← België

Arrest 186196 - Apothekers en apotheken - 11/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.196 Rolnummer: A. 160643/VII-37159 Zaak: Arrest 186196 - Apothekers en apotheken - 11/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.196 van 11 september 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.196 van 11 september 2008 in de zaak A. 160.643/VII-37.159. In zake : Imelda DE BUYSSCHER, die woonplaats kiest bij advocaat D. LINDEMANS, kantoor houdende te BRUSSEL, Keizerslaan 3 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat 123. tussenkomende partij : de BVBA DE LINDEBOOM ADVIESAPOTHEEK, die woonplaats kiest bij advocaat D. ERREYGERS, kantoor houdende te ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Imelda DE BUYSSCHER op 8 maart 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissing van de minister van Volksgezondheid van 26 oktober 2004 waarbij aan de BVBA JEANMART een vergunning wordt verleend voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek (buiten de onmiddellijke nabijheid) van de Wijnheuvelenstraat 95 te Schaarbeek naar de Dendermondsesteenweg tussen nummers 24 en 28 te Asse; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 mei 2005; Gelet op de beschikking van 1 juni 2005 die de tussenkomst van de BVBA DE LINDEBOOM ADVIESAPOTHEEK toelaat; VII-37.159-1/14 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memories van verzoekster en van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. HONNAY die, loco advocaat D. LINDEMANS verschijnt voor verzoekster, van advocaat P. EECLO die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat J. ANTHIERENS die, loco advocaat D. ERREYGERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; 1. De feiten 1.1. Op 22 april 1998 dient de BVBA JEANMART, thans de BVBA DE LINDEBOOM ADVIESAPOTHEEK, een aanvraag in tot het bekomen van een vergunning voor de overbrenging van een voor het publiek opengestelde officina van de Wijnheuvelenstraat 95 te Schaarbeek naar de Dendermondsesteen- weg tussen nummers 24 en 28 te Asse. 1.2. De geneeskundige commissie van Brabant verstrekt op 20 september 1999 een ongunstig advies. Het ongunstige advies van de farmaceuti- sche inspecteur van 30 september 1999 wordt buiten de termijn ingediend, waardoor het geacht wordt gunstig te zijn. De vereniging der coöperatieve apotheken van VII-37.159-2/14 België verleent op 12 augustus 1999 een gunstig advies. De algemene pharmaceuti- sche bond en de provinciegouverneur laten na om binnen de voorziene termijn een advies te verlenen zodat hun advies moet worden geacht gunstig te zijn. 1.3. Op vraag van de vestigingscommissie bezorgt de aanvrager aanvullende stukken en stelt de farmaceutische inspecteur een bijkomend verslag op. Op 2 februari 2004 leggen enkele apothekers in de buurt een nota neer met de redenen waarom de overbrenging niet mag worden toegestaan. 1.4. Op de zitting van de vestigingscommissie van 21 juni 2004 wordt vastgesteld dat het advies van de farmaceutische inspecteur niet definitief is. De vestigingscommissie vraagt de farmaceutische inspecteur, met toepassing van artikel 10 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken (hierna: koninklijk besluit van 25 september 1974), een definitief en gemotiveerd advies te verstrekken over de criteria voorzien in de toepasselijke wettelijke bepalingen. Op 2 juli 2004 verleent de farmaceutische inspecteur een gunstig advies. 1.5. Op 27 september 2004 brengt de vestigingscommissie eveneens gunstig advies uit. 1.6. Op 26 oktober 2004 verleent de minister van Volksgezondheid, verwijzend naar en zich aansluitend bij het advies van de vestigingsvergunning, de gevraagde vergunning. Dit is de bestreden beslissing. 