id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.134 Rolnummer: A. 104554/X-10344 Zaak: Arrest 186134 - Wegenwezen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-23 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.134 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Wegenwezen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.134 van 9 september 2008 in de zaak A. 104.554/X-10.
- In zake : de n.v. HESSENATIE LOGISTICS, die woonplaats kiest bij advocaten E. RYCKBOST en D. RYCKBOST, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat 80 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. CLAES, kantoor houdende te 2550 KONTICH, Mechelsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. HESSENATIE LOGISTICS op 11 mei 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 14 maart 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media waarbij haar beroep tegen de beslissing van 17 juni 1999 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen houdende verlening van de vergunning voor het aanleggen van een toegangsweg en 24 parkeerplaatsen aan de Tunnelweg 10 te Niel, kadastraal bekend sectie C, nr. 314/t, onder de uitdrukkelijke voorwaarde dat deze weg niet mag worden gebruikt als afrit van het terrein, wordt verworpen; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-10.344-1/25 Gelet op de beschikking van 1 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat A. LIPPENS, die loco advocaten E. RYCKBOST en D. RYCKBOST verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat J. CLAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 13 juni 1997 (datum van het ontvangstbewijs) dient de verzoekende partij bij het gemeentebestuur van de gemeente Niel een aanvraag in voor het aanleggen van een toegangsweg en 24 parkeerruimten op een perceel gelegen aan de Tunnelweg 10 te Niel, kadastraal bekend sectie C nr. 314/t. Deze werken werden reeds eerder, zonder stedenbouwkundige vergunning, door de verzoekende partij aangevat. De bouwovertreding werd op 29 mei 1997 door de politie van Niel vastgesteld. 1.
- Het perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 oktober 1979 vastgesteld gewestplan Antwerpen gelegen in een industriegebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Op 20 juni 1997 verleent de politie van Niel, op vraag van het college van burgemeester en schepenen, het volgende advies over de vergunnings- aanvraag van de verzoekende partij : “In verband met Uw navraag kunnen wij U onderstaand advies overmaken. X-10.344-2/25 Met de (private) aansluiting op de openbare weg - Tunnelweg- wordt er een gevaarssituatie geschapen. De weg is immers breder dan de openbare weg zelf. Hessenatie zal veel af- en aanvoer hebben - er is nergens melding van hoeveel verkeer er zal zijn in de toekomst, maar gelet op de grootte van de opslagloodsen en voorziene parkeergelegenheid, mogen we veronderstellen dat dit aanzienlijk zal zijn. Er zijn dus enkele voorwaarden noodzakelijk. De gemeente Niel heeft trouwens, in het verleden reeds een planning gemaakt om via Tunnelweg een fietspad aan te leggen dat verbinding geeft naar ‘s Herenbaan. Indien er dan toch een weg moet komen, zijn wij van mening dat de aanvrager (Hessenatie) ook moet zorgen voor de nodige verkeerssignalisatie en aanpassing voor aansluiting. Wij stellen voor om het terrein te laten oprijden via Tunnelweg, maar NIET wegrijden via Tunnelweg. Ook op de eigen terreinen van Hessenatie is enkel richting een voordeel in verband met de veiligheid. Bovendien moet er voldoende verkeerssignalisatie aangebracht worden en zou deze moeten betaald worden door diegene die oorzaak is van de noodzakelijke plaatsing ervan. De gemeente kan (eventueel) tegemoet komen door de plaatsing te laten doen door de technische dienst. Er zou minstens moeten geplaatst worden : - Tunnelweg : - aan beide zijden : verkeersbord F50bis (opletten bij afslaan voor fietsers) - ter hoogte van de aansluiting : verkeersteken F19 (enkel richting) te plaatsen rechts (Timber) en C1 (verboden voor alle verkeer) te plaatsen voor uitrit (kant Coer). - op einde van inrij : aan rechterzijde C1 (verboden voor alle verkeer) op eigen terrein. Wij dringen er sterk op aan van alleen maar de weg als inrij toe te laten. De voertuigen (trekker met oplegger) hebben bij het uitrijden minstens de ganse breedte van de openbare weg nodig, wat zeer gevaarlijk is en een beperking van de voorrangsweg voor het verkeer in zijn geheel. Aangezien er in de planning van 1998 (begroting) de aanleg van een fietspad vanaf Boomsestraat tot aan Industrieweg zal voorzien worden, zou er bij een aanleg-aansluiting op Tunnelweg door Hessenatie ook moeten voorzien worden in de aanduiding van dit fietspad. Dit kan op verschillende manieren (schildering, aanduiding met andere kleur van asfalt, blokjes). De technische dienst kan hiervoor de materialen aanduiden. Bij het aanbrengen van de verkeerstekens dient er ook rekening gehouden met de kosten voor de palen en beugels en vastzettingsmateriaal (beton of andere)”. 1.
- De gemachtigde ambtenaar verleent op 16 september 1998 een gunstig advies op voorwaarde dat de aanvrager -de verzoekende partij- aan de gemeentelijke diensten het bewijs van betaling van het vergelijk ten bedrage van 33.900 BEF voorlegt, overeenkomstig artikel 68, § 3 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober
- 1.
- Bij besluit van 27 oktober 1998 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Niel de gevraagde vergunning onder X-10.344-3/25 uitdrukkelijke voorwaarden. Na verwezen te hebben naar het advies van de gemachtigde ambtenaar, beslist het college als volgt : “Gunstig op voorwaarde dat : - Er een degelijk afwateringssysteem van de oppervlaktewaters wordt voorzien derwijze dat de aanpalende percelen geen hinder ondervinden; - De toegangsweg mag enkel gebruikt worden om het terrein te laten oprijden via Tunnelweg, maar NIET het uitrijden (advies van de politiecommissaris d.d. 20 juni 1997). Bovendien dient, voor de openstelling van de toegangsweg, door de aanvrager de nodige signalisatie geplaatst te worden en dit in overleg met de politie- commissaris; - Er dient voor de periode waarin de bouwovertreding vastgesteld werd (29 mei 1997) en de dag waarop de bouwvergunning werd afgegeven (27 oktober 1998) voor het afsluiten en verzegelen van het terrein een huurbedrag voor gemeentelijk materiaal ten belope van 155.100 BEF betaald te worden (...)”. 1.
- Op 17 juni 1999 beslist de bestendige deputatie van de provincie- raad van Antwerpen het beroep dat de verzoekende partij tegen de voormelde beslissing had ingesteld gedeeltelijk in te willigen en de bouwvergunning te verlenen overeenkomstig het voorgebrachte plan. Daarbij wordt enkel de voorwaarde behouden dat de toegangsweg alleen gebruikt mag worden om het terrein via de Tunnelweg op te rijden, maar niet uit te rijden en dat de aanvrager voor de open-stelling van de toegangsweg, in overleg met de politiecommissaris, de nodige signalisatie dient te plaatsen. 1.
- Op 27 augustus 1999 dient de verzoekende partij tegen de in de voormelde beslissing weerhouden beperkende voorwaarde een administratief beroep in bij de verwerende partij. Op 5 mei 2000 verzoekt deze laatste de politie van Niel om een nieuw advies. Op 18 januari 2001 brengt de politie van Niel het volgende negatief advies uit : “Naar aanleiding van Uw schrijven, kenmerk bovenvermeld en ons telefonisch gesprek hierover, kunnen wij u mededelen dat inmiddels de fietspaden in Tunnelweg gerealiseerd zijn. Enkel de aansluiting, die op een helling is, met Boomsestraat blijft uit te voeren. Vermits aan beide zijden een gracht is, dienen er extra voorzieningen (damplanken - beveiliging) aangebracht. Deze zijn voorzien in de begroting van
- De gemeente Niel heeft er steeds naar gestreefd om de voetgangers en fietsers te beveiligen in het verkeer. Alle grote invalswegen zijn voorzien van een (dubbelzijdig) fietspad tot aan het centrum van de gemeente. De Boomsestraat - dat een provincieweg is - heeft bij de vernieuwing, fiets(suggestie)stroken gekregen. Een lijst van de fietspaden wordt bijgevoegd. X-10.344-4/25 In bijlage vindt u tevens de uittreksels van het college van burgemeester en schepenen en gemeenteraad, met betrekking op het (nieuw) aangelegd fietspad in Tunnelweg. De Tunnelweg - Potaardestraat is een druk bereden weg die verbinding geeft van de KMO-zone, Krekelberg Niel/Boom, waar meer dan 50 bedrijven gevestigd zijn. Het meeste doorgaand verkeer rijdt ook via deze weg om reden dat de infrastructuur van Nielsestraat (gemeente Boom) zodanig is dat er veel oponthoud is. De firma Hessenatie heeft zonder aanvraag de werken laten uitvoeren. Inzake werd dan ook proces-verbaal AN.66.81.000366/97 op datum van 29 mei 1997 opgesteld en werden de werken stilgelegd omdat er geen bouwvergunning was aangevraagd. Ook de voorschriften van de G.O.M. werden genegeerd. Er is nooit een aanvraag geweest voor de aanwending van het terrein als parkeerruimte. Sedert 1997 is er constante bedrijvigheid van af- en aanrijden op de terreinen van Hessenatie via Industrieweg. Er zijn tot op heden geen problemen geweest. Ons voorstel om via Tunnelweg de terreinen op te rijden heeft te maken met de verkeersveiligheid van ALLE weggebruikers. Het is perfect en zonder moeilijkheden mogelijk om rond de opslagplaatsen te rijden. Een bijkomende inrit via Tunnelweg kan enkel maar voordeel brengen voor de aanvrager. In- en uitrijden brengt de verkeersveiligheid in gevaar en indien dit toegelaten wordt is de kans op ongevallen reëel. De zwakke weggebruiker - hier fietser - heeft meer aandacht voor het verkeer op de rijbaan (openbare weg), dan voor uitritten. Wij blijven bij ons advies dat wij destijds
(1997)hebben gegeven”. 1.
- Bij besluit van 14 maart 2001 van de Vlaamse minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media wordt het beroep van de verzoekende partij, onder verwijzing naar het op 18 januari 2001 door de politie van Niel verstrekte negatief advies, dat in het besluit integraal wordt overgenomen, verworpen. Dit is het bestreden besluit.
