel de eerste verwerende partij als tegenpartij hebben aangeduid en dat de omstandigheid dat de eerste verwerende partij bij het nemen van haar beslissing tevens een toelating dient te bekomen van de Vlaamse regering of van de gemachtigde ambtenaar, niet inhoudt dat de bestreden beslissing tevens een beslissing is van de gemachtigde ambtenaar. De tweede verwerende partij kon eventueel in de zaak tussenkomen, wat niet betekent dat zij een verwerende partij is en haar verweer in een memorie van antwoord kan laten gelden. Het verweer van de tweede verwerende partij betreft de beslissing van de eerste verwerende partij. Eerstgenoemde partij heeft daarbij geen belang, zodat haar verweer onontvankelijk is. 1.1.
  9. Zoals de Raad van State reeds herhaaldelijk heeft gewezen, is de procedure voor de Raad van State van inquisitoriale aard, zodat de magistraat die met toepassing van artikel 5 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot X-10.422-2/19 regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State is aangewezen om te waken over de maatregelen die aan het onderzoek van de zaak voorafgaan, bevoegd is om in voorkomend geval ambtshalve de overheidspersonen aan te wijzen die als verwerende partijen in aanmerking komen. De toestemming van de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar in toepassing van artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : het coördinatiedecreet), is een noodzakelijke voorwaarde om de bestreden vergunning te kunnen verlenen, zodat de auditeur-verslaggever het Vlaamse gewest terecht als de tweede verwerende partij heeft aangewezen en deze partij met betrekking tot de bestreden beslissing op ontvankelijke wijze een verweer vermag te voeren. 1.2.
  10. De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord verder nog dat de eerste verwerende partij haar beslissing niet heeft verdedigd en haar verweer heeft beperkt tot de opmerking dat zij de vergunning pas verleende nadat een afwijkingsvoorstel op de bestaande verkavelingsvoorschriften door AROHM gunstig werd geadviseerd. De eerste verwerende partij kan zich volgens de verzoekende partijen niet verschuilen achter deze toelating van de gemachtigde ambtenaar. Dat zij dit wel doet, betekent dat zij haar beslissing enkel en alleen genomen heeft op grond van het zogenaamd gunstig advies van AROHM, zonder de vergunningsaanvraag zelf te beoordelen en zonder de substantiële formaliteiten na te leven, zodat de middelen gegrond zijn. Gelet op dit laatste en op de onontvankelijkheid van het verweer van de tweede verwerende partij, dient de bestreden beslissing te worden vernietigd. 1.2.
  11. Zoals hoger, onder randnummer 1.1.
  12. werd uiteengezet, is het verweer van de tweede verwerende partij wel degelijk ontvankelijk. Verder bepalen noch de gecoördineerde wetten op de Raad van State, noch het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, dat een beperkt verweer in de memorie van antwoord van de verwerende partij tot het gegrond bevinden van de middelen zou moeten leiden.
  13. De feiten 2.
  14. De verzoekende partijen en de echtgenoten Degraeve- Desimpelaere bewonen aan de Elzerijstraat te Moorslede aanpalende percelen van X-10.422-3/19 een verkaveling, vergund door het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moorslede op 2 september
  15. De voorschriften van deze verkavelingsvergunning bepalen met betrekking tot de afsluiting van de percelen, dat de percelen in de achteruitbouwstrook zijdelings mogen worden afgewerkt met hagen van hoogstens 0,60 m hoog, en dat vanaf de uiterste voorbouwlijn gemene hagen of roestvrij vlechtwerk (metaal of vinyl) mogen voorkomen van maximaal 1,20 m hoog tussen lichte stijlen, of beide samen verwerkt. Verder wordt in deze voorschriften bepaald dat betonplatenmuren verboden zijn. 2.
  16. Tussen de aanpalende eigendommen is een afsluiting geplaatst in groene vlechtdraad. Begin februari 2001 dienen de echtgenoten Degraeve- Desimpelaere bij het gemeentebestuur van de gemeente Moorslede een aanvraag in tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het plaatsen van een houten omheining van 1,80 m hoog, op een afstand van 0,50 m van de bestaande draad op de perceelsgrens met de eigendom van de verzoekende partijen. De van kracht zijnde verkavelingsvoorschriften laten dergelijke afsluiting niet toe en zij vragen tegelijk een afwijking van die voorschriften. 2.
  17. Tijdens het openbaar onderzoek dat over de aanvraag wordt gehouden, dienen de verzoekende partijen op 15 maart 2001 een bezwaarschrift in, daarbij onder meer stellende dat de procedure niet verloopt volgens artikel 57, §2, eerste lid, van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, en dat met de aanvragers een overeenkomst werd afgesloten over de wijze van afsluiting van de eigendommen. Met betrekking tot dit laatste punt, vraagt en verkrijgt het college van burgemeester en schepenen nog nadere toelichting van de raadsman van de aanvragers. 2.
  18. In de zitting van 11 april 2001 besluit het college van burgemeester en schepenen het ingediende bezwaarschrift ongegrond te bevinden en aan de gemachtigde ambtenaar een gunstig voorstel te richten om van de verkavelingsvoorschriften af te wijken voor het plaatsen van een houten afsluiting van 1,80 m hoog. X-10.422-4/19 2.
  19. Op 24 april 2001 adviseert de gemachtigde ambtenaar de afwijking toe te staan, aangezien de aanvraag geen “oneigenlijke wijziging” van de verkavelingsvoorschriften inhoudt en de “algemene strekking” ervan eerbiedigt en aangezien de voorgestelde houten afsluiting een “ruimtelijk geheel” vormt met de omgevende siertuinen. 2.
  20. Op 2 mei 2001 beslist het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moorslede de gevraagde stedenbouwkundige vergunning te verlenen. Dit is het bestreden besluit. In het bestreden besluit maakt de eerste verwerende partij integraal melding van het gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar om de afwijking toe te staan en motiveert zij haar standpunt verder als volgt: “Gezien de werken in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen, kunnen deze werken volgens het college van burgemeester en schepenen worden aanvaard”.