2. De ontvankelijkheid 2.1.1. Wat haar belang betreft, stelt verzoekster dat zij een apotheek uitbaat in de gemeente Asse, gelegen op ongeveer drieënhalve kilometer van de apotheek waarvoor de vergunning tot overbrenging werd verleend, dat zij er als gevestigde apotheker belang bij heeft dat er geen nieuwe apotheek in haar onmiddellijke nabijheid wordt uitgebaat en dat de inwoners van de Dendermondse- steenweg in Asse en van de achterliggende evenwijdige straten over een afstand van ongeveer tweeënhalve kilometer in de richting van Asse zich bij haar bevoorraden, zodat de vestiging van de apotheek van de tussenkomende partij een belangrijke negatieve weerslag dreigt te hebben op haar cliënteel. VII-37.159-3/14 2.1.2. De verwerende partij meent dat verzoekster geen rechtmatig belang heeft omdat zij in het adres van haar apotheek een ander huisnummer opgeeft dan dat waarvoor bij ministerieel besluit van 21 januari 1975 een vergunning werd verleend. Zij meent verder dat verzoekster evenmin de regelgeving inzake de overdracht van een apotheek heeft nageleefd, vervat in artikel 2 van het koninklijk besluit van 13 april 1977 tot vaststelling van de regels die toelaten de waarde van de overdracht der apotheken vast te stellen en toezicht uit te oefenen op deze overdracht en artikel 20 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, doordat de minister van Volksgezondheid, bij de vestiging van verzoeksters apotheek, niet in kennis werd gesteld van het bedrag van de overdracht en van de wijze van betaling en doordat de wijziging van eigenaar niet binnen 60 dagen werd meegedeeld. 2.1.3. De tussenkomende partij meent dat het belang van verzoekster niet is aangetoond aangezien een louter financieel belang niet volstaat en verzoekster nalaat aan te tonen dat de bestreden beslissing ook tegen de goede spreiding van officina's ingaat. Zij stelt dat verzoekster, door in haar verzoekschrift te willen aantonen dat er reeds een aantal inwoners waren toebedeeld aan de apotheken DESMEDT en HEIRBAUT, en dit niet te doen voor haar eigen apotheek, impliciet toegeeft geen enkel belang te hebben bij een mogelijke vernietiging en dat verzoekster bovendien haar vergunning om dezelfde redenen heeft verkregen als de tussenkomende partij, namelijk om een betere spreiding te bekomen. 2.1.4. In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster nog dat zij wel degelijk een rechtsgeldige vergunning heeft voor de uitbating van haar apotheek, dat de verwerende partij nalaat het bewijs te leveren dat zij bij haar vergunningsaanvraag niet zou hebben voldaan aan bepaalde formaliteiten en dat de verwerende partij uitgaat uit van theoretische beschouwingen over de toerekening van inwonersaantallen uit een ver verleden. 2.1.5. Titularissen van gevestigde apotheken hebben er in beginsel belang bij dat er geen bijkomende apotheek in hun nabijheid wordt opgericht. Opdat het beroep ontvankelijk zou zijn, moet blijken dat de apotheek van verzoekster in de nabijheid van de vergunde apotheek is gevestigd. Uit de stukken van het dossier blijkt dat de apotheek van verzoekster op de as van de Dendermondsesteenweg ligt. Voorts wordt niet aangetoond dat er zich een andere apotheek tussen haar apotheek en die van de tussenkomende partij bevindt, zodat het VII-37.159-4/14 aannemelijk is dat verzoekster een deel van haar cliënteel kan verliezen als gevolg van de bestreden vergunning. Gelet op het voorgaande heeft de motivering van de beslissing van 21 januari 1975 tot het verlenen van een vergunning aan verzoekster geen invloed op het belang van verzoekster in de onderhavige zaak. De verwerende partij bewijst niet op afdoende wijze dat verzoekster een adreswijziging heeft doorgevoerd en dat zij de door de toepasselijke wetgeving vereiste mededelingen niet heeft gedaan. De exceptie wordt verworpen. 2.2.1. In haar laatste memorie werpt verzoekster nog op dat de vordering van de tussenkomende partij niet ontvankelijk is omdat zij heeft nagelaten bij de Kruispuntbank van Ondernemingen aangifte te doen van haar exploitatiezetel te Asse, dat zulks in strijd is met artikel 6, § 1, van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen, en dat de tussenkomende partij dan ook niet op een ontvankelij- ke wijze kan tussenkomen in de procedure. 2.2.2. Het gaat niet op om pas in de laatste memorie een exceptie op te werpen die niet van openbare orde is en die reeds in de memorie van wederantwoord had kunnen worden opgeworpen. De exceptie wordt verworpen. 