- De gegrondheid van het beroep 2.
- In het enig middel voert de verzoekende partij de schending aan van de beginselen van behoorlijk bestuur, met name het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheidsbeginsel en het vertrouwensbeginsel, alsook van de motiveringsverplichting : “Bij de bestreden beslissing werd de initiële vraag voor een tweede op- en inrit van het bedrijfsterrein aan de Tunnelweg te Niel slechts voor de oprit toegelaten, maar geweigerd voor de uitrit omwille van een zogenaamde negatieve invloed van deze uitrit op de verkeersveiligheid. Doordat deze beslissing een schending inhoudt van het zorgvuldigheids- beginsel aangezien de beslissing niet gesteund is op een correcte feitenvinding en derhalve feitelijke grondslag mist, waarbij kan aangetoond worden dat precies omwille van de algemene veiligheid en het verhinderen van de mogelijke verkeershinder het absoluut noodzakelijk is dat het bedrijfsterrein X-10.344-5/25 beschikt over een dubbele toegang én uitweg en dat de bestreden beslissing overigens volledig en uitsluitend gesteund is op het de door de Politie- commissaris uitgebracht advies van 18 januari 2001 dat enkel een bevestiging inhoudt van zijn eerder uitgebrachte advies van 20 juni 1997 en andere adviezen zoals van de brandweer ter zijde laat. Doordat de bestreden beslissing ook een schending inhoudt van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel aangezien, niettegenstaande de werken die het voorwerp zijn van de vergunning, zowel de parkeerruimtes als de gevraagde toegangsweg, in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening, zodat noch de ruimtelijke draagkracht noch de veiligheid in het gedrang komen door de toegangsweg niet alleen als op-, doch ook als uitrit aan te wenden, onder loutere verwijzing naar een enig negatief advies, dergelijk belangrijke gebruiksbeperking opgelegd wordt, dewelke een totale herorganisatie van de interne verkeerssituatie en -stroom op verzoeksters bedrijfsterrein veroorzaakt, terwijl de door verzoekende partij voorgestelde verkeersstroom een veel grotere veiligheid biedt alsook de mogelijke verkeershinder vermijdt. Doordat de bestreden beslissing een schending inhoudt van het vertrouwens- beginsel aangezien verzoekende partij er volkomen gerechtvaardigd en legitiem kon vanuit gaan dat, gelet op de ligging van het bedrijfsterrein in een industriezone aan verkeerswegen ontworpen om de verkeersstromen te verwerken van de bedrijven in deze zone en gelet op het feit dat de werken die voorwerp zijn van de vergunning in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening, waarbij noch de ruimtelijke draagkracht noch de verkeersveiligheid in het gedrang komen, integendeel de algemene veiligheid gewaarborgd wordt, het naar alle redelijkheid te verwachten was dat zij zowel de in- maar ook de uitrit aan de Tunnelweg zou toegestaan worden. Ook de argumenten inzake een hogere interne veiligheid en een evidente vermindering van de verkeershinder bij gebruik van een dubbele ontsluiting met zowel in- en uitrit, zijn van aard om de vergunbaarheid van zowel de in- als uitrit aanneem- baar te maken. Alleen door de beide toegangen maximaal te kunnen benutten kan verzoekende partij immers instaan voor een degelijke spreiding van de verkeershinder naar de openbare wegen, voor een goede veiligheid van en naar de openbare weg en een maximale reductie van verkeersrisico’s bij de aansluiting met de openbare wegen, alsook op het terrein voor alle aanwezige werknemers. Het voorgaande staat tegenover het gegeven dat de bestreden beslissing de aangevraagde uitrit aan de Tunnelweg weigert louter op basis van een verslag van de politiecommissaris van Niel die van oordeel is dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie zou ontstaan, hetwelk evenwel kan worden weerlegd aan de hand van de feitelijke gegevens, het advies van de brandweer en de absolute noodzaak om de gehele veiligheid en beperking van de verkeershinder te evalueren, gegevens die echter niet in de beoordeling werden betrokken. Doordat de bestreden beslissing ook een schending inhoudt van de motiveringsverplichting gelet op het gegeven dat de motivering rechtens en feitelijk niet correct is aangezien deze niet juist is, noch pertinent is en louter en alleen op een feitelijk verkeerd advies stoelt, en aldus de bestreden beslissing gesteund is op een onjuiste appreciatie van feitelijk onjuiste gegevens. TOELICHTING De beginselen van behoorlijk bestuur zijn een der bronnen van het administratief recht, naast de andere bronnen zoals wetten en decreten, dewelke deze andere bronnen aanvullen, terwijl administratieve wetten uit hun aard vaak niet meer inhouden dan een aanwijzing van de organen aan welke in het belang van een bepaalde tak van overheidszorg of van een bepaald aspect van het algemeen belang, bevoegdheden worden toegekend, waarbij niet zelden slechts een aantal procedurevoorschriften worden weergegeven (...). X-10.344-6/25 Ingeval het wettenrecht niet van aard is een voldoende rechtsbescherming te bieden, en onvolledig, onduidelijk of tegenstrijdig is, kan door middel van de beginselen van behoorlijk bestuur worden nagegaan of het bestuur de hem toegemeten discretionaire bevoegdheid binnen de grenzen van de rechtmatigheid heeft uitgeoefend (...). 1.- SCHENDING VAN HET ZORGVULDIGHEIDSBEGINSEL ALGEMEEN Het zorgvuldigheidsbeginsel is als een beginsel van behoorlijk bestuur een concreet gedragsvoorschrift met een positiefrechtelijk karakter voor de overheid dat door de administratieve overheden en door de Raad van State getoetst kan worden. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuur zijn beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden, dient de beslissing te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren, desnoods via advies van deskundigen om met kennis van zaken een beslissing te nemen. Aan de bestuursbeslissing dient een nauwgezette belangenafweging ten grondslag te liggen. Een zorgvuldige besluitvorming impliceert een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval. Een beleidsnorm mag niet automatisch, zonder enig nader onderzoek, in een individueel geval worden toegepast. Het onderzoek van het bestuur dient zonder enige vooringenomen- heid te geschieden. (...). Een zorgvuldige besluitvorming houdt in dat de administratie de toe- passelijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle ter zake dienende gegevens en belangen beslist. De kern van elke discretionaire bestuursbeslissing is de belangenafweging die het bestuur dient te doen. Een zorgvuldige belangenafweging vereist in de eerste plaats dat het bestuur alle betrokken belangen daadwerkelijk en in concreto met elkaar confronteert en tegen elkaar afweegt. Zo werd zelfs geoordeeld dat een overheid vooreerst moet nagaan of het zich kan en mag baseren op een uitgebracht advies. Het bestuur mag de adviezen niet zonder meer volgen, het, advies moet naar inhoud en naar wijze van totstandkoming op zijn regelmatigheid worden onderzocht. Zelfs voortijdige beslissingen kunnen een schending uitmaken van de zorg- vuldigheidsverplichting. Schrijven de toepasselijke rechtsregels geen welbepaald gedrag voor, zodat de bevoegde overheid over een beoordelingsvrijheid beschikt, dan moet het gedrag van de overheid worden getoetst aan dat van een normaal, voorzichtige overheid geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden (...). CONCREET Bij de bestreden beslissing werd de initiële aanvraag van verzoekende partij voor een tweede op- en uitrit van haar bedrijfsterrein aan de Tunnelweg te Niel slechts voor de oprit toegelaten, maar geweigerd voor de uitrit omwille van een zogenaamde negatieve invloed van deze uitrit op de verkeersveiligheid. De bestreden beslissing houdt evenwel een schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel aangezien het niet gesteund is op een correcte feitenvinding en derhalve feitelijke grondslag mist, waarbij kan aangetoond worden dat precies omwille van de veiligheid en het verhinderen van de verkeershinder het absoluut noodzakelijk is dat het bedrijfsterrein beschikt over een dubbele toegang én uitweg, en de beslissing overigens volledig en uitsluitend gesteund is op het (...) door de Politiecommissaris uitgebracht advies van 18 januari 2001 dat enkel een bevestiging inhoudt van zijn eerder uitgebrachte advies van 20 juni 1997 en andere adviezen zoals van de brandweer ter zijde laat. Dit advies en derhalve het bestreden besluit zelf, gezien dit volledig gestoeld is op het advies, missen feitelijke grondslag omwille van de volgende redenen: X-10.344-7/25
- De lokale wegeninfrastructuur in de industriezone Het terrein van verzoekende partij is gelegen in een industriezone aan verkeerswegen ontworpen om de verkeersstromen te verwerken van de bedrijven in de zone. Dit geldt zowel voor de Industrieweg (Gemeente Boom), als de Tunnelweg (Gemeente Niel). Het is dan ook onbegrijpelijk dat de Tunnelweg niet volledig gebruikt zou kunnen worden voor de bedrijven. Hiervoor kan tevens verwezen worden naar plan 1 houdende de algemene inplanting van het Distributiecentrum (...).
- De bestemming van het terrein van verzoekende partij en de verkeersmodi. Het terrein werd aangekocht op 9 juli 1991 uit handen van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen, terwijl de akte expliciet voorziet dat het terrein moet worden aangewend om er ‘gebouwen op te richten voor activiteiten in de sector Opslag en Transport’. Gezien de grootte van het industrieterrein (± 91.000 m²) werd van bij de verkoop een toegangsstrook voorzien via zowel de Industrieweg (Gemeente Boom), als de Tunnelweg (Gemeente Niel) (...). Dit is ook noodzakelijk, gelet op de afwezigheid van een spooraansluiting, hoewel dit laatste door verzoekende partij tot tweemaal toe werd aangevraagd bij de bevoegde instanties van de NMBS, en gelet op het feit dat het terrein niet gelegen is langs een waterweg, waardoor alle activiteiten noodzakelijkerwijze geënt zijn op het wegtransport.
