id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 09 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.142 Rolnummer: A. 100048/X-10092 Zaak: Arrest 186142 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 09/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-23 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:31 Fiche Arrest nr 186.142 van 9 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.142 van 9 september 2008 in de zaak A. 100.048/X-10.
- In zake :
- Axel VAN BEVER,
- Nancy VAN BERGHEN, die woonplaats kiezen bij advocaten J. DURNEZ en E. GOFFIN, kantoor houdende te 3050 OUD-HEVERLEE, Waversebaan 134A tegen : de deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT, die woonplaats kiest bij advocaat K. VAN ALSENOY, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, A. Dansaertstraat
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Axel VAN BEVER en Nancy VAN BERGHEN op 2 februari 2001 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 december 2000 van de bestendige deputatie van de provincieraad van VLAAMS-BRABANT waarbij hun beroep tegen de beslissing van 20 april 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente HOLSBEEK houdende weigering van de vergunning voor het verbouwen en uitbreiden van een weekendverblijf op een perceel gelegen te Holsbeek, Vinkendreef, kadastraal bekend sectie F, nrs. 65/h4, 65/m3 en 65/y4, niet wordt ingewilligd; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 5 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; X-10.092-1/18 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien het verzoek tot voortzetting van de procedure ingediend door de verzoekende partijen en de laatste memorie van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 1 april 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 mei 2008; Gehoord het verslag van staatsraad S. DE TAEYE; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat K. VAN ALSENOY verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 16 februari 2000 vragen de verzoekende partijen aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek een vergunning voor een “verbouwing”, meer bepaald -volgens de bij de vergunningsaanvraag gevoegde beschrijvende nota- voor het uitbreiden van een vergunde, vrijstaande, gelijkvloerse woning op een terrein gelegen aan de Vinkendreef te Holsbeek, kadastraal bekend sectie F, nrs. 65/h4, 65/m3 en 65/y
- 1.
- Eerder, bij beslissing van 26 juli 1963 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek, werd voor deze gronden een vergunning voor het bouwen van een “week-end huis” verleend. Bij beslissing van 28 september 1976 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek werd een vergunning verleend voor het bijbouwen van een kamer. Door het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgestelde gewestplan Leuven, worden de gronden tot parkgebied bestemd. X-10.092-2/18 1.
- In een ongunstig advies van 13 april 2000 stelt de gemachtigde ambtenaar met betrekking tot de vergunningsaanvraag van de verzoekende partijen onder meer het volgende : “Beschrijving van de bouwplaats, de omgeving en het project Het goed is gelegen in een mooi bebost gebied bestaande uit een gemengde bomenvegetatie. Het goed paalt aan een aarden weg (gedeeltelijk steenslag). Het project voorziet het uitbreiden van een weekendverblijf. Het gebouw werd vergund als weekendverblijf op 26/07/1963 door het college van burgemeester en schepenen; op 28/09/1976 werd een bouwvergunning afgeleverd, eveneens door het college, voor het bijbouwen van een kamer. Beoordeling van de goede ruimtelijke ordening Het goed paalt niet aan een voldoende uitgeruste weg; er is geen duurzame verharding aanwezig wat in strijd is met het decreet van 18/05/1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - artikel
- Het gebouw is vergund als weekendverblijf en niet als woning. Het decreet van 18/05/1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening - artikel 166, 6/ laat enkel het verbouwen van een bestaande vergunde WONING toe. De bestemmingswijziging van weekendverblijf naar woning kan niet toegestaan worden. Gelet op het advies van de afdeling Bos & Groen zou het project eveneens leiden tot een te zware aantasting van de bestaande bosvegetatie wat het behoud van de parkbestemming niet ten goede komt”. 1.
- Onder verwijzing naar voormeld ongunstig advies, weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek op 20 april 2000 de gevraagde vergunning. 1.
- Tegen de voormelde beslissing stellen de verzoekende partijen een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. In dit beroep voeren zij, onder meer, het volgende aan : “Aangezien de gemachtigde ambtenaar ter zake ten onrechte een ongunstig advies verstrekt heeft onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 166 van het decreet dd. 18/05/99; Dat uit voornoemde notariële akte immers blijkt dat het onroerend goed door een professioneel ter zake, inzonderheid een notaris, gekwalificeerd werd als: ‘een woning met aanhorigheden en tuin en perceel bos, gelegen te Sint Gertrudisbos 40....’ Dat een onroerend goed hetwelke omschreven wordt als weekendverblijf immers nog steeds een woning is in de feitelijke zin van het woord; Dat het feit dat het enkel gebruikt mag worden als weekendverblijf een loutere vorm van gebruik uitmaakt, dewelke wanneer het anders gebruikt wordt niet gesanctioneerd vermag te worden (...); Derhalve dient er besloten te worden dat verzoekers enkel de verbouwing gevraagd hebben van een vergunde en bestaande woning”. X-10.092-3/18 1.
- Op 19 december 2000 weigert de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de vergunningsaanvraag. Dit is het bestreden besluit.
- De gegrondheid van het beroep 2.
- Eerste middel 2.1.