3. Ten gronde 3.1.1. Verzoekster roept in een eerste middel de schending in van artikel 6, § 1, 1/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974. Zij stelt dat zij, hoewel zij een apotheek uitbaat in de nabije omgeving van de apotheek waarvan de overbrenging werd toegestaan, niet in kennis werd gesteld van de aanvraag tot overbrenging van de tussenkomende partij en dus nooit de kans heeft gekregen om aan de minister of de vestigingscommissie haar bezwaren met betrekking tot de geplande apotheek over te maken. 3.1.2. De verwerende partij antwoordt dat de ratio legis van het artikel 6, § 1, 1/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 er in bestaat de diverse VII-37.159-5/14 organisaties en apotheken uit de omgeving in staat te stellen hun bezwaren kenbaar te maken en dat aan deze doelstelling is voldaan aangezien het desbetreffende artikel stelt dat de kennisgeving volstaat. Uit het bijkomend verslag van de farmaceutische inspecteur van 2 juli 2004 blijkt volgens de verwerende partij dat verzoekster perfect op de hoogte was van de aanvraag. 3.1.3. De tussenkomende partij antwoordt in essentie dat artikel 6, § 1, 1/, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 geen enkele vormvereis- te met betrekking tot de kennisgeving stelt. Ook zij meent dat uit het bijkomende advies van de farmaceutische inspecteur blijkt dat verzoekster wel degelijk op de hoogte was van de vergunningsaanvraag. 3.1.4. In haar memorie van wederantwoord stelt verzoekster dat uit het administratief dossier niet blijkt dat zij in dit verband enige briefwisseling zou hebben ontvangen en dat zij, toen de farmaceutische inspecteur telefonisch contact met haar opnam, in de onmogelijkheid verkeerde om te reageren, aangezien haar dossier zich bij haar raadsman bevond. Zij besluit dat een groot aantal bewoners van de straten die volgens de bestreden beslissing tot de invloedszone van de apotheek van de tussenkomende partij behoren, bij haar klant zijn. 3.1.5. In haar laatste memorie voegt verzoekster er nog aan toe dat een telefoontje van de farmaceutische inspecteur, enkele dagen voor deze zijn advies zou uitbrengen, niet kan worden gelijkgesteld met de door het koninklijk besluit van 25 september 1974 voorgeschreven kennisgeving. 3.1.6. Artikel 6, § 1 van het KB van 25 september 1974 stelde ten tijde van de aanvraag dat, door toedoen van de minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, van elke aanvraag om een vergunning kennis wordt gegeven aan de eigenaars van bestaande apotheken uit de omgeving, aan de houders van voor dezelfde omgeving verleende vergunningen, alsmede aan de andere personen die een aanvraag hebben ingediend voor dezelfde omgeving. Verzoekster toont niet aan dat haar belangen van de beweerde onregelmatigheid zijn geschaad. Het eerste middel is niet ontvankelijk. VII-37.159-6/14 3.2.1. Verzoekster roept in een tweede middel de schending in van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna: motiveringswet) en van de zorgvuldigheidsplicht, doordat de bestreden beslissing vaststelt dat de apotheek waarvoor de vergunning tot overbrenging werd aangevraagd de behoefte zou dekken van ten minste 1.250 inwoners, terwijl de motieven van de bestreden beslissing onvoldoende draagkrach- tig zijn en er redelijkerwijze niet kan worden aangenomen dat de overbrenging effectief zou voorzien in de behoeften van tenminste 1.250 personen. In de toelichting bij het middel stelt zij dat artikel 1, § 5, b), van het koninklijk besluit van 25 september 1974 een uitzondering vormt op de algemene regel vervat in artikel 1, §§ 1 en 2, van het voormelde koninklijk besluit en slechts minimale voorwaarden bevat, waarvan de vervulling een noodzakelijke, maar geen voldoende voorwaarde is om de vergunning tot overbrenging te verlenen. Zij vervolgt dat de beoordeling omtrent de invloedssfeer van de geplande apotheek niet in concreto is gebeurd, maar dat de minister is uitgegaan van de methode van de "halve afstanden", een methode waarvan zij zowel het principe als de concrete toepassing bekritiseert. Zij is het niet eens met de wijze waarop de invloedssferen van verscheidene apotheken in de omgeving worden berekend. Verzoekster meent dat ook rekening moet worden gehouden met andere factoren, waaronder de specifieke verkeerssituatie, en dat uit de bestreden beslissing niet blijkt