- De ontwikkeling en verkeersdrukte op het terrein van verzoekende partij Rekening houdend met de twee toegangswegen werd de ontwikkeling van de activiteiten eveneens in twee fasen uitgewerkt. Fase I werd uitsluitend ontsloten via de Industrieweg (...). Een eerste magazijn met bijhorend administratief gebouw werd opgericht in
- Een tweede magazijn, eveneens bediend via het administratief gebouw werd opgericht in
- Zo ontstond een magazijncomplex van 16.000 m
- De tweede fase werd aangevat in 1998 met een eerste magazijn van 10.560 m2, waaronder ± 2500 m2 magazijn voor P1/P2 producten alsook een administratief gebouw voor de bediening van het nieuwe complex. In de loop van 2000 werd een bijkomend magazijn van 5.904 m2 in gebruik genomen. Tot slot is een laatste magazijn voorzien van 9.432 m2 in de loop van 2001 dat bediend kan worden via toegang 1 of toegang 2 (...). Op deze manier (zullen) in de eindfase 41.896 m2 magazijnruimtes in bedrijf zijn, goed voor ± 150 vrachtwagens per dag (300 bewegingen) en een totale tewerkstelling van 130 tot 150 werknemers of 300 tot 400 bewegingen/dag, rekening houdend met leveranciers en bezoekers. Alleen de voorziene dubbele toegang en uitweg kan in eindfase een vlot en veilig verkeer waarborgen.
- Veiligheid De veiligheidsdiensten als ambulances en brandweer moeten in alle omstandigheden maximale en directe toegang hebben tot alle magazijnen zodat het meer dan opportuun is om de bijkomende toegangsweg via de Tunnelweg ook open te stellen voor het uitgaand verkeer en dit in functie van een mogelijke vlotte en snelle evacuatie van de terreinen in geval van incident. Aldus wordt de vlotte doorstroming van de hulpvoertuigen gewaarborgd. Verzoekende partij verwijst hiervoor ook naar het advies van de Brandweer (...).
- Concrete beschrijving van de verbinding van de industriezone met de autosnelwegen en d effecten op de veiligheid De industriezone Krekelenberg is bereikbaar vanaf de A12 via twee invalswegen. De ene toegangsweg geeft uit op de Industrieweg (...), de tweede toegangsweg geeft uit op de Tunnelweg (...). X-10.344-8/25 Het scenario waarbij een vrachtwagen de toegang tot het Hessenatie Logistics terrein via de Industrieweg gebruikt en het scenario via de Tunnelweg, is als volgt te beschrijven : Via de Industrieweg : Inrijdende vrachtwagens kunnen komen van de A12 via de Tunnelweg naar de Industrieweg. In dit geval dienen zij de Tunnelweg te kruisen ter hoogte van de Industrieweg en verder rechtsaf te slaan op de Industrieweg ter hoogte van de Hessenatie Logistics toegang. Indien zij de A12 verlaten hebben met toegang op de Industrieweg dienen zij deze weg te kruisen bij de toegang Hessenatie Logistics. Uitrijdende vrachtwagens die de A12 wensen te bereiken via de Tunnelweg dienen eerst de Industrieweg te kruisen ter hoogte van het terrein Hessenatie Logistics om vervolgens ter hoogte van de Tunnelweg rechts af te slaan. Uitrijdende vrachtwagens die de A12 wensen te bereiken via de Industrieweg dienen enkel rechts af te slaan. Toegang via Tunnelweg : Een inrijdende vrachtwagen hindert nauwelijks achterkomend verkeer, aangezien enkele tientallen meters verderop het Industrieterrein Krekelenberg eindigt en de weg verderop enkel lokaal verkeer voor Niel bedient. Een uitrijdende vrachtwagen zal enkel rechts afslaan aangezien hij enkel via de A12 uitweg heeft. De vrachtwagen dient de weg nooit te kruisen. Hieruit kan worden besloten dat de aansluiting met de openbare weg bij de toegang & uitgang aan de Tunnelweg, omwille van de uiteindelijke verkeersstroom van de vrachtwagens richting A12, veiliger is zowel voor inkomend als uitgaand verkeer dan aan de Industrieweg.
- Absolute noodzaak voor een dubbele ontsluiting Een dubbele toegang én ontsluiting van het bedrijfsterrein van verzoekende partij is absoluut noodzakelijk teneinde maximaal te garanderen dat: - De Industrieweg niet overdadig wordt belast met alle ingaande of alle uitgaande, zelfs alle in- en uitgaande verkeer van vrachtwagens en personenwagens van werknemers/leveranciers/klanten. - De Tunnelweg niet overdadig wordt belast met alle in- en uitgaande verkeer - De verkeersstromen op het terrein maximaal ontdubbeld worden teneinde de interne verkeersveiligheid voor het personeel maximaal te garanderen. - De vlotte doorstroming van de hulpdiensten gewaarborgd is. Bovendien werd bij de aanleg van de toegangswegen geopteerd voor een brede weg waardoor de vrachtwagens bij het uitrijden van het terrein voldoende draairuimte hebben waardoor wordt voorkomen dat vrachtwagens de andere rijrichting hinderen. Alleen door de beide toegangen maximaal te kunnen benutten, toegangen die overigens reeds voorzien zijn bij de verkaveling, kan verzoekende partij in eindfase instaan voor een degelijke spreiding van de verkeershinder naar de openbare wegen, voor een goede veiligheid van en naar de openbare weg en een maximale reductie van verkeersrisico’s bij de aansluiting met de openbare wegen, alsook op het terrein voor alle aanwezige werknemers. Gelet op het voorgaande kan besloten worden dat er een schending is van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- - SCHENDING VAN HET REDELIJKHEIDS- EN EVENREDIGHEIDS- BEGINSEL ALGEMEEN Bij het uitoefenen van de discretionaire bevoegdheid moet het bestuur het redelijkheidsbeginsel in acht nemen. Een discretionaire bevoegdheid moet immers binnen de door de wet bepaalde perken worden uitgeoefend en is begrensd door het redelijkheidsbeginsel. De administratieve overheid dient X-10.344-9/25 m.a.w. zijn beslissing af te wegen aan de hand van de werkelijk bestaande feiten waarvan zij zich een duidelijke voorstelling heeft kunnen vormen en die van zulke aard zijn dat zij de genomen beslissing naar recht en redelijkheid kunnen dragen. Om na te gaan of het bestuur de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden, zal de rechter tot een marginale toetsing van het bestuursoptreden overgaan en de kennelijke onredelijkheid ervan sanctioneren (...). Het evenredigheidsbeginsel is een concrete toepassing van het redelijkheidsbeginsel, dat de overheid in de uitoefening van haar bevoegdheden beperkt door een evenwicht te eisen tussen de ingezette middelen en het na te streven doel (of het bereikte resultaat). Het is een algemeen rechtsbeginsel dat zowel de uitoefening van de bevoegdheden door de lidstaten als door de gemeenschap conditioneert (...). In de rechtspraak strekt het evenredigheidsbeginsel er voornamelijk toe de rechtmatigheid van de bevoegdheidsuitoefening te beoordelen wanneer die weliswaar een legitiem doel nastreeft, maar tegelijk andere beschermings- waardige doelstellingen schaadt. De bevoegdheidsuitoefening zal dan enkel als rechtmatig worden beschouwd indien zij geschikt is om het vooropgestelde doel te bereiken en tevens onmisbaar, omdat alternatieve vormen van bevoegdheidsuitoefening, die de andere beschermingswaardige doelstellingen niet of minder zouden schaden, het vooropgestelde doel niet kunnen bereiken. Het evenredigheidsbeginsel in de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft verschillende uitdrukkingen, zoals de noodzaak om aan particulieren geen grotere lasten op te leggen dan voor het realiseren van het beleidsdoel in redelijkheid is vereist (...). CONCREET De werken voorwerp van de vergunning, zowel de parkeerruimtes als de gevraagde toegangsweg, zijn in overeenstemming met de goede ruimtelijke ordening, zodat noch de ruimtelijke draagkracht noch de veiligheid in het gedrang komen door de toegangsweg niet alleen als op-, doch ook als uitrit aan te wenden. Zulks blijkt zowel uit de feitelijke toestand -zo onder meer gezien verzoeksters terrein zich in een industriezone bevindt- als uit het feit dat de gemachtigde ambtenaar positief advies verleende onder voorwaarde dat verzoekster overeenkomstig artikel 68 § 3 van het decreet betreffende ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 een vergelijk ten bedrage van 33.900 BEF voorstelde (...), wat krachtens dit artikel slechts mogelijk is zo de werken in overeenstemming met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening zijn. Wanneer onder een loutere verwijzing naar een enig negatief advies, dergelijk belangrijke gebruiksbeperking opgelegd wordt, dewelke een totale herorganisatie van de interne verkeerssituatie en -stroom op verzoeksters bedrijfsterrein veroorzaakt, terwijl de door verzoekende partij voorgestelde verkeersstroom een veel grotere veiligheid biedt alsook de mogelijke verkeershinder vermijdt - verzoekende partij verwijst hiervoor naar hetgeen hoger reeds is beschreven -, schendt de bestreden beslissing, minstens de bestreden voorwaarde om de toegangsweg uitsluitend als inrit te gebruiken, derhalve de beginselen van behoorlijk bestuur, minstens het redelijkheids- en evenredig-heidsbeginsel. Daarenboven schendt het feit dat, ongeacht de instantie die over de gevraagde vergunning dient te oordelen, een advies van steeds dezelfde dienst inwint, de beginselen van behoorlijk bestuur. In casu werd bij het doorlopen van de diverse stadia van de procedure, ongeacht het echelon, steeds het advies van dezelfde lokale politie ingewonnen door het College van Burgemeester en Schepenen, vervolgens zowel door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen als door de Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en X-10.344-10/25 Media, waarbij steeds negatief geadviseerd werd omwille van de verkeers-veiligheid. Uiteraard is het nogal voorspelbaar dat dezelfde Politie zijn eerste advies niet zal desavoueren of veranderen naar gelang