  21. De gegrondheid 3.
  22. Eerste middel 3.1.
  23. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 132 van het Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening” : “III.1 Voorafgaand : toepasselijke decretale bepalingen. III.1.1 Artikel 193, § 2 van het Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening bepaalt: ‘Zolang een gemeente niet voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in § 1, worden de aanvragen voor een stedenbouwkundige of een verkavelingsaan- vraag behandeld overeenkomstig artikel 43, § 1 tot en met § 5, artikel 44, 49, 51, 52, 53 en 55, § 1, eerste lid, van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, in de plaats van overeenkomstig artikel 106 tot en met 126 van dit decreet. De gemeente moet ook in dit geval de adviezen, genoemd in artikel 111, § 4 en § 5 van dit decreet, inwinnen. (...).’ In casu werd artikel 49 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 toegepast. De gemachtigde ambtenaar verwijst in zijn advies overigens uitdrukkelijk naar deze bepaling. Artikel 49 vindt men overigens ook terug in de opsomming van de artikelen die pas worden opgeheven vijf jaar na de inwerkingtreding van het Vlaamse Decreet Ruimtelijke Ordening. Artikel 49 voormeld bepaalt: ‘Op een met redenen omkleed voorstel van het college van burgemeester en schepenen kan de Vlaamse regering of de gemachtigde ambtenaar afwijkingen toestaan van de voorschriften van een door de Vlaamse regering goedgekeurd plan van aanleg en van de voorschriften van een verkavelingsvergunning, enkel X-10.422-5/19 wat de perceelsafmetingen, de afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken, alsmede de voorschriften in verband met hun uiterlijk betreft.’ III.1.2 De voorwaarden waaronder een verkavelingswijziging kon worden verleend, werden bepaald in artikel 55, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
  24. Deze paragraaf werd echter opgeheven bij artikel 171 Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening. Voormelde voorwaarden worden nu opgenomen in artikel 132 Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening, dat bepaalt: ‘§
  25. De eigenaar van een in een niet-vervallen verkaveling begrepen kavel kan voor het deel dat hij in eigendom heeft, een wijziging van de verkavelingsvergunning aanvragen. §
  26. De procedures die van toepassing zijn op het verkrijgen van een verkavelingsvergunning zijn eveneens van toepassing op de wijziging ervan. Alvorens zijn aanvraag in te dienen, zendt de, eigenaar een eensluidend afschrift ervan, bij aangetekende brief, aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben. De postbewijzen van afgifte van de aangetekende zendingen worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd. De bezwaren worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de datum van afgifte van de aangetekende zendingen bij de post. §
  27. De wijziging van de verkavelingsvergunning moet worden geweigerd als de eigenaar of de eigenaars van meer dan een vierde van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane kavels een gegrond bevonden bezwaar indienen binnen de termijn die daarvoor geldt, waaruit de onverenigbaarheid met de verkaveling of de omgeving ervan blijkt. (...)’ III.2 De vergunning werd verleend met miskenning van een substantiële formaliteit. De verkavelingsvergunning, waarvan de wijziging werd gevraagd, betreft een verkaveling van 5 loten. De aanvrager diende aldus de eigenaars van de vijf kavels, per aangetekend schrijven, een eensluidend afschrift van zijn aanvraag te bezorgen alvorens zijn aanvraag in te dienen. Verzoekende partijen hebben nimmer een (eensluidend) afschrift van de aanvraag ontvangen. De aanvrager heeft deze substantiële formaliteit miskend. De aanvrager diende de postbewijzen van de aangetekende zendingen te voegen bij zijn aanvraagdossier, hetgeen dus evenmin is geschied. Het college van burgemeester en schepenen, dat aldus op de hoogte was van de miskenning van deze formaliteit, heeft aldus ten onrechte de vergunning verleend. Cfr. (...): ‘Wel vereist het decreet bijkomend dat de eigenaar alvorens zijn aanvraag in te dienen, een eensluidend afschrift ervan bij aangetekende brief stuurt aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben. De postbewijzen van deze aangetekende zendingen worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd. Zoals vroeger dient te worden aangenomen dat deze kennisgeving een substantiële formaliteit is en dat het achterhalen van de identiteit van de diverse eigenaars zaak is van de aanvrager en op zijn risico geschiedt.’ Dat voormelde formaliteit een substantiële formaliteit is, is logisch en zelfs evident. De eigenaars van de kavels hebben de kavels aangekocht mede in acht genomen de verkavelingsvoorschriften. Een wijziging van de verkavelingsvoorschriften raakt rechtstreeks de belangen van de eigenaars van X-10.422-6/19 de kavels. Het is derhalve logisch en evident dat zij door de aanvrager dienen op de hoogte gesteld te worden van de concrete aanvraag tot wijziging. Het college van burgemeester en schepenen, dat vaststelde dat het aanvraagdossier niet de postbewijzen bevatte zoals hierboven bepaald, had de vergunning moeten weigeren. De vergunning werd aldus niet op rechtsgeldige wijze verleend”. 3.1.
  28. De eerste verwerende partij beperkt er zich in haar memorie van antwoord toe te stellen dat zij de betreffende vergunning tot het bouwen van een houten tuinomheining aan de echtgenoten Degraeve-Desimpelaere pas heeft afgeleverd nadat een afwijkingsvoorstel op de bestaande verkavelingsvoorschriften gunstig door AROHM werd geadviseerd. 3.1.
  29. De tweede verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : “1 Verzoekende partij put een eerste middel uit de vermeende schending van art. 132 van het Decreet van het Vlaamse Parlement van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening (...). Meer bepaald zou voor het indienen van de aanvraag niet aan de eigenaars die tot de verkaveling behoren een eensluidend afschrift van de aanvraag toegezonden zijn, wat de schending van een substantiële vormvereiste zou zijn. 2 Ten onrechte houdt verzoekende partij voor dat in casu de nieuwe procedure van art. 132 diende gevolgd te worden daar het oude art. 55 § 2 DRO zou afgeschaft zijn door art.
  30. In art. 171 van het nieuwe Decreet wordt zelfs expliciet vermeld dat alle artikelen van het DRO betreffende de vergunningsprocedure en voorwaarden van toepassing blijven zolang een gemeente niet voldoet aan de voorwaarden van art.
