← België

Arrest 186186 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.186 Rolnummer: A. 185275/XIV-29854 Zaak: Arrest 186186 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.186 van 10 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.186 van 10 september 2008 in de zaak A. 185.275/XIV-29.

  1. In zake : XXX, die woonplaats kiest bij Advocaat B. SOENEN, kantoor houdende te 9000 GENT, Kortrijksesteenweg 597 tegen : de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen. ---------------------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE VOORZITTER VAN DE XIVe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat XXX, van Russische nationaliteit, op 27 september 2007 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van 24 augustus 2007 van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen waarbij zijn beroep tegen de beslissing van 9 februari 2007 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen; Gelet op de beschikking nr. 1423 van 25 oktober 2007 waarbij het cassatieberoep toelaatbaar wordt verklaard; Gelet op artikel 16 van het koninklijk besluit van 30 november 2006 tot vaststelling van de cassatie-procedure bij de Raad van State; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door Auditeur M. VAN LIMBERGEN, op grond van artikel 16 van voormeld koninklijk besluit; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gelet op het verzoek tot voortzetting teneinde te worden gehoord van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 12 maart 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 4 juni 2008; XIV-29.854-1/10 Gehoord het verslag van Kamervoorzitter A. BEIRLAEN; Gehoord de opmerkingen van Advocaat A. HAEGEMAN die, loco Advocaat B. SOENEN verschijnt voor de verzoekende partij en van Attaché K. MAES, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van Auditeur R. VAN DEN EECKHOUT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973;
  2. Over de gegevens van de zaak. Overwegende dat de gegevens van de zaak als volgt kunnen worden samengevat : 1.
  3. XXX, van Russische nationaliteit, komt op 12 september 2005 België binnen en vraagt op dezelfde dag om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling. 1.
  4. Deze aanvraag wordt op 9 februari 2007 door de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen verworpen. 1.
  5. Verzoeker tekent tegen deze weigeringsbeslissing op 7 maart 2007 hoger beroep aan bij de (toenmalige) Vaste Beroepscommissie voor vluchtelingen (thans: Raad voor Vreemdelingenbetwistingen). 1.
  6. Op de zitting van 6 augustus 2007 wordt verzoeker, bijgestaan door Advocaat R. WISSING, loco Advocaat B. SOENEN, gehoord. 1.
  7. Op 24 augustus 2007 neemt de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen de thans bestreden beslissing, waarbij verzoekers beroep tegen de beslissing van 9 februari 2007 van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen wordt verworpen. Deze beslissing is als volgt gemotiveerd : “
  8. Verzoeker komt op 12 september 2005 België binnen en verklaart zich dezelfde dag vluchteling. De minister van Binnenlandse Zaken beslist op 12 oktober 2005 dat de aanvraag ontvankelijk is. XIV-29.854-2/10 De Commissaris-generaal weigert op 15 februari 2007 de vluchtelingenstatus en de subsidiaire beschermingsstatus. Dit is de bestreden beslissing, die luidt als volgt: “A. Feitenrelaas Volgens uw opeenvolgende verklaringen heeft u de Russische nationaliteit en bent een etnische Tsjetsjeen uit Gjalazji (Tsjetsjenië). Sinds 1990 zou u zijn geregistreerd in de Voroshilovastraat in Grozny. U zou na een opleiding als meubelmaker in Grozny in een bedrijf gewerkt hebben. Tussen 1995 en augustus 1996 