id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.138 Rolnummer: A. 126546/X-11109 Zaak: Arrest 186138 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-23 Raadplegingen: 55 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.138 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.138 van 9 september 2008 in de zaak A. 126.546/X-11.
- In zake :
- Baudoin SAGEHOMME,
- Leon SAGEHOMME, die woonplaats kiezen bij advocaat P. JONGBLOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat L. DEHAESE, kantoor houdende te 3500 HASSELT, Luikersteenweg
- tussenkomende partij : de n.v. AQUAFIN, die woonplaats kiest bij advocaten B. ASSCHERICKX en I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Baudoin SAGEHOMME en Leon SAGEHOMME op 9 september 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 31 mei 2001 van de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar waarbij aan de n.v. AQUAFIN de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor de “aanleg collector vak 6 Stokrooie” te Stokrooie en Kuringen, kadastraal bekend Schabbestraat; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 2 december 2002 ingediend door de n.v. AQUAFIN; Gelet op de beschikking van 17 december 2002 die de tussenkomst van de n.v. AQUAFIN toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; X-11.109-1/14 Gezien de toelichtende memorie, ingediend door de tussenkomende partij; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 28 september 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoekende partijen en van de tussenkomende partij; Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat P. JONGBLOET verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat L. TIJINI, die loco advocaat L. DEHAESE verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat I. COOREMAN, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-11.109-2/14 OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De tussenkomende partij dient op 9 maart 2001 bij de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar een aanvraag in voor de aanleg van een collector vak 6 Stokrooie. 1.
- De verzoekers zijn eigenaar van een aantal percelen gelegen te Kuringen aan de Albertkanaalstraat, kadastraal bekend onder de nummers 243/a, 247, 248/d, 253/r, 254/a, 255/b, 256/r, 264/a, 252/a, 253/p, 253/g, 249/f02, 249/e02 en 249/d
- Zij komen in hoofdzaak op tegen de aanleg van de collector voorzover dit voorzien wordt op het perceel kadastraal bekend nr. 264/a. Het voormelde perceel is overeenkomstig het bij koninklijk besluit van 3 april 1979 vastgesteld gewestplan Hasselt-Genk gelegen in een landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek wordt één bezwaarschrift ingediend. Het college van burgemeester en schepenen van de stad Hasselt spreekt zich op 10 mei 2001 over dit bezwaar uit en adviseert de aanvraag verder gunstig : “Gunstig Gezien de collector wordt aangelegd met als doel meerdere lozingspunten op te nemen en het afvalwater verder af te voeren naar de rioolwaterzuiveringsinstallatie. Gezien alle constructies ondergronds voorzien worden”. 1.
- Meerdere adviezen worden ingewonnen. De afdeling Land Limburg verleent op 13 maart 2001 haar advies. Op 3 april 2001 verleent de afdeling Natuur haar advies en vraagt zij rekening te houden met een aantal aanpassingen. Op 9 april 2001 verleent het Instituut voor het archeologisch patrimonium een voorwaardelijk gunstig advies. Op 18 april 2001 verleent de afdeling Bos en Groen Limburg een voorwaardelijk gunstig advies. De afdeling Wegen Limburg laat bij brief van 16 maart 2001 weten reeds op 26 oktober 2000 een vergunning voor het aanleggen van de collectorleiding op het openbaar gewestdomein te hebben verleend. X-11.109-3/14 1.
- Bij besluit van 31 mei 2001 verleent de gewestelijk stedenbouwkundig ambtenaar de gevraagde vergunning aan de tussenkomende partij. Dit is het bestreden besluit. 1.