  31. Verzoekende partij roept de schending van een wetsartikel in dat nog niet van kracht is, zodat het middel manifest ongegrond is. 3 Hoe dan ook heeft verzoekende partij geen enkel belang bij het opwerpen van dit middel daar zij geen belangenschade aantonen. Doel van de wet is dat in geval van wijziging van de verkavelingsvoorschriften, alle betrokken eigenaars daarover uitspraak kunnen doen. Uit het administratief dossier blijkt dat alle eigenaars rechtstreeks aangeschreven werden (...) en er een openbaar onderzoek georganiseerd werd. Uit het door verzoekende partij ingediende bezwaarschrift blijkt ook dat zij wisten wat de inhoud van de aanvraag was. Aangezien verzoekende partij hun zeg hebben kunnen doen, en gedaan hebben, en daarover geoordeeld werd, lijden zij door de vermeende schending van een substantiële vormvereiste geen enkele schade, zodat zij geen belang hebben bij het opwerpen van dit middel (...). Het eerste middel is ongegrond”. 3.1.
  32. In haar laatste memorie betoogt de eerste verwerende partij wat volgt : X-10.422-7/19 “Volgens verzoekers werd de procedure van artikel 132 DRO met betrekking tot de te volgen administratieve procedure voor ‘een wijziging van een verkavelingsvergunning’ miskend bij het verlenen van een bestreden beslissing. Zoals de Auditeur bij de Raad van State terecht vaststelt betreft de bestreden beslissing géén wijziging van de betrokken verkavelingsvergunning, máár een stedenbouwkundige vergunning die volgens de procedure van art. 49 Coördinatiedecreet een individuele afwijking inhoudt van de voorschriften van de verkaveling. De verzoekers steunen zich dus op de verkeerde wettelijke bepalingen. De individuele afwijking van een verkavelingsvergunning dient te bekomen worden middels een stedenbouwkundige vergunning op basis van de procedure van artikel 49 Coördinatiedecreet (oude procedure), dan wel artikel 111bis DRO (nieuwe procedure). Het was dus deze laatste procedure die moest gevolgd worden, dewelke de Gemeente Moorslede ook correct gevolgd en gerespecteerd heeft. Het eerste middel is dan ook manifest ongegrond”. 3.1.5.
  33. Artikel 132, §§ 1 tot 3 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening luidt als volgt : “§
  34. De eigenaar van een in een niet-vervallen verkaveling begrepen kavel kan voor het deel dat hij in eigendom heeft, een wijziging van de verkavelingsvergunning aanvragen. §
  35. De procedures die van toepassing zijn op het verkrijgen van een verkavelingsvergunning zijn eveneens van toepassing op de wijziging ervan. Alvorens zijn aanvraag in te dienen, zendt de eigenaar een eensluidend afschrift ervan, bij aangetekende brief, aan alle eigenaars van een kavel die de aanvraag niet medeondertekend hebben. De postbewijzen van afgifte van de aangetekende zendingen worden bij het dossier van de aanvraag gevoegd. De bezwaren worden schriftelijk bij het college van burgemeester en schepenen ingediend binnen 30 dagen, te rekenen vanaf de datum van afgifte van de aangetekende zendingen bij de post. §
  36. De wijziging van de verkavelingsvergunning moet worden geweigerd als de eigenaar of eigenaars van meer dan een vierde van de in de oorspronkelijke vergunning toegestane kavels een gegrond bevonden bezwaar indienen binnen de termijn die daarvoor geldt, waaruit de onverenigbaarheid met de verkaveling of de omgeving ervan blijkt”. 3.1.5.
  37. De verzoekende partijen gaan er in hun betoog verkeerdelijk van uit dat de decretale voorwaarden en de procedure om een verkavelingswijziging te bekomen, zoals bepaald in artikel 132, §§ 1 tot 3 van het voormeld decreet van 18 mei 1999, toepassing vinden op de procedure waarbij, op grond van artikel 49 van het coördinatiedecreet, in het kader van een stedenbouwkundige vergunningsaanvraag, een afwijking van een verkavelingsvergunning wordt gevraagd. Het middel is ongegrond. X-10.422-8/19 3.
  38. Tweede middel 3.2.
  39. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van “artikel 132 Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening, schending van de artikelen 19, al. 3 en artikel 5.1.0, al. 2 van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen, schending van het redelijkheids- en zorgvuldigheidsbeginsel, schending van de formele en materiële motiveringsplicht” : “III.2.1 Eerste onderdeel : de verleende vergunning is onverenigbaar met de vergunde verkaveling, met de omgeving en met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Verzoekende partijen hebben er hierboven al op gewezen dat de verleende vergunning onverenigbaar is met de verkaveling, met de omgeving en met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. In de oorspronkelijke verkavelingsvoorschriften is voorzien in strikte bepalingen met betrekking tot de afsluitingen van de percelen, precies omwille van de omgeving. Deze worden volledig ongedaan gemaakt door de bestreden beslissing. De verkaveling is gelegen in een nog grotendeels ongerepte open ruimte. De tuinen van de kavels geven een vergezicht op de landelijke open en agrarische omgeving. In de verkavelingsvoorschriften werden betonplaten expliciet verboden. Merkwaardigerwijs werd dit verbod niet vermeld door de gemachtigde ambtenaar. De landschappelijk waardevolle omgeving ondergaat uiteraard een degradering door een afsluiting met betonplaten. Dit is echter eveneens het geval voor een bijna 2 meter hoge afsluiting met houtpanelen. Dit creëert eveneens een hoge blinde muur. Het plaatsen van een blinde muur over de volledige lengte van het perceel, zijnde een 50 tal meter, zal een belangrijk vergezicht van verzoekende partijen definitief ontnemen. Het plaatsen van een blinde