- In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 166 van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van artikel 43 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 (hierna : coördinatiedecreet) : “Aangezien de gemachtigde ambtenaar ter zake ten onrechte een ongunstig advies verstrekt heeft onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 166 van het decreet dd. 18/05/99; Dat uit voornoemde notariële akte immers blijkt dat het onroerend goed door een professioneel ter zake, inzonderheid een notaris, gekwalificeerd werd als: ‘een woning met aanhorigheden en tuin en perceel bos, gelegen te Sint Gertrudisbos 40....’ Dat een onroerend goed hetwelke omschreven wordt als weekendverblijf immers nog steeds een woning is in de feitelijke zin van het woord; Dat het feit dat het enkel gebruikt mag worden als weekendverblijf een loutere vorm van gebruik uitmaakt, dewelke wanneer het anders gebruikt wordt niet gesanctioneerd vermag te worden (...); Derhalve dient er besloten te worden dat verzoekers enkel de verbouwing gevraagd hebben van een vergunde en bestaande woning; Aangezien verder het niet correct is te stellen dat door de voorgenomen verbouwing er ook maar enige aantasting zou kunnen zijn van de bestaande bosvegetatie (zegge parkvegetatie); Dat in tegendeel verzoekers ondertussen er voor zorg gedragen hebben dat het karakter van park meer dan verstevigd is geworden; Dat trouwens geen enkel bewijs van enige beschadiging laat staan teruggang van het aanwezig groen bewezen is; Dat zodoende de gemachtigde ambtenaar zich desbetreffend vergist; Aangezien de verbouwing wel degelijk vergund kan worden conform artikel 166 Vl Decr. 99 op de Ruimtelijke Ordening en art 43 Vl. Gecoörd. Decr.96 op de Ruimtelijke Ordening; Dat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie ten onrechte stelt dat aan de voorwaarden van afwijking niet werd voldaan, daar enerzijds het niet zou gaan om een ‘woning’ en anderzijds het gebouw gelegen is aan een aardeweg; Dat art.43 § 2, 7/ Gecoörd.Decr. stelt: ‘De mogelijkheden, vermeld in 1/ tot en met 6/ gelden enkel voor de gebouwen die gelegen zijn in een...parkgebied ... en die palen aan een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de bestaande toestand’ Dat dit artikel geen interpretatie behoeft en duidelijk is; X-10.092-4/18 Dat er geen discussie mag bestaan omtrent het feit of het gebouw van verzoekers een ‘woning’ is of een ‘weekendverblijf’ (quod certe non), nu artikel 43 § 2, 7/ dienaangaande geen onderscheid maakt en spreekt van ‘de gebouwen’; Dat vervolgens en vooral de Bestendige Deputatie zelf weergeeft dat de weg verhard is in steenslag; Dat dit geen aardeweg meer is; Dat anders oordelen of interpreteren, zou lijden tot absurde gevolgen: een autosnelweg is immers ook een aardeweg verhard met beton... Dat het derhalve duidelijk is dat de beslissing van de Bestendige Deputatie strijdig is met de Wet/Decreet en derhalve dient vernietigd te worden; Aangezien het feit dat slechts verzoekers aldaar hun inschrijving als hoofdverblijf genomen hebben en het voorheen een tweede verblijf uitmaakte voor de rechtsvoorgangers van verzoekers, niet ter zake is; Dat dit enkel een fiscaal gevolg vermag te hebben (...); Aangezien verder het onderscheid tussen de zogenaamde functie ‘wonen’ en ‘verblijfsrecreatie’ volkomen arbitrair is; Dat dit onderscheid in casu zowel iedere feitelijke basis als wettelijke basis mist; Dat immers verzoekers beschikken over een vergunde woning; Dat verder de ratio legis kennelijk er in bestaat om woongebieden te kunnen onderscheiden van campingzones, enz.; Dat ter zake verzoekers niet verblijven op een camping, laatstaan een zone waarbinnen aan dergelijke recreatie gedaan wordt; Dat trouwens benadrukt moet worden dat voor zogenaamde recreatie de infrastructuur in principe onbeperkt is (...), zodat de redenering van de Overheid in casu niet opgaat; Dat immers zelfs indien er sprake zou kunnen zijn van verblijfsrecreatie er dienvolgens geen beperking kan opgelegd worden met betrekking tot de voorgenomen infrastructuur (...); Dat verzoekers hun woning recreatief gebruiken hetgeen voorzeker in het voordeel is van het betreffende parkgebied in het algemeen; Aangezien verzoekers verder doen gelden dat hun aanvraag dateert van voor het besluit dd. 14/04/00 van de Vlaamse Regering; Dat dienvolgens deze wetswijziging geen retroactief gevolg kan en mag hebben op de aanvraag in hoofde van verzoekers (...); Aangezien de woning van verzoekers gelegen is binnen een zone dewelke door de Overheid bestemd werd als ‘parkgebied’; Dat onder een ‘parkgebied’ dient verstaan te worden een terrein hetwelke ingericht werd door beplanting met bomen, heesters, enz.. tot een publieke wandelplaats (...); Dat onbetwistbaar vaststaat dat het gebied omheen de eigendom van verzoekers allerminst openstaat voor het publiek, Dat verder onbetwistbaar vaststaat dat dezelfde overheid niets ondernomen heeft ter openstelling van het publiek door bijv. onteigening, enz.., zodat de betreffende beslissing waarbij onder meer de eigendom van verzoekers tot parkgebied werd omgevormd, niet ondersteund wordt door feiten; Dat zodoende deze beslissing in rechte en in feite is komen te vervallen bij gebreke aan daadwerkelijke uitvoering ervan; Dat de Overheid immers de uitvoering van haar eigen beslissingen niet kan opleggen aan de rechtsonderhorigen, temeer zulks een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt. Aangezien vervolgens zo er al sprake zou kunnen zijn van ‘parkgebied’ dit in casu dient omschreven te worden als ‘residentieel parkgebied’, ttz. een parkgebied waarbij de wegen vrij toegankelijk zijn voor het publiek, doch niet de terreinen op zich; X-10.092-5/18 Dat aldus er geen enkel bezwaar is tegen bebouwing laat staan tegen de functie er te wonen, temeer zulks ook de veiligheid ten goede komt; Dat trouwens er naast de woning van verzoekers nog tal van andere woningen in de onmiddellijk omgeving aanwezig zijn dewelke allen bewoond worden; Dat binnen een ‘residentieel parkgebied’ woningen trouwens volkomen normaal zijn; Dat er zodoende op de plaats alwaar het vergunde gebouw van verzoekers zich bevindt er dan ook geen sprake kan zijn van het vervullen van enige sociale functie als park (...); Dat bovendien de Overheid erkent dat de zogenaamde aardeweg ‘verhard’ is met steenslag, zodat ook dit argument zonder waarde is; Dat het derhalve ook behoort dat deze kunnen aangepast worden aan de betreffende gezinssituatie en de huidige standaards van het leven”. 2.1.