dat dit is gebeurd. Zo oefent zij kritiek uit op het feit dat de bestreden beslissing stelt voor de afbakening van de invloedszones geen rekening te houden met de apotheek A. DESMEDT in Asse-ter-Heide. Indien geen rekening wordt gehouden met deze specifieke verkeerssituatie en de werkelijke invloedssfeer van de naburige apotheken, zou de invloedssfeer van de apotheek HEIRBAUT immers slechts tot 1.100 inwoners reiken, wat ontoereikend is om een leefbare apotheek uit te baten. Hieruit blijkt volgens verzoekster dat de invloedssfeer van een apotheek zich verder uitstrekt dan de invloedssfeer die wordt verkregen indien enkel rekening wordt gehouden met het principe van de "halve afstanden". 3.2.2. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij hier tegenover dat het aan de overheid toekomt te oordelen of de geplande apotheek voldoet aan de vastgestelde criteria en dat de Raad van State niet bevoegd is om zijn oordeel in plaats van dat van de overheid te stellen. Zij stelt verder, samengevat, dat VII-37.159-7/14 de uiteindelijke en enige doelstelling van de vestigingsreglementering erin bestaat om een spreiding van de apotheken te organiseren teneinde, ter bescherming van de volksgezondheid, in alle streken van het land een adequate, doelmatige en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren. De verwerende partij meent dat de beoordeling van de aanvraag niet enkel is gebeurd op basis van het principe van de "halve afstanden" en verwijst naar het feit dat de vestigingscommissie onder meer met de gemakkelijke bereikbaarheid van de nieuwe apotheek, met de verkeerssituatie in Asse en met de bemerkingen van de naburige apothekers rekening heeft gehouden om haar beoordeling te maken. 3.2.3. De tussenkomende partij stelt in haar memorie in essentie dat het manifest duidelijk is dat de vestigingscommissie haar advies in concreto heeft uitgebracht en rekening heeft gehouden met alle aspecten, waaronder de goede verspreiding van de officina's. Ook de minister heeft volgens de tussenkomende partij zijn beslissing niet uitsluitend gesteund op de "halve afstanden", maar deze gemotiveerd en in concreto onderzocht. 3.2.4. In haar memorie van wederantwoord oefent verzoekster voornamelijk verder kritiek uit op de appreciatie van de feitelijke elementen bij het bepalen van de invloedssferen van verscheidene apotheken. Zij betoogt dat het advies van de farmaceutische inspecteur van 2 juli 2004 voorwaardelijk gunstig is en dat de verwerende partij nalaat om de negatieve beslissing van begin jaren negentig, omtrent een vergunningsaanvraag in de buurt van de geplande apotheek, bij te voegen. 3.2.5. Artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 luidt als volgt: "§ 1. De criteria die erop gericht zijn een behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te organiseren zijn : 1/ het beperken van het aantal apotheken tot een maximum per gemeente, zoals bepaald in de hiernavolgende paragrafen; (...) § 2. Naargelang het bevolkingscijfer van de gemeente : - meer dan 30 000 inwoners - 7 500 tot 30 000 inwoners - minder dan 7 500 inwoners bedraagt, mag het aantal voor het publiek opengestelde apotheken niet hoger zijn dan het quotiënt van de deling van het totaal aantal inwoners door respectievelijk : - 3 000 - 2 500 VII-37.159-8/14 - 2 000 Per bestaande apotheek waarin twee of meer apothekers gelijktijdig en effectief in voltijdse betrekking hun beroepswerkzaamheden uitoefenen, wordt het bevolkingscijfer met 5 000 verminderd op voorwaarde dat :

  1. a)deze toestand bestond vóór het indienen van de aanvraag en (...) De vermindering van het bevolkingscijfer mag niet worden toegepast wanneer zij tot gevolg zou hebben dat er in de gemeenten onder de 7 500 inwoners minder dan twee apotheken zouden zijn en in de gemeenten boven de 9 000 inwoners minder dan drie apotheken zouden zijn. § 3. In afwijking van het bepaalde in § 2 mag de vestiging van een bijkomende apotheek worden toegestaan :
  2. a)indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 2 500 inwoners; (...) § 5. Overbrenging kan toegestaan worden, zelfs indien de criteria bepaald in de §§ 2 en 3 niet nageleefd zijn, op voorwaarde dat : (...)
