id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 10 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.186 Rolnummer: A. 185275/XIV-29854 Zaak: Arrest 186186 - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen - 10/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.186 van 10 september 2008 Vreemdelingen - Raad voor Vreemdelingenbetwistingen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.186 van 10 september 2008 in de zaak A. 185.275/XIV-29.
(2)van het Protocol betreffende de Status van de Vluchtelingen dd. 31/01/1967, goedgekeurd bij Wet van 27/02/1967 (B.S. 3 mei 1969) XIV-29.854-6/10 De motivatie in de bestreden beslissing is niet afdoende en faalt. *** De bestreden beslissing is als volgt gemotiveerd : “(...) Volgens vaststaande rechtspraak van de Raad van State moet het belang persoonlijk, rechtstreeks, actueel, en geoorloofd zijn (zie o.a. R.v.St., nr. 148.037, 4 augustus 2005; R.v.St., nr. 139.086, 12 januari 2005). Een belang is slechts rechtmatig wanneer het geoorloofd, "oorbaar" is. Volgens het algemeen rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit" (R.v.St., nr. 11 6.620, 28 februari 2003; R.v.St., nr. 99.520, 5 oktober 2001; R.v.St., nr. 98.827,12 september 2001), dat de openbare orde raakt, wordt het rechtmatig karakter van het belang aangetast wanneer verzoeker de Belgische asielinstanties bewust misleidt door zijn bedrieglijke handelwijze om de erkenning van de hoedanigheid van vluchteling en de subsidiaire beschermingsstatus te verkrijgen. Verzoeker verklaarde tijdens het verhoor op de Dienst Vreemdelingenzaken dat hij voor hij naar België kwam naar Zweden is gevlucht en daar asiel heeft aangevraagd (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 11). Op 5 september 2005 vertrok verzoeker volgens zijn verklaringen vanuit Tsjetsjenië opnieuw richting Europa om op 12 september 2005 België te bereiken (verhoorverslag, 5 oktober 2005, p. 9). De bestreden beslissing stelt op correcte wijze dat uit informatie van de Zweedse autoriteiten, overgemaakt op 18 januari 2006, blijkt dat verzoeker enerzijds daadwerkelijk in Zweden onder een andere naam asiel heeft aangevraagd doch anderzijds ook een asielaanvraag heeft ingediend in februari 2000 in Tsjechië en op 26 juli 2000 in Noorwegen. Hieruit blijkt dat verzoeker bewust zijn asielaanvragen in Tsjechië en Noorwegen verzweeg voor de Dienst Vreemdelingenzaken. Hierdoor werd de Dienst Vreemdelingenzaken op bedrieglijke wijze verhinderd om op correcte wijze artikel 51/5, §3 Vreemdelingenwet toe te passen. Verzoeker brengt in zijn verzoekschrift geen elementen aan die vermogen de toepassing van voormeld rechtsbeginsel te vermijden. In overeenstemming met het rechtsbeginsel “Fraus omnia corrumpit", kan geen gunstig gevolg worden verleend aan een beroep waarbij verzoeker de overheid bij het nemen van de beslissing bewust heeft pogen te misleiden.
- Bijgevolg is de vordering, ook wat de toekenning van de subsidiaire bescher- mingsstatus betreft, onontvankelijk wegens ontstentenis van het vereiste rechtmatig belang. (...)” Kritiek op de bestreden beslissing Er kan waargenomen worden dat de motivering van de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen enkel en alleen gemotiveerd is op basis van het eerder verzwijgen van verzoekers asielaanvragen in 2000 in Tsjechië en in Noorwegen. Dat de bestreden beslissing stelt zich hiermee aan te sluiten bij eerdere rechtspraak van de Raad van State met betrekking tot het principe van "fraus omnia corrumpit". Dat de bestreden beslissing van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenwel voorbij gaat aan de onderliggende thematiek van Tsjetsjeense vluchtelingen en de rechtspraak die hieromtrent door de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen opgebouwd is. Meer bepaald stelt de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen in talloze arresten vast dat de individuele vrees voor vervolging vaststaat is van zodra de Tsjetsjeense origine van de kandidaatvluchteling vaststaat. De verzoeker verwijst hiervoor naar volgende uitspraken van de Vaste Beroepscommis- sie : VB, 04-1433/F1660, op datum van 5 januari 2005; VB, 04-2098/F1662, op datum van 7 januari 2005; VB, 04-0848/F1660, op datum van 7 januari 2005; VB,04- 1878/F1667, op datum van 18 januari
- Aldus staat het volgens de vaststaande rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie voor de Vluchtelingen vast dat kandidaat-vluchtelingen van zodra hun Tsjetsjeense XIV-29.854-7/10 origine vaststaat een persoonlijke vervolging in de zin van art. 48 / 3 Vreemdelingenwet kunnen inroepen. Inderdaad deze kandidaat-vluchtelingen lopen ernstig gevaar. Wat de verzoeker betreft heeft de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen evenals de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen nooit twijfels gehad omtrent de identiteit en de Tsjetjseense oorsprong van de verzoeker. Er wordt enkel gewezen op het bedrieglijk karakter omwille van het verzwijgen van 2 asielaanvragen in de loop van