- Bij schrijven van 1 juni 2001 meldt de tussenkomende partij het volgende aan de verzoekers : “Betreft : project 20.182 - HASSELT : Collector Vak 6 Stokrooie Vanaf 1 januari 1991 is de nv AQUAFIN belast met o.a. het uitvoeren of laten uitvoeren van het door de Vlaamse Executieve vastgestelde investeringsprogramma aangaande nieuwe riool-waterzuiveringsinfrastructuur. In dit kader dienen wij dan ook het in rand vermelde project te realiseren. De aanbesteding van dit project heeft plaats op 17/08/2001 en de streefdatum van aanvang der werken wordt voorzien in januari
- Om het mogelijk te maken bedoelde werken te kunnen uitvoeren, is het noodzakelijk dat wij kunnen gebruik maken van een deel van het perceel/de percelen, kadastraal gekend als 12e afdeling, sectie A, nrs. 264a/02, 264a, 253w, 248d en 249d/02, welke volgens onze gegevens uw eigendom(men) is (zijn). Dhr. Bert Rutgeerts zal een afspraak met u maken teneinde het dossier aan de hand van plannen, documenten enz. toe te lichten zodat u inzicht krijgt over wat er te gebeuren staat. Mogen wij vragen dat u, indien de adresgegeven op deze brief foutief zijn of indien u een telefoonnummer wenst op te geven waar u makkelijk bereikbaar bent, contact opneemt met (...)”. 1.
- Ingevolge het voormeld schrijven nemen de verzoekers contact op met de tussenkomende partij en wordt een plaatsbezoek georganiseerd. 1.
- Op 4 oktober 2001 richten de verzoekers een aangetekend schrijven aan de tussenkomende partij, waarin zij hun bezwaar uiten aangaande de voorziene inplanting van de installatie : “Monsieur le Directeur, Concerne: Projet 20.182 - Hasselt, Stokrooie Suite à la lettre que vous nous adressiez le 1 juin dernier en vue de l’installation d’un collecteur d’eau sur nos parcelles, nous avons pris rendez- vous avec vos services et nous nous sommes rendus sur place afin de nous rendre compte du trajet proposé. Une simple visite sur les lieux nous a permis de constater que l’emplacement prévu est totalement inadéquat:
- Le tracé va endommager une pâture en passant en son plein milieu, ce qui causera entre autres des dégâts au biotope et de gros inconvénients pour le fermier occupant.
- Le tracé va endommager les racines du seul chêne un tant soit peu remarquable se trouvant dans la parcelle boisée. Nous proposons donc que la conduite soit installée le long de la route. X-11.109-4/14 Cette solution permettra d’éviter les dégâts à la pâture et de limiter les dégâts en cas d’éventuelle rupture de la conduite. En outre, cette solution semble plus économique. Elle préservera mieux l’environnement. Enfin, cette solution ne nécessitera l’abattage d’aucun arbre et seul chêne un peu valable pourra être préservé. Nous avons, dans la famille, une longue tradition de gestion forestière et de protection de la nature, et nous tenons à la faire respecter. Si contre toute attente, toute logique et tout bon sens, votre société ne revoyait pas sa position et commençait des travaux sans notre accord, nous introduirions immédiatement une action en référé et solliciterions la désignation d’un expert pour déterminer le meilleur emplacement pour la conduite. Nous espérons qu’un minimum de bon sens prévaudra, et sommes à votre disposition pour nous rendre une nouvelle fois sur place. Croyez, Monsieur le Directeur, à nos sentiments de parfaite considération”. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 19 februari 2002 herinneren de verzoekers de tussenkomende partij aan hun schrijven van 4 oktober
- 1.
- Op 6 maart 2002 maakt de tussenkomende partij aan de verzoekers het ministerieel besluit van 1 maart 2002 over waarbij het project nummer 20182 Hasselt-collector vak 6 Stokrooie van openbaar nut wordt verklaard. 1.
- In antwoord op het schrijven van 19 februari 2002 van de verzoekers deelt de tussenkomende partij bij schrijven van 7 maart 2002 het volgende mee aan de verzoekers : “Geachte Heer, Betreft: Project 20.182 HASSELT : Collector Vak 6 Stokrooie In navolging van Uw schrijven van 19 februari 2002 kunnen wij U het volgende meedelen. De inplanting van de collector is bepaald volgens het advies van de Afdeling Natuur. Reeds in ontwerpfase is tijdens een tracébezoek bepaald dat men een knik in de persleiding moest voorzien om zo de beplanting te sparen. Dit werd eveneens geadviseerd door Afdeling Bos en Groen. Via onze vertegenwoordiger, dhr. Bert Rutgeerts hebben wij contact genomen met dhr. Eric Boghart van Bos en Groen in de maand november. Hij gaat akkoord met het advies van zijn medewerkers. De percelen waarvan U eigenaar bent, zijn volgens het bestemmingsplan gelegen in landschappelijk waardevol gebied waardoor er geen bouwmogelijkheden ontnomen worden. Aangezien de percelen in gebruik zijn van dhr. V. Wouters zal hij voor de opgelopen schade na de werken vergoed worden”. 1.