  3. b)hetzij één van de voorwaarden bedoeld in a, b of c van § 3 volledig nageleefd wordt, en aan de andere voorwaarde bedoeld in hetzelfde littera, voor ten minste de helft is voldaan. (...)". Hetgeen is bepaald in de §§ 2 en 3 en bij uitbreiding in § 5, b), van het voormelde artikel 1 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, vormt de concrete toepassing van de criteria vervat in artikel 1, § 1, van het voornoemde koninklijk besluit. Wat de overbrenging van een apotheek buiten de onmiddellijke omgeving betreft, kan een vergunning worden verleend wanneer niet is voldaan aan artikel 1, §§ 2 en 3 van het koninklijk besluit van 25 september 1974. Artikel 1, § 5, b), van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bepaalt dat een vergunning kan worden verleend als “één van de voorwaarden bedoeld in a, b of c van § 3 volledig nageleefd wordt, en aan de andere voorwaarde bedoeld in hetzelfde littera, voor ten minste de helft is voldaan”. De thans bestreden vergunning wordt verleend met toepassing van voornoemd artikel 1, § 5, b), in samenhang met artikel 1, § 3, a), van het koninklijk besluit van 25 september 1974. Op grond van deze bepaling mag de overbrenging buiten de onmiddellijke nabijheid van een apotheek worden toegestaan indien de dichtstbijgelegen apotheek zich op ongeveer 1 km bevindt van de geplande apotheek en indien deze laatste de behoeften dekt van 1.250 inwoners. VII-37.159-9/14 Uit de gegevens van de zaak blijkt dat verzoekster enkel betwist dat aan de tweede voorwaarde, de vereiste behoeftedekking van 1.250 inwoners, zou zijn voldaan. Het criterium van de "halve afstand" is hierbij een methode om de invloedssfeer van de geplande apotheek te bepalen, waarbij wordt vermeden dat dezelfde inwoners twee of meer malen worden meegerekend. Deze methode veronderstelt dat de inwoners naar de apotheek gaan die zich het dichtst bij hen bevindt. Bij het hanteren van deze methode wordt de afstand bepaald van de geplande apotheken ten opzichte van de bestaande apotheek en wordt aangenomen dat de invloedszone van de geplande apotheek zich uitstrekt tot de helft van de afstand ten opzichte van de andere apotheken. Met dit criterium betrekt de vergunningverlenende overheid de ligging van de in de omgeving bestaande apotheken in haar appreciatie. Het criterium van de "halve afstanden" kan bij de beoordeling van de afbakening van de invloedszone worden betrokken, mits de aanvraag in concreto wordt onderzocht. Uit het advies van de vestigingscommissie, dat door de minister in de bestreden beslissing wordt gevolgd, blijkt dat het criterium van de "halve afstanden" niet onverkort wordt toegepast. Zo gaat de beslissing uit van het bevolkingscijfer voor de wijk KROKEGEM en wordt daarna het criterium van de "halve afstanden" toegepast, om aldus de invloedszone in het nadeel van de tussenkomende partij te verkleinen. Het advies van de vestigingscommissie geeft vervolgens een opsomming van de straten die binnen de invloedszone vallen en van het aantal inwoners ervan. Daarnaast merkt de vestigingscommissie op dat zelfs als men met bepaalde bemerkingen van de apothekers van Asse rekening zou houden, die niet stilstaan bij de aangroei van de bevolking en de verkeersproblematiek van de laatste jaren, dan nog ongeveer 1.700 inwoners tot de invloedssfeer van de geplande apotheek zouden behoren. Volgens het advies is voorts de spreiding van de apotheken in Asse, "met vier apotheken in Asse-centrum en geen apotheek in de wijk KROKEGEM - de grootste wijk van Asse zonder apotheek", niet behoorlijk. De geplande apotheek is volgens het advies gemakkelijker bereikbaar voor een groot deel