zou u assistent geweest zijn van de Tsjetsjeense ambassadeur in Kiev (Oekraïne). U zou in augustus 1996 zijn teruggekeerd naar Tsjetsjenië en u zou er tot 1999 gewerkt hebben in een meubelfa- briek. In mei van dat jaar zou u informant geworden zijn voor de administratie van de Tsjetsjeense president. U werkte op de afdeling van een zekere XXX. U moest op officieuze wijze eventuele tegenstanders opsporen voor hem. In januari 2000 zou u door uw chef naar Nazran zijn gestuurd met gevoelige informatie in uw aktentas. Aan de grenspost tussen Tsjetsjenië en Ingoesetië werd u echter opgepakt en naar de militaire basis van Mozdog weggevoerd. Daar zou u zwaar zijn mishandeld. Na een maand zou u zijn geruild voor een Russische gevangene. Al uw identiteitsdocumenten zouden u tijdens uw gevangenschap zijn afgenomen. Vier maanden later bent u naar Zweden gevlucht waar u asiel aanvroeg op 11 juli
  9. U werd in Zweden in de gevangenis opgesloten omwille van enkele meningsverschillen die u met het personeel van een opvangcentrum voor asielzoekers had. Op 2 augustus 2004 zou u naar Sint-Petersburg gerepatrieerd zijn. Daar werd u opgewacht door FSB agenten die u tien dagen op hardhandige wijze hebben ondervraagd over uw banden met de Maschadov regeringsle- den in het buitenland. Uiteindelijk zou u onder dwang naar Grozny zijn teruggebracht. In Grozny werd u nog enkele dagen vastgehouden en daarna werd u vrijgelaten. Op 19 augustus 2004 kreeg u een nieuw intern paspoort . Op 27 november 2004 zouden gemaskerde soldaten binnengevallen zijn in het huis van u en uw ouders. Uw vader zou zijn neergeslagen en u zou zijn meegenomen. U zou opnieuw zwaar mishandeld zijn. Op 6 december 2004 zou u zijn vrijgelaten nadat u had beloofd van samen te werken. Uw intern paspoort werd opnieuw afgenomen. Thuis zou u vernomen hebben dat uw vader intussen aan zijn verwondingen was overleden. U zou in maart 2005 zijn ondergedoken in Ghalazji. Federalen en Kadyrovtsi bleven bij uw moeder langskomen op zoek naar u. In september 2005 besloot u opnieuw uit Tsjetsjenië te vluchten en u week uit naar België waar u op 12 september 2005 het statuut van vluchteling heeft aangevraagd. U bent in het bezit van een kopie van de eerste pagina van uw paspoort, uw geboorteakte en een rijbewijs. B. Motivering Niettegenstaande de ontvankelijkheidsbeslissing door de Dienst Vreemdelingenzaken stel ik – na nader onderzoek van de door u ingeroepen asielmotieven en de stukken in het administratieve dossier – vast dat u er niet in geslaagd bent om uw vrees voor vervolging in de zin van de Vluchtelingenconventie of een reëel risico op het lijden van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming aannemelijk te maken. Vooreerst moet worden opgemerkt dat na consultatie van het dossier dat de Zweedse asielinstanties over u hebben opgesteld – geen enkel geloof meer kan worden gehecht aan de door u beweerde persoonlijke achtergrond en de door u aangehaalde vluchtmotieven in Tsjetsjenië. Uit de informatie van de Zweedse autoriteiten blijkt immers dat u daar niet alleen onder een andere naam asiel heeft aangevraagd (i.e. XXX ) maar ook dat u in februari 2000 een asielaanvraag indiende in Tsjechië (zie vertaling uittreksels dossier Zweden pagina's 16-17). Uit dezelfde informatie blijkt eveneens dat u op 26 juli 2000, terwijl uw asielaanvraag in Zweden nog hangende was, in Noorwegen asiel aanvroeg onder de valse identiteit XXX en met een volledig ander vluchtrelaas (zie vertaling uittreksels dossier Zweden pagina's 1-8). Op de Dienst Vreemdelingenzaken maakte u enkel melding van uw eerdere asielaanvraag in Zweden, maar repte met geen woord over uw aanvragen in Noorwegen en