- Bij schrijven van 9 juli 2002 deelt de tussenkomende partij aan de verzoekers mee dat de rioleringswerken op hun perceel op 5 augustus 2002 zullen worden aangevat : X-11.109-5/14 “Wij kunnen U meedelen dat bovenvermelde rioleringswerken op 05/08/2002 zullen worden aangevat. De werken worden uitgevoerd in opdracht van de N.V. Aquafin (...) De aannemer is (...) De ontwerper is (...) De voorziene uitvoeringstermijn bedraagt 135 werkdagen. Er zal naar gestreefd worden, de hinder voor de aangelanden tot een minimum te beperken. Nadere informatie met betrekking tot onderhavige werken is steeds te bekomen bij de toezichter der werken in de werfkeet. De private eigendommen zullen worden ingenomen in functie van de vordering der werken”. 1.
- Met een op 9 september 2002 ter post aangetekend verzonden verzoekschrift vorderen de verzoekers de vernietiging van het bestreden besluit.
- De ontvankelijkheid van het beroep ratione temporis 2.
- Standpunt van de partijen 2.1.
- In hun verzoekschrift stellen de verzoekers aangaande de ontvankelijkheid van het annulatieberoep ratione temporis het volgende : “Beroepers kwamen op de hoogte van de mogelijkheid van het bestaan van deze vergunning door de brief van de bouwheer dd. 9 juli 2002 waarbij wordt gemeld dat de bouwwerken voor de collector op 5 augustus zouden worden aangevat”. 2.1.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord de laattijdigheid van het beroep op. Zij licht deze exceptie als volgt toe : “II.
- Onontvankelijkheid ratione temporis. Artikel 4 lid 3 van het Besluit van de Regent tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State (hierna genoemd het ‘Procedurereglement R.v.St.’) bepaalt dat beroepen tot nietigverklaring op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten ingesteld worden binnen zestig dagen nadat de bestreden akten, reglementen of beslissingen werden bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dienen te worden, gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. In casu dient onderzocht te worden wanneer de verzoekende partijen kennis hadden of redelijkerwijze konden hebben van het bestreden besluit van 31 mei
- Enerzijds menen verzoekende partijen dat zij op de hoogte kwamen van het bestaan van het bestreden besluit door een brief van de bouwheer van 9 juli 2002, waarbij gemeld werd dat de bouwwerken voor de collector zouden aangevat worden. Anderzijds blijkt uit het feitenrelaas zoals weergegeven in het verzoekschrift en de bijlagen bij het verzoekschrift dat er reeds briefwisseling gevoerd werd X-11.109-6/14 tussen verzoekende partijen en de bouwheer vanaf 1 juni 2001, nadat het bestreden besluit verleend werd op 31 mei
- In opvolging van de brief van 1 juni 2001 en vóór 4 oktober 2001 zijn verzoekende partijen en de bouwheer ter plaatse geweest, waarbij de bouwheer het geplande tracé heeft toegelicht. Rekening houdend met deze feitelijke toedracht is het verzoekschrift tot nietigverklaring van 9 september 2002, toegekomen op de griffie van de Raad van State op 10 september 2002, ingediend buiten de termijn van zestig dagen en dient de vordering onontvankelijk verklaard te worden”. 2.1.
