id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.184 Rolnummer: A. 117948/X-10864 Zaak: Arrest 186184 - Monumenten en Landschappen - 10/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.184 van 10 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Monumenten en Landschappen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.184 van 10 september 2008 in de zaak A. 117.948/X-10.
- In zake : de n.v. WARANDE, die woonplaats kiest bij advocaat J. de Lannoy, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Jan Jacobsplein 5 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat V. TOLLENAERE, kantoor houdende te 9000 GENT, Koning Albertlaan
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. WARANDE op 11 maart 2002 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 21 december 2001 van de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid houdende bescherming als monument van het kasteel van Herzele, de kasteeldreef en enkele woningen en andere aanhorigheden te Herzele; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd P. DE WOLF; Gelet op de beschikking van 26 januari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 6 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; X-10.864-1/10 Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. WINDERICKX, die loco advocaat J. DE LANNOY verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat W. LAMMENS, die loco advocaat V. TOLLENAERE verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van adjunct auditeur-generaal P. DE WOLF; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekende partij is eigenaar van de volgende percelen en gebouwen te Herzele:
- de kasteeldreef en het kasteelpark gelegen Kasteeldreef 2 te Herzele, kadastraal bekend sectie A, nrs. 236/c, 237/g, 237/h, 237/k, 237/l, 238/e, 238/n, 238/p, 240/c, 241/d en sectie B, nrs. 533/b en 535/a;
- de bakstenen moestuinmuur van het kasteel, Kasteeldreef 2 te Herzele, sectie A, nrs. 238/e(deel) en 238/n(deel);
- het toegangshek van het kasteel, sectie A, nr. 241/d(deel);
- de cabane in het park, sectie B, nr. 237/l(deel);
- de libanonceder in het park van het kasteel, sectie A nr. 237/g(deel);
- de ijskelder van het kasteel, sectie B, nr. 237/k(deel);
- het kasteel van Herzele, sectie A, nr. 238/r(deel);
- de aanhorigheden van het kasteel, sectie A, nr. 238/p(deel);
- de woning horend bij het kasteel, Kasteeldreef 1, sectie A, nr. 207/x;
- de woning horend bij het kasteel, Kasteeldreef 3, sectie A, nr. 208/e;
- de woning horend bij het kasteel, Kasteeldreef 5, sectie A, nr. 208/f;
- de woning horend bij het kasteel, Peperstraat 50, sectie A, nr. 957/b. X-10.864-2/10 1.
- Op 8 december 2000 beslist de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Sport om de bovenvermelde onroerende goederen, samen met een onroerend goed van een andere particulier, op een ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten, stads- en dorpsgezichten te plaatsen. Het betrokken ministerieel besluit wordt bij uittreksel bekend- gemaakt in het Belgisch Staatsblad van 31 januari
- 1.
- Een afschrift van het besluit wordt bij aangetekende brief van 16 februari 2001 naar de verzoekende partij verstuurd. In de begeleidende brief wordt onder meer gesteld dat de rechtsgevolgen van de bescherming voorlopig van toepassing zijn gedurende een termijn van 12 maanden vanaf de betekening van het ontwerp van lijst aan de bestuurlijke entiteit bevoegd voor ruimtelijke ordening en aan de betrokken gemeente en provincie en dat die betekening werd uitgevoerd op 15 februari
- De aangetekende brief van 16 februari 2001 kan niet worden uitgereikt aan de verzoekende partij en de verzoekende partij heeft de brief niet afgehaald op het postkantoor. Met een aangetekende brief van 16 maart 2001 wordt opnieuw een afschrift van het bovengenoemde besluit naar de verzoekende partij verstuurd. In de begeleidende brief wordt gemeld dat de betekening aan de bestuurlijke entiteit bevoegd voor ruimtelijke ordening en aan de betrokken gemeente en provincie op 15 maart 2001 is gebeurd. 1.
- Tijdens het openbaar onderzoek wordt een bezwaarschrift ingediend waarin gevraagd wordt om ook de voormalige boswachterswoning in de bescherming op te nemen. De verzoekende partij dient geen bezwaarschrift in tegen de voorgenomen bescherming. 1.
- Op 2 augustus 2001 maakt de afdeling Monumenten en Landschappen een verslag op over de adviezen die werden uitgebracht door de provincie Oost-Vlaanderen, de gemeente Herzele en de provinciale commissie Monumenten en Landschappen Oost-Vlaanderen, alsook over het ingediende bezwaarschrift. 1.
- Op 8 november 2001 geeft de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen haar advies. X-10.864-3/10 1.
