id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.197 Rolnummer: A. 162557/VII-37154 Zaak: Arrest 186197 - Apothekers en apotheken - 11/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.197 van 11 september 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Apothekers en apotheken Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.197 van 11 september 2008 in de zaak A. 162.557/VII-37.
- In zake :
- de NV PHARMADEC,
- Kathleen GIELIS,
- Johan VAN HOEY,
- de BVBA APOTHEEK VAN BRIEN,
- Ann PEETERS,
- de BVBA APOTEEK BOLLEN,
- de NV HULSPHARMA, die woonplaats kiezen bij advocaat F. JANSSEN, kantoor houdende te HERSELT, Aarschotsesteenweg 7 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Volksgezondheid, die woonplaats kiest bij advocaat R. DEPLA, kantoor houdende te BRUGGE-SINT-KRUIS, Karel van Manderstraat
- tussenkomende partij : Patrick VERMUNICHT, die woonplaats kiest bij advocaten N. DEVOS en G. VAN DEN EYNDE, kantoor houdende te GEEL, Diestseweg
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV PHARMADEC, Kathleen GIELIS, Johan VAN HOEY, de BVBA APOTHEEK VAN BRIEN, Ann PEETERS, de BVBA APOTEEK BOLLEN en de NV HULSPHARMA op 17 mei 2005 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de minister van Volksgezondheid van 26 oktober 2004 waarbij aan Patrick VERMUNICHT een vergunning werd verleend voor de opening van een voor het publiek opengestelde apotheek, gelegen aan Hoogzand 4 te Hulshout; VII-37.154-1/12 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 30 juni 2005 ingediend door Patrick VERMUNICHT; Gelet op de beschikking van 8 juli 2005 die de tussenkomst van Patrick VERMUNICHT toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur A. VAN STEENBERGE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 9 mei 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 12 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat S. VAN DE KERKHOF die, loco advocaat F. JANSSEN verschijnt voor de verzoekende partijen, van advocaat P. EECLOO die, loco advocaat R. DEPLA verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat G. VAN DEN EYNDE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Op 19 augustus 1985 dient de tussenkomende partij een hernieuwde aanvraag in met het oog op het verkrijgen van een vergunning voor de opening van een voor het publiek opengestelde apotheek, gelegen aan Hoogzand 4 te Hulshout, meer bepaald in de deelgemeente Westmeerbeek. In deze aanvraag VII-37.154-2/12 wordt geen melding gemaakt van enige kadastrale gegevens nopens het adres van de geplande officina. 1.
- Er ontstaat een betwisting omtrent de prioriteit van twee aanvragen van Hugo LEFEBURE en één aanvraag van de tussenkomende partij. De vestigingscommissie voegt in haar advies van 2 april 1990 alle aanvragen samen voor het onderzoek en stelt vast dat de aanvraag ingediend door de tussenkomende partij voorrang heeft op de aanvragen ingediend door Hugo LEFEBURE. 1.
- Hugo LEFEBURE tekent beroep aan tegen het advies van de vestigingscommissie. In het advies van 2 augustus 1991 verklaart de commissie van beroep één van de 2 hernieuwde aanvragen van Hugo LEFEBURE en de hernieuwde aanvraag van de tussenkomende partij ontvankelijk. 1.
- Zij adviseert op 7 januari 1992 om aan de hernieuwde aanvraag van de tussenkomende partij voorrang te geven en geeft eveneens aan dat er geen aanleiding toe bestaat aan de twee aanvragen een gunstig gevolg te geven. De staatssecretaris voor Volksgezondheid volgt het advies van de commissie van beroep en weigert op 11 februari 1992 de gevraagde vergunning aan de tussenkomende partij. 1.
- Deze laatste stelt, net als Hugo LEFEBURE, een annulatieberoep in tegen deze weigeringsbeslissing. Met het arrest van de Raad van State nr. 50.488 van 28 november 1994 wordt de beslissing van de staatssecretaris voor Volksgezondheid vernietigd op grond van de volgende overweging : "Overwegende dat uit wat voorafgaat volgt dat de commissie van beroep derhalve ten onrechte de grond van de zaak tot zich heeft getrokken; dat na uitspraak over de voorrangskwestie de zaak, wat de grond betreft, terug naar de vestigingscommissie moest gezonden worden; dat verzoeker dan ook terecht stelt dat zijn recht om gehoord te worden in deze zaak geschonden werd en dat de procedure niet op een regelmatige wijze verlopen is noch voor de vestigingscommissie en zeker niet voor de commissie van beroep; dat de bestreden beslissing, die gesteund is op een onwettige procedure, eveneens onwettig is". 1.