- Ook de tussenkomende partij betwist de tijdigheid van het beroep. Zij licht deze exceptie in haar verzoekschrift tot tussenkomst en in haar toelichtende memorie als volgt toe : “
- EXCEPTIE VAN ONTVANKELIJKHEID RATIONE TEMPORIS. De vordering is laattijdig ingesteld. Ingevolge het Besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Raad van State, dient elk verzoek tot nietigverklaring door derden te worden ingesteld binnen 60 dagen nadat deze partij kennis neemt van de bestreden beslissing. Uit de feiten blijkt dat verzoekers reeds sedert meer dan een jaar op de hoogte waren of redelijkerwijze hadden moeten zijn dat de N.V. AQUAFIN effectief over een bouwvergunning beschikte. Overeenkomstig art. 4 alinea 3 van het besluit van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de Raad van State, is hun vordering dan ook verjaard. Ten eerste werd er naar aanleiding van de bouwaanvraag -volledig conform de regels van het desbetreffende uitvoeringsbesluit- een openbaar onderzoek gevoerd, tijdens hetwelk de Heren SAGEHOMME géén bezwaarschrift hebben ingediend. Ten tweede heeft de N.V. AQUAFIN de Heren SAGEHOMME bij schrijven van 1 juni 2001 gemeld dat zij de kwestieuze bouwwerken op de percelen van laatstgenoemde zou uitvoeren, waaruit impliciet maar zeker volgt dat de N.V. AQUAFIN ook over de nodige (stedenbouwkundige) vergunningen beschikte om dergelijke werken te mogen aanvatten. Ten derde zijn partijen nadien tezamen ter plaatse geweest om het tracé te bespreken, waarbij de N.V. AQUAFIN duidelijk heeft uiteengezet dat in het kader van de bouwvergunning aan alle belanghebbende instanties advies werd gevraagd en er m.b.t. het vergunde tracé wel degelijk met de natuur werd rekening gehouden. Het is dan ook om deze reden dat de N.V. AQUAFIN niet onmiddellijk geantwoord heeft op het schrijven van de Heren SAGEHOMME d.d. 4 oktober 2001, waarin zij nogmaals voorstelden het tracé alsnog te verleggen: gelet op de verkregen bouwvergunning, had het immers geen zin meer hierover nog in discussie te treden. (...) Ten vierde is er het M.B. van 3 maart 2001 waarbij de kwestieuze werken van openbaar nut werden verklaard en hetwelk aan de Heren SAGEHOMME ter kennis werd gebracht bij aangetekend schrijven van 6 maart
- Tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 6 augustus tot en met 4 september 2001, hebben de Heren SAGEHOMME weerom géén bezwaarschrift ingediend. Bovendien impliceert dit M.B. noodzakelijkerwijze een voorafgaandelijke bouwvergunning, zodat de Heren SAGEHOMME logischerwijze ten laatste op X-11.109-7/14 7 maart 2002 op de hoogte waren van haar bestaan en niet slechts pas op 9 juli
- Zij hebben echter nagelaten om, naar aanleiding van het aangetekend schrijven van de N.V. AQUAFIN d.d. 6 maart 2002, tijdig, i.e. ten laatste op 7 mei 2002, een schorsings- en/of vernietigingsverzoek aan de Raad van State te richten. Uit het voorgaande blijkt onomstotelijk dat huidig verzoek tot vernietiging van de bouwvergunning d.d. 31 mei 2001, ingesteld bij verzoekschrift d.d. 9 september 2002, laattijdig is en dienvolgens als onontvankelijk moet worden afgewezen”. 2.1.
- In hun memorie van wederantwoord beantwoorden de verzoekers deze excepties als volgt : “II.
- De exceptie van laattijdigheid In de memorie van antwoord stelt het Vlaams Gewest zich blijkbaar vragen over het tijdstip waarop beroepers op de hoogte kwamen van het bestaan van de bouwvergunning, en dit in het licht van het feit dat er reeds voor 4 oktober 2001 een plaatsbezoek werd afgelegd, waarbij het tracé van de beoogde collector werd besproken. Het tracé van de door de NV Aquafin voorgenomen werken lag echter op dat ogenblik verre van vast, nu er op dat ogenblik niet eens een verklaring van openbaar nut was afgeleverd. In ieder geval werd door de NV Aquafin op geen enkel ogenblik tijdens dit plaatsbezoek gerept over het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. Overigens blijkt uit de rechtspraak van Uw Raad dat de partij die de laattijdigheid van het beroep tot nietigverklaring inroept, zulks dient te bewijzen aan de hand van concrete gegevens die aantonen dat de verzoekende partij meer dan zestig dagen voorafgaand aan de indiening van het beroep tot nietigverklaring op de hoogte was van het bestaan van het bestreden besluit (...). In de memorie van antwoord wordt niet één zulk bewijs aangedragen. Het Vlaams Gewest volstaat met het formuleren van vage vermoedens ter zake. De Nv Aquafin verwijst ter ondersteuning van haar exceptie van laattijdigheid naar haar brief aan beroepers dd. 1 juni