Tsjechië (DVZ, vraag 16). U verklaarde aan de Zweedse asielinstanties dat uw moeder uw binnenlands paspoort had (vertaling p. 5) maar na onderzoek bleek dit in handen te zijn van de Tsjechische asielinstanties. Toen dit intern paspoort werd overgemaakt aan de Zweedse autoriteiten werd vastgesteld dat uw naam niet XXX maar wel XXX is, evenals dat er een XIV-29.854-3/10 internationaal paspoort op uw naam werd uitgereikt (zie vertaling uittreksels dossier Zweden pagina's 16-17). Bij uw asielaanvraag in België beweerde u echter nooit in het bezit geweest te zijn van een reispas (DVZ, vraag 20). Voor de Zweedse autoriteiten beweerde u in Grozny in de Ulitsa Sernovodska 35 gewoond te hebben, samen met uw moeder, XXX genaamd. U had een opleiding geschiedenis gevolgd en werkte als leraar geschiedenis in school n/ 32 te Grozny (vertaling p. 2). Bij uw asielaanvraag in België verklaarde u sinds 1990 in de Voroshilovastraat in Grozny gewoond te hebben en uw moeder zou XXX heten (DVZ, vraag 9 en 11; vragenlijst B en C). U zou een technische opleiding gevolgd en als houtbewerker in een bedrijf gewerkt hebben (CGVS, p . 8). In Zweden verklaarde u eveneens dat u bij uw moeder woonde en dat u uw vader bijna niet gekend heeft omdat die naar de VSA was gevlucht. (zie vertaling p 2 en verslag dokter p.2). Deze bewering is compleet tegenstrijdig met uw verklaringen in België ter staving van uw asielaanvraag in
  10. U beweerde immers dat u na uw terugkeer uit Zweden bij uw ouders ging wonen en dat bij uw arrestatie in november 2004 uw vader hardhandig geslagen werd en aan de gevolgen daarvan overleed (DVZ p. 12 en 14). Ook uw verklaringen mbt het gebeurde in 2000 zijn niet eensluidend. Zo beweerde u in Zweden dat u werd opgepakt aan de grens in januari 2000 toen u met een tas vol documenten op weg was naar Nazran. Daar moest u deze tas overhandigen in een hotel aan een zekere XXX (vertaling p. 3). Uw versie op de Dienst Vreemdelingenzaken luidt enigszins anders. U was op weg naar Nazran, waar aan het station een Tsjetsjeen met een rode sjaal u zou aanspreken en aan wie u dan de koffer moest overhandigen (DVZ, p. 10). Tenslotte moet ook nog worden vastgesteld dat uw opeenvolgende verklaringen op de Dienst Vreemdelingenzaken en het Commissariaat-generaal over uw arrestatie in 2000 ook een bijzonder ernstige tegenstrijdigheid vertonen. Zo verklaarde u op de Dienst Vreemdelingen- zaken dat u in het filtratiekamp van Mozdog werd vastgehouden en gemarteld (gehoorverslag DVZ, p.15). Op het Commissariaat-generaal echter verklaarde u dat dit in het filtratiekamp van Chernokozovo zou zijn gebeurd (gehoorverslag CGVS, p.18). Buiten de hierboven aangehaalde vaststellingen blijkt uit de consultatie van uw asieldossier in Zweden bovendien dat u – volgens een faxbericht van Interpol Moskou van 17 juni 2006 - op 6 september 1993 in Sint-Petersburg bent gearresteerd omwille van gemeenrechtelijke feiten. U werd er op 28 december 1993 op borg vrijgelaten maar in 1995 werd u federaal opnieuw gezocht omdat u zich niet meer had aangediend bij de politie. In 1997 kreeg Interpol informatie via de MVD van Tsjetsjenië mbt uw overlijden samen met documenten die dit bevestigden, waarna de strafzaak en het opsporingsbericht werden stopgezet (zie vertaling uittreksels dossier Zweden, p.11). Aangezien u er reeds in slaagde de Russische autoriteiten van uw overlijden te overtuigen en dit overlijden door middel van documenten te laten bevestigen kan er nu dan ook geen enkele bewijskracht gegeven worden aan de door u neergelegde kopie van een eerste pagina van een intern paspoort, uw geboorteakte en uw rijbewijs. Bovenstaande vaststellingen brengen uw algemene geloofwaardigheid