van de inwoners van de wijk KROKEGEM dan de bestaande apotheken te Asse, wat een doelmatige geneesmiddelenbevoorrading te Asse ten goede komt. VII-37.159-10/14 Verzoekster kan dan ook niet worden gevolgd waar zij stelt dat de motivering van de beslissing uitsluitend is gebaseerd op het principe van de "halve afstanden". Het uitgangspunt van het advies van de vestigingscommissie en dus van het bestreden besluit is het samenvallen van de invloedssfeer van de geplande apotheek met een geografisch afgebakend en sociaal samenhangend gebied, met name KROKEGEM. Het middel mist feitelijke grondslag waar het voorhoudt dat de bestreden beslissing enkel rekening houdt met het criterium van de "halve afstanden". Gelet op de marginale toetsingsbevoegdheid van de Raad van State volstaat het voor verzoekster niet om haar opvatting omtrent de omschrijving van de invloedssfeer van de betrokken apotheken in de plaats te stellen van de opvatting van de vergunningverlenende overheid. Wanneer verzoekster inroept dat de overheid onvoldoende rekening heeft gehouden met bepaalde hindernissen dan moet zij dergelijke hindernissen bewijzen en moet zij aantonen dat de bewoners die bij de invloedszone van de geplande apotheek waren ingedeeld, zich als gevolg van die hindernissen ongetwijfeld zullen blijven wenden tot andere apotheken in de omgeving, wat zij te dezen niet ten genoegen van recht aantoont. Het door verzoekster bekritiseerde motief dat "zelfs als men bepaalde bemerkingen (...) van de apothekers te Asse zou weerhouden" nog ongeveer 1.700 inwoners tot de invloedssfeer van de geplande apotheek zouden behoren, is een overtollig motief, waarvan de mogelijke onwettigheid niet tot de nietigverklaring van de bestreden beslissing kan leiden. Het tweede middel is niet gegrond. 3.3.1. Verzoekster roept als derde middel de schending in van artikel 1, § 5, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, van de artikelen 2 en 3 van de motiveringswet en van het redelijkheidsbeginsel. Zij stelt daarbij dat de minister, zelfs wanneer beide voorwaarden van artikel 1, § 5, b), van het voormelde koninklijk besluit zouden zijn vervuld, de vergunning slechts kan toekennen wanneer er geen feitelijke gegevens voorhanden zijn die hem er in redelijkheid toe dwingen om de vestigingsvergunning te weigeren, en dat de bestreden beslissing er daarentegen van uitgaat dat de vervulling van de voorwaarden van artikel 1, § 5, b), van het voormelde koninklijk besluit automatisch moet leiden tot de toekenning van de vestigingsvergunning. Er zijn in deze zaak volgens verzoekster feitelijke gegevens voorhanden die aantonen dat de beslissing kennelijk onredelijk is. Zo stelt VII-37.159-11/14 zij dat de "wijk" KROKEGEM niet bestaat, en dat in 1972 twee aanvragen werden geweigerd, onder meer omwille van het feit dat de inwoners van de wijk KROKE- GEM op het centrum zijn aangewezen, "dat gemakkelijk te bereiken is", zodat de bestreden beslissing niet tegemoet komt "aan de doelstelling van een rationele spreiding van de apotheken die door de vestigingsreglementering beoogd wordt". 3.3.2. De verwerende partij stelt in de memorie van antwoord dat het middel niet ontvankelijk is in zoverre verzoekster niet aantoont in welke mate er sprake zou zijn van een schending van de motiveringswet en van het redelijkheids- beginsel. Zij stelt voorts dat KROKEGEM een gebied omvat dat door vaste grenzen is afgebakend, dat de aanvragen die in 1972 werden geweigerd, dateren van meer dan 30 jaar geleden en dat intussen de bevolkingssituatie aanzienlijk is geëvolueerd. Bovendien, aldus de verwerende partij, was toentertijd het koninklijk besluit van 25 september 1974 niet van kracht en kon men in die tijd onmogelijk toepassing maken van de criteria zoals vermeld in zijn artikel 1, § 3. 