- de NV Aquafin meent dat beroepers daaruit moesten afleiden dat er op dat ogenblik reeds sprake was van een bouwvergunning Deze brief vermeldt nochtans niet expliciet of impliciet het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. Uit deze brief konden beroepers aldus niet ontegensprekelijk afleiden dat er voor de werken waarvan in deze brief sprake ook al een stedenbouwkundige vergunning zou zijn afgeleverd. Verder verwijst de NV Aquafin naar een mondeling onderhoud ter plaatse van niet nader bepaalde datum en het gebrek aan spoedig antwoord op beroepers’ brief dd. 4 oktober
- Ook deze feiten kunnen uiteraard geen bewijs opleveren van het feit dat beroepers reeds meer dan zestig dagen voorafgaand aan de indiening van het beroep tot nietigverklaring op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit. Overigens is het helemaal niet zo dat beroepers door de NV Aquafin mondeling op de hoogte zouden gesteld geweest zijn van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. De inhoud van de brief dd. 4 oktober 2001, waarbij de NV Aquafin wordt uitgenodigd het voorgenomen tracé te heroverdenken toont dit aan. Tot slot verwijst de NV Aquafin naar de betekening aan beroepers van het Ministerieel Besluit dd. 3 maart 2001 (waarschijnlijk bedoelt de NV Aquafin het Ministerieel Besluit dd.1 maart 2002), houdende verklaring van openbaar X-11.109-8/14 nut, dat naar het oordeel de NV Aquafin de aanwezigheid van een stedenbouwkundige vergunning zou veronderstellen. In dit Ministerieel Besluit wordt met geen woord over het bestreden besluit gerept. Daarbij is het volstrekt onjuist dat de mogelijkheid tot aflevering van een verklaring van openbaar nut onmogelijk is zonder voorafgaandelijke aflevering van een stedenbouwkundige vergunning voor de werken waarop het verzoek tot verklaring van openbaar nut slaat. Ook uit de verklaring van openbaar nut konden beroepers aldus niet afleiden dat er voor de voorgenomen werken een stedenbouwkundige vergunning was afgeleverd. Ook de NV Aquafin toont dus niet concreet en aan de hand van stukken aan dat beroepers meer dan zestig dagen voor de indiening van het beroep tot nietigverklaring op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit de exceptie van laattijdigheid dient dan ook te worden verworpen”. 2.1.
- In hun laatste memorie stellen de verzoekers nog wat volgt : “In het auditoraatsverslag wordt de exceptie van laattijdigheid van het beroep zoals ingeroepen door de verwerende partij en de tussenkomende partij bijgetreden. Blijkens de inhoud van het verslag is het auditoraat van oordeel dat er ernstige vermoedens zouden bestaan dat beroepers reeds voor 9 juli 2002 op de hoogte zouden zijn geweest van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning, en dat in dit omstandigheden aan beroepers zou zijn, niet alleen om aan te tonen dat zij niet vroeger dan de voor hen voorgehouden startdatum op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit, maar zelfs om aan te tonen dat zij voor de door hun in aanmerking genomen startdatum niet konden weten dat het bestreden besluit bestond. Het vermoeden dat beroepers reeds voorafgaand aan 9 juli 2002 op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit waardoor de bewijslast voor de tijdigheid van het beroep zou worden omgekeerd, put het auditoraat uit het bestaan van een brief van de NV Aquafin aan beroepers dd. 1 juni 2001, uit een schrijven van beroepers aan de NV Aquafin dd. 4 oktober 2001, en uit het feit dat het tracé van de collector naar aanleiding van een plaatsbezoek werd besproken. In de brief dd. 1 juni 2001 kondigt de NV Aquafin enkel het bestaan van het voornemen aan om op de terreinen van beroepers een collector aan te leggen. Uit