in het gedrang. De elementen die wijzen op uw tekort aan geloofwaardigheid zijn van die aard dat ze het onmogelijk maken om zicht te krijgen op uw werkelijke achtergrond of reëele situatie, namelijk op de redenen waarom u uw land verlaten hebt, op uw eventuele relaties met de autoriteiten van uw land van herkomst, op het evnetueel risico op vervolging. Derhalve heeft u niet aannemelijk gemaakt dat u daadwerkelijk het slachtoffer werd/kan zijn van hetzij van een vervolging zoals bedoeld in de Conventie van Genève hetzij van ernstige schade zoals bepaald in de definitie van subsidiaire bescherming. C. Conclusie Op basis van de elementen uit uw dossier, kom ik tot de vaststelling dat u noch als vluchteling in de zin van artikel 48/3 van de Vreemdelingenwet kan worden erkend, noch voor subsidiaire bescherming in de zin van artikel 48/4 van de Vreemdelingenwet in aanmerking komt.”
  11. Artikel 39/56 van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (hierna: Vreemdelingenwet) stelt dat de vreemdeling enkel een beroep tegen de beslissing van de Commissaris-generaal kan instellen bij de Raad wanneer hij doet blijken van een benadeling of van een belang. XIV-29.854-4/10 Uit de parlementaire voorbereiding van de wet van 15 september 2006 blijkt dat het de uitdrukkelijke wil van de wetgever was dat de procedure van de Raad voor Vreemde- lingenbetwistingen zo veel als mogelijk aansluit bij die welke geldt voor de Raad van State. Dienvolgens kan voor de interpretatie van de verschillende begrippen en rechtsfiguren worden teruggegrepen naar die welke thans bij de Raad van State wordt aangewend (Gedr. St. Kamer, 2005-2006, nr. 51 2479/001, p. 116-117). Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (zie o.a. R.v.St., nr.148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Een belang is slechts rechtmatig wanneer het geoorloofd, “oorbaar” is. Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit” (R.v.St., nr. 116.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827,12 september 2001), dat de openbare orde raakt, wordt het rechtmatig karakter van het belang aangetast wanneer verzoeker de Belgische asielinstanties bewust misleidt door zijn bedrieglijke handelwijze om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen. Verzoeker verklaarde tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij voor hij naar België kwam naar Zweden is gevlucht en daar asiel heeft aangevraagd (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 11). Op 5 september 2005 vertrok verzoeker volgens zijn verklaringen vanuit Tsjetsjenië opnieuw richting Europa om op 12 september 2005 België te bereiken (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 9). De bestreden beslissing stelt op correcte wijze dat uit informatie van de Zweedse autoriteiten, overgemaakt op 18 januari 2006, blijkt dat verzoeker enerzijds daadwerke- lijk in Zweden onder een andere naam asiel heeft aangevraagd doch anderzijds ook een asielaanvraag heeft ingediend in februari 2000 in Tsjechië en op 26 juli 2000 in Noorwegen. Hieruit blijkt dat verzoeker bewust zijn asielaanvragen in Tsjechië en Noorwegen verzweeg voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierdoor werd de Dienst Vreemdelingenzaken op bedrieglijke wijze verhinderd om op correcte wijze artikel 51/5, §3 Vreemdelingenwet toe te passen. Verzoeker brengt in zijn verzoekschrift geen elementen aan die vermogen de toepassing van voormeld rechtsbeginsel te vermijden. In overeenstemming met het rechtsbeginsel "Fraus omnia corrumpit", kan geen gunstig gevolg worden verleend aan een beroep waarbij verzoeker de overheid bij het nemen van de beslissing bewust heeft pogen te misleiden.