de beroepsinstantie die het dossier behandelt. Dergelijke handelswijze is des te meer in strijd met de beginselen van behoorlijk bestuur gezien de aanbeveling van de lokale Brandweer, overigens juist omwille van veiligheidsoverwegingen, uitgesproken voorstander blijkt te zijn van de gevraagde uitweg als op- en uitrit. Minstens hadden beide standpunten aan elkaar afgewogen moeten worden. Quod non : met volledige negatie van het advies van de Brandweer, werd het advies van de Politie volledig gevolgd en overgenomen. Vervolgens kan en mag de gehele veiligheid niet uit het oog verloren worden. De gevraagde vergunning betreft immers een tweede ontsluiting naar de openbare weg dewelke noodzakelijk, minstens zeer nuttig zal zijn om toegang en doorgang te verschaffen aan de hulpdiensten op het gehele terrein, 91.000 m² groot met opslagplaatsen voor soms gevaarlijke stoffen, mocht een eventueel ongeval zich voordoen. Hiervoor kan verwezen worden naar het schrijven van de dienstchef van de brandweer te Boom, die de bijkomende toegangsweg, met in- en uitrit, zoals door verzoekende partij gevraagd, meer dan opportuun acht (...). Evenzeer kan het niet uitgesproken beleid om het verkeersprobleem eenvoudig naar een andere gemeente te verschuiven (Boom) gehekeld worden. Dit zal immers een concentratie van het verkeer verschuiven naar de naburige gemeente, wat zeker de algehele verkeersveiligheid niet te goede kan komen. Uit het voorgaande kan dan ook worden besloten dat er een schending is van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel. 3.- SCHENDING VAN HET VERTROUWENSBEGINSEL ALGEMEEN Dat het rechtszekerheids- en vertrouwenbeginsel maatstaven zijn voor de toetsing van het bestuursoptreden en bijgevolg rechtsnormen (mede) aan de hand waarvan bestuursgeschillen worden beslecht, blijkt uit vaste rechtspraak van Uw Raad. De toepassing van het vertrouwensbeginsel kan worden ingeroepen wanneer de overheid in een concreet geval op een nadelige wijze raakt aan de subjectieve belangen die een persoon door het objectief recht beschermd achtte. De toepassingvoorwaarden ervan vereisen niet enkel een onderzoek van het gedrag van de overheid maar tevens van de houding en het gedrag van de rechtszoekende, die zich erop beroept. Immers slechts de gerechtvaardigde, legitieme verwachtingen van de burger moeten in beginsel worden gehonoreerd. Is aan beide voorwaarden voldaan dan kan het geschil niet worden beslecht dan na afweging van het individuele belang van de rechtzoekende bij de honorering van het vertrouwen (eerbiediging van de persoonlijke beslissingsvrijheid) tegen het algemeen belang dat de overheid beoogt met haar optreden dat deze legitieme verwachtingen doorkruist (beleidsbeoordeling- of interpretatievrijheid van de overheid) (...). CONCREET In het voorliggend geval kon verzoekende partij er volkomen gerecht- vaardigd en legitiem vanuit gaan dat, gelet op de ligging van het bedrijfsterrein in een industriezone aan verkeerswegen ontworpen om de verkeersstromen te verwerken van de bedrijven in deze zone (...), en het feit dat de werken voorwerp van de vergunning, zowel de parkeerruimtes als de gevraagde toegangsweg, in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening waarbij noch de ruimtelijke draagkracht noch de verkeersveiligheid in het gedrang komen, het naar alle redelijkheid te verwachten was dat zij zowel de in- maar ook de uitrit aan de Tunnelweg zou toegestaan worden. X-10.344-11/25 Zulks blijkt ook uit het feit dat de gemachtigde ambtenaar positief advies verleende onder voorwaarde dat verzoekster overeenkomstig artikel 68 § 3 van het decreet betreffende ruimtelijke ordening van 22 oktober 1996 een vergelijk ten bedrage van 33.900 BEF voorstelde, wat krachtens dit artikel slechts mogelijk is zo de werken in overeenstemming met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening zijn. Dit wordt ook bevestigd in het feit dat bij aankoop van de terreinen van de Gewestelijke Ontwikkelingsmaatschappij Antwerpen er reeds een toegangsweg voorzien was via zowel de Industrieweg (Gemeente Boom), als de Tunnelweg (Gemeente Niel). Ook de argumenten inzake een hogere interne veiligheid en een evidente vermindering van de verkeershinder bij gebruik van een dubbele ontsluiting met zowel in- en uitrit, zijn van aard om de vergunbaarheid van zowel de in- als uitrit aanneembaar te maken. Alleen door de beide toegangen maximaal te kunnen benutten kan verzoekende partij immers in eindfase instaan voor een degelijke spreiding van de verkeershinder naar de openbare wegen, voor een goede veiligheid van en naar de openbare weg en een maximale reductie van verkeersrisico’s bij de aansluiting met de openbare wegen, alsook op het terrein voor alle aanwezige werknemers. Het voorgaande staat tegenover het gegeven dat de bestreden beslissing de aangevraagde uitrit aan de Tunnelweg weigert louter op basis van een verslag van de politiecommissaris van Niel die van oordeel is dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie zou ontstaan, hetwelk evenwel kan worden weerlegd aan de hand van hierboven reeds uitvoerig beschreven feitelijke gegevens, het advies van de brandweer en de absolute noodzaak om de gehele veiligheid en beperking van de verkeershinder te evalueren, gegevens die echter niet in de beoordeling werden betrokken. Hierbij dient nogmaals te worden vermeld dat, ongeacht de instantie die over de gevraagde vergunning dient te oordelen, een advies van steeds dezelfde dienst werd ingewonnen, hetgeen in strijd de beginselen van behoorlijk bestuur. In casu werd bij het doorlopen van de diverse stadia van de procedure, ongeacht het echelon, steeds het advies van dezelfde lokale politie ingewonnen door het College van Burgemeester en Schepenen, vervolgens zowel door de Bestendige Deputatie van de Provincie Antwerpen als door de Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, waarbij steeds negatief geadviseerd werd omwille van de verkeersveiligheid. Verzoekende partij kan zich niet van de indruk ontdoen dat de bestreden beslissing vooral bedoelde om het verkeer op het grondgebied van Niel te beperken, zonder evenwel rekening te houden met het feit dat de verkeersstromen aldus verplaatst worden naar de gemeente Boom en hierbij de algemene veiligheid uit het oog verloren wordt. Uit het voorgaande kan dan ook worden afgeleid dat er een schending is van het vertrouwensbeginsel. 4.- SCHENDING VAN DE MOTIVERINGSVERPLICHTING ALGEMEEN Dat een administratieve beslissing ook dient te voldoen aan de eis van de formele of uitdrukkelijke motiveringsverplichting. Dat zulks betekent dat de motieven van de beslissing zelf tot uitdrukking dienen te worden gebracht aangezien uit de rechtspraak van de Raad van State valt af te leiden dat een formele motivering van een bestuurshandeling vereist is ondermeer als het een bestuurshandeling betreft met een quasi-jurisdictioneel karakter (...). Conform art. 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen moeten bestuurshandelingen ‘uitdrukkelijk’ gemotiveerd worden. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt meegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet X-10.344-12/25 omvatten, maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing werd genomen. Conform art. 3 van voornoemde wet moet de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen vermelden die aan de beslissing ten grondslag liggen. Nog volgens datzelfde artikel moet de motivering ‘afdoende’ zijn. Dit betekent dat de motivering deugdelijk dient te zijn, met name dat zij meer is dan een louter abstracte en vormelijke stijlformule (...). De motivering dient ‘draagkrachtig’ te zijn, hetgeen betekent dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen (...). De motivering dient de betrokkene in staat te stellen met nuttig gevolg te kunnen opkomen tegen de bestuurshandeling in kwestie en moet het de rechter mogelijk maken zijn legaliteitscontrole uit te oefenen (...). Bovendien dient de motivering aanvaardbaar te zijn met het oog op de feiten. De relevante feiten waarop de overheid haar beslissing steunt, dienen vanzelfsprekend te bestaan en juist te zijn. Met andere woorden, de vaststelling van de feiten door de overheid moet juist en volledig zijn (...). CONCREET Dat gelet op het voorgaande, de motivering rechtens en feitelijk niet correct is aangezien deze niet juist is, noch pertinent is en aldus de bestreden beslissing gesteund is op een onjuiste appreciatie van feitelijk onjuiste gegevens, waardoor er ook een schending is van de motiveringsplicht. Hierbij dient gewezen op de vereiste dat de vaststelling van de feiten door de overheid juist en volledig dient te zijn. Gezien de bestreden beslissing zoals hoger wordt aangetoond door verzoekende partij, feitelijke grondslag mist en louter en alleen op een feitelijk verkeerd advies stoelt, wordt de motiveringsplicht evidenter geschonden. Aldus wordt in de bestreden beslissing de aangevraagde uitrit aan de Tunnelweg geweigerd louter op basis van een verslag van de politiecommissaris van Niel die van oordeel is dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie zou ontstaan, hetwelk evenwel kan worden weerlegd aan de hand van hierboven reeds uitvoerig beschreven feitelijke gegevens, het advies van de brandweer en de absolute noodzaak om de gehele veiligheid en beperking van de verkeershinder te evalueren, gegevens die echter niet in de beoordeling werden betrokken. Uit bovenstaande dient dan ook besloten dat de overheid op flagrante wijze de vereiste van de materiële motiveringsplicht schendt”. 2.