deze brief blijkt echter dat het project zich op dat ogenblik nog in een embryonaal stadium bevindt. De uitvoering van de werken is nog niet uitbesteed, en bovendien wordt de start der werken een half jaar later voorzien. Bovendien is beroepers op dat ogenblik nog geen besluit betekend waarbij de uitvoering van deze werken van openbaar nut wordt verklaard. Gelet op het feit dat er nog niet eens een verklaring van openbaar nut is voor het tracé, en de start der werken op dat ogenblik allerminst in het vooruitzicht is, kan in alle redelijkheid niet worden aangenomen dat uit deze brief beroepers het vermoeden hadden moeten halen dat er voor de uitvoering van de aangekondigde werken reeds een stedenbouwkundige vergunning was afgeleverd. Gelet op het feit dat Aquafin deze brief verzond op 1 juni 2001, en het bestreden besluit dateert van 31 mei 2001 -daags tevoren- is het bovendien zeer onwaarschijnlijk dat op het ogenblik dat de brief werd verstuurd de NV Aquafin zélf op de hoogte was van het bestaan van deze vergunning, laat staan dat beroepers het bestaan van zulke vergunning uit deze brief zouden moeten hebben afgeleid. X-11.109-9/14 In de brief die beroepers aan de NV Aquafin richtten op 4 oktober 2001 valt duidelijk af te leiden dat de afspraak waarvan sprake in de brief van 1 juni 2001 inmiddels heeft plaatsgehad, en dat beroepers allerminst zijn te spreken over het voorgestelde tracé In deze brief wordt dan ook gesuggereerd dat de collector langsheen de weg zou worden aangelegd. Het feit alleen al dat beroepers deze suggestie doen, bewijst dat zij er op dat ogenblik vanuitgaan dat het voorgestelde tracé niet vastligt door de aflevering van deze of gene vergunning. Zij hebben hierin gelijk voor zover het de verklaring van openbaar nut betreft. Zij vergissen zich echter waar het het bestaan van een stedenbouwkundigevergunning betreft. Van het bestaan van enige stedenbouwkundige vergunning werden zij echter allerminst op de hoogte gebracht. Het feit dat beroepers dreigen met een gemeenrechtelijke kort geding procedure wanneer de werken zouden worden aangevat volgens het voorgestelde tracé bewijst dat zij op dat ogenblik helemaal niet op de hoogte zijn van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. Indien zij op dat ogenblik zouden geweten hebben dat deze stedenbouwkundige vergunning reeds was afgeleverd, dan zouden zij niet gedreigd hebben met deze procedure, maar wel onmiddellijk het nodige gedaan hebben voor het aanvechten van deze vergunning voor Uw Raad, wat zij hebben gedaan van zodra zij van het bestaan van deze vergunning op der hoogte kwamen. Uiteindelijk wordt slechts op 6 maart 2002 de verklaring van openbaar nut aan beroepers betekend. Ook uit deze betekening mogen beroepers geredelijk opmaken dat er op dat ogenblik nog geen stedenbouwkundige vergunning werd afgeleverd. Het is immers hoogst ongebruikelijk dat een stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd voor de aanleg van een collector volgens een bepaald tracé vooraleer de bevoegde minister conform de bepalingen van de Gaswet van 12 april 1965 dit tracé van openbaar nut heeft verklaard. De argumenten die het auditoraat aanhaalt om te stellen dat de feitelijke omstandigheden doen vermoeden dat beroepers reeds voor 9 juli 2002 op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit, en waardoor op beroepers zelf de bewijslast zou komen te liggen dat zij voor 9 juli 2002 niet op de hoogte waren of konden zijn van het bestaan van deze vergunning zijn aldus niet dienend. In tegendeel blijkt dat de stukken die het auditoraat aanhaalt telkens elementen bevatten die aantonen dat beroepers op het ogenblik dat deze stukken tot stand kwamen effectief niét op de hoogte waren van het bestaan van het bestreden besluit. Slechts ingevolge de brief van 9 juli 2002, waarbij de start der werken effectief werd aangekondigd, konden beroepers vermoeden dat een vergunning werd afgeleverd. Rekening houdend met de termijn die de rechtspraak van Uw Raad beroepers gunt om ingevolge deze brief kennis te nemen van de vergunning werd het beroep tot nietigverklaring aldus tijdig ingesteld”. 2.1.