  12. Bijgevolg is de vordering, ook wat de toekenning van de subsidiaire beschermings- status betreft, onontvankelijk wegens ontstentenis van het vereiste rechtmatig belang. OM DIE REDENEN BESLUIT DE RAAD VOOR VREEMDELINGENBETWIS- TINGEN: Enig artikel Het beroep wordt verworpen.”. XIV-29.854-5/10
  13. Over de ontvankelijkheid van het beroep. 2.
  14. Overwegende dat de verwerende partij in haar memorie van antwoord het volgende aanvoert omtrent het gebrek aan belang: “II. Niet-ontvankelijkheid van de vordering 2.1 Verweerder antwoordt dat uit de bij het administratief dossier gevoegde stukken, afkomstig van de Zweedse autoriteiten, blijkt dat verzoeker reeds twee asielaanvragen indiende, met name in Noorwegen en Tsjechië. Verzoeker diende in Zweden een asielaanvraag onder een andere naam, XXX, en bracht een volledig ander asielrelaas naar voren. Ook in Noorwegen vroeg verzoeker asiel aan onder een valse identiteit, XXX en bracht verzoeker een ander vluchtrelaas naar voren. Van geen van deze elementen maakte hij tijdens zijn Belgische asielprocedure melding. Uit de vergelijking van de stukken afkomstig van de Zweedse autoriteiten en zijn verklaringen afgelegd tijdens zijn Belgische asielprocedure kan worden besloten dat verzoeker belangrijke aspecten moedwillig heeft verzwegen, waardoor de door hem verhaalde feiten in een bedrieglijk daglicht komen te staan. Hieruit volgt dat verzoeker geen rechtmatig belang heeft bij het vernietigingsberoep ingesteld tegen de bestreden beslissing (R.v.St., nr. 93.521 van 23 februari 2001; R.v.St., nr. 98.827 van 12 september 2001; R.v.St., nr. 100.045 van 23 oktober 2001; R.v.St., nr. 115.181 van 29 januari 2003). Het beroep is onontvankelijk wegens gebrek aan rechtmatig belang.”; 2.
  15. Overwegende, wat de ontvankelijkheid betreft, dat het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit” er niet aan in de weg staat dat een vreemdeling, wiens asielaanvraag bedrieglijk is bevonden, over het vereiste belang beschikt om die beslissing met een administratief cassatieberoep bij de Raad van State aan te vechten, tenzij zou blijken dat het beroep tot nietigverklaring zelf door bedrog is aangetast; dat de ongegrondheid van het beroep niet volstaat om dat beroep als niet ontvankelijk omwille van het voornoemd algemeen rechtsbeginsel te beschouwen; dat het beroep tot nietigverklaring ontvankelijk is;