- De verwerende partij repliceert in de memorie van antwoord als volgt : “In een lange en ingewikkelde redenering (...) stelt verzoekende partij in hoofdzaak dat er geen vergunningsplichtige bestemmingswijze zou zijn geweest of indien wel, dat de verduidelijking ervan in het decreet van de Vlaamse regering van 14 april 2000 geen retroactief effect mag hebben. Waar de schending van de ingeroepen artikelen ligt is niet zeer duidelijk. Voorzover verwerende partij het middel begrepen heeft, bevat het de volgende onderdelen : Eerste onderdeel : De gemachtigde ambtenaar zou ten onrechte in zijn ongunstig advies verwezen hebben naar art. 166 van het decreet d.d. 18 maart
- Vooreerst dient opgemerkt te worden dat dit het advies is dat in eerste aanleg verstrekt werd aan het College van Burgemeester en Schepenen, en alzo niet de bestreden beslissing betreft. De kritiek bevat verder drie sub-onderdelen die ook allen of betwist of niet relevant zijn. a. de verwijzing naar de notariële akte van aankoop is vanzelfsprekend niet relevant . Deze akte wordt trouwens ook niet voorgebracht door de verzoekende partij. Alle inlichtingen werden meer dan waarschijnlijk opgenomen door de instrumenterende notaris ‘een professioneel terzake’ en dit ingevolge art.63 van het coördinatiedecreet van 22 oktober 1996, in het bijzonder § 2, alinea
- Er kan dan ook niet de minste twijfel bestaan omtrent het feit dat de betrokken woning enkel als weekendhuis vergund werd . De verwijzing naar deze akte is dan ook niet relevant. b. Verzoekende partij verwijst naar een arrest van het hof van beroep in Antwerpen d.d. 16 januari 1997 dat echter blijkbaar bewust verkeerd geciteerd wordt. Het bedoelde arrest geeft immers in zijn overwegingen duidelijk aan dat luidens de: ‘uitdrukkelijke bewoordingen van de artikelen 44 en 78 van de stedenbouwwet de wijziging van het gebruik van vergunde (sic) gebouwen aan een voorafgaande schriftelijke en uitdrukkelijke vergunning onderworpen is’. Het hof komt vervolgens na aanvullend onderzoek tot de vaststelling dat het betrokken gebouw, waarvan de beklaagden de bestemming wijzigden niet vergund was om tot de conclusie te komen X-10.092-6/18 ‘dat de bestemmingswijziging van niet vergunde gebouwen op zichzelf door geen enkele wet wordt beschouwd als wanbedrijf of overtreding’. (Opm.: Na vastgesteld te hebben dat er mogelijk andere stedenbouwkundige misdrijven aanwezig zijn, heeft het hof de beklaagden vrijgesproken wat deze betichting betreft). Dit is heel wat anders dan de interpretatie die verzoekende partij er thans wil aan geven. A contrario uit het door de verzoekende partij ingeroepen vonnis volgt immers zeer duidelijk af te leiden dat de bestemmingswijziging van een vergunde en bestaande woning wel degelijk vergunningsplichtig is (zoals trouwens ook duidelijk in de wettekst vooropgesteld wordt) c. Verzoekende partij betwist eveneens de vaststelling dat er door de voorgenomen verbouwing een aantasting zou zijn van de bestaande bosvegetatie. Ook dit onderdeel vraagt geen verdere commentaar. Het is duidelijk dat de door de verbouwing ingenomen ruimte (586 m3 nieuw volume) vanzelfsprekend een aantasting inhoudt van het bestaande groen, zodat ‘de gemachtigde ambtenaar zich vanzelfsprekend niet vergist heeft’. Tweede onderdeel : De Bestendige Deputatie zou ten onrechte hebben vooropgesteld dat een afwijking niet kan worden toegestaan nu het : a. niet zou gaan om een woning b. deze woning gelegen is aan een aardeweg a. In het kader van de uiteenzetting van dit onderdeel maakt het inderdaad weinig verschil uit of het gaat om een weekendverblijf of een andere woning. De tekst, ditmaal correct geciteerd door de verzoekende partij, heeft het inderdaad over gebouwen, wat uiteraard geen afbreuk doet aan de bemerkingen vermeld onder de overige onderdelen en middelen. b. Geen aardeweg ? Onbegrijpelijk is echter het standpunt van de verzoekende partij die correct citeert dat de mogelijkheden, voorzien in art.43 § 2, enkel voorzien zijn voor gebouwen die ‘palen aan een openbare weg, niet zijnde een aardeweg’. Onmiddellijk wordt hier door verzoekende partij terecht aan toegevoegd dat ‘dit artikel geen interpretatie behoeft en duidelijk is’ wat inderdaad het geval is. Vervolgens maakt verzoekende partij een tamelijk hallucinante redenering door voorop te stellen dat, nu op de weg steenslag aanwezig is, dit geen aardeweg meer zou zijn, en ‘een autosnelweg immers ook een aardeweg is verhard met beton...’!? Een dergelijke redenering is onzin. Een ‘aardeweg’ is in het juridisch jargon een bekend begrip dat inderdaad geen verdere toelichting vereist en trouwens niet alleen in de stedenbouwwet aan bod komt, doch ook in andere wetgevingen, zoals verkeerswetgeving. (Opm.: het begrip heeft trouwens een lange voorgeschiedenis, zoals ook dit van de ‘uitgeruste weg’ waarbij indertijd in de oorspronkelijke stedenbouwwetgeving ook reeds naar de ‘openbare wegenis’ werd verwezen - zie reeds Memorie van toelichting Senaat 1958-1959,124) Reeds eerder heeft uw Raad deze begrippen toegepast, zelfs met voorop te stellen dat wanneer een woning niet aan een dergelijke weg gelegen is, de verzoekers zelfs geen belang hebben om een vernietiging na te streven (...) In verschillende andere vonnissen en arresten werd ook verduidelijkt dat ‘een 3,50 m brede weg, die bedekt is met aarde en verhard met steenslag en keien ... een aardeweg is.’ (...) ‘Een weg... waarvan de grond oppervlakkig verhard is... een aardeweg is in de zin van art.2.6 wegcode’ (...) X-10.092-7/18 ‘Een dreef ... bestrooid met as waarop het verkeer toegelaten is, dient beschouwd te worden als een aardeweg’ (...) Dit onderdeel kan derhalve evenmin gegrond zijn. Derde onderdeel : Verzoekers hebben hun inschrijving als hoofdverblijf genomen in het gebouw dat voorheen een tweede verblijf uitmaakte voor hun rechtsvoorgangers. Ook deze overwegingen zijn totaal irrelevant, wel integendeel nu ingevolge art.16,2 van het K.B. van 16 juli 1992 betreffende de bevolkingsregisters en het .... Registers uitdrukkelijk gesteld heeft : ‘dat geen enkele inschrijving als hoofdverblijf mag geweigerd worden omwille van de ... ruimtelijke ordening’. Dit impliceert trouwens dat een gemeente de inschrijving niet mag weigeren wanneer de betrokkene vb een illegale constructie betrekt. Dit betekent niet dat de inschrijving in het bevolkingsregister tevens een virtuele regularisatie van het bouwmisdrijf tot gevolg heeft. (...) Vierde onderdeel De aanvraag van verzoekers dateert van vóór het besluit d.d. 14 april 2000 van de Vlaamse regering, waarin de bestemmingswijzigingen verduidelijkt werden. Zowel in de bestreden beslissing als in de verschillende adviezen werd erop gewezen dat een functiewijziging reeds vergunningsplichtig was sinds 1984, en niet aangetoond werd dat deze bestemmingswijziging vóór 1984 werd aangebracht (wel integendeel nu uit het dossier blijkt, en trouwens niet betwist wordt, dat de functiewijziging naar hoofdverblijf pas recent en na de aankoop van de woning door de huidige verzoekers doorgevoerd werd.) De verwijzing naar de verduidelijking in het besluit dd. 14 april 2000 is derhalve niet relevant. Vijfde onderdeel De woning is gelegen binnen een ‘parkgebied’. Dit wordt vanzelfsprekend niet betwist. Wél betwist wordt de zeer eigenaardige redenering van de verzoekende partij die vervolgens inroept dat het ‘parkgebied’ waarin zijn woning ligt, in feite een ‘residentieel parkgebied’ is en dat binnen een dergelijk ‘residentieel parkgebied woningen trouwens volkomen normaal zijn’!? Dit middel is kennelijk ongegrond. Het betrokken perceel ligt inderdaad in een groene zone in het algemeen, en in een parkgebied 4.4 in het bijzonder. De planologische voorschriften volgende uit het K.B. van 28 december 1972 zijn de volgende : ‘de parkgebieden moeten in hun staat bewaard worden of zijn bestemd om zodanig ingericht te worden dat zij, in al dan niet verstedelijkt gebieden, hun sociale functie kunnen vervullen’. De rechtsleer is het erover eens (...) dat : ‘het begrip parkgebied in het K.B ontwerpgewestplannen en gewestplannen niet gedefinieerd werd en moet dus in zijn spraakgebruikelijke betekenis worden begrepen. De definitie kan niet worden aangepast aan de specifieke kenmerken van het gebied. Zij moet overal identiek zijn. Het gaat om een terrein dat door beplanting en bomen en heesters tot een publieke wandelplaats wordt ingericht. Het heeft een sociale functie. Wanneer het reeds bestaat moet het als dusdanig worden bewaard en anders moet het volgens zijn bestemming worden aangelegd. De Raad van State heeft gewezen dat gebouwen in een parkgebied niet absoluut verboden is, zoals trouwens ook art. 14,4/,4/ van het KB ontwerp X-10.092-8/18 gewestplannen geen uitdrukkelijk bouwverbod formuleert. Maar, uiteraard zijn gebouwen in een parkgebied niet op hun plaats. Ook woningen niet. Alleen een gebouw dat de sociale functie van het parkgebied als zone voor passieve recreatie ondersteunt zou verantwoord zijn indien het in de omgeving past. Uw Raad heeft trouwens indertijd reeds een zelfde vaststelling gemaakt in het arrest nr. 18.569 d.d. 23 november 1977 (...) waarbij verduidelijkt wordt ‘het terrein waaraan men de bestemming van park heeft gegeven, moet zo worden ingericht dat het ook inderdaad die functie voor de hele bevolking kan vervullen.’. De redenering van verzoekende partij, dat deze sociale functie door haarzelf vervuld wordt, past vanzelfsprekend niet in een dergelijke definitie. Het middel is kennelijk ongegrond”. 2.1.
- In hun memorie van wederantwoord dupliceren de verzoekende partijen nog wat volgt : “Aangezien de gemachtigde ambtenaar ter zake ten onrechte een ongunstig advies verstrekt heeft onder verwijzing naar de bepalingen van artikel 166 van het decreet dd. 18/05/99; Dat zulks hierna verder uiteen gezet wordt; Eerste onderdeel: ten onrechte een ongunstig advies a.1.
- notariële akte Aangezien er aanvankelijk bij vergunning dd. 26/07/63 de toelating tot het bouwen van een weekend huis verstrekt werd; Dat bij vergunning dd. 28/09/78 de toelating verstrekt werd tot het bijbouwen van een kamer, inzonderheid een slaapkamer; Dat het hierbij opvalt dat bij de vergunning dd. 28/09/78 er geen sprake meer is van een weekend huis; Dat vanaf 1976 er derhalve geen sprake meer is van een weekend huis, doch wel van een zonder meer vergunde woning; Dat immers vanaf dat ogenblik de woning vatbaar is voor bewoning in de werkelijke zin van het woord, nu vanaf 1976 de woning uitgerust is met een slaapkamer en een badkamer; Aangezien in deze omstandigheden dan ook terecht bij notariële akte dd. 15/07/99 het onroerend goed door een professioneel ter zake, inzonderheid een notaris, gekwalificeerd werd als: ‘een woning met aanhorigheden en tuin en perceel bos, gelegen te Sint Gertrudisbos 40....’ a.1.