muur doet per definitie afbreuk aan de schoonheidswaarde van het open landschap en is compleet onverenigbaar met de omgeving. De houten panelen zullen voor verzoekende partijen bovendien bijkomende waterlast veroorzaken. Het perceel van verzoekende partijen is een lager gelegen perceel. Het perceel vangt veel water op van de hogerliggende percelen (onder meer van het perceel van de aanvrager). De houten panelen zullen tot gevolg hebben dat een gedeelte van het perceel van verzoekende partijen nooit nog het zonlicht zal zien. Dit zal permanente vochtigheid en mosaantasting tot gevolg hebben én van de houtpanelen aan de zijde van het perceel van verzoekende partijen én van het perceelsgedeelte van verzoekende partijen dat paalt aan het perceel van de aanvrager. Bovendien zullen de houtpanelen geplaatst worden op een afstand van een 50-tal centimeter van de perceelsgrens en dus van de bestaande afsluiting. Niet alleen kan men zich terecht vragen stellen bij de schoonheidswaarde en opportuniteit van een dubbele afsluiting, maar het doet tevens het probleem ontstaan van het onderhoud van de tussenruimte. Het bestaan van een tussenruimte doet afbreuk aan de schoonheidswaarde van de omgeving. Verzoekende partijen lopen bovendien het risico dat de tussenruimte slecht zal onderhouden worden. X-10.422-9/19 Men kan zich bovendien afvragen hoe een dubbele afsluiting met tussenruimte van een halve meter kan verenigbaar zijn met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Verzoekende partijen hebben het perceel aangekocht omwille van de groene open ruimte en de schoonheidswaarde van het landschap. De verleende vergunning doet afbreuk aan de verkaveling, aan de omgeving en aan de goede plaatselijke ruimtelijk ordening. Niet alleen zal het perceel van verzoekende partijen in waarde dalen, het ontneemt hen ook het genot van de open en groene omgeving van de verkaveling. III.2.2 Tweede onderdeel: de beslissing berust op een onzorgvuldige feitenvinding en is onvoldoende gemotiveerd. Verzoekende partijen hebben er hierboven reeds op gewezen dat de gemeente beslist heeft op basis van een onvolledig aanvraagdossier. De aanvraag was immers niet vergezeld van postbewijzen van de aangetekende zendingen bedoeld in artikel 132 Vlaams Decreet Ruimtelijke Ordening. Bovendien blijkt uit de bestreden beslissing dat: 1/ de vergunningsaanvraag niet werd beoordeeld op de verenigbaarheid met de gewestplanbestemming; men zoekt in de bestreden beslissing overigens tevergeefs naar een aanduiding van de gewestplanbestemming; het feit dat de aanvraag betrekking heeft op een wijziging van een vergunde verkaveling belet uiteraard niet dat de gewestplanbestemming in de beoordeling moet betrokken worden; 2/ het bezwaar van verzoekende partijen niet werd beoordeeld; er werd enkel aangegeven dat ‘de werken in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen’; nochtans had(den) verzoekende partijen er uitdrukkelijk op gewezen dat (z)ij geen voorafgaande verwittiging had(den) ontvangen en dat (z)ij door de aanvraag in (hun) belangen werd(en) geschonden; 3/ de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvoorschriften niet werd beoordeeld aan de hand van alle bestaande verkavelingsvoorschriften; verzoekende partijen hebben er hierboven reeds op gewezen dat men in de bestreden beslissing vruchteloos zoekt naar het gegeven dat in de vergunde verkaveling betonplaten verboden zijn. Dit voor de vergunningsaanvraag uiterst belangrijk gegeven werd niet bij de beoordeling betrokken. Nochtans heeft het plaatsen van houten panelen of betonplaten hetzelfde ruimtelijk effect. Wat expliciet verboden werd bij de vergunde verkaveling, wordt nu bij een afwijkingsaanvraag toegelaten. De bestreden beslissing schendt aldus op manifeste wijze bovenvermelde beginselen en bepalingen”. 3.2.
  40. De eerste verwerende partij beperkt zich er in haar memorie van antwoord toe te stellen dat zij de betrokken vergunning tot het bouwen van een houten tuinomheining aan de echtgenoten Degraeve-Desimpelaere pas heeft afgeleverd nadat een afwijkingsvoorstel op de bestaande verkavelingsvoorschriften gunstig door AROHM werd geadviseerd. 3.2.
  41. De tweede verwerende partij repliceert in haar memorie van antwoord wat volgt : X-10.422-10/19 “1 Verzoekende partij put het eerste onderdeel van hun tweede middel uit de vermeende schending van art. 132 van de hoger genoemde Decreet van 18 mei 1999 en het K.B. van 28 december
  42. Meer bepaald zou door de toegestane afwijking de goede plaatselijke ruimtelijke ordening geschonden worden, quod non. Het tweede onderdeel wordt geput uit de vermeende schending van de formele motiveringsverplichting. De aanvraag zou niet in concreto getoetst zijn aan de ordeningsvoorschriften en het bezwaarschrift zou niet inhoudelijk beoordeeld geweest zijn, quod non. 2 Eerste onderdeel. Verzoekende partij probeert de Raad een verkeerd beeld te schetsen door voor te houden dat de verkaveling gelegen is in een open gebied met langs alle kanten vergezichten. De foto’s die (...) overgelegd worden tonen de realiteit. Uit die foto’s - en het kadasterplan - blijkt dat de bebouwingsgraad van de omgeving normaal is voor een landelijke gemeente. Alle woningen zijn langs de verkeersaders gesitueerd en zijn open bebouwingen. Elke perceel is echter duidelijk afgescheiden van de andere door siertuinen, zodat er van vergezichten geen sprake kan zijn. In die zin is de beoordeling van de gemachtigde ambtenaar en het CBS correct, met name dat de afwijking geen afbreuk doet aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en perfect past in het straatbeeld. De Raad kan zich niet