- De procedure omtrent de aanvraag wordt hernomen voor de vestigingscommissie. Op 9 december 1996 verleent deze commissie een ongunstig advies omtrent de aanvraag van de tussenkomende partij. 1.
- De tussenkomende partij tekent hiertegen beroep aan. VII-37.154-3/12 1.
- Op 5 november 2003 geeft de commissie van beroep aan de farmaceutische inspecteur de opdracht om een bijkomend advies over de door de tussenkomende partij neergelegde bijkomende stukken te bezorgen. Op 19 november 2003 maakt de farmaceutische inspecteur zijn bijkomend verslag over. 1.
- Uit de zittingsnota van 3 december 2003 blijkt dat er nog geen volledige duidelijkheid bestaat over het feit of de aanvrager kan beschikken over de aangevraagde vestigingsplaats. De commissie van beroep verzoekt de aanvrager een afdoend bewijs hieromtrent neer te leggen. Op 17 maart 2004 legt de tussenkomende partij onder meer een overeenkomst van 1 februari 2004 neer, die betrekking heeft op het verkrijgen van een aankoopoptie. 1.
- De commissie van beroep brengt op 9 juni 2004 een gunstig advies uit. 1.
- De minister van Volksgezondheid verleent op 26 oktober 2004 de gevraagde vergunning aan de tussenkomende partij. Dit is de bestreden beslissing.
- De ontvankelijkheid 2.1.
- De verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord een exceptie van laattijdigheid op. Zij betoogt daarbij, samengevat, dat de verzoekende partijen reeds van begin januari 2005 op de hoogte waren dat er een vergunning werd toegekend. De tussenkomende partij meent in haar verzoekschrift tot tussenkomst dat de raadsman van de verzoekende partijen "alleszins op 28 februari 2005" kennis had van de bestreden beslissing "en van de inhoud en de draagwijdte ervan". De verzoekende partijen stellen in hun memorie van wederantwoord dat zij pas door het schrijven van de vestigingscommissie van 16 maart 2005 en via hun raadsman een kopie kregen van de bestreden beslissing en dat noch de verwerende partij, noch de tussenkomende partij aantonen op welk ogenblik precies elke verzoekende partij kennis zou hebben gekregen van de bestreden beslissing. 2.1.
- De bewijslast omtrent het werkelijk kennis hebben van de bestreden beslissing rust op degene die aanvoert dat de verzoekende partijen meer VII-37.154-4/12 dan zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep bij de Raad van State van die beslissing kennis hebben genomen. Pas met een brief van 16 maart 2005 werd de bestreden beslissing aan de raadsman van de verzoekende partijen meegedeeld. Er wordt niet aangetoond dat de verzoekende partijen meer dan zestig dagen voor het indienen van het annulatieberoep bij de Raad van State kennis hadden van de precieze inhoud en draagwijdte van de bestreden beslissing. Het op 17 mei 2005 ingestelde beroep is tijdig. De exceptie is niet gegrond. 2.2.
- In haar verzoekschrift tot tussenkomst voert de tussenkomende partij als tweede exceptie aan dat het belang dat de verzoekende partijen menen te hebben geen persoonlijk, rechtstreeks, zeker en actueel belang is en dat de verzoekende partijen bovendien geen voordeel kunnen halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing aangezien er volgens haar in Hulshout gelet op het aantal inwoners een derde apotheek mag komen. 2.2.
- Er wordt niet betwist dat de verzoekende partijen een apotheek uitbaten in de nabijheid van de apotheek waarvoor de vergunning werd verleend. De titularissen van gevestigde apotheken hebben er in beginsel belang bij dat er geen bijkomende apotheek in hun nabijheid wordt opgericht. Anders dan de tussenkomende partij laat uitschijnen, bestaat er geen verplichting voor de overheid om in een gemeente met meer dan 9.000 inwoners in drie apotheken te voorzien. De verzoekende partijen kunnen derhalve een nadeel ondergaan ingevolge de bestreden beslissing en zij kunnen een voordeel halen uit de vernietiging ervan. De exceptie is niet gegrond.
- Ten gronde 3.1.