- vergunde woning Aangezien zelfs indien het ondanks de wijziging in 1976 nog steeds om een zogenaamd weekend huis zou gaan deze kwalificatie op zich geen enkel rechtsgevolg vermag te weeg te brengen; Dat het feit dat het enkel gebruikt mag worden als weekendverblijf een loutere vorm van gebruik uitmaakt; Dat een onroerend goed hetwelk aanvankelijk omschreven wordt als weekendverblijf immers nog steeds een woning is in de feitelijke zin van het woord; Derhalve dient er besloten te worden dat concluanten enkel de verbouwing gevraagd hebben van een vergunde en bestaande woning; a.1.
- bestemming is bewoning in het algemeen Aangezien verder de bestemming van iedere woning steeds één of andere vorm van bewoning is; X-10.092-9/18 Dat aldus een bewoning in het weekend of permanent in se geen wijziging van de bestemming kan inhouden; Dat aldus reeds geoordeeld werd dat er geen sprake is van een wijziging van bestemming wanneer een ééngezinswoning getransformeerd werd tot een meergezinswoning (...); Dat zulks in se identiek is voor de transformatie van weekendverblijf naar permanente woning in de loop van 1976; Dat immers enkel de vorm van bewoning in tijd en ruimte betrokken is, zonder er sprake is van een wijziging van bestemming in de zin van bewoning, naar kantoor, naar bedrijfslokalen, enz.; Dat aldus reeds geoordeeld werd dat de omvorming van een hobbyruimte tot woongelegenheid evenmin (een) vergunningsplichtig(e) gebruikswijziging is (...); Dat hierbij de vraag of de betreffende woning sedert 1976 al dan niet als hoofdverblijfplaats heeft dienst gedaan dan ook volkomen irrelevant is (...); Dat daarenboven reeds eerder geoordeeld werd dat een gebruikswijziging die nog niet vergunningsplichtig was buiten beschouwing dient gelaten te worden wanneer deze reeds haar doorgang gevonden had op het ogenblik van het besluit van de Vlaamse Executieve dd. 17/07/84 (...); a.1.
- geen schade aan vegetatie Aangezien verder het niet correct is te stellen dat door de voorgenomen verbouwing er ook maar enige aantasting zou kunnen zijn van de bestaande bosvegetatie (zegge parkvegetatie); Dat in tegendeel concluanten ondertussen er voor zorg gedragen hebben dat het karakter van park meer dan verstevigd is geworden; Dat trouwens geen enkel bewijs van enige beschadiging laat staan teruggang van het aanwezig groen bewezen is; Dat zodoende de gemachtigde ambtenaar zich desbetreffend vergist; Aangezien de bewering dat de verfraaiing(s)werken zoals gesteld in de laatste bouwaanvraag onmiddellijk een invloed zullen hebben op de vegetatie een loutere bewering uitmaakt dewelke in strijd is met de werkelijkheid; Dat er slechts een 60 tal m² bijgebouwd zal worden in vergelijking met de reeds bestaande gebouwen met een oppervlakte van 91 m²; Dat de voorgenomen bouwwerken bovendien gebeuren op een plaats waar geen vegetatie aanwezig is, zodat concluanten niet inzien welke schade hierbij aan de vegetatie zou kunnen worden aangebracht; Tweede onderdeel : afwijking kan worden toegestaan Aangezien de verbouwing wel degelijk vergund kan worden conform artikel 166 Vl Decr. 99 op de Ruimtelijke Ordening en art 43 Vl. Gecoörd. Decr.96 op de Ruimtelijke Ordening; Dat de bestreden beslissing van de Bestendige Deputatie ten onrechte stelt dat aan de voorwaarden van afwijking niet werd voldaan, daar enerzijds het niet zou gaan om een ‘woning’ en anderzijds het gebouw gelegen is aan een aardeweg; Dat art.43 § 2, 7/ Gecoörd.Decr. stelt: ‘De mogelijkheden, vermeld in 1/ tot en met 6/ gelden enkel voor de gebouwen die gelegen zijn in een...parkgebied...en die palen aan een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de bestaande toestand’ Dat dit artikel geen interpretatie behoeft en duidelijk is; Aangezien er in casu geen discussie mag bestaan omtrent het feit of het gebouw van concluanten een ‘woning’ is of een ‘weekendverblijf’ (quod certe non), nu artikel 43 § 2, 7/ dienaangaande geen onderscheid maakt en spreekt van ‘de gebouwen’; Dat hierbij de verwerende partij erkent dat dienaangaande het onderscheid tussen woning en weekendverblijf niet speelt; X-10.092-10/18 Dat op dit punt zodoende geen betwisting meer is tussen partijen; Aangezien vervolgens en vooral de Bestendige Deputatie zelf weergeeft dat de weg verhard is in steenslag; Dat dit geen aardeweg meer is (...); Dat anders oordelen of interpreteren, zou lijden tot absurde gevolgen: een autosnelweg is immers ook een aardeweg verhard met beton... Dat het derhalve duidelijk is dat de beslissing van de Bestendige Deputatie strijdig is met de Wet/Decreet en derhalve dient vernietigd te worden; Aangezien concluanten ter zake trouwens verwijzen naar een beslissing dd. 31/05/00 van de Vlaamse Minister van Economie, Ruimtelijke Ordening en Media, hetzij de Heer D. Van Mechelen, waarbij in een vergelijkbare situatie inzonderheid een verkaveling te Leuven, Begijnenberg, dewelke zelfs gelegen is langs een onverharde weg, nl. het Hazepad, toegestaan werd; Dat ook hier het argument van de aardeweg ten onrechte gehanteerd werd door de Administratie teneinde de vergunning te kunnen weigeren; Aangezien bij dit alles niet uit het oog mag verloren worden dat de betreffende met steenslag verharde weg voorzien werd van alle nutsvoorzieningen; Derde onderdeel: hoofdverblijfplaats Aangezien het feit dat slechts concluanten aldaar hun inschrijving als hoofdverblijf genomen hebben en het voorheen een tweede verblijf uitmaakte voor de rechtsvoorgangers van concluanten, niet ter zake is; Dat dit enkel een fiscaal gevolg vermag te hebben (...); Dat immers zelfs na het besluit van de Vlaamse Executieve dd. 17/07/84 het feit om een woning te gebruiken als hoofdverblijfplaats allerminst vergunningsplichtig is; Aangezien artikel 4 van voornoemd besluit, hetwelke handelt over een gebouw gelegen in een bufferzone, hetzij een groenpark- of bosgebied, betrekking heeft op een wijziging van een gebruik