in de plaats van de overheid stellen voor de beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Hij kan enkel door middel van een marginale toetsing nagaan of de beoordeling kennelijk onredelijk is of niet. Verzoekende partij toont geenszins aan dat de bestreden beslissing kennelijk onredelijk is. 3 Verzoekende partij werpen een aantal bezwaren op, die geenszins kunnen overtuigen. Vooreerst dient opgemerkt te worden dat beide eigenaars op hun eigendom hagen aangeplant hebben met ook een hoogte van minstens 1,80 m, wat op zich hetzelfde effect qua zicht geeft als het houten vlechtwerk. De bestaande hagen - en beplanting in het algemeen - belemmeren ook het beweerde vergezicht. Voor het houten vlechtwerk staat daarenboven nog de haag van verzoekende partij, zodat zij niet op het houten vlechtwerk zullen kijken, doch op hun eigen haag. Qua zicht verandert er voor verzoekende partij niets. Het is verwerende partij niet duidelijk welke wateroverlast het plaatsen van een houten afsluiting teweeg zou kunnen brengen. Zoals verzoekende partij stelt, is hun perceel lager gelegen. Het plaatsen van een afsluiting op een hoger gelegen perceel zal het water tegen houden. Verzoekende partij zal minder water op hun perceel zien vloeien... Het betreft trouwens een probleem van louter burgerrechtelijke aard, waarover de Raad geen uitspraak kan doen. Verzoekende partij bewijst niet dat door het houten vlechtwerk de bezonning nadelig zou beïnvloed worden. En zonstudie wordt niet voorgelegd. Daarenboven blijkt uit de ligging van de percelen dat minstens ’s namiddags ook dit deel van het perceel van verzoekende partij bezond is. Zoals hoger aangehaald, nemen de bestaande hagen niet meer of minder zon weg dan het vergunde bouwwerk. De vragen die verzoekende partij zich stelt omtrent het onderhoud van de zogenaamde tussenruimte, zijn louter hypothetisch en niet relevant. Een gebrek aan onderhoud is een probleem van de burgerlijke rechtbanken en geen beoordelingsgrond voor de overheid of de Raad. Een beweerde waardedaling of genotsderving, wordt niet gestaafd door stukken en is opnieuw een louter probleem van burgerlijk recht. Het plaatsen van afsluitingen is trouwens een normaal fenomeen in verkavelingen. 4 Tweede onderdeel. X-10.422-11/19 De opmerking dat het dossier niet volledig was en dus art. 132 van het Decreet van 18 mei 1999 zou schenden, werd bij de bespreking van het eerste middel al weerlegd. De overheid had alle stukken nodig voor het maken van een correcte beoordeling. - de bestemming van het perceel is krachtens het gewestplan woongebied met landelijk karakter. In het bestreden besluit wordt dit inderdaad niet concreet vermeld, doch is op zich geen verplichting. In elk geval beantwoordt de aanvraag aan de bestemmingsvoorschriften, zodat verzoekende partij geen enkele belangenschade lijdt door het ontbreken van deze vermelding; - in strijd met wat verzoekende partij voorhoudt, werd het ingediende bezwaarschrift wel beoordeeld, met name op 11.04.2001 (...). Het werd als ongegrond verworpen daar de opmerking inzake formalisme niet correct is (zij werden aangeschreven) en de inhoud van de dading niet relevant is voor de beoordeling van de aanvraag. Een concreet bezwaar inzake ruimtelijke ordening werd niet ingediend; - volgens verzoekende partij zou niet aangeduid worden waarom thans wel houten vlechtwerk toegelaten wordt, terwijl betonplaten verboden zijn, wat eenzelfde ruimtelijke impact zou hebben. Uit het administratief dossier blijkt duidelijk dat de ruimtelijke impact beoordeeld werd en men tot het besluit kwam dat houten vlechtwerk aanvaardbaar is gezien de plaatsgesteldheid, in het bijzonder de aangelegde siertuinen. Hoger werd al aangetoond dat deze beoordeling niet kennelijk onredelijk is. Het tweede middel is ongegrond”. 3.2.
  43. De verzoekende partijen dupliceren in hun memorie van wederantwoord wat volgt : “Het Vlaamse Gewest maakt geen onderscheid tussen de beslissing van de gemachtigde ambtenaar, waarbij overeenkomstig artikel 49 de voorgestelde afwijking wordt toegestaan en de beslissing van de gemeente MOORSLEDE waarbij de vergunning tot het plaatsen van houten tuinomheining wordt verleend. De bestreden beslissing is de beslissing van de gemeente MOORSLEDE. Het tweede middel heeft betrekking op de beslissing van de gemeente MOORSLEDE. De gemeente MOORSLEDE beslist zelf of ze een afwijking overweegt en toestaat op een verleende verkavelingsvergunning. In casu heeft de gemeente MOORSLEDE - volgens de bestreden beslissing - op 11 april 2001 beslist tot het voorstellen van een afwijking. Het voorstel moet met redenenen omkleed zijn. (Art. 49 DRO) Het betreft dus een eigen beslissing van de gemeente MOORSLEDE. Na het bekomen van de afwijking zal de gemeente MOORSLEDE opnieuw zelf moeten beslissen of ze de vergunning verleent. Normalerwijze zal deze beslissing in de lijn liggen van haar eigen gemotiveerd voorstel tot afwijking. Verzoekende partijen kennen dit gemotiveerd voorstel echter niet, weten evenmin welke beoordeling de gemeente heeft gemaakt ivm verenigbaarheid met de verkaveling, verenigbaarheid met de omgeving en goede ruimtelijke ordening bij het verlenen van de vergunning. Zelfs indien de gemeente dient te beslissen op eensluidend advies van de gemachtigde ambtenaar, ontslaat dit haar niet van de verplichting zelf de zaak te onderzoeken en in de beslissing de eigen motieven tot het verlenen of het weigeren van een bouwvergunning te vermelden. Zo wordt geoordeeld dat wanneer de beslissing van de gemeente zich enkel beperkt tot het overnemen X-10.422-12/19 van het beschikkend gedeelte van het advies van de gemachtigde