  16. Over de grond van de zaak. 3.
  17. Overwegende dat verzoeker als enig middel aanvoert: “- Schending - van de bepalingen van artikel 48 / 3 van de wet van 15/12/1980 betreffende de toegang tot het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (B.S. 31/12/1980; hierna de Vreemdelingenwet). - van art. 1, A

(2)van het Internationaal verdrag betreffende de status van Vluchte- lingen dd. 28/07/1951 goedgekeurd bij wet van 26/06/1953 (B.S. 4/10/1953; hierna de Conventie van Genève) - van artikel 1
(2)van het Protocol betreffende de Status van de Vluchtelingen dd. 31/01/1967, goedgekeurd bij Wet van 27/02/1967 (B.S. 3 mei 1969) XIV-29.854-6/10 De motivatie in de bestreden beslissing is niet afdoende en faalt. *** De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd : “(...) Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (zie o.a. R.v.St., nr. 148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Een belang is slechts rechtmatig wanneer het geoorloofd, "oorbaar" is. Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit" (R.v.St., nr. 11 6.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827,12 september 2001), dat de openbare orde raakt, wordt het rechtmatig karakter van het belang aangetast wanneer verzoeker de Belgische asielinstanties bewust misleidt door zijn bedrieglijke handelwijze om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen. Verzoeker verklaarde tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij voor hij naar België kwam naar Zweden is gevlucht en daar asiel heeft aangevraagd (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 11). Op 5 september 2005 vertrok verzoeker volgens zijn verklaringen vanuit Tsjetsjenië opnieuw richting Europa om op 12 september 2005 België te bereiken (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 9). De bestreden beslissing stelt op correcte wijze dat uit informatie van de Zweedse autoriteiten, overgemaakt op 18 januari 2006, blijkt dat verzoeker enerzijds daadwerkelijk in Zweden onder een andere naam asiel heeft aangevraagd doch anderzijds ook een asielaanvraag heeft ingediend in februari 2000 in Tsjechië en op 26 juli 2000 in Noorwegen. Hieruit blijkt dat verzoeker bewust zijn asielaanvragen in Tsjechië en Noorwegen verzweeg voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierdoor werd de Dienst Vreemdelingenzaken op bedrieglijke wijze verhinderd om op correcte wijze artikel 51/5, §3 Vreemdelingenwet toe te passen. Verzoeker brengt in zijn verzoekschrift geen elementen aan die vermogen de toepassing van voormeld rechtsbeginsel te vermijden. In overeenstemming met het rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit", kan geen gunstig gevolg worden verleend aan een beroep waarbij verzoeker de overheid bij het nemen van de beslissing bewust heeft pogen te misleiden.
  1. Bijgevolg is de vordering, ook wat de toekenning van de subsidiaire bescher- mingsstatus betreft, onontvankelijk wegens ontstentenis van het vereiste rechtmatig belang. (...)” Kritiek op de bestreden beslissing Er kan waargenomen worden dat de motivering van de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel en alleen gemotiveerd is op basis van het eerder verzwijgen van verzoekers asielaanvragen in 2000 in Tsjechië en in Noorwegen. Dat de bestreden beslissing stelt zich hiermee aan te sluiten bij eerdere rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het principe van "fraus omnia corrumpit". Dat de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenwel voorbij gaat aan de onderliggende thematiek van Tsjetsjeense vluchtelingen en de rechtspraak die hieromtrent door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen opgebouwd is. Meer bepaald stelt de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in talloze arresten vast dat de individuele vrees voor vervolging vaststaat is van zodra de Tsjetsjeense origine van de kandidaatvluchteling vaststaat. De verzoeker verwijst hiervoor naar volgende uitspraken van de Vaste Beroepscommis- sie : VB, 04-1433/F1660, op datum van 5 januari 2005; VB, 04-2098/F1662, op datum van 7 januari 2005; VB, 04-0848/F1660, op datum van 7 januari 2005; VB,04- 1878/F1667, op datum van 18 januari
  2. Aldus staat het volgens de vaststaande rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen vast dat kandidaat-vluchtelingen van zodra hun Tsjetsjeense XIV-29.854-7/10 origine vaststaat een persoonlijke vervolging in de zin van art. 48 / 3 Vreemdelingenwet kunnen inroepen. Inderdaad deze kandidaat-vluchtelingen lopen ernstig gevaar. Wat de verzoeker betreft heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenals de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen nooit twijfels gehad omtrent de identiteit en de Tsjetjseense oorsprong van de verzoeker. Er wordt enkel gewezen op het bedrieglijk karakter omwille van het verzwijgen van 2 asielaanvragen in de loop van