- De verzoekende partijen roepen in een eerste middel de schending in van artikel 4, §§ 1, 2ter, en 4 en van de artikelen 9, 12 en 13bis, laatste lid, van het VII-37.154-5/12 koninklijk besluit van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken (hierna : koninklijk besluit van 25 september 1974), van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht en het zorgvuldigheidsbeginsel. In het eerste onderdeel stellen zij daarbij, in essentie, dat uit een verklaring van de burgemeester van de gemeente Hulshout van 11 mei 2005 blijkt dat het in de aanvraag opgegeven vestigingsadres Hoogzand 4 te Westmeerbeek-Hulshout, sinds 2000 niet meer bestaat en dat er geen identiteit bestaat tussen het in de aanvraag opgegeven vestigingsadres en het in de bestreden beslissing opgenomen perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 210/G. Zij menen dat er geen bewijs wordt geleverd waaruit blijkt dat de tussenkomende partij kon beschikken over de gevraagde vestigingsplaats, namelijk Hoogzand 4, gelegen op het perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 210/M (voorheen sectie B, nr. 210/H, 210/K en 210/L) en dat de vergunning is aangetast door een interne tegenstrijdigheid aangezien het adres Hoogzand 4 sinds 2000 niet meer bestaat en dit adres ten tijde van de aanvraag toegekend was aan het perceel kadastraal bekend sectie B, 210/H, 210/K en 210/L (later 210/M). In het tweede onderdeel van het middel wijzen de verzoekende partijen er op dat de tussenkomende partij volgens de bestreden beslissing op basis van een verkoopovereenkomst het bewijs levert over de aangevraagde vestigingsplaats te kunnen beschikken, terwijl er slechts een tijdelijke optie tot aankoop voorligt, die geen vaste datum heeft. 3.1.
- In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij, samengevat, wat het eerste onderdeel betreft, dat de tussenkomende partij geenszins de beschikking over de aangevraagde vestigingsplaats heeft verloren, dat het ten tijde van de aanvraag niet vereist was om specificaties omtrent het perceelnummer te verstrekken, dat zowel artikel 4, § 1, als artikel 4, § 2ter, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 pas na de in 1985 gedane aanvraag in werking zijn getreden, dat de tussenkomende partij geen wijziging van de vestigingsplaats overeenkomstig artikel 4, § 4, van voormeld koninklijk besluit diende aan te vragen omdat de locatie dezelfde bleef, dat artikel 13bis van dit besluit alleen stelt dat de artikelen 9 tot 13 van toepassing zijn op de procedure in beroep, dat de commissie van beroep conform artikel 6 van voormeld koninklijk besluit nog steeds aan de tussenkomende partij kon verzoeken om bepaalde documenten neer te leggen en dat zij, onder meer VII-37.154-6/12 overeenkomstig artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 op de zitting van 3 december 2003 bijkomende inlichtingen kon vragen. Wat het tweede onderdeel betreft, stelt de verwerende partij dat de tussenkomende partij met de voorgelegde koopoptie, die gold tot 1 januari 2007, het bewijs leverde dat zij over de aangevraagde vestigingsplaats kon beschikken. 3.1.
- Het standpunt van de tussenkomende partij sluit in essentie aan bij dat van de verwerende partij. De tussenkomende partij voegt er nog aan toe dat het uitstel dat op de zitting van 3 december 2003 werd verleend om het dossier aan te vullen, geen uitstel was in de zin van artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, aangezien het geen uitstel op verzoek van de aanvrager betrof. 3.1.
- De verzoekende partijen betogen in hun memorie van wederantwoord nog, wat het eerste onderdeel betreft, dat een bepaalde gelijkenis, "groot of klein", tussen het vestigingsadres in de aanvraag en in de vergunning niet volstaat. 3.1.