van het gebouw, zonder te definiëren onder wat als een nieuw gebruik moet beschouwd worden; Dat zulks in andere artikelen van hetzelfde besluit daarentegen zeer specifiek gedefinieerd wordt; Dat hierbij uitdrukkelijk gesteld dient te worden dat deze problematiek niet mag beoordeeld worden vanuit de het besluit dd. 13/04/00; Dat daarenboven reeds eerder geoordeeld werd dat een gebruikswijziging die nog niet vergunningsplichtig was buiten beschouwing dient gelaten te worden wanneer deze reeds haar doorgang gevonden had op het ogenblik van het besluit van de Vlaamse Executieve dd. 17/07/84 (...); Aangezien verder het onderscheid tussen de zogenaamde functie ‘wonen’ en ‘verblijfsrecreatie’ volkomen arbitrair is; Dat dit onderscheid in casu zowel iedere feitelijke basis als wettelijke basis mist; Dat immers concluanten beschikken over een vergunde woning; Dat verder de ratio legis kennelijk er in bestaat om woongebieden te kunnen onderscheiden van campingzones, enz.; Dat ter zake concluanten niet verblijven op een camping, laatstaan een zone waarbinnen aan dergelijke recreatie gedaan wordt; Dat trouwens benadrukt moet worden dat voor zogenaamd recreatie de infrastructuur in principe onbeperkt is (...), zodat de redenering van de Overheid in casu niet opgaat; Dat immers zelfs indien er sprake zou kunnen zijn van verblijfsrecreatie er dienvolgens geen beperking kan opgelegd worden met betrekking tot de voorgenomen infrastructuur (...); Dat concluanten hun woning recreatief gebruiken hetgeen voorzeker in het voordeel is van het betreffende parkgebied in het algemeen; X-10.092-11/18 Aangezien concluanten tenslotte benadrukken dat de verwerende partij ter zake enerzijds naast de kwestie antwoordt en anderzijds op de argumenten van concluanten niet antwoordt zodat deze als niet-betwist dienen weerhouden te worden Dat immers de bepalingen van artikel 16 van het KB dd. 16/07/92 met betrekking tot de inschrijving in het bevolkingsregister niet aangehaald wordt door concluanten als argument; Vierde onderdeel: geen retroactieve werking Aangezien concluanten verder doen gelden dat hun aanvraag dateert van voor het besluit dd. 14/04/00 van de Vlaamse Regering; Dat dienvolgens deze wetswijziging geen retroactief gevolg kan en mag hebben op de aanvraag in hoofde van concluanten (...); Aangezien de verwerende partij volkomen ten onrechte stelt dat de zogenaamde functiewijziging naar hoofdverblijf reeds vergunningsplichtig was voor het besluit dd. 14/04/00; Dat niets minder waar is; Dat immers zelfs na het besluit van de Vlaamse Executieve dd. 17/07/84 het feit om een woning te gebruiken als hoofdverblijfplaats allerminst vergunningsplichtig is; Aangezien artikel 4 van voornoemd besluit, hetwelke handelt over een gebouw gelegen in een bufferzone, hetzij een groenpark- of bosgebied, betrekking heeft op een wijziging van een gebruik van het gebouw, zonder te definiëren onder wat als een nieuw gebruik moet beschouwd worden; Dat zulks in andere artikelen van hetzelfde besluit daarentegen zeer specifiek gedefinieerd wordt; Dat hierbij uitdrukkelijk gesteld dient te worden dat deze problematiek niet mag beoordeeld worden vanuit de het besluit dd. 13/04/00; Dat immers wanneer de overtredingen op de stedenbouwwetgeving strafrechtelijk beteugeld kunnen worden, dit meteen ook inhoudt dat de interpretatie ervan restrictief dient te gebeuren; Dat in deze omstandigheden de ruime interpretatie niet toegelaten is; Dat trouwens anders ook de wetswijziging dd. 13/04/00 niet noodzakelijk was; Dat daarenboven reeds eerder geoordeeld werd dat een gebruikswijziging die nog niet vergunningsplichtig was buiten beschouwing dient gelaten te worden wanneer deze reeds haar doorgang gevonden had op het ogenblik van het besluit van de Vlaamse Executieve dd.17/07/84 (...); Vijfde onderdeel: parkgebied Aangezien de woning van concluanten gelegen is binnen een zone dewelke door de Overheid bestemd werd als ‘parkgebied’; Dat onder een ‘parkgebied’ dient verstaan te worden een terrein hetwelke ingericht werd door beplanting met bomen, heesters, enz.. tot een publieke wandelplaats (...); Dat onbetwistbaar vaststaat dat het gebied omheen de eigendom van concluanten allerminst openstaat voor het publiek; Dat verder onbetwistbaar vaststaat dat dezelfde overheid niets ondernomen heeft ter openstelling van het publiek door bijv. onteigening, enz.., zodat de betreffende beslissing waarbij onder meer de eigendom van concluanten tot parkgebied werd omgevormd, niet ondersteund wordt door feiten; Dat zodoende deze beslissing in rechte en in feite is komen te vervallen bij gebreke aan daadwerkelijke uitvoering ervan; Dat de Overheid immers de uitvoering van haar eigen beslissingen niet kan opleggen aan de rechtsonderhorigen, temeer zulks een schending van het gelijkheidsbeginsel inhoudt Aangezien vervolgens zo er al sprake zou kunnen zijn van ‘parkgebied’ dit in casu dient omschreven te worden als ‘residentieel parkgebied’, ttz. een X-10.092-12/18 parkgebied waarbij de wegen vrij toegankelijk zijn voor het publiek, doch niet de terreinen op zich; Dat aldus er geen enkel bezwaar is tegen bebouwing laat staan tegen de functie er te wonen, temeer zulks ook de veiligheid ten goede komt; Dat trouwens er naast de woning van concluanten nog tal van andere woningen in de onmiddellijk omgeving aanwezig zijn dewelke allen bewoond worden; Dat binnen een ‘residentieel parkgebied’ woningen trouwens volkomen normaal zijn; Dat er zodoende op de plaats alwaar het vergunde gebouw van concluanten zich bevindt er dan ook geen sprake kan zijn van het vervullen van enige sociale functie als park (...); Dat bovendien de Overheid erkent dat de zogenaamde aardeweg ‘verhard’ is met steenslag, zodat ook dit argument zonder waarde is; Dat het derhalve ook behoort dat deze kunnen aangepast worden aan de betreffende gezinssituatie en de huidige standaards van het leven”. 2.1.4.