3.3.3. De tussenkomende partij antwoordt dat de bestreden beslissing uitdrukkelijk motiveert dat de geplande apotheek de spreiding van de apotheken en een doelmatige geneesmiddelenbevoorrading te Asse ten goede komt en geenszins op duidelijke misslagen en/of kennelijk onredelijke beoordelingsfouten berust. 3.3.4. In haar memorie van wederantwoord betoogt verzoekster nog dat de bestreden beslissing, zoals blijkt uit de aangedragen motieven, kennelijk onredelijk is, zodat er op zijn minst sprake is van een schending van de motiverings- plicht. Zij stelt daarbij dat de juridische dienst van de gemeente Asse uitdrukkelijk schrijft dat gehuchtnamen niet meer worden gebruikt als een specifieke begrenzing voor een bepaald gebied. 3.3.5.1. Luidens artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/, van het algemeen procedurereglement, bevat het verzoekschrift het voorwerp van de aanvraag of van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. Het middel moet een voldoende duidelijke omschrijving omvatten van de overtreden rechtsregel, en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. VII-37.159-12/14 Volgens de verwerende partij zet verzoekster niet uiteen op welke wijze de motiveringswet en het redelijkheidsbeginsel zijn geschonden en is het middel in zoverre het steunt op deze bepalingen niet ontvankelijk. In verzoeksters uiteenzetting wordt wel degelijk verwezen naar de motivering en het redelijkheidsbeginsel. De exceptie van niet-ontvankelijkheid wordt verworpen. 3.3.5.2. Uit de bewoordingen van artikel 1, § 5, b), van het koninklijk besluit van 25 september 1974 blijkt dat er op de vergunningverlenende overheid geen verplichting rust om een vergunning te verlenen wanneer de beide voorwaarden van artikel 1, § 3, van datzelfde koninklijk besluit zijn vervuld en dat zij aldus over een ruime beoordelingsbevoegdheid beschikt. De vergunningverlenende overheid dient bij de uitoefening van haar beoordelingsbevoegdheid evenwel rekening te houden met de doelstelling weergegeven in artikel 4, § 3, 1/, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheids- zorgberoepen. Die doelstelling is het organiseren van een spreiding van de apotheken teneinde ter bescherming van de volksgezondheid in alle streken van het land een adequate, doeltreffende en regelmatige geneesmiddelenvoorziening te verzekeren. De Raad van State heeft tot taak na te gaan of de voor hem bestreden beslissing op vaststaande feiten is gegrond en of de overheid op grond van deze feiten haar beslissing in redelijkheid heeft kunnen rechtvaardigen. De boordeling van de vestigingscommissie om KROKEGEM als een geografisch afgebakend en sociaal samenhangend gebied te aanzien waarmee de invloedszone van een apotheek grotendeels samenvalt, is, gelet op de stukken in het administratief dossier, niet onjuist, noch kennelijk onredelijk. De weigeringsbeslissingen uit het verleden waarnaar verzoekster verwijst, berusten op een beoordeling die werd gemaakt meer dan dertig jaar vóór de thans bestreden vergunning, onder een andere regelgeving. Zij beletten niet dat de overheid later een andere beoordeling maakt. Het derde middel is niet gegrond, VII-37.159-13/14 BESLUIT: Artikel 1. Het beroep wordt verworpen. Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoekster. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf september tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.159-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.196 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.