- Ten tijde van de herziene aanvraag van 19 augustus 1985 bepaalde artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 dat "de aanvraag tot vergunning voor de opening of de overbrenging van een voor het publiek opengestelde apotheek of voor de fusie van apotheken (...) bij aangetekende brief (wordt) gestuurd aan de Minister tot wiens bevoegdheid de Volksgezondheid behoort, op formulieren die daartoe door de Algemene Farmaceutische Inspectie (worden) afgeleverd", dat de aanvraag "bij ontvangst onmiddellijk (wordt) ingeschreven in een daartoe bestemd register" en dat "de postdatum (...) de volgorde van de aanvraag (bepaalt)". Uit het administratief dossier blijkt niet dat de commissie van beroep gebruik heeft gemaakt van haar bevoegdheid om stukken, zoals bepaald in het inmiddels gewijzigde artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974, op te vragen. Er wordt evenmin aangetoond dat de tussenkomende partij niet voldeed aan artikel 4 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 zoals het gold ten tijde van de aanvraag in
- De schending van artikel 4, § 1, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 kan niet worden aangenomen. VII-37.154-7/12 In zoverre de beweerde schending van de artikelen 4, § 2ter, 9, 12 en 13 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 op de mogelijke schending van voornoemd artikel 4, § 1, zou steunen, kan de schending van deze bepalingen evenmin worden aangenomen. De discussie tussen de partijen betreft in essentie de vraag of de plaats waarvoor een vestigingsaanvraag werd gedaan, dezelfde is als de plaats waarvoor een vergunning werd afgeleverd. Volgens de verzoekende partijen is de vergunning verkregen voor de plaats gelegen naast het adres waarvoor de aanvraag werd gedaan, zodat er een adreswijziging werd doorgevoerd lopende de procedure en de bepalingen van artikel 4, § 4, van het koninklijk besluit van 25 september 1974 werden geschonden. Het doel van het bepalen van de vestigingsplaats bestaat erin de behoorlijke spreiding van de voor het publiek opengestelde apotheken te kunnen beoordelen. De verzoekende partijen tonen ook in hun laatste memorie, waarin zij stellen dat het gaat om twee gescheiden, aanpalende gebouwen en percelen, niet aan hoe het verschil tussen de adressen Hoogzand 4 en Hoogzand 6 een invloed kan hebben op de beoordeling omtrent de behoorlijke spreiding van de apotheken. Het feit dat de akte in kwestie geen "verkoopovereenkomst" maar wel een aankoopoptie in hoofde van de tussenkomende partij is, doet geen afbreuk aan de motivering, aangezien de tussenkomende partij ook met een aankoopoptie het bewijs leverde "te kunnen beschikken" over de aangevraagde vestigingsplaats. Het eerste middel is niet gegrond. 3.2.
- De verzoekende partijen roepen als tweede middel de schending in van artikel "3bis, § 3, 1/, derde lid", van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen, de artikelen 6, § 1, 7, 11, 12, 13 en 13bis van het koninklijk besluit van 25 september "1994", artikel 3 van de motiveringswet en de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, waaronder de formele en de materiële motiveringsplicht en het rechtszekerheidsbeginsel. Zij bekritiseren daarbij in een eerste onderdeel voornamelijk het feit dat de commissie van beroep zeven jaar na de vestigingscommissie oordeelt en VII-37.154-8/12 zich steunt op feitelijke en juridische gegevens die geen enkel verband vertonen met de oorspronkelijke toestand, pas sinds 2004 beschikbaar zijn en nooit aan de vestigingscommissie werden voorgelegd, zodat de commissie van beroep de zaak niet naar zich toe had mogen trekken. In een tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat de commissie van beroep zonder het bevolkingsattest van 26 mei 2004 en de aankoopoptie van 1 februari 2004 ongunstig zou hebben geadviseerd en dat bijgevolg het tweede uitstel, toegestaan op de zitting van 3 december 2003, cruciaal is. In de regel, zo stellen de verzoekende partijen, is slechts één uitstel mogelijk, en de commissie van beroep heeft noch het tweede uitstel, noch de uitzonderlijke omstandigheden gemotiveerd. 3.2.
- De verwerende partij wijst er in haar memorie van antwoord op dat het middel niet ontvankelijk is, vooreerst omdat er geen artikel 3bis, § 3, 1/, derde lid, van het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de geneeskunst, de verpleegkunde, de uitoefening van de daaraan verbonden beroepen en de geneeskundige commissies bestaat en er wordt verwezen naar een onbestaand koninklijk besluit van 25 september 1994 en voorts omdat de verzoekende partijen tal van schendingen aanvoeren, zonder dat duidelijk is in welke zin er dan wel sprake zou zijn van enige (vorm van) schending. Met betrekking tot het eerste onderdeel antwoordt de verwerende partij vervolgens dat zij kennis kon nemen van de door de tussenkomende partij neergelegde documenten, en zulks conform artikel 6 van het reeds vermelde koninklijk besluit van 29 juni 2003, en dat artikel 13bis van het koninklijk besluit van 25 september 1974 bepaalt dat de artikelen 9 tot 13 van toepassing zijn, zodat de commissie van beroep bijkomende onderzoeksmaatregelen kon bevelen. Met betrekking tot het tweede onderdeel antwoordt de verwerende partij dat er geen sprake is van een tweede uitstel op verzoek van de aanvrager. Het uitstel zoals verleend op de zitting van de commissie van beroep van 3 december 2003, betrof een uitstel waarvan de tussenkomende partij niet de aanvrager was. 3.2.3.