- In haar memorie van antwoord repliceert de verwerende partij hierop als volgt : “De bouwaanvraag strekte tot het aanleggen van een toegangsweg (en 24 parkeerplaatsen) aan de Tunnelweg 10 te Niel, kadastraal bekend sectie C, nr. 314-t overeenkomstig het plan opgesteld door architect Erwin PERSOONS te Gooik; De werken waren reeds (deels) uitgevoerd en de bouwovertreding werd door de Politie van Niel vastgesteld op 29 mei 1997; Het advies van de Politiecommissaris van 20 juni 1997 luidde dat de toegangsweg enkel mocht gebruikt worden om het terrein te laten oprijden via de Tunnelweg, maar niet als uitrit en dat hiervoor - in overleg met de Politiecommissaris - de nodige signalisatie diende aangebracht te worden; De gevaarlijke verkeerssituatie zou bij het uitrijden ontstaan omdat de voertuigen, die voornamelijk bestaan uit een trekker met oplegger, bij het uitrijden minstens de ganse breedte van de openbare weg zouden nodig hebben, hetgeen zeer gevaarlijk zou zijn en een beperking van de voorrangsweg voor het verkeer in zijn geheel zou betekenen; X-10.344-13/25 Op te merken valt dat in casu de aanvraag reeds ging om een tweede weg, vermits reeds een in- en uitrit bestond uitkomend op de Industrielei, weg die in gebruik bleef en blijft; N.a.v. de argumenten van verzoekende partij in hoger beroep werd de politie van Niel per brief op 5 mei 2000 om een nieuw en gemotiveerd advies gevraagd; Op 18 januari 2001 werd derhalve opnieuw en zeer uitvoerig door de politie een advies uitgebracht weer te vinden in het administratief bundel en in extenso geciteerd in de beslissing van de Minister; Bij de beoordeling van een bouwaanvraag dient uiteraard de goede ruimtelijke ordening in acht te worden genomen en het verkeersaspect, m.n. de veilige afwikkeling van het verkeer, is hiervan een wezenlijk onderdeel; Er kan geen sprake zijn van een schending van het zorgvuldigheidsbeginsel: (...) ‘Het bestuur heeft de rechtsplicht om alvorens aan het inhoudelijk onderzoek te beginnen ervoor te zorgen dat de feitelijke en juridische aspecten van het dossier deugdelijk geïnventariseerd en gecontroleerd worden derwijze dat het op de hoogte is van alle gegevens die bij de zaak betrokken zullen worden en dat het zeker is dat alle elementen werden verzameld die op ruime wijze het mogelijk zullen maken een beslissing te treffen die op de meest ruime wijze het algemeen belang zal dienen; Nadien eist het materiële zorgvuldigheidsbeginsel dat uit de inhoud van het bestuursbesluit of uit het administratief dossier kan blijken dat de betrokken belangen, algemene belangen onderling of algemene belangen tegenover privé- belangen, zorgvuldig werden afgewogen derwijze dat particuliere belangen niet nodeloos worden geschaad.’ Het lijdt geen enkele twijfel dat aan al deze voorwaarden in deze zaak scrupuleus werd voldaan; Bovendien dient opgemerkt te worden dat m.b.t. de zorgvuldigheid bij de feitenvinding het de Raad van State niet toekomt, zoals nochtans verzoekende partij wenst, een nieuw, eigen onderzoek naar de ware toedracht van de in de zaak relevant te achten feiten aan te vatten; De Raad van State dient enkel na te gaan of de Overheid wel met inacht- neming van de regels van de bewijsvoering tot haar voorstelling van feiten gekomen is en of zij haar verplichting tot zorgvuldigheid bij de feitenvinding werkelijk is nagekomen (...); In casu waren de feiten trouwens vatbaar voor een directe, eenvoudige constatering door de Overheid, werd de particulier in de gelegenheid gesteld de stukken voor te leggen die naar zijn oordeel zijn voorstelling van feiten of van zijn toestand geloofwaardig maken, dus nadere bewijsvoering mogelijk te maken en werd betrokkene de mogelijkheid geboden zijn mening te kennen te geven ten opzichte van de concrete feiten die de Overheid voornemens was in aanmerking te nemen; Waar de verzoekende partij de schending van het redelijkheids- en evenredigheidsbeginsel inroept geeft zij trouwens toe dat de motieven van het besluit op zichzelf in feite en in rechte wet degelijk juist zijn: (...) ‘Er is dan schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer de motieven van een beslissing op zichzelf in feite en in rechte juist zijn, maar tussen die motieven en de inhoud van de beslissing een kennelijke wanverhouding bestaat.’ (...) ‘Het redelijkheidsbeginsel is geschonden wanneer vaststaat dat de als motieven opgegeven feiten werkelijk bestaan en op zich rechtens relevant zijn, maar er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen die motieven en de beslissing welke op grond ervan genomen is. Indien de motieven van een X-10.344-14/25 beslissing rechtens niet aanvaardbaar zijn, kan het redelijkheidsbeginsel onmogelijk geschonden zijn.’ (...) ‘Er is schending van het redelijkheidsbeginsel wanneer een beslissing genomen wordt op grond van motieven die weliswaar rechtens aanvaardbaar en feitelijk juist zijn, maar waartegenover hetgeen beslist is in een kennelijke wanverhouding staat.’ (...) ‘Het redelijkheidsbeginsel beperkt de discretionaire bevoegdheid enkel doordat het niet duldt dat hetgeen beslist is in kennelijke wanverhouding staat tot de feiten waarop het besliste is gebaseerd. Het redelijkheidsbeginsel staat de rechter niet toe dat oordeel over te doen maar enkel dat oordeel onwettig te bevinden wanneer het tegen alle redelijkheid ingaat, wanneer de door het bestuur geponeerde verhouding tussen beslissing en feiten in werkelijkheid volkomen ontbreekt, en er in werkelijkheid een kennelijke wanverhouding is.’ (...) ‘Ingeval de overheid over een discretionaire bevoegdheid beschikt, staat het redelijkheidsbeginsel de Raad van State slechts toe een beslissing te veroordelen die kennelijk onredelijk is, met name wanneer er een kennelijke wanverhouding bestaat tussen de rechtens relevante en werkelijk bestaande feiten gesteunde motieven en de beslissing die op grond ervan genomen is.’ Met het loutere argument dat de aangevochten beslissing zonder objectieve reden voorbijgaat aan de door de verzoekende partij in alle redelijkheid geformuleerde bezwaren tegen de onteigening, toont die partij niet aan dat die beslissing kennelijk onredelijk is.’ Het valt niet in te zien hoe er in casu een ‘kennelijke wanverhouding’ zou kunnen zijn tussen hetgeen in feite en in rechte cor(r)ect werd vastgesteld enerzijds en de beslissing anderzijds; Er is uiteraard evenmin sprake van een ‘kennelijke onredelijkheid’: (...) ‘De Raad van State kan een overheidsbeslissing slechts wegens schending van het redelijkheidsbeginsel vernietigen wanneer deze beslissing kennelijk onredelijk is, met andere woorden wanneer vaststaat dat geen enkele redelijke overheid in dezelfde omstandigheden een dergelijke beslissing zou nemen.’ (...) ‘Het evenredigheidsbeginsel vormt een bijzondere toepassing van het redelijkheidsbeginsel, in de zin dat de maatregel die genomen wordt in een redelijke verhouding staat tot het motief dat eraan ten grondslag ligt.’ Het evenredigheidsbeginsel is inderdaad een variant of een toepassing van het redelijkheidsbeginsel (...) Daar waar het redelijkheidsbeginsel op geen enkele manier kan geschonden zijn, kan het evenredigheidsbeginsel in casu dan ook evenmin geschonden zijn; M.b.t. de beweerde schending van het vertrouwensbeginsel: Het vertrouwensbeginsel wil dat gerechtvaardigde verwachtingen worden gehonoreerd (...); In het arrest (...) omschrijft de Raad van State het vertrouwensbeginsel als ‘... één der beginselen van behoorlijk bestuur krachtens hetwelk de burger moet kunnen vertrouwen op een vaste gedragslijn van de overheid, of op toezeggingen of beloften die de overheid in het concrete geval heeft gedaan.’ De burger zal inderdaad niet bij de minste teleurstelling van de bij hem gewekte verwachtingen op batige wijze een beroep kunnen doen op het vertrouwensbeginsel; De verwachtingen moeten voor alles door het bestuur zélf zijn gewekt: de burger moet m.a.w. kunnen verwijzen naar enig bestuurlijk gedrag - doen of nalaten - dat aanleiding heeft gegeven tot het ontluiken van de verwachtingen; X-10.344-15/25 Van belang is voorts of gesproken kan worden van een vertrouwen of een verwachting waarop in redelijkheid gebouwd kan worden: De burger zal zich niet op een schending van het vertrouwensbeginsel kunnen beroepen indien hij er in redelijkheid niet had toe mogen komen op het bestuursgedrag de verwachting te bouwen waarop hij zich beroept; (...): Nergens blijkt waarop verzoekende partij zich zou kunnen steunen om de verwachting te mogen koesteren dat de weg in kwestie ook als uitgangsweg zou mogen fungeren; Voor wat betreft de beweerde schending van de motiveringsplicht: In de beslissing worden de met de stedebouw en de ruimtelijke ordening verband houdende redenen concreet en uitvoering aangegeven; Om te voldoen aan de hem opgelegde motiveringsverplichting, is de Minister, wanneer hij over een bouwberoep uitspraak doet, er niet toe gehouden alle bezwaren en opmerkingen die werden geformuleerd te beantwoorden; Hij kan volstaan aan te geven welke, met een degelijke ruimtelijke ordening verband houdende redenen, zijn beslissing beantwoorden (...); In casu heeft de Minister zeer uitvoerig geantwoord en zelfs een bijkomend en nieuw advies gevraagd; (...) ‘De motiveringsplicht, vervat in de Wet Motivering Bestuurshandelingen, heeft tot finaal doel degene t.o.v. wie een beslissing is genomen, een zodanig inzicht te geven in de motieven van die beslissing dat hij in staat is terdege te oordelen of het zin heeft, zich tegen de beslissing op het stuk van haar motieven te verweren met de middelen die het recht hem ter beschikking stelt. Zij moet hem in staat stellen op een nuttige wijze, en dus inspelend op de daadwerkelijke gehanteerde motieven, in een willig beroep aan het bestuur de heroverweging van de beslissing te vragen, dan wel hetzij de toezichthoudende overheid erom te verzoeken de beslissing wegens schending van de wet of van het algemeen belang te schorsen of te vernietigen, hetzij de Raad van State te adiëren met een annulatieberoep. Om die reden houdt de motiveringsverplichting in dat de motieven expliciet ter kennis van de betrokkene worden gebracht;’ (...) ‘De art. 2 en 3 Wet Motivering Bestuurshandelingen verplichten de overheid ertoe in de akte de juridische en feitelijke overwegingen op te nemen die aan de beslissing ten grondslag liggen en dit op een afdoende wijze. Laatstgenoemd begrip impliceert dat de opgelegde motivering in rechte en in feite evenredig moet zijn aan het gewicht van de genomen beslissing.’ Terzelfdertijd dient uiteraard opgemerkt te worden dat het niet is omdat men niet akkoord gaat met de motieven dat er een schending zou zijn van de motiveringsplicht; Het door verzoekende partij opgeworpen enig middel is in zijn geheel en in alle onderdelen volstrekt ongegrond”. 2.