ambtenaar en geen eigen motieven bevat, de formele motiveringsplicht duidelijk geschonden is. Door het louter verwijzen naar het advies heeft de betrokkene geen zekerheid over de motieven van de beslissing. Het argument dat het evident is dat de vergunning werd verleend om de redenen aangehaald door de gemachtigde ambtenaar doet daar geen afbreuk aan, temeer de gemeente de plaatselijke situatie zoveel beter kent dan de gemachtigde ambtenaar. In casu is het voorgaande des te meer het geval. De gemachtigde ambtenaar beslist immers al dan niet tot toelating van de afwijking na een gemotiveerd voorstel van de gemeente. Het is aldus in eerste instantie de gemeente die motiveert en beslist tot het verlenen van een afwijking. Dat ze daartoe eveneens de toelating moet bekomen van de gemachtigde ambtenaar doet daar geen afbreuk aan. Bovendien kent de gemeente MOORSLEDE de eisen die de behoorlijke plaatselijke aanleg stelt zoveel beter dan de gemachtigde ambtenaar. Dit blijkt overigens ook in casu. De gemachtigde ambtenaar heeft de toestand blijkbaar beoordeeld op grond van een kadastraal plan en vergist zich bovendien in de feiten. Verzoekende partijen kijken niet op een eigen haag, maar wel op de houten panelen. Verzoekende partijen hebben in elk geval het raden naar de beoordeling van de gemeente van de verenigbaarheid met de verkaveling, met de omgeving en met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en stellen zelfs vast dat de gewestplanbestemming zelfs niet bij de beoordeling werd betrokken. Verzoekende partijen hebben uiteraard wel belang bij het aanvoeren van een gebrekkige beoordeling van de vergunningsaanvraag. De motivering van de gemeente ten aanzien van haar beslissing en ten aanzien van het bezwaar van verzoekende partijen is beperkt tot het volgende: ‘Gezien de werken in overeenstemming zijn met de wettelijke bepalingen, kunnen deze werken volgens het college van burgemeester en schepenen worden aanvaard.’ De bestreden beslissing schendt aldus manifest de formele motiveringsplicht. Het middel betreft dus de beslissing van de gemeente en niet de toelating van de gemachtigde ambtenaar. Het Vlaamse Gewest heeft geen enkel belang terzake een verweer te voeren. In het eerste onderdeel van het tweede middel hebben verzoekende partijen aangevoerd dat er geen deugdelijke motieven zouden kunnen bestaan om de vergunning te verlenen aangezien de vergunningsaanvraag strijdig is met de vergunde verkaveling, met de omgeving en met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Hoe kan immers het toestaan van een dubbele afsluiting verantwoord worden als zijnde een goede ruimtelijke ordening. Zouden verzoekende partijen dan ook toegelaten worden tot het plaatsen van houten panelen. Hun privacy is immers niet gegarandeerd. Bij het betreden van de doorgang tussen de bestaande afsluiting en de houten panelen - hetgeen frequent gebeurt - hebben de buren een rechtstreeks zicht op de eigendom van verzoekende partijen. In tegenstelling tot wat het Vlaamse Gewest meent is er op de eigendom van verzoekende partijen geen haag geplant. Door het oprichten van de houten panelen zou een haag overigens ook geen groeikansen meer hebben. De ruimte achter de houten panelen is aan de zijde van verzoekende partijen permanente schaduwruimte geworden. Moet er aldus een derde afsluiting worden toegelaten? Het is de evidentie zelve dat dit geen goede ruimtelijke ordening kan zijn en dat er aldus geen deugdelijk motief kan zijn voor een dubbele afsluiting. Het Vlaamse Gewest stelt dat de overeenkomst tussen partijen een dubbele afsluiting niet verbiedt. Een drie- of tienvoudige afsluiting wordt ook niet verboden! Het verweer van het Vlaamse Gewest bewijst overigens dat ook de X-10.422-13/19 gemachtigde ambtenaar de zaak verkeerd heeft beoordeeld. Enerzijds wordt een argument gezien in de privacy van de buren van verzoekende partijen, anderzijds zouden de houten panelen niets veranderen aan het zicht van verzoekende partijen aangezien ze zouden kijken op hun eigen haag. Dit is compleet tegenstrijdig. Bovendien heeft men geen houten panelen nodig om het zicht van de buren te weren. Een begroeiing aan de afsluiting heeft hetzelfde effect. En verzoekende partijen hebben echter een foutieve beoordeling van de gemachtigde ambtenaar niet aangevoerd als middel, zodat het Vlaamse Gewest in onderhavige zaak geen enkel belang heeft bij het voeren van een verweer. Verzoekende partijen hebben er bovendien op gewezen dat de houten panelen afbreuk doen aan de schoonheidswaarde van de omgeving. Men hoeft terzake enkel de foto bovenaan en in het midden te vergelijken met de foto onderaan op stuk
  44. De eerste twee foto’s tonen de groene afsluiting met de linkerbuur. De foto onderaan toont het zicht van verzoekende partijen op het reeds geplaatste gedeelte van de houten panelen. De foto’s tonen overigens eveneens de vergezichten en de open en landelijke omgeving waarvan sprake in het verzoekschrift tot annulatie. Verzoekende partijen hebben tevens aangevoerd dat de houten panelen de vochtigheid op het perceel van verzoekende partijen zal doen toenemen. Een plantenbegroeiing zal nog zon, warmte en wind doorlaten. Het oprichten van houten panelen zal dit beletten en zal permanente vochtigheid en mosaantasting van de houtpanelen zelf als van het perceelsgedeelte achten de houten panelen tot gevolg hebben. Dit is overigens de reden waarom voor de afsluiting op de perceelgrens een open afsluiting werd gekozen. Het verlenen van een vergunning voor het plaatsen van een tweede afsluiting met houten panelen kan derhalve nooit op deugdelijke motieven steunen”. 3.2.