- Op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit luidde artikel 43, § 2, zesde lid, 6/ van het coördinatiedecreet als volgt : “Gedurende een periode van vijf jaar na de inwerkingtreding van deze bepaling, mogen de gemachtigde ambtenaar bij het verlenen van een gunstig advies, en het college van burgemeester en schepenen van een gemeente die voldoet aan de voorwaarden voorgeschreven in artikel 193, § 1, van het decreet van 18 mei 1999 betreffende de organisatie van de ruimtelijke ordening, bij het verlenen van een vergunning, afwijken van de voorschriften van een gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op : (...) 6/ het uitbreiden van een bestaande vergunde woning, met uitsluiting van verkrotte gebouwen. De uitbreiding van een bestaande vergunde woning kan met inbegrip van de woningbijgebouwen die er fysisch één geheel mee vormen slechts leiden tot een maximaal bouwvolume van 700 m³. Deze uitbreiding mag de 100% volumevermeerdering echter niet overschrijden”. Artikel 43, § 2, zevende lid van het coördinatiedecreet luidde op het ogenblik van het bestreden besluit als volgt : “De mogelijkheden, vermeld in 1/ tot en met 6/, gelden enkel voor de gebouwen die gelegen zijn in een agrarisch gebied, een serregebied, een landschappelijk waardevol agrarisch gebied, een parkgebied, een industriegebied, een gebied voor vervuilende industrieën, een gebied voor milieubelastende industrieën, een gebied voor ambachtelijke bedrijven of kleine e n mi d d e l g r o t e o n d e r n e mi n g e n e n / o f e e n g e b i e d v o o r Gemeenschapsvoorzieningen en openbare nutsvoorzieningen, zoals bepaald in het Gewestplan, en die palen aan een openbare weg, niet zijnde een aardeweg, en die voldoende uitgerust is, gelet op de bestaande toestand”. 2.1.4.
- De gronden van de verzoekende partijen werden door het bij koninklijk besluit van 7 april 1977 vastgesteld gewestplan Leuven tot parkgebied bestemd. Een gewestplan bezit een bindende en verordenende kracht, waarvan X-10.092-13/18 alleen mag worden afgeweken in de gevallen en in de vormen door het decreet bepaald. De gewestplanbestemming parkgebied vindt derhalve toepassing, ongeacht het door de verzoekende partijen voorgehouden gebrek aan daadwerkelijke uitvoering van het bestemmingsvoorschrift door de verwerende partij. 2.1.4.
- Artikel 43, § 2, zesde lid, 6/ van het coördinatiedecreet bepaalt niet wat onder “vergunde woning” moet worden verstaan, zodat dit begrip in zijn spraakgebruikelijke betekenis moet worden begrepen, met name een plaats die werd vergund om er te wonen, om er vast verblijf te houden. Aan dit begrip kan geen ruimere betekenis worden gegeven omdat het zevende lid van artikel 43, § 2 van het voornoemde decreet het begrip “gebouwen” hanteert. Deze laatste bepaling verwijst immers naar alle in het zesde lid vermelde mogelijkheden, waaronder een aantal op “gebouwen” betrekking hebben, wat het gebruik van het ruimere begrip “gebouwen” in het zevende lid verklaart. 2.1.4.
- De vergunningsaanvraag die tot het bestreden besluit heeft geleid, betreft de uitbreiding van een bij beslissing van 26 juli 1963 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek vergund “week-end huis”. Een weekendhuis is een plaats bestemd voor recreatief verblijf, niet om er vast verblijf te houden en kan niet als een “vergunde woning” in de zin van artikel 43, § 2, zesde lid, 6/ van het coördinatiedecreet worden begrepen. De omstandigheden dat op 28 september 1976 een vergunning voor het bijbouwen van een kamer aan dit weekendhuis werd verleend, dat de notariële aankoopakte van 15 juli 1999 het gebouw als een “woning” zou omschrijven en dat in het advies van 30 maart 2000 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek wordt vermeld dat “de aanvragers sinds 10.07.1999 volgens het bevolkingsregister gedomicilieerde bewoners zijn”, zonder nadere aanduiding op welk adres de verzoekende partijen gedomicilieerd zijn, tonen geen wijziging van het gebruik van dit weekendhuis naar een vast verblijf aan, temeer daar de verzoekende partijen zelf aangeven dat zij hun “woning” recreatief gebruiken, hetgeen in het voordeel van het betreffende parkgebied zou zijn. 2.1.4.
- Gelet op het voorgaande, dient de overweging in het bestreden besluit “dat in het voorliggend geval niet kan gesproken worden over een woning en het uitzonderingsstelsel van art. 166 van het decreet niet kan toegepast worden” als een afdoende motief te worden aangemerkt. De wettigheidskritiek van de X-10.092-14/18 verzoekende partijen op het tweede, overtollige weigeringsmotief, te weten het al dan niet voorhanden zijn van een voldoende uitgeruste weg, kan niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden en is onontvankelijk. Het middel kan niet worden aangenomen. 2.
- Tweede en derde middel 2.2.