- De basis van deze motivering is evident arbitrair: - de asielaanvraag van de verzoeker dateert van 2005 terwijl de verzwegen asielaan- vragen dateren van 2000 ; - als de verzoeker deze eerdere asielaanvragen verzwegen heeft, is dit louter te wijten aan gevoelens van onzekerheid en frustratie ; Het verzwijgen van zijn eerdere asielaanvragen neemt evenwel niet de gegrondheid van zijn vervolging weg. De verzoeker verwijst hiervoor dienend naar een uitspraak op datum van 4 maart 2005 gewezen door de Vaste Beroepscommissie inzake een kandidaat-vluchtelingen van Tsjetsjeense oorsprong (zie bv. VBV, 4 maart 2005, nr. 03-3310/F1756 met noot van K. POLLET in T. Vreemd. nr 2/2005). Blijkens deze uitspraak staat tevens vast dat het frauduleuze karakter van de asielaan- vraag, zoals valse verklaringen en zelfs het verzwijgen van een eerdere asielaanvraag in een ander land, aan de vervolgingsvrees geen afbreuk doet. De rechtspraak van de Vaste Beroepscommissie is in belangrijke mate gebaseerd op de rechtspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens inzake mensenrechten- schendingen door Rusland (EHRM, 24 februari 2005, zie www.echr.coe.int) en ligt ook in de lijn van de adviezen van UNHCR (UNHCR Position regarding Asylum-Seekers and Refugees from the Chechen Republic, Russion Federation, UNHCR Geneva, 22 October 2004). Ook de Raad van State heeft in het licht van deze rechtspraak geoordeeld dat het verzwijgen van een eerdere asielaanvraag door een kandidaat-vluchteling van Tsjetsjeense afkomst, op zich niet kan leiden tot een weigering wegens fraude. (Bron: RvSt 9 februari 2006, arrest nr 154.726). De bestreden beslissing is derhalve manifest gebrekkig te noemen.”; 3.
- Overwegende dat verzoeker daar in de memorie van wederantwoord aan toevoegt: “De verzoeker kan geenszins akkoord gaan met de zienswijze van de Commissaris- generaal voor de Vluchtelingen en Staatlozen. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen herhaalt louter en alleen het standpunt van de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen in de bestreden beslissing. De Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen verwijst naar rechtspraak van de Raad van State die dateert van 2001 en 2003, maar antwoordt niet op de verzoekers verwijzing naar het arrest dd. 09/02/2006 (arrest nr. 154.726) waar de Raad van State geoordeeld heeft dat het louter verzwijgen van een asielaanvraag niet kan leiden tot een weigering wegens fraude. De verzoeker heeft er bij de Belgische asielinstanties bovendien op gewezen dat hij de volledige waarheid verteld heeft maar dat er geen enkele rekening gehouden werd met het feit dat de verzoeker in 2000 - de periode van de 2 eerdere asielaanvragen - en ook later ernstige psychische problemen had. De verzoeker kan inderdaad aantonen dat hij ernstige psychische problemen had. XIV-29.854-8/10 Het dossier dat aan de Commissaris-generaal werd bezorgd vanuit Zweden bevat eveneens medische documenten. Die documenten werden evenwel nooit door de Commissaris-generaal voor de Vluchtelingen en de Staatlozen vertaald.”; 3.
- Overwegende dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen over de bij artikel 39/2, § 1, van de wet van 15 december 1980 betreffende de toegang tot het grondgebied, het verblijf, de vestiging en de verwijdering van vreemdelingen (Vreemdeling- enwet), ingestelde beroepen oordeelt met volle rechtsmacht; dat de Raad voor Vreemdelin- genbetwistingen niet gebonden is door de beslissing van de Commissaris-generaal voor de vluchtelingen en de staatlozen en een eigen motivering in de plaats kan stellen; dat in casu het bestreden arrest vaststelt dat de verzoekende partij, door te verzwijgen dat hij eerdere asielaanvragen indiende in Zweden, Noorwegen en Tsjechië, de Dienst Vreemdelingenzaken op bedrieglijke wijze heeft verhinderd om toepassing te maken van artikel 51/5, § 3, van de Vreemdelingenwet (de bepaling van de verantwoordelijke staat); dat aldus verzoeker zich op bedrieglijke wijze toegang verschafte tot de procedure ten gronde en een beslissing van de Commissaris-generaal; dat de Raad voor Vreemdelingenbetwistingen dan ook op goede gronden kon stellen dat het beroep tot hervorming van deze beslissing, die door fraude werd uitgelokt, onontvankelijk is op grond van het algemeen rechtsbeginsel “fraus omnia corrumpit”; dat het middel, voor zover het gericht is tegen de toepassing van voormeld rechtsbeginsel, ongegrond is; dat voor zover in het middel wordt gepoogd te rechtvaardigen dat verzoeker loog over de eerdere asielaanvragen, zulks behoort tot de appreciatiebevoegd- heid van de feitenrechter; dat het middel in die mate onontvankelijk is, BESLUIT: Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. XIV-29.854-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tien september tweeduizend en acht, door : de HH. A. BEIRLAEN, kamervoorzitter, C. VERHAERT, griffier. De griffier, De voorzitter, C. VERHAERT. A. BEIRLAEN. XIV-29.854-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.186 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div