  45. De verzoekende partijen stellen in hun laatste memorie nog wat volgt : “I. 1 Het eerste onderdeel. I.1.1 In het eerste onderdeel hebben verzoekende partijen aangevoerd dat de verleende vergunning onverenigbaar is met de vergunde verkaveling, met de omgeving en met een goede plaatselijke ruimtelijke ordening. In het auditoraatsverslag wordt er ten onrechte van uitgegaan dat dit onderdeel eveneens voornamelijk gebaseerd is op een schending van artikel 132 van het decreet van 18 mei
  46. De verenigbaarheid met de omgeving en een goede plaatselijke ordening is een noodzakelijk beoordelingselement bij elke stedenbouwkundige vergunning. Verzoekende partijen hebben bij het aanvoeren van hun middel overigens expliciet verwezen naar artikel 5.1.0 en artikel 19 KB van 28 december
  47. Bij de verenigbaarheid van de stedenbouwkundige vergunning met de vergunde verkaveling hebben verzoekende partijen gewezen op de strikte bepalingen in de verkavelingsvoorschriften. Aangenomen dat kan worden afgeweken van de bestaande verkavelingsvoorschriften bij een individuele stedenbouwkundige vergunning, kan daarbij niet worden voorbijgegaan aan de essentie van de verkavelingsvergunning. In die zin is de bestreden vergunning strijdig met de vergunde verkaveling. Er wordt immers wel voorbijgegaan aan de essentie van de vergunde verkaveling. I.1.2 Verzoekende partijen hebben in hun verzoekschrift het landelijke en het open karakter van de omgeving geschetst en uiteengezet dat de verkavelingsvoorschriften uitgaan van het respect van de bestaande omgeving. X-10.422-14/19 Zo is onder meer voorzien in strikte voorschriften mbt afsluiting van de percelen, nl. lage en open of natuurlijke afsluitingen. De nadruk wordt nogmaals gelegd op de natuurlijke en open omgeving door expliciet betonplatenmuren te verbieden. Betonplatenmuren zijn evenals hoge afsluitingen inderdaad storend voor de open en landschappelijke omgeving. (lees: onverenigbaar met de omgeving en goede ruimtelijke ordening) Het feit dat bij een individuele vergunning kan worden afgeweken van de verkavelingsvoorschriften, betekent niet dat men afbreuk kan doen aan de essentie van de vergunde verkaveling, noch dat men afbreuk kan (doen aan) de onmiddellijke omgeving of goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Waar de verkavelingsvoorschriften een lage en open of natuurlijke afsluiting gebieden, wordt in de bestreden vergunning een hoge gesloten afsluiting toegelaten. Dit is uiteraard ingaan tegen de essentie van de vergunde verkaveling, hetgeen niet wordt goedgemaakt door de bewering dat ‘de voorgestelde houten afsluiting een ruimtelijk geheel vormt met de siertuinen’. Feit is dat een hoge gesloten afsluiting tegelijk de omgeving, goede plaatselijke ordening en de vergunde verkaveling - die er precies op is gericht om het eigene van de omgeving te behouden - schendt. I.1.3 De appreciatiebevoegdheid van het bestuur belet niet dat de Raad van State een schending kan beoordelen van het voormelde. Overigens, beweren dat een hoge gesloten omgeving aansluit bij de omgeving (Cfr. ‘ruimtelijk geheel’), terwijl het precies de bedoeling was de omgeving te vrijwaren van dergelijke afsluiting (Cfr. verkavelingsvoorschriften) is een kennelijk foutieve en onredelijke appreciatie van de vergunningsaanvraag. I.2 Tweede onderdeel. I.2.1 Verzoekende partijen hebben er in hun verzoekschrift op gewezen dat bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag geen rekening werd gehouden met alle bestaande verkavelingsvoorschriften. In de bestreden beslissing werd het advies van de gemachtigde ambtenaar overgenomen. In het overwegend gedeelte wordt verwezen naar de bestaande verkavelingsvoorschriften, die worden afgewogen tegen het afwijkingsvoorstel van het college: (...) Het verbod tot plaatsen van betonmuurplaten werd duidelijk en expliciet buiten beschouwing gelaten. Dit verbod was echter voor het beoordelen van de vergunningsaanvraag uiterst belangrijk. Immers, het plaatsen van houten panelen of betonplaten heeft hetzelfde ruimtelijk effect. Wat expliciet verboden werd bij de vergunde verkaveling, wordt nu bij een afwijkingsaanvraag toegelaten. Indien men had rekening gehouden met het verbod in de verkavelingsvoorschriften, dan zou men nooit tot dezelfde beoordeling zijn kunnen komen en zou de voorgestelde afwijking nooit zijn toegestaan. II. Onder meer om voorgaande redenen volharden verzoekende partijen in hun aangevoerde middelen en verzoeken zij tot het verder zetten van de annulatieprocedure”. 3.2.
  48. De eerste verwerende partij stelt in haar laatste memorie nog wat volgt : “Het Coördinatiedecreet bepaalt dat de afwijking van een verkavelingsvergunning enkel betrekking (heeft) op de perceelsafmetingen, de X-10.422-15/19 afmetingen en de plaatsing van de bouwwerken en de gebruikte materialen. De aanpassing van de soort en hoogte van een (tuin)omheining valt perfect onder deze omschrijving. Er is dan ook geen sprake van een afwijking van de essentiële gegevens van de verkavelingsvergunning. De verkavelingsvergunning verbiedt expliciet betonnen afsluitingen. Men moet ervan uitgaan dat elke uitzondering restrictief moet geïnterpreteerd worden. Verzoekers kunnen bijgevolg een betonnen afsluiting niet zomaar gelijkstellen met een houten afsluiting. De houten afsluiting is dus niet expliciet uitgesloten zoals verzoekers beweren. Bovendien is hout een natuurlijk materiaal die perfect past in een landelijke omgeving en dus niet zomaar gelijk te schakelen valt met een betonnen omheining. Verder blijkt uit de motivering van de stedenbouwkundige vergunning dat de Gemeente Moorslede duidelijk de mogelijke impact van de afwijking van de verkavelingsvergunning heeft onderzocht. Voor alle duidelijk(heid) citeert de Gemeente Moorslede haar volledige en duidelijke terechte motivatie zoals gesteld in de stedenbouwkundige vergunning: ‘Het afwijkingsvoorstel is inhoudelijk aanvaardbaar gezien ze voldoet aan de volgende criteria:
  49. Ze geeft geen aanleiding tot een oneigenlijke wijziging van de voorschriften van het bijzonder plan van aanleg of de verkavelingsvergunning.