- In haar laatste memorie stelt de tussenkomende partij nog wat volgt : “In zijn verslag sluit de Auditeur zich aan bij de stelling van de N.V. AQUAFIN, en bevestigt zo de onontvankelijkheid van het verzoekschrift tot nietigverklaring, wegens laattijdigheid. Verzoekers trachten de tijdigheid van het verzoekschrift alsnog te bewijzen door te verwijzen naar de briefwisseling tussen de N.V. AQUAFIN en verzoekers. X-11.109-10/14 Verzoekers menen dat de brief van 1 juni 2001 bewijst dat het project nog maar in een embryonale fase zat en dat er aldus geen sprake kon zijn van enig vermoeden van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. De N.V. AQUAFIN wenst te benadrukken dat er precies werd overgegaan tot kennisgeving van het project omdat de stedenbouwkundige beslissing een feit was. Op het moment dat de eigenaars in kennis worden gesteld, ligt het tracé al vast en is de stedenbouwkundige vergunning reeds bekomen. In de brief van 1 juni 2001 wordt bovendien het volgende meegedeeld: ‘De aanbesteding van dit project heeft plaats op 17/08/01 en de streefdatum van aanvang der werken wordt voorzien in januari 2002’. De NV AQUAFIN zou deze informatie niet kunnen meedelen indien de stedenbouwkundige vergunning nog niet zou bekomen zijn. Bovendien is de timing van de start der werken, gelet op de termijnen die volgens de wetgeving onteigeningsopdrachten moeten gerespecteerd worden, in januari 2002 realistisch. Het is niet meer dan logisch dat men iemand pas officieel op de hoogte brengt van een project, van de aanbestedingsdatum en datum van de start der werken, wanneer men zeker is dat al de noodzakelijke formaliteiten (inclusief de stedenbouwkundige vergunning) vervuld zijn en wanneer het ontwerp definitief is en klaar is om uit te voeren. Bijgevolg is het zeker niet onredelijk om uit deze kennisgeving te besluiten dat de N.V. AQUAFIN over de nodige vergunningen beschikte, en er aldus een vermoeden van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning bestond in hoofde van verzoekers. Het is ook helemaal niet ongebruikelijk dat de stedenbouwkundige vergunning wordt afgeleverd vóór het Ministerieel Besluit houdende verklaring van openbaar nut. Verzoekers betwijfelen ten onrechte dat de N.V. AQUAFIN op het moment van verzending van de brief, zijnde 1 juni 2001, reeds beschikte over de stedenbouwkundige vergunning. Zoals blijkt uit de datumstempel, ontving de N.V. AQUAFIN de stedenbouwkundige vergunning op diezelfde eerste juni. Deze brief werd diezelfde dag onmiddellijk verstuurd aan verzoekers. Verzoekers beweren ten onrechte dat hun schrijven van 4 oktober 2001 bewijst dat ze niet op de hoogte waren van het bestaan van een stedenbouwkundige vergunning. Het is echter niet omdat verzoekers niet akkoord gaan met een vergunning en trachten alternatieven voor te stellen, dat zij niet zouden geweten hebben dat de vergunning reeds bestond. Dit schrijven was een vervolg op de opmerkingen die verzoekers formuleerden op het eerder gehouden plaatsbezoek. Zoals toen werd uiteengezet, vond dit plaatsbezoek juist plaats in het kader van de bouwvergunning. Het is aldus niet redelijk van verzoekers te beweren dat ze nog niet op de hoogte waren van het bestaan van de bouwvergunning. Verzoekers beweren dat zelfs de brief van 6 maart 2002 geen vermoeden doet ontstaan van het bestaan van de vergunning. Verzoekers beweren dat het niet de gewoonlijke procedure is om eerst een stedenbouwkundige vergunning af te leveren, en dan pas het gevolgde tracé van openbaar nut te verklaren. Deze volgorde is irrelevant. Bijgevolg kan ook hier niet aanvaard worden als zouden verzoekers nog geen kennis gehad hebben van het bestaan van de stedenbouwkundige vergunning. Het is aldus niet meer dan redelijk, gezien de verschillende contacten tussen verzoekers en de N.V. AQUAFIN, te vermoeden dat verzoekers reeds voor 9 juli 2002 op de hoogte waren van het bestaan van de stedenbouwkundige vergunning. Er kan dus besloten worden dat verzoekers reeds lange tijd, in ieder geval meer dan zestig dagen voor het indienen van het verzoekschrift tot nietigverklaring, op de hoogte waren van het bestaan van de vergunning. X-11.109-11/14 Het beroep tot nietigverklaring werd aldus laattijdig ingediend”. 2.
- Onderzoek van de exceptie 2.2.