- Op 21 december 2001 neemt de Vlaamse minister van Binnenlandse Aangelegenheden, Ambtenarenzaken en Buitenlands Beleid een besluit om de bovenvermelde onroerende goederen, samen met een onroerend goed van een andere particulier, als monument te beschermen. Een afschrift van het besluit wordt bij aangetekende brief van 17 januari 2002 aan de verzoekende partij bezorgd. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 19 februari
- Ontvankelijkheid 2.1.1.
- De verwerende partij betwist de ontvankelijkheid van het beroep omdat de beslissing van het bevoegde orgaan van de verzoekende partij om het beroep in te stellen als datum 29 februari 2002 vermeldt, wat een onbestaande datum is. 2.1.1.
- De verzoekende partij repliceert dat deze materiële vergissing niet relevant is en dat de betrokken beslissing tijdig samen met het beroep tot vernietiging werd ingediend. 2.1.
- De beslissing van de raad van bestuur van de verzoekende partij om het beroep in te stellen is gevoegd bij het verzoekschrift. Er kan dan ook geen twijfel over bestaan dat de beslissing om het beroep in te stellen tijdig werd genomen, nu het beroep tijdig is ingesteld. 2.1.
- De exceptie wordt verworpen. 2.2.
- De verwerende partij voert in haar laatste memorie aan dat in de laatste memorie van de verzoekende partij en het verzoek tot voortzetting van de procedure enkel het handelsregisternummer werd vermeld en niet het ondernemingsnummer. Bijgevolg is zowel het verzoek tot voortzetting van de procedure als de laatste memorie onontvankelijk. 2.2.
- Naar luid van artikel 11, eerste lid van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen is het gebruik van het ondernemingsnummer verplicht in de betrekkingen die de ondernemingen hebben met de administratieve en rechterlijke X-10.864-4/10 overheden, evenals in de betrekkingen die deze laatste onderling hebben. Artikel 13, eerste lid van dezelfde wet bepaalt dat alle akten, facturen, aankondigingen, bekendmakingen, brieven, orders en andere stukken uitgaande van handels- en ambachtsondernemingen steeds het ondernemingsnummer dienen te vermelden. Ook al zijn de bovengenoemde bepalingen in werking getreden op 1 juli 2003 en hebben zij onmiddellijke toepassing op hangende rechtsgedingen, toch betekent dit nog niet dat de laatste memorie wegens het ontbreken van het ondernemingsnummer moet worden geweerd uit de debatten. Het doel van de wettelijke verplichting om het ondernemingsnummer te vermelden bestaat er immers in de bestemmelingen van de betrokken stukken te informeren omtrent de hoedanigheid van handels- en ambachtsonderneming. Op het verzoekschrift en op de memorie van wederantwoord heeft de verzoekende partij haar handelsregisternummer vermeld, toen die vermelding nog was voorgeschreven. Er kan bijgevolg worden aangenomen dat zowel de verwerende partij als de Raad van State op de hoogte waren van de hoedanigheid van handels- en ambachtsonderneming. Het loutere feit dat het ondernemingsnummer niet werd vermeld in de later (na 1 juli 2003) ingediende laatste memorie van de verzoekende partij en dat verkeerdelijk nog het handelsregisternummer werd vermeld, hoeft dan ook niet te worden gesanctioneerd door het betrokken stuk uit de debatten te weren. 2.2.
- De exceptie wordt verworpen.
- Ten gronde 3.1.1.
- De verzoekende partij voert in een eerste middel de schending aan van de artikelen 5, § 2, 1°, § 7 en 7 van het decreet van 3 maart 1976 tot bescherming van monumenten, stads- en dorpsgezichten (hierna: het monumentendecreet), van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, het rechtszekerheidsbeginsel en “het algemeen beginsel van behoorlijk bestuur”. Zij betoogt dat het bestreden besluit niet vermeldt wanneer de voorlegging van het ontwerp van lijst van voor bescherming vatbare monumenten en stads- en dorpsgezichten heeft plaatsgevonden. De voorlegging van het ontwerp van lijst aan de bevoegde overheden wordt voorgeschreven door artikel 5, § 2, 1° van het monumentendecreet, terwijl het besluit overeenkomstig de artikelen 5, § 7 en 7 van het monumentendecreet moet worden uitgevaardigd binnen een termijn van X-10.864-5/10 twaalf maanden na die voorlegging. Het overschrijden van die vervaltermijn brengt de rechtszekerheid in het gedrang. 3.1.1.