- Luidens artikel 2, § 1, 2/, thans artikel 2, § 1, 3/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, bevat het verzoekschrift het voorwerp van de aanvraag of van het beroep en een uiteenzetting van de feiten en middelen. VII-37.154-9/12 Het middel moet een voldoende duidelijke omschrijving omvatten van de overtreden rechtsregel, en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. In hun memorie van wederantwoord vermelden de verzoekende partijen met betrekking tot de schending van de in het middel aangeduide bepalingen : "Terecht wijzen de verwerende partij en tussenkomende partij op een materiële vergissing in het verzoekschrift tot nietigverklaring. Uiteraard wordt bedoeld het art. 4 §3 1/ derde lid van het KB nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidsberoepen (B.S. 14 november 1967 err., B.S. 12 juni 1968.) Hoger werd reeds aangegeven dat ook het KB van 25 september 1974 betreffende de opening, de overbrenging en de fusie van voor het publiek opengestelde apotheken wordt bedoeld". Uit de stukken van het dossier blijkt dat zowel de verwerende partij als de tussenkomende partij de verwijzing in het verzoekschrift naar het koninklijk besluit van 25 september 1994 hebben begrepen als een verwijzing naar het koninklijk besluit van 25 september 1974 en dat de rechten van de verdediging, wat dat betreft, niet werden geschonden. Er kan niet worden ingezien hoe de door de verzoekende partijen ingeroepen bepaling uit het koninklijk besluit nr. 78 van 10 november 1967 betreffende de uitoefening van de gezondheidszorgberoepen in verband kan worden gebracht met de gegevens van de zaak en op welke wijze die regel door de bestreden beslissing wordt geschonden. Het middel is niet ontvankelijk in zover hierin de schending wordt ingeroepen van artikel 4, § 3, 1/, derde lid, van het voormelde koninklijk besluit nr. 78 van 10 november
- 3.2.3.
- Ten gronde wordt voorts, wat het eerste onderdeel betreft, vastgesteld dat met toepassing van artikel 13bis van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in de procedure in graad van beroep in de mogelijkheid is voorzien om nieuwe onderzoeksdaden te verrichten en om bijkomende stukken neer te leggen, zonder dat de commissie van beroep wordt verplicht de zaak terug naar de vestigingscommissie te sturen. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de commissie van beroep de zaak ten onrechte naar zich toe heeft getrokken. VII-37.154-10/12 Bovendien vereist de zorgvuldigheidsplicht dat het bestuur bij de feitenvinding slechts na een behoorlijk onderzoek van de zaak en met kennis van alle relevante gegevens een beslissing mag nemen, wat ook inhoudt dat het bestuur bij zijn besluitvorming met de meest recente en accurate gegevens rekening houdt. De verzoekende partijen tonen niet aan dat de stukken waarop de commissie van beroep acht heeft geslagen, uit de debatten dienden te worden geweerd. In het tweede onderdeel voeren de verzoekende partijen aan dat er tweemaal een uitstel werd verleend, terwijl met toepassing van artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 in de regel slechts één uitstel is toegestaan en de commissie van beroep, betreffende het tweede uitstel, niet heeft aangetoond dat er uitzonderlijke omstandigheden zijn. Artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974, dat mutatis mutandis eveneens van toepassing is voor de behandeling van de aanvraag in beroep, bepaalt onder meer dat aan de aanvrager "op gemotiveerd verzoek" een uitstel van maximum zes maanden kan worden verleend, en slechts in uitzonderlijke gevallen een tweede uitstel van maximum zes maanden. Het uitstel op de zitting van de commissie van beroep van 5 november 2003 werd verleend om een bijkomende onderzoeksmaatregel te bevelen, namelijk de opdracht aan de farmaceutische inspecteur om een bijkomend verslag op te stellen. Uit het administratief dossier blijkt niet dat dit op initiatief van de tussenkomende partij gebeurde, en derhalve blijkt niet dat het uitstel op grond van artikel 12 van het koninklijk besluit van 25 september 1974 werd verleend, zodat het middelonderdeel feitelijke grondslag mist. Het middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. VII-37.154-11/12 Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 1.225 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor een zevende. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf september tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-37.154-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.197 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.