- In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij dat de memorie van antwoord geen argumenten bevat die de middelen van de verzoekende partij ontkrachten en verwijst zij naar haar verzoekschrift. 2.
- In haar laatste memorie stelt de verzoekende partij nog wat volgt : “Dat het volgende kan gesteld worden in antwoord op het verslag van de auditeur.
- Eerste onderdeel: schending van het zorgvuldigheidsbeginsel X-10.344-16/25 De auditeur stelt in haar argumentatie dat het standpunt van verzoekende partij gesteund is op redenen van de eigen bedrijvigheid terwijl de argumenten van verzoekende partij essentieel gericht zijn op een veiliger en vlotter verkeer en dit niet alleen op de Tunnelweg in de gemeente Niel, maar op globaal niveau binnen de industriezone Krekelenberg (Boom/Niel). Bovendien stelt de auditeur dat verzoekende partij niet aantoont dat bij de besluitvorming zou uitgegaan zijn van een onjuiste of onzorgvuldige feitenvinding. In de argumenten van verzoekende partij worden volgens de auditeur niet het belangrijkste weigeringsmotief, zijnde dat ‘het gebruik van de nieuwe vergunde toegangsweg om het terrein te verlaten, de verkeersveiligheid van de zwakke weggebruiker in het gedrang wordt gebracht’. Volgens de auditeur blijkt uit het de genomen adviezen dat verwerende partij en de politie van Niel op het ogenblik van het nemen van het advies, dat zij op de hoogte waren van de tegenargumenten van de verzoekende partij, reden waarom verwerende partij uitdrukkelijk heeft gemotiveerd waarom met deze bezwaren geen rekening werd gehouden in het genomen advies en bijgevolg het advies van de politie toch werd gevolgd. Hierop kan het volgende worden geantwoord. Het is niet omdat in het advies een loutere vermelding terug te vinden is dat ‘ondanks de tegenargumenten van de NV Hessenatie’ er kan gesproken worden van een zorgvuldige beslissing aangezien in de beslissing elke concrete uitwerking van de motieven ontbreekt en dat op die manier niet kan gesproken worden van een zorgvuldig genomen beslissing. Dat nergens concreet blijkt waarom dat er een gevaar zou zijn voor de zwakke weggebruiker, dat het niet is omdat er sprake is van een fietspad dat dit impliceert dat de gebeurlijk voorbijkomende fietser in een gevaarlijk(e) situatie zal terechtkomen. Op die manier kan elke oprit of afrit beschouwd worden als een potentieel gevaar voor de verkeersveiligheid en bij uitbreiding van de zwakke weggebruiker. Aangenomen kan worden dat de politie de instantie bij uitstek is om te oordelen over de verkeersveiligheid maar dit heeft voor gevolg dat ook zij degelijk moeten motiveren en op een zorgvuldige wijze moeten beslissingen nemen. Zoals reeds in het verzoekschrift omstandig aangetoond is dit niet gebeurd. De beginselen van behoorlijk bestuur zijn een der bronnen van het administratief recht, naast de andere bronnen zoals wetten en decreten, dewelke deze andere bronnen aanvullen, terwijl administratieve wetten uit hun aard vaak niet meer inhouden dan een aanwijzing van de organen aan welke in het belang van een bepaalde tak van overheidszorg of van een bepaald aspect van het algemeen belang, bevoegdheden worden toegekend, waarbij niet zelden slechts een aantal procedurevoorschriften worden weergegeven (...). Ingeval het wettenrecht niet van aard is een voldoende rechtsbescherming te bieden, en onvolledig, onduidelijk of tegenstrijdig is, kan door middel van de beginselen van behoorlijk bestuur worden nagegaan of het bestuur de haar toegemeten discretionaire bevoegdheid binnen de grenzen van de rechtmatig- heid heeft uitgeoefend (...). Het zorgvuldigheidsbeginsel is als een beginsel van behoorlijk bestuur een concreet gedragsvoorschrift met een positiefrechtelijk karakter voor de overheid dat door de administratieve overheden en door de Raad van State getoetst kan worden. Krachtens het zorgvuldigheidsbeginsel dient het bestuur haar beslissingen op een zorgvuldige wijze voor te bereiden, dient de beslissing te stoelen op een correcte feitenvinding. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren, desnoods via advies van deskundigen om met kennis van zaken een beslissing te nemen. X-10.344-17/25 Aan de bestuursbeslissing dient een nauwgezette belangenafweging ten grondslag te liggen. Een zorgvuldige besluitvorming impliceert een afdoend en volledig onderzoek van het concrete geval. Een beleidsnorm mag niet automatisch, zonder enig nader onderzoek, in een individueel geval worden toegepast. Het onderzoek van het bestuur dient zonder enige vooringenomenheid te geschieden. (...). Een zorgvuldige besluitvorming houdt in dat de administratie de toepasselijke rechtsregels op alle relevante feiten toepast en na een behoorlijke afweging van alle terzake dienende gegevens en belangen beslist. De kern van elke discretionaire bestuursbeslissing is de belangenafweging die het bestuur dient te doen. Een zorgvuldige belangenafweging vereist in de eerste plaats dat het bestuur alle betrokken belangen daadwerkelijk en in concreto met elkaar confronteert en tegen elkaar afweegt. Zo werd zelfs geoordeeld dat een overheid vooreerst moet nagaan of het zich kan en mag baseren op een uitgebracht advies of eerdere beslissing. Het bestuur mag de adviezen niet zonder meer volgen, het advies moet naar inhoud en naar wijze van totstandkoming op zijn regelmatigheid worden onderzocht. Zelfs voortijdige beslissingen kunnen een schending uitmaken van de zorgvuldig- heidsplicht. Schrijven de toepasselijke rechtsregels geen welbepaald gedrag voor, zodat de bevoegde overheid over een beoordelingsvrijheid beschikt, dan moet het gedrag van de overheid worden getoetst aan dat van een normaal, voorzichtige overheid geplaatst in dezelfde concrete omstandigheden. (...). In het verzoekschrift alsook in de memorie van wederantwoord werd reeds uitvoerig aan de hand van de concrete feitelijkheden aangetoond dat (...) het besluit feitelijke grondslag mist omwille van de lokale wegeninfrastructuur in de industriezone, de bestemming van het terrein van verzoekende partij en de verkeersmodi, de ontwikkeling en de verkeersdrukte op het terrein van verzoekende partij, de veiligheid, de concrete beschrijving van de verbinding van de industriezone met de autosnelwegen en de effecten op de veiligheid en de absolute noodzaak voor een dubbele ontsluiting. Voor de weigering van de uitrit werd enkel gesteld dat daardoor de verkeersveiligheid in het gedrang zou worden gebracht. Uit het feit dat niet concreet kan afgeleid worden uit de beslissing waarom precies er een verkeersprobleem zou ontstaan door het aanleggen van een tweede uitweg, blijkt dat de beslissing niet gebaseerd is op een correcte feitenvinding. De feitelijke situatie wijst immers op het tegendeel met name dat de tweede uitweg de verkeersveiligheid ten goede zal komen en dat door een tweede uitweg te voorzien er sprake zal zijn van een vlotte doorgang, waarbij langs de ene kant van het bedrijventerrein de vrachtwagens binnen kunnen rijden en waarbij langs de andere kant het zwaar verkeer zal kunnen wegrijden. Een betere en veiligere uitwerking van de circulatie van het transport is niet denkbaar en zou eerder moeten worden aangemoedigd door de overheid dan dat in de inspanningen van de verzoekende partij een hindernis van de verkeersveiligheid wordt gezien. Bovendien kan verwezen worden naar het advies van de brandweer dat reeds stelde dat het opportuun was om reden van de veiligheid een bijkomende toegangsweg te voorzien, een advies waar de bestreden beslissing zondermeer aan voorbij is gegaan. Daarnaast werd bij de aanleg van de toegangswegen geopteerd voor een brede weg waardoor de vrachtwagens bij het uitrijden van het terrein voldoende draairuimte hebben waardoor wordt voorkomen dat de vrachtwagens de andere rijrichting hinderen. Enkel door beide toegangen, die werden opgenomen bij de verkaveling, maximaal te benutten, kan verzoekende partij instaan voor een georganiseerde X-10.344-18/25 spreiding van de verkeershinder naar de openbare weg toe en kan zij garant staan voor de veiligheid van en naar de openbare weg en instaan voor een maximale reductie van verkeersrisico's bij de aansluiting met de openbare weg met inbegrip van het terrein voor alle aanwezige werknemers. De bestreden beslissing houdt dan ook een schending in van het zorgvuldigheidsbeginsel.