- De verwerende partij stelt dat de datum van voorlegging (15 februari 2001) overeenkomstig artikel 5, § 2, 1° van het monumentendecreet werd vermeld in een eerste aangetekende brief, gericht aan de verzoekende partij, die evenwel niet werd afgehaald. In een tweede aangetekende brief werd verkeerdelijk de datum van 15 maart 2001 vermeld. De verzoekende partij kan alleszins niet aanvoeren in het ongewisse te verkeren over de datum van voorlegging van het ontwerp van lijst, nu zij de eerste aangetekende brief niet heeft afgehaald. Het bestreden besluit werd genomen op 21 december 2001, minder dan tien maanden na de voorlegging van het ontwerp van lijst. Zelfs indien men de per vergissing vermelde datum van 15 maart 2001 in aanmerking zou nemen, is het besluit nog tijdig genomen. De verzoekende partij geeft niet aan waarom de datum van voorlegging in het bestreden besluit zou moeten worden vermeld en hoe de niet-vermelding tot een onwettigheid zou leiden. Zij heeft overigens geen bezwaarschrift ingediend. 3.1.1.
- De verzoekende partij repliceert dat zij een verkeerd beeld heeft gekregen van de loop van de procedure door het feit dat zij de eerste aangetekende brief niet heeft gezien en door de verkeerde datum in de tweede aangetekende brief, terwijl zij mocht menen te vertrouwen op de gegevens die door de overheid worden meegedeeld. Door de vermelding van de datum van voorlegging van het ontwerp van lijst zou zij meer inzicht hebben gehad in de rechtsgeldigheid van de procedure en in de naleving van de termijnen. 3.1.2.
- Artikel 5, § 2, 1° van het monumentendecreet luidt als volgt: “§
- De ontwerpen van lijst worden: 1° bij ter post aangetekende brief ter advies voorgelegd aan de bestuurlijke entiteit bevoegd voor ruimtelijke ordening en stedebouw en aan de betrokken gemeente(n) en provincie(s). Deze adviezen worden binnen zestig dagen te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post uitgebracht, zoniet worden ze geacht gunstig te zijn; (...)”. Artikel 5, § 7 van het monumentendecreet bepaalt het volgende: “§
- Vanaf de betekening van het ontwerp van lijst zijn op de in het besluit vermelde onroerende goederen gedurende een termijn van maximaal twaalf maanden al de uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing. De termijn gaat in te rekenen vanaf de datum van de afgifte ter post van de in § 2, 1°, vermelde voorlegging. Voor de personen bedoeld in § 2, 3°, zijn al de X-10.864-6/10 uitwerkselen van de bescherming voorlopig van toepassing vanaf hun betekening tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. De rechtsgevolgen gelden voor elke andere natuurlijke of rechtspersoon vanaf de publikatie in het Belgisch Staatsblad tot de datum waarop de eerder vermelde termijn afloopt. Die termijn kan, bij gemotiveerde beslissing van de regering, eenmaal met ten hoogste zes maanden worden verlengd”. Artikel 7 van het monumentendecreet luidt als volgt: “De Vlaamse Regering, de Koninklijke Commissie gehoord, stelt het besluit tot definitieve bescherming van de op de ontwerp van lijst voorkomende monumenten en stads- en dorpsgezichten vast. Het besluit wordt bij uittreksel bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad. Het besluit vermeldt de algemene en eventueel specifieke voorschriften inzake instandhouding en onderhoud. De inschrijving op de ontwerpen van lijst vervalt van rechtswege indien de besluiten niet zijn genomen binnen de in artikel 5, § 7, bepaalde termijn”. 3.1.2.
- De bovengenoemde decretale bepalingen schrijven niet voor dat in het bestreden besluit moet worden vermeld op welke datum het ontwerp van lijst werd voorgelegd aan de overheden bedoeld in artikel 5, § 2, 1° van het monumentendecreet. In de mate dat het middel aanvoert dat de niet-vermelding van die datum de wettigheid van het bestreden besluit in het gedrang brengt, faalt het naar recht. 3.1.2.
- Uit de gegevens van het dossier blijkt dat het ontwerp van lijst op 16 februari 2001 door de afdeling Monumenten en Landschappen met een aangetekende brief werd verzonden aan het bestuur Ruimtelijke Ordening, aan de provincie Oost-Vlaanderen en aan de gemeente Herzele. Dat in de tweede aangetekende brief van 16 maart 2001, gericht aan de verzoekende partij, en in het verslag van de afdeling Monumenten en Landschappen van 2 augustus 2001 verkeerdelijk de datum van 15 maart 2001 werd vermeld, neemt niet weg dat het bestreden besluit werd genomen op 21 december 2001, met andere woorden binnen de door artikel 5, § 7 van het monumentendecreet voorgeschreven termijn van twaalf maanden. Er ligt dan ook geen schending voor van de door de verzoekende partij aangehaalde decretale bepalingen. 3.1.2.
- In de mate dat het middel de schending van de motiveringsverplichting aanvoert, mist het feitelijke grondslag, nu de verzoekende partij niet uiteenzet in welke mate het bestreden besluit deze verplichting schendt. 3.1.