- In een tweede en een derde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het zorgvuldigheidsbeginsel en de hoorplicht. De verwerende partij en de gemeente Holsbeek zijn volgens de verzoekende partijen “klakkeloos (...) ingegaan” op het advies van de gemachtigde ambtenaar, zonder zulks in feite of in rechte te controleren en hebben niet aan een zorgvuldige feitenvinding gedaan. Voorts hebben zij de verzoekende partijen niet de mogelijkheid gegeven om nuttig voor hun belangen op te komen. 2.2.
- De verwerende partij repliceert dat de aangevoerde schending van het zorgvuldigheidsbeginsel een loutere bewering is, die, gelet op alle andere overwegingen van de bestreden beslissing, “onzin” is en dat de verzoekende partijen nalaten aan te geven waar er terzake een onjuistheid zou zijn en waardoor het zorgvuldigheidsbeginsel geschonden zou zijn. Wat de vermeende schending van de hoorplicht betreft, mag uit de bestreden beslissing blijken dat de verzoekende partijen -door het optreden van Mr. E. Goffin, loco Mr. J. Durnez- gehoord werden. 2.2.
- In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen wat zij in hun verzoekschrift hebben gesteld. 2.2.
- Onder “middel” in de zin van artikel 2, § 1, 3/ van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de geschonden geachte rechtsregel of het geschonden geachte beginsel en van de wijze waarop die rechtsregel of dat beginsel door de bestreden beslissing werd geschonden. Het betoog van de verzoekende partijen dat de verwerende partij “klakkeloos” op het advies van de gemachtigde ambtenaar is ingegaan, zonder zulks in feite en in rechte te controleren, alsook hun betoog dat zij niet de mogelijkheid hebben gekregen om nuttig voor hun belangen op te komen, betreffen losse beweringen, zonder de minste nadere ontwikkeling en volstaan niet om de wijze X-10.092-15/18 waarop de aangevoerde beginselen zijn geschonden, te omschrijven. De Raad van State vermag dit laatste niet in de plaats van de verzoekende partijen te doen, terwijl het evenmin spontaan uit het dossier mag blijken. De verzoekende partijen brengen aldus geen middel aan waar de Raad van State zich moet over uitspreken. Het tweede en het derde middel zijn onontvankelijk. 2.
- Vierde middel 2.3.
- In een vierde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de bestreden beslissing hoegenaamd niet op afdoende wijze, laat staan correct, werd gemotiveerd. 2.3.
- De verwerende partij repliceert dat het middel onbegrijpelijk en in elk geval onvoldoende werd uiteengezet. Er wordt enkel beweerd dat de bestreden beslissing niet op afdoende wijze en incorrect werd gemotiveerd, zonder aan te geven welk onderdeel van de vier bladzijden overwegingen van de bestreden beslissing een schending zou inhouden van de motiveringsplicht. Het volstaat te verwijzen naar de overwegingen van de bestreden beslissing. 2.3.
- In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen wat zij in hun verzoekschrift hebben gesteld. 2.3.
- Het betoog van de verzoekende partijen beperkt zich tot de loutere bewering dat de bestreden beslissing hoegenaamd niet op afdoende wijze, laat staan correct, werd gemotiveerd. Zij tonen niet aan waarin de schending van de artikelen 1 en 2 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen precies bestaat. Het middel is onontvankelijk. 2.
- Vijfde middel 2.4.
- In een vijfde middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van het redelijkheidsbeginsel : “Aangezien vertoogster tenslotte vaststelt dat het redelijkheidsbeginsel geschonden is: X-10.092-16/18 Dat beslissingen van de overheid binnen de marge moeten liggen waarbinnen redelijke personen van opvatting kunnen verschillen, terwijl beslissingen die ‘kennelijk onredelijk’ zijn, vernietigd moeten worden; (...) Aangezien ter zake moet vastgesteld worden dat het een woning betreft welke reeds van 1963 bestaat en welke vergund is; Dat er geen enkel probleem aanwezig is van schade aan de vegetatie enz.; Dat er geen gevaren, laat staan dreigende of ernstige, voor het milieu aanwezig zijn; Dat het dan ook strijdig is met het redelijkheidsbeginsel om niet toe te laten dat aan dit vergund gebouw de nodige aanpassingen gedaan worden om dit aan de huidige levensomstandigheden aan te passen, daar waar de overheid zelf nalaat om ook maar één enkel initiatief te doen om er daadwerkelijk een park van te maken; Dat binnen een ‘residentieel parkgebied’ aanpassingen aan de bestaande gebouwen moeten toegelaten worden temeer zulks in overeenstemming is met het fundamenteel wettelijk beginsel van vrijheid van de eigenaar van een onroerend goed (art 544 BW); Dat de overheid de eigenheid van een ‘residentieel parkgebied’ niet vermag te miskennen; Dat bovendien in de huidige stand van wetgeving voor dergelijk beperkte aanpassingen niet eens meer een stedenbouwkundig advies vereist voorkomt; Dat de bestreden beslissing dan ook het redelijkheidsbeginsel zonder meer schendt”. 2.4.
- De verwerende partij repliceert dat het middel een herhaling is van het laatste onderdeel van het eerste middel, met name dat de verzoekende partijen van mening zijn dat de overheid de eigenheid van een residentieel parkgebied niet vermag te miskennen en dat terwijl een dergelijk “residentieel parkgebied” niet bestaat. 2.4.
- In hun memorie van wederantwoord herhalen de verzoekende partijen wat zij in hun verzoekschrift hebben gesteld. 2.4.
- Zoals bij de bespreking van het eerste middel werd uiteengezet, liet artikel 43, § 2, zesde lid, 6/ van het coördinatiedecreet op het ogenblik van het bestreden besluit niet toe om de gevraagde vergunning te verlenen. De toepassing van het redelijkheidsbeginsel als beginsel van behoorlijk bestuur, vermag niet in te gaan tegen deze duidelijke decretale bepaling. Het middel is ongegrond. X-10.092-17/18 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negen september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-10.092-18/18 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.142 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div