- Tweede onderdeel: Schending van het redelijkheidsbeginsel en het evenredigheidsbenginsel In het verslag van de auditeur wordt geponeerd dat verzoekende partij aanvoert dat de werken die het voorwerp zijn van een aanvraag geenszins de goede ruimtelijke ordening schaden en anderzijds aanvoert dat de loutere verwijzing naar het negatief advies van de politie bezwaarlijk als redelijk kan worden beschouwd wanneer dit een dergelijk belangrijke gebruiksbeperking oplegt. Volgens de auditeur geeft verzoekende partij als het ware haar mening weer aangaande de al dan niet verenigbaarheid van de aanvraag met de ruimtelijke ordening en stelt zij zich zodoende in de plaats van de beslissende overheid. Verzoekende partij zou hierbij, volgens de auditeur, niet aantonen dat de overheid bij het verlenen van de vergunning kennelijk onredelijk zou hebben geoordeeld of zou uitgegaan zijn van evidente materiële vergissingen. De auditeur wijst hierbij op het feit dat het onderzoek van de Raad van State zich beperkt tot dit onderzoek en dat wordt aangenomen dat een schending van het redelijkheidsbeginsel slechts sprake kan zijn wanneer het bestuur op evidente wijze een onredelijk gebruik heeft gemaakt van zijn bevoegdheid zodat, met andere woorden, het niet denkbaar is dat enige, naar redelijkheid beslissende overheid de betrokken beslissing zou kunnen uitvaardigen. Volgens de auditeur laat verzoekende partij na dit aan te tonen. Hierop kan het volgende geantwoord worden. Bij het uitoefenen van de discretionaire bevoegdheid moet het bestuur het redelijkheidsbeginsel in acht nemen. Om na te gaan of het bestuur de grenzen van de redelijkheid niet heeft overschreden, zal de rechter tot een marginale toetsing van het bestuursoptreden overgaan en de kennelijke onredelijkheid ervan sanctioneren (...). Het evenredigheidsbeginsel is een concrete toepassing van het redelijkheids- beginsel, dat de overheid in de uitoefening van haar bevoegdheden beperkt door een evenwicht te eisen tussen de ingezette middelen en het na te streven doel (of het bereikte resultaat). Het is een algemeen rechtsbeginsel dat zowel de uitoefening van de bevoegdheden door de lidstaten als door de gemeenschap conditioneert (...). In de rechtspraak strekt het evenredigheidsbeginsel er voornamelijk toe de rechtmatigheid van de bevoegdheidsuitoefening te beoordelen wanneer die weliswaar een legitiem doel nastreeft, maar tegelijk andere beschermings- waardige doelstellingen schaadt. De bevoegdheidsuitoefening zal dan enkel als rechtmatig worden beschouwd indien zij geschikt is om het vooropgestelde doel te bereiken en tevens onmisbaar, omdat alternatieve vormen van bevoegdheids- uitoefening, die de andere beschermingswaardige doelstellingen niet of minder zouden schaden, het vooropgestelde doel niet kunnen bereiken. Het evenredigheidsbeginsel in de rechtspraak van het Hof van Justitie heeft verschillende uitdrukkingen, zoals de noodzaak om aan particulieren geen grotere lasten op te leggen dan voor het realiseren van het beleidsdoel in redelijkheid is vereist (...). Het standpunt van de auditeur bestaat erin dat het niet aan de verzoekende partij toekomt een beoordeling te geven over de al dan niet verenigbaarheid met de goede ruimtelijke ordening, dat dit een beoordeling is die enkel aan de overheid toekomt en niet aan de rechtsonderhorige, reden waarom deze laatste niet de plaats van de overheid kan innemen. X-10.344-19/25 In casu is het echter zo dat het niet verzoekende partij is die een beoordeling heeft gemaakt van het feit of er een verenigbaarheid was met de goede ruimtelijke ordening maar dat deze beoordeling gebeurde door de gemachtigde ambtenaar. Deze heeft in zijn advies reeds gesteld dat de goede ruimtelijke ordening niet werd geschaad (...). Hieruit kan dus afgeleid worden dat verzoekende partij hoegenaamd niet op de stoel van de beslissende overheid is gaan zitten of een beoordeling van de goede ruimtelijke ordening zou gedaan hebben in naam van de overheid, en wel in tegendeel, verzoekende partij heeft zich enkel gesteund op het advies van de gemachtigde ambtenaar en heeft daar haar argumenten uit geput. Dit argument is gekoppeld aan het feit dat de gemachtigde ambtenaar een vergelijk had voorgesteld en dat dit, ingevolge artikel 68 § 3 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening enkel mogelijk is indien de werken in overeenstemming zijn met de goede plaatselijke ruimtelijke ordening. Verzoekende partij heeft dus enkel een standpunt van de overheid zelf herhaald zonder dat er enigszins sprake was van een eigen standpunt dat voorbij zou gaan aan de bevoegdheid van de beslissende overheid. Op basis van het advies van de gemachtigde ambtenaar kan gesteld worden dat de bestreden beslissing een schending inhoudt van het redelijkheidsbeginsel en bij uitbreiding van het evenredigheidsbeginsel aangezien een redelijk handelende overheid in dezelfde omstandigheden, dit wil zeggen met dezelfde feitelijkheden en met kennis van het oordeel van de gemachtigde ambtenaar, nooit dezelfde beslissing zou hebben genomen als deze die vervat ligt in de bestreden beslissing. De bestreden beslissing bevat aldus wel degelijk een schending van het redelijkheidsbeginsel en bijgevolg van het evenredigheids-beginsel aangezien het niet redelijk is dat de beslissing aan zoveel feiten die het tegengestelde van de beslissing aangeven en op basis van het feit dat reeds door de administratie was bevestigd dat de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet zou geschaad worden toch een weigering van de tweede uitweg werd weerhouden en dat de voorwaarde niet werd geschrapt in de bestreden beslissing.
- Derde onderdeel: schending van het vertrouwensbeginsel De auditeur stelt dat de verzoekende partij aanvoert dat zij er volkomen rechtvaardig en legitiem kon van uitgaan dat, gelet op de ligging van het bedrijfsterrein in een industriezone aan verkeerswegen en gelet op het feit dat de gevraagde werken, zowel de parkeerruimtes als de gevraagde toegangsweg in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening waarbij noch de ruimtelijk draagkracht noch de verkeersveiligheid in het gedrang komen, het naar alle redelijkheid te verwachten was dat de zowel de inrit als de uitrit aan de Tunnelweg zou toegestaan worden. Volgens de auditeur hangt dit onderdeel van het middel opnieuw samen met de beoordeling van de aanvraag met de goede ruimtelijke ordening. Deze beoordeling komt aan de vergunningverlenende overheid toe. Deze beschikt immers over een discretionaire bevoegdheid. De Raad van State vermag in de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht zijn beoordeling van de goede plaatselijke ruimtelijke ordening niet in de plaats te stellen van de bevoegde administratieve overheid. Hij is wel bevoegd na te gaan of de administratieve overheid de haar terzake toegekende appreciatiebevoegdheid naar behoeven heeft uitgeoefend, met name of zij is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij deze correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in alle redelijkheid tot de juist beslissing is gekomen. Volgens de auditeur tonen geen van de door verzoeker bijgebrachte argumenten, die in substantie teruggaan tot de blote bewering dat de werken de verkeersveiligheid niet in het gedrang brengen en die alleen enkel steunen op X-10.344-20/25 een andere feitelijke beoordeling van de zaak, dat de bevoegde overheid de grenzen van zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid zou hebben overschreden. De auditeur concludeert hieruit dat nergens blijkt dat verzoekende partij zich kon steunen om het vertrouwen te koesteren dat de weg in kwestie ook als uitgangsweg mocht gebruikt worden. Hierop kan het volgende geantwoord worden. Elke burger moet in toepassing van het beginsel van het gewettigd vertrouwen kunnen vertrouwen op een constante gedragslijn van de overheid of op de concessies of de beloftes die de openbare machten hebben gedaan in concrete gevallen. In het geval van een handeling met individuele strekking in het kader waarvan de administratie beschikt over een beoordelingsmacht, veronderstelt de mogelijkheid om de bescherming van het gewettigd vertrouwen te vorderen een situatie waarin de overheid voorafgaandelijk aan de betrokkene precieze waarborgen heeft gevraagd die van aard zijn in zijn hoofde een gegronde hoop te doen ontstaan. (...) De algemene beginselen van behoorlijk bestuur en van de rechtszekerheid hebben onder andere tot gevolg dat de rechtmatige verwachtingen van de burger worden in acht genomen (...) Het rechtszekerheids- en vertrouwensbeginsel zijn maatstaven voor de toetsing van het bestuursoptreden en bijgevolg rechtsnormen aan de hand waarvan bestuursgeschillen worden beslecht. De toepassing van het vertrouwensbeginsel kan worden ingeroepen wanneer de overheid in een concreet geval op een nadelige wijze aan de subjectieve belangen raakt die een persoon door het objectief recht beschermd achtte. De toepassingvoorwaarden ervan vereisen dat de niet enkel een onderzoek naar de het gedrag van de overheid moet gedaan worden maar ook naar de houding en het gedrag van de rechtszoekende die er zich op beroept. De gerechtvaardigde en legitieme verwachtingen van de burger moeten immers worden gehonoreerd. In dit geval kon de verzoekende partij er volkomen gerechtvaardigd en legitiem vanuit gaan dat, gelet op de ligging van het bedrijfsterrein in een industriezone aan verkeerswegen onderworpen om de verkeersstromen te verwerken van de bedrijven in deze zone (...) en het feit dat de werken voorwerp van de vergunning in overeenstemming zijn met de goede ruimtelijke ordening waarbij noch de ruimtelijke draagkracht noch de verkeersveiligheid in het gedrang komen, het naar alle redelijkheid kon verwacht worden dat zowel de inrit als de uitrit aan de Tunnelweg zouden worden toegestaan. Ook hier kan verwezen worden naar het positief advies van de gemachtigde ambtenaar die reeds bevestigd had dat er geen sprake kon zijn van een inbreuk op de goede plaatselijke ruimtelijke ordening aangezien een vergelijk werd aangeboden en dit onmogelijk is indien er schade wordt aangebracht aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening overeenkomstig artikel 68 § 3 van het decreet van 22 oktober 1996 betreffende de ruimtelijke ordening. Het bestreden besluit gaat voorbij aan het vertrouwen dat verzoekende partij kon stellen in de gedragslijn van de beslissende overheid en gaat regelrecht in tegen de tendens zoals zij voordien werd aangehouden door de beslissende overheid, in hoofde van de gemachtigde ambtenaar, reden waarom de bestreden beslissing een schending inhoudt van het vertrouwensbeginsel. De beoordeling van de mogelijke schending van het vertrouwensbeginsel bestaat er precies in om na te gaan of een overheid in het licht van een reeks voorafgaandelijke gebeurtenissen een legitiem vertrouwen heeft opgewekt bij de burger en dat de genomen beslissing in de lijn van deze verwachtingen ligt. De auditeur stelt nu dat verzoekende partij enkel steunt op een andere feitelijke beoordeling van de zaak en dat hieruit niet kan worden afgeleid dat de bevoegde overheid de grenzen van zijn wettelijk toegekende appreciatiebevoegdheid heeft overschreden. X-10.344-21/25 Nu kan moeilijk anders dan aan de hand van de feitelijkheden worden aangetoond in welke mate een bepaalde gedragslijn van de overheid een legitiem vertrouwen heeft opgewekt. Verzoekende partij ziet niet in hoe anders kan aangetoond worden dat zij kon verwachten dat de beslissende overheid haar een tweede uitweg zou toestaan. Aan de hand van de aangebrachte argumenten die reeds in de voorgaande teksten die aan Uw Raad werden voorgelegd door verzoekende partij, kan immers afgeleid worden dat verzoekende partij er wel degelijk kon op vertrouwen dat de beslissing van de overheid gunstig zou zijn.