- Het eerste middel is ongegrond. X-10.864-7/10 3.2.1.
- In een tweede middel voert de verzoekende partij de schending aan van artikel 2 van het monumentendecreet, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, van het redelijkheidsbeginsel en voert zij eveneens het “ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag” aan. Zij stelt dat het bestreden besluit het kasteel klasseert wegens zijn historische en wetenschappelijke waarde, terwijl artikel 2 van het monumentendecreet een monument definieert als “een onroerend goed (...) dat van algemeen belang is omwille van zijn (...) wetenschappelijke, historische (...) waarde”. Dat algemeen belang dat een beslissing tot bescherming als monument moet verantwoorden, valt niet samen met het algemeen belang in zijn gebruikelijke betekenis en moet als dusdanig worden gemotiveerd, gelet op de verstrekkende gevolgen van een klasseringsbesluit voor de betrokken eigenaar. 3.2.1.
- De verwerende partij merkt vooreerst op dat het middel kennelijk enkel betrekking heeft op de klassering van het kasteel. Wat dat betreft, werpt zij op dat het algemeen belang met betrekking tot het kasteel van Herzele wordt gevormd door de historische waarde die in het bestreden besluit wel degelijk wordt omschreven. Voor het overige wordt door de verzoekende partij niet voldoende uiteengezet waarin de schending van de motiveringsverplichting en van het redelijkheidsbeginsel, alsook het ontbreken van de rechtens vereiste feitelijke grondslag bestaat. 3.2.1.
- De verzoekende partij repliceert dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord naar de motiveringsnota van 17 oktober 2000 verwijst, maar dat die nota niet in het bestreden besluit is overgenomen. Het louter verwijzen in de aanhef van het bestreden besluit naar het algemeen belang volstaat nog niet om het besluit op afdoende wijze te motiveren. Daardoor ontbreekt ook de vereiste feitelijke grondslag van het besluit. 3.2.2.
- Omwille van de ruime discretionaire bevoegdheid waarover de overheid beschikt bij het nemen van een beslissing over de bescherming van een monument, moet overeenkomstig de bepalingen van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen in een besluit tot definitieve bescherming van een monument worden uiteengezet om welke redenen van van artistieke, wetenschappelijke, historische, volkskundige, X-10.864-8/10 industrieel-archeologische of ander sociaal-culturele aard de bescherming als monument in concreto van algemeen belang is. 3.2.2.
- In de motivering van het bestreden besluit wordt de bescherming van het kasteel van Herzele als volgt verantwoord: “Wegens de historische waarde: - als monument: het kasteel van Herzele, gelegen Kasteeldreef 2 te Herzele; bekend ten kadaster: Herzele (Herzele), 1e afdeling, sectie A, perceelnummer 238R/deel. het algemeen belang gevormd door de historische waarde wordt als volgt omschreven: - kasteel, dat in kern uit het midden van de 19de eeuw dateert maar tot 1916 verscheidene verbouwingen kende. Het is opgetrokken deels in neo-Louis XIV- en neo-Louis XVI-stijl, telt twee en een halve bouwlaag en zeven traveeën waarvan drie als middenrisaliet, met vooraan bredere uitspringende hoekrisalieten. Het is opgetrokken met kalkzandsteen (hoek- en negblokken, cordons en lijsten), arduin (plint) en gedeeltelijk baksteen (vensterpenanten) en is afgewerkt met een steil dak. Geblokte hoekpilasters markeren de risalieten. Rechthoekige beneden- en getoogde bovenramen in natuurstenen omlijstingen. Middenrisaliet vooraan is voorafgegaan door een portiek op Toscaanse zuilen: erboven verdiepingen onder driezijdig fronton. Middenrisaliet van achtergevel met gesloten portiek en balkon van balusters en siervazen. Bij de ramen en de raamdeuren typisch Franse ‘harmonica’-luiken”. Deze motivering werd overgenomen uit het advies van de Koninklijke Commissie voor Monumenten en Landschappen van 8 november
- Dat advies is op zijn beurt gebaseerd op de historische gegevens en op een beschrijving in het verslag van 2 augustus 2001 van de afdeling Monumenten en Landschappen. In tegenstelling tot wat de verzoekende partij voorhoudt, wordt in de motivering wel degelijk aangegeven waarom de bescherming op grond van de historische waarde van algemeen belang is. De juistheid van die gegevens wordt door de verzoekende partij niet betwist. Evenmin maakt de verzoekende partij aannemelijk dat deze gegevens niet pertinent of afdoende zouden zijn om te kunnen besluiten tot de bescherming van het kasteel van Herzele als monument. 3.2.
- Het tweede middel is ongegrond. X-10.864-9/10 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.864-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.184 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div