  3. De basis van deze motivering is evident arbitrair: - de asielaanvraag van de verzoeker dateert van 2005 terwijl de verzwegen asielaan- vragen dateren van 2000 ; - als de verzoeker deze eerdere asielaanvragen verzwegen heeft, is dit louter te wijten aan gevoelens van onzekerheid en frustratie ; Het verzwijgen van zijn eerdere asielaanvragen neemt evenwel niet de gegrondheid van zijn vervolging weg. De verzoeker verwijst hiervoor dienend naar een uitspraak op datum van 4 maart 2005 gewezen door de Vaste Beroepscommissie inzake een kandidaat-vluchtelingen van Tsjetsjeense oorsprong (zie bv. VBV, 4 maart 2005, nr. 03-3310/F1756 met noot van K. POLLET in T. Vreemd. nr 2/2005). Blijkens deze uitspraak staat tevens vast dat het frauduleuze karakter van de asielaan- vraag, zoals valse verklaringen en zelfs het verzwijgen van een eerdere asielaanvraag in een ander land, aan de vervolgingsvrees geen afbreuk doet. De rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie is in belangrijke mate gebaseerd op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake mensenrechten- schendingen door Rusland (EHRM, 24 februari 2005, zie www.echr.coe.int) en ligt ook in de lijn van de adviezen van UNHCR (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the Chechen Republic, Russion Federation, UNHCR Geneva, 22 October 2004). Ook de Raad van State heeft in het licht van deze rechtspraak geoordeeld dat het verzwijgen van een eerdere asielaanvraag door een kandidaat-vluchteling van Tsjetsjeense afkomst, op zich niet kan leiden tot een weigering wegens fraude. (Bron: RvSt 9 februari 2006, arrest nr 154.726). De bestreden beslissing is derhalve manifest gebrekkig te noemen.”; 3.
  4. Overwegende dat verzoeker daar in de memorie van wederantwoord aan toevoegt: “De verzoeker kan geenszins akkoord gaan met de zienswijze van de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen herhaalt louter en alleen het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de bestreden beslissing. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verwijst naar rechtspraak van de Raad van State die dateert van 2001 en 2003, maar antwoordt niet op de verzoekers verwijzing naar het arrest dd. 09/02/2006 (arrest nr. 154.726) waar de Raad van State geoordeeld heeft dat het louter verzwijgen van een asielaanvraag niet kan leiden tot een weigering wegens fraude. De verzoeker heeft er bij de Belgische asielinstanties bovendien op gewezen dat hij de volledige waarheid verteld heeft maar dat er geen enkele rekening gehouden werd met het feit dat de verzoeker in 2000 - de periode van de 2 eerdere asielaanvragen - en ook later ernstige psychische problemen had. De verzoeker kan inderdaad aantonen dat hij ernstige psychische problemen had. XIV-29.854-8/10 Het dossier dat aan de Commissaris-generaal werd bezorgd vanuit Zweden bevat eveneens medische documenten. Die documenten werden evenwel nooit door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vertaald.”; 3.
  5. Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de bij artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), ingestelde beroepen oordeelt met volle rechtsmacht; dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen niet gebonden is door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en een eigen motivering in de plaats kan stellen; dat in casu het bestreden arrest vaststelt dat de verzoekende partij, door te verzwijgen dat hij eerdere asielaanvragen indiende in Zweden, Noorwegen en Tsjechië, de Dienst Vreemdelingenzaken op bedrieglijke wijze heeft verhinderd om toepassing te maken van artikel 51/5, § 3, van de Vreemdelingenwet (de bepaling van de verantwoordelijke staat); dat aldus verzoeker zich op bedrieglijke wijze toegang verschafte tot de procedure ten gronde en een beslissing van de Commissaris-generaal; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook op goede gronden kon stellen dat het beroep tot hervorming van deze beslissing, die door fraude werd uitgelokt, onontvankelijk is op grond van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”; dat het middel, voor zover het gericht is tegen de toepassing van voormeld rechtsbeginsel, ongegrond is; dat voor zover in het middel wordt gepoogd te rechtvaardigen dat verzoeker loog over de eerdere asielaanvragen, zulks behoort tot de appreciatiebevoegd- heid van de feitenrechter; dat het middel in die mate onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
  6. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  7. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.854-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.854-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.