  50. De algemene strekking van het plan of de verkaveling blijft geëerbiedigd.
  51. de afwijking is niet strijdig met de goede ruimtelijke aanleg van het gebied. Met de gevraagde afwijking wordt de essentie van de vastgelegde ordening niet gewijzigd. Rekening houdende met de bestaande woningen en de aangelegde daarbij horende siertuinen dient gesteld dat de voorgestelde houten afsluiting een ruimtelijk geheel vormt met deze siertuinen. Deze van de oorspronkelijke voorschriften afwijkende afsluiting brengt geen ruimtelijk hinderende impact op de omgeving niet zich mee.’ Dit alles duidt meteen aan dat de Gemeente Moorslede aandacht had voor de opmerkingen van verzoekers en ze ook evalueerde. Bijgevolg is de materiële en formele motiveringsplicht vervuld door de Gemeente Moorslede en staat het vast dat de beoordeling in verband met de verenigbaarheid met de omgeving en een goede plaatselijke ordening aan bod zijn gekomen bij de evaluatie van de vergunningverlening. Wat betreft de interpretatie van de goede ruimtelijke ordening kan de Gemeente Moorslede zich aansluiten bij het auditoraatsverslag. Verzoekers kunnen geen argumenten van louter feitelijke aard of van opportuniteit inroepen voor de Raad van State. De Raad van State is immers niet bevoegd om bij het uitoefenen van het wettigheidstoezicht rekening te houden met opportuniteitsargumenten. De Raad van State kan enkel een marginale toetsing uitvoeren. De Raad van State kan zich dus niet in de plaats van de overheid stellen om na te gaan of er een ruimtelijke hinderlijke impact is of niet. Ze kan enkel een marginale toetsing uitvoeren. Maar uit niets blijkt dat de Gemeente Moorslede afbreuk doet aan de essentie van verkavelingsvergunning, noch dat haar beslissing een kennelijke en onredelijke appreciatie inhoudt van de vergunningsaanvraag. Kortom, ook het tweede middel is ongegrond”. X-10.422-16/19 3.2.7.
  52. In zijn beide onderdelen is ook dit middel deels op een schending van artikel 132 van het voormelde decreet van 18 mei 1999 gebaseerd. In zoverre dient het middel, om dezelfde redenen als het eerste middel, te worden verworpen. 3.2.7.
  53. Wat het eerste middelonderdeel betreft, vermag de Raad van State, in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht, zijn beoordeling van de goede plaatselijke ordening niet in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. De Raad van State is wel bevoegd om na te gaan of de administratieve overheid de haar ter zake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoren heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot haar besluit is kunnen komen. 3.2.7.
  54. Het betoog van de verzoekende partijen dat de landschappelijk waardevolle omgeving een degradering zal ondergaan door een bijna twee meter hoge afsluiting met houtplaten, dat de houten afsluiting op hetzelfde neerkomt als de door de verkavelingsvoorschriften uitdrukkelijk verboden betonplaten, dat zij hun “vergezicht” zullen verliezen, dat er “waterlast” zal optreden, dat een gedeelte van het perceel van de verzoekende partijen nooit nog het zonlicht zal zien met “permanente vochtigheid en mosaantasting” tot gevolg, dat er een probleem zal ontstaan van het onderhoud van de tussenruimte en dat deze tussenruimte afbreuk zal doen aan de schoonheidswaarde van de omgeving, steunt op een eigen feitelijke beoordeling van de zaak en deels op niet-gestaafde beweringen en toont zodoende niet aan dat de bevoegde overheid de grenzen van de haar wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden. 3.2.7.
  55. Het betoog van de verzoekende partijen dat hun privacy niet wordt gegarandeerd, wordt voor het eerst in hun memorie van wederantwoord aangevoerd en is onontvankelijk. 3.2.7.
  56. Wat het tweede middelonderdeel betreft, lichten de verzoekende partijen niet toe in hoeverre de beoordeling van de vergunningsaanvraag in enigerlei mate beïnvloed zou kunnen zijn geweest door het mede in rekening brengen van de gewestplanbestemming woongebied met landelijk karakter, terwijl evenmin spontaan mag blijken hoe de vergunde houten afsluiting met dit bestemmingsvoorschrift strijdig zou kunnen zijn. X-10.422-17/19 3.2.7.
  57. Voorts mag uit het administratief dossier op afdoende wijze blijken dat de eerste verwerende partij het door de verzoekende partijen ingediende bezwaarschrift wel degelijk heeft onderzocht en beoordeeld, aangezien zij over dit bezwaar bij de raadsman van de vergunningsaanvragers nadere toelichting heeft gevraagd en verkregen, zij over dit bezwaar ook uitdrukkelijk heeft gedelibereerd en zij blijkens het in de vergunningsbeslissing overgenomen advies van de gemachtigde ambtenaar een overeenkomstig artikel 49 van het coördinatiedecreet met redenen omkleed voorstel heeft verstrekt waarom de gevraagde afwijking aanvaardbaar is en vergund kan worden. 3.2.7.
  58. Het betoog van de verzoekende partijen dat de eerste verwerende partij niet kan volstaan met een loutere overname van het advies van de gemachtigde ambtenaar in het bestreden besluit, wordt voor het eerst in de memorie van wederantwoord en derhalve laattijdig aangevoerd. Het middel is in die mate onontvankelijk. Voorts mag uit het administratief dossier niet blijken dat de gemachtigde ambtenaar zich bij zijn beoordeling van de feiten zou hebben vergist, door er verkeerdelijk van uit te gaan dat de verzoekende partijen niet kijken op hun eigen haag maar wel op de houten panelen. 3.2.7.
  59. Het betoog van de verzoekende partijen dat in de vergunde verkaveling betonplaten verboden zijn en dit gegeven niet bij de beoordeling van de vergunningsaanvraag werd betrokken, terwijl het plaatsen van betonplaten en het plaatsen van houten panelen hetzelfde ruimtelijk effect hebben en de bestreden beslissing door het toelaten van deze laatste aldus de essentie van de vergunde verkaveling schendt, steunt, zoals reeds werd aangenomen bij de bespreking van het eerste middelonderdeel, op een andere feitelijke beoordeling van de zaak en toont niet aan dat de bevoegde overheid, door te oordelen dat de houten afsluiting “rekening houdende met de bestaande woningen en de aangelegde daarbij horende siertuinen (...) een ruimtelijk geheel vormt met deze siertuinen” en dat “deze van de oorspronkelijke voorschriften afwijkende afsluiting (...) geen ruimtelijk hinderende impact op de omgeving met zich mee(brengt)”, de grenzen van de haar wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. Het tweede middel is, in zijn beide onderdelen, deels onontvankelijk, deels ongegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : X-10.422-18/19 Artikel
  60. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  61. De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en acht, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.422-19/19 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.133 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.