- Vierde onderdeel: schending van de motiveringsverplichting De auditeur stelt dat de verbondenheid van dit onderdeel met de voorgaande onderdelen van het middel, ook voor wat betreft dit onderdeel van het middel besloten te worden tot de verwerping van het vierde onderdeel van het middel. Minstens dient te worden vastgesteld dat de verzoekende partij op deze wijze geenszins de schending van het motiveringsbeginsel aantoont. Hierop kan het volgende geantwoord worden. Verzoekende partij is overtuigd van het feit de voorgaande onderdelen van het middel gegrond zijn reden waarom er een schending is van de motiveringsverplichting aangezien de motivering niet rechtens en feitelijk correct is en dat de motivering niet juist is, noch pertinent en aldus de bestreden beslissing gesteund is op een onjuiste appreciatie van de feitelijke gegevens. Sinds de inwerkingtreding van de wet van 29 juli 1991 (B.S. 12 september 1991) moeten bestuurshandelingen met een individuele draagwijdte formeel gemotiveerd worden. Onder het begrip bestuurshandeling moet volgens deze wet verstaan worden: ‘De eenzijdige rechtshandeling met individuele strekking die uitgaat van een bestuur en die beoogt rechtsgevolgen te hebben voor één of meer bestuurden of een ander bestuur’ (artikel 1) Artikel 2 van deze wet bepaalt dat de betrokken bestuurshandelingen uitdrukkelijk moeten worden gemotiveerd. Dit impliceert dat de beslissing die ter kennis wordt medegedeeld aan de betrokkene niet enkel het dictum moet omvatten maar tevens de redenen moet weergeven op grond waarvan de beslissing genomen werd. Artikel 3 van de wet schrijft voor dat de opgelegde motivering in de akte de juridische en feitelijke overwegingen moet vermelden die aan de beslissingen ten grondslag liggen. Tevens moet, naar luid van hetzelfde artikel, de motivering ‘afdoende’ zijn. De term afdoende vereist dat de motivering meer is dan een loutere stijlformule. De motivering moet pertinent zijn. Zij moet daarenboven draagkrachtig zijn, d.w.z. dat de aangehaalde redenen moeten volstaan om de beslissing te schragen. Dit impliceert dat de motieven, die kenbaar moeten worden gemaakt, moeten beantwoorden aan de realiteit, en draagkrachtig zijn, m.a.w. de beslissing effectief verantwoorden (...). De Raad van State heeft in dit verband geoordeeld dat iedere beslissing van het bestuur op motieven dient te berusten die niet enkel in feite en in rechte moeten aanwezig zijn, doch die daarenboven pertinent moeten zijn, en de beslissing verantwoorden (...). De Raad van State houdt trouwens steeds voor dat een beslissing moet steunen op feiten (...), die bovendien juist moeten zijn (...). Dit betekent dat de motieven van de beslissing zelf tot uitdrukking dienen te worden gebracht aangezien uit de rechtspraak van de Raad van State valt af te leiden dat een formele motivering van een bestuurshandeling vereist is ondermeer als het een bestuurshandeling betreft met een quasi-jurisdictioneel karakter (...). X-10.344-22/25 Al te gemakkelijke of oppervlakkige motiveringen (...), algemene beschouwingen (...) of een nietszeggende cliché-matige weerlegging van omstandige gedetailleerde juridische kritiek (...) voldoen niet aan de motiveringsverplichting. Vage, duistere of niet terzake dienende uitleg, onduidelijke, onnauwkeurige, ongeldige of nietplausibele motivering vallen niet samen met een ‘afdoende’ motivering (...). De motieven van de overheidsbeslissing moeten duidelijk, logisch en consistent zijn, aanvaardbaar zijn met het oog op recht, de feiten en het beleid. Een motivering van een besluit waarbij aan het bestuur beleidsvrijheid gelaten wordt kan enkel als draagkrachtig worden aanvaard zo daarbij aangeknoopt wordt aan een beleid. De motivering wordt derhalve aan het beleid getoetst dat vaak is neergelegd in richtlijnen en beleidsregels (...). De motivering moet het voor de betrokkenen mogelijk maken om met nuttig gevolg te kunnen opkomen tegen de bestuurshandeling en moet het de rechter mogelijk maken zijn legaliteitscontrole uit te oefenen. De afdoende motivering moet in concreto beoordeeld worden (...) De motiveringsplicht wordt in deze casus geschonden aangezien zij, zoals hierboven aangetoond, niet in overeenstemming is met de feiten zoals zij zich voordoen, met name dat er hoegenaamd geen gevaar is voor de verkeers- veiligheid en dat er geen afbreuk wordt gedaan aan de goede plaatselijke ruimtelijke ordening en dat de beslissing gesteund is op een feitelijk verkeerd advies. In de bestreden beslissing wordt de aangevraagde uitrit aan de Tunnelweg geweigerd enkel en alleen op grond van een verslag van de politiecommissaris te Niel die van oordeel is dat hierdoor een gevaarlijke verkeerssituatie zou ontstaan. Zoals hierboven gezegd kan dit weerlegd worden door de feitelijke gegevens, het advies van de brandweer en de absolute noodzaak om de gehele veiligheid en beperking van de verkeershinder te evalueren, gegevens die echter niet in de beoordeling werden betrokken. De schending van de motiveringsplicht staat buiten kijf. Het enige middel is gegrond”. 2.5.
- Het bestreden besluit verwerpt het administratief beroep van de verzoekende partij tegen de beperkende voorwaarde om de Tunnelweg niet als afrit voor het terrein te gebruiken, op grond van het op 18 januari 2001 door de politie van Niel verstrekte negatief advies, vermeld onder randnummer 1.
- 2.5.
- De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift een schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel, het redelijkheidsbeginsel, het evenredigheids- beginsel en het vertrouwensbeginsel, alsook van de motiveringsverplichting, maar betrekt haar wettigheidskritiek niet op de concrete inhoud van het voormelde advies van 18 januari
- Eerst in haar laatste memorie, nadat in het auditoraatsverslag met betrekking tot de voorgehouden schending van de zorgvuldigheidsplicht wordt vastgesteld dat de argumenten van de verzoekende partij nergens het determinerend weigeringsmotief, te weten de verkeersveiligheid van de fietser als zwakke weggebruiker, weerleggen, maakt de verzoekende partij melding van voormeld, op X-10.344-23/25 het politie-verslag van 18 januari 2001 gesteunde, concrete weigeringsmotief. Zij beperkt zich er daarbij evenwel toe te stellen dat nergens concreet blijkt waarom er een gevaar voor de zwakke weggebruiker zou zijn, dat het niet is omdat er sprake is van een fietspad dat dit impliceert dat de gebeurlijke voorbijkomende fietser in een gevaarlijke situatie zal terechtkomen en dat op die manier elke op- of afrit kan worden beschouwd als een potentieel gevaar voor de verkeersveiligheid en bij uitbreiding voor de zwakke weggebruiker. De verzoekende partij gaat met dit betoog evenwel voorbij aan de concrete inhoud van het politieverslag van 18 januari 2001, waarin onder meer wordt gesteld dat “de Tunnelweg-Potaardestraat (...) een druk bereden weg (is) die verbinding geeft van de KMO-zone, Krekelberg Niel/Boom, waar meer dan 50 bedrijven gevestigd zijn”, dat “het meeste doorgaand verkeer (...) ook via deze weg (rijdt) om reden dat de infrastructuur van Nielsestraat (gemeente Boom) zodanig is dat er veel oponthoud is” en dat “de zwakke weggebruiker -hier fietser- (...) meer aandacht (heeft) voor het verkeer op de rijbaan (openbare weg), dan voor uitritten”. De loutere omstandigheid dat de verwerende partij haar beslissing, net als het college van burgemeester en schepenen en de bestendige deputatie, op een advies van de lokale politie van Niel heeft gestoeld, vermag voorts de kennelijke onredelijkheid of onevenredigheid van het bestreden besluit niet aan te tonen, temeer daar met de verwerende partij kan worden aangenomen dat de gemeentelijke politie de bevoegde instantie bij uitstek is om de verkeersveiligheid van een bepaalde situatie te beoordelen. De omstandigheden dat het bedrijfsterrein van de verzoekende partij is gelegen in een industriezone en aan verkeerswegen die zijn ontworpen om de verkeersstromen van de bedrijven in deze zone te verwerken, dat de gemachtigde ambtenaar een voorwaardelijk gunstig advies over de vergunningsaanvraag heeft verleend, dat het terrein reeds bij de aankoop in een toegangsweg via zowel de Industrieweg als de Tunnelweg zou hebben voorzien en dat het gebruik van een dubbele ontsluiting met zowel in- en uitrit volgens de verzoekende partij een hogere interne veiligheid en een evidente vermindering van de verkeershinder zou teweeg- brengen, laten de verzoekende partij ten slotte nog niet toe om in elk geval en zonder voorbehoud aanspraak te maken op de toekenning van de door haar gevraagde vergunning. De door de verzoekende partij aangevoerde schending van het vertrouwensbeginsel kan derhalve evenmin worden aangenomen. Het middel is niet gegrond. X-10.344-24/25 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september tweeduizend en acht, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.344-25/25 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.134 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div