- De bestreden stedenbouwkundige vergunning diende noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekers er kennis van hebben gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Het mag evenwel niet in de macht van een potentiële verzoeker liggen, wanneer hij in de mogelijkheid is om kennis te nemen van een bestuurshandeling die hij eventueel met een annulatieberoep wenst te bestrijden, die kennisneming voor onbepaalde tijd uit te stellen en daardoor de aanvangsdatum van de beroepstermijn willekeurig te verschuiven, zodat de rechtsgeldigheid en het voortbestaan van de bedoelde bestuurshandeling, buiten weten zowel van de overheid van wie zij uitgaat als van alle andere belanghebbenden, in het ongewisse worden gehouden, met alle nadelige gevolgen vandien. Het beginsel volgens hetwelk voorkomen moet worden dat de gelding van administratieve beslissingen te lang onzeker blijft, en dat aan voormeld artikel 4 van de procedureregeling ten grondslag ligt, eensdeels, en de noodzaak van een evenwichtige bescherming van de belangen én van de bouwheer én van de omwonenden en andere belanghebbende personen, anderdeels, brengen mee dat degene die meent te worden benadeeld door een stedenbouwkundige vergunning en die het bestaan van die vergunning moet vermoeden, de verplichting heeft om binnen een redelijke termijn gebruik te maken van de mogelijkheid die hem toentertijd door artikel 2 van het koninklijk besluit van 22 oktober 1971 tot uitvoering van artikel 63 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970 en 22 december 1970, geboden werd om ten gemeentehuize kennis te nemen van de inhoud van de afgegeven stedenbouwkundige vergunning. Eens die redelijke termijn is verstreken, neemt de termijn van zestig dagen om een annulatieberoep in te dienen een aanvang. 2.2.
- Het bestreden besluit dateert van 31 mei
- Met een schrijven van 1 juni 2001 laat de tussenkomende partij de verzoekers onder meer weten dat de streefdatum van de aanvang der werken wordt voorzien in januari
- Sedert voormeld schrijven zijn er tussen de beide partijen contacten geweest, werd er zelfs X-11.109-12/14 een plaatsbezoek georganiseerd om het tracé van de collector op het perceel van de verzoekers te bespreken en hebben de verzoekers bij schrijven van 4 oktober 2001 hun bezwaren ten aanzien van het gekozen tracé geuit, waaraan zij de tussenkomende partij bij aangetekend schrijven van 19 februari 2002 hebben herinnerd. Op 6 maart 2002 maakt de tussenkomende partij aan de verzoekers het ministerieel besluit van 1 maart 2002 over waarbij het project nummer 20182 Hasselt-collector vak 6 Stokrooie van openbaar nut wordt verklaard. 2.2.
- In antwoord op hun schrijven van 19 februari 2002, heeft de tussenkomende partij de verzoekers bij schrijven van 7 maart 2002 onder meer het volgende meegedeeld : “(...) de inplanting van de collector is bepaald volgens het advies van de Afdeling Natuur. Reeds in ontwerpfase is tijdens een tracébezoek bepaald dat men een knik in de persleiding moest voorzien om zo de beplanting te sparen. Dit werd eveneens geadviseerd door Afdeling Bos en Groen (...) ”. De adviezen van de afdeling Natuur en van de afdeling Bos en Groen “naar aanleiding van de bepaling van de inplanting van de collector”, worden in de regel verstrekt in het kader van de stedenbouwkundige vergunningsprocedure. De “bepaling van de inplanting” van de collector na advies van de voormelde afdelingen, geschiedt in de regel middels de toekenning van een stedenbouwkundige vergunning. De eerste verzoeker is bovendien notaris en kan derhalve verondersteld worden met het ruimtelijke ordeningsrecht en zijn vergunningsprocedures bekend te zijn. 2.2.
- Gelet op de verschillende contacten die tussen de verzoekers en de tussenkomende partij met betrekking tot het door hun geviseerde project hebben plaatsgehad, alsook op de voormelde inhoud van het schrijven van de tussenkomende partij van 7 maart 2002, moet worden aangenomen dat de verzoekers, waarvan de eerste verzoeker ook nog notaris is, laatstens bij ontvangst van het voormelde schrijven van 7 maart 2002 het bestaan van de bestreden vergunning hebben of moesten hebben vermoed. Het beroep werd op 9 september 2002, dit is zes maanden na het voormelde schrijven, ingediend en is derhalve laattijdig. De exceptie is gegrond. X-11.109-13/14 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-11.109-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.138 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div