id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.199 Rolnummer: A. 137749/VII-30048 Zaak: Arrest 186199 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 11/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.199 van 11 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.199 van 11 september 2008 in de zaak A. 137.749/VII-30.
- In zake : de landbouwvennootschap GREGOIRE LV, die woonplaats kiest bij advocaat P. COX, kantoor houdende te GENK, Europalaan 50, bus 2 tegen : de Vlaamse Landmaatschappij, die woonplaats kiest bij advocaat M. VANDEPUT, kantoor houdende te HASSELT, Kol. Dusartplein 34, bus
- --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat de landbouwvennootschap GREGOIRE LV op 10 juni 2003 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de geschillencommissie bij de Vlaamse Landmaatschappij (hierna : VLM) van 28 augustus 2002 waarbij de bezwaarschriften van de verzoekende partij tegen de beslissingen van de VLM van 15 januari 2002 en 28 januari 2002 worden verworpen, deze laatste beslissingen worden bevestigd en aldus wordt beslist van de verzoekende partij een aantal beheersvergoedingen terug te vorderen en een aantal beheersvergoedingen niet aan haar uit te betalen; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur G. DE BLEECKE- RE; Gelet op de beschikking van 29 januari 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; VII-30.048-1/6 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 19 juni 2008 waarbij wordt bepaald dat de zaak met toepassing van artikel 90, § 1, derde lid, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, door één lid van de kamer wordt behandeld; Gelet op de beschikking van 19 juni 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 4 september 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. HERMANS die, loco advocaat P. COX verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat A. MAES die, loco advocaat M. VANDEPUT verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur G. DE BLEECKERE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De gegevens van de zaak 1.1.
- De verzoekende partij is eigenaar van een aantal gronden die zich bevinden in een door de Vlaamse regering overeenkomstig artikel 15 van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreini- ging door meststoffen (hierna: meststoffendecreet) aangeduide kwetsbare zone water. 1.1.
- Op 20 juni 2001 sluiten de verzoekende partij en de VLM twee beheersovereenkomsten water. 1.1.
- Op 25 september 2001 wordt door de verwerende partij bij de verzoekende partij een inspectie uitgevoerd. Er wordt vastgesteld dat de beheerder VII-30.048-2/6 de bemestingsnormen op de percelen waarop dat jaar gewassen met lage N-behoefte hebben gestaan niet heeft gerespecteerd, en dat aldus de beheersovereenkomsten niet worden nageleefd. 1.1.
- Op 15 januari 2002 deelt de verwerende partij mee de beheersver- goeding voor bepaalde detailovereenkomsten voor het contractjaar 2001 terug te vorderen, en deze voor bepaalde andere detailovereenkomsten niet uit te betalen aan de verzoekende partij. 1.1.
- Op 25 februari 2002 dient de verzoekende partij bij de geschillen- commissie een bezwaarschrift in tegen de hierboven vermelde beslissing van 15 januari
- 1.1.
- Op 28 februari 2002 meldt de VLM aan de verzoekende partij welke contractsvoorwaarden niet werden nageleefd. 1.1.
- Tegen deze beslissing tekent de verzoekende partij op 22 maart 2002 bezwaar aan. 1.1.
- Op 28 augustus 2002 verwerpt de geschillencommissie de bezwaren van de verzoekende partij. Dit is de bestreden beslissing. 1.2.
- De bestreden beslissing wordt genomen in het kader van de beheersovereenkomsten die kunnen worden gesloten voor kwetsbare zones water in de zin van het meststoffendecreet. Artikel 15sexies van het decreet stelde op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen het volgende : "§ l. In de kwetsbare zones bedoeld in artikel 15, 15bis en 15ter, kan de Vlaamse regering met de grondgebruikers beheersovereenkomsten op vrijwillige basis sluiten ter stimulering van verdergaande stappen ter verbete- ring van het milieu (...). §
- Voor de cultuurgronden gelegen in de zones, bedoeld in artikel 15, § 6, worden de inkomstenverliezen die ontstaan ten gevolge van de bepalingen van artikel 15, § 7, die gericht zijn op verdergaande stappen ter verbetering van het milieu volledig vergoed, conform de bepalingen van artikel 15septies. Met ingang van l januari 2003 kunnen, binnen de budgettaire perken en voor percelen cultuurgronden gelegen binnen de kwestbare zone water, bijkomende financiële stimuli aan gebruikers worden gegeven voor die percelen cultuur- gronden waar een lagere risidu-waarde wordt gemeten dan deze die overeen- komt met de richtwaarde, bedoeld in artikel 13bis, § l, tweede lid, 2°. De VII-30.048-3/6 Vlaamse regering kan nadere voorwaarden en regels vaststellen voor het toekennen van deze bijkomende financiële stimuli". Luidens artikel 15septies van het meststoffendecreet is het de Vlaamse regering die de vergoedingen voor de inkomstenverliezen vaststelt. 1.2.
- Voornoemde regeling is uitgewerkt in het besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2000 tot vaststelling van een vergoedingenregeling ter uitvoering van artikel 15, 15bis, 15ter, 15sexies, §§ 1 en 3 en 15septies van het decreet van 23 januari 1991 inzake de bescherming van het leefmilieu tegen de verontreiniging door meststoffen en tot wijziging van het besluit van de Vlaamse regering van 26 mei 2000 ter uitvoering van sommige artikelen van hetzelfde decreet (hierna : besluit van de Vlaamse regering van 10 november 2000). Artikel 6 van dit besluit stelde op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen dat "de bepalingen van het gemeen recht (...) van toepassing (zijn) op de beheersovereenkomsten, voor zover de beheersovereenkomst er niet uitdrukkelijk van afwijkt". Artikel 7, § 1, van het besluit bepaalde op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen dan weer wat volgt : "Wanneer na controle wordt vastgesteld dat de beheerder de bepalingen van de beheersovereenkomst niet naleeft of heeft nageleefd, vervalt voor de beheerder de in de beheersovereenkomst voorziene vergoeding voor de betrokken kalenderjaren voor de betrokken percelen. De VLM vordert de reeds betaalde vergoedingen terug voor die jaren waarin een inbreuk op de bepaling- en van de beheersovereenkomst door de beheerder werd vastgesteld. Iedere toezichthoudende ambtenaar die vaststelt dat een beheerder de bepalingen van de beheersovereenkomst niet naleeft, is met het oog op het niet uitbetalen of de terugvordering van de vergoeding, gehouden binnen de maand na de vaststel- ling van de overtreding, een kopie van de vaststelling van deze overtreding over te maken aan de VLM en aan de beheerder. De VLM geeft de beheerder van haar beslissing tot niet-betaling of terugvorde- ring van de beheersvergoeding kennis per aangetekende brief waarin de bepalingen van de overeenkomst, die de beheerder niet heeft nageleefd, worden vermeld". Artikel 7, § 2, voorzag op het ogenblik dat de bestreden beslissing werd genomen in de mogelijkheid om een bezwaarschrift in te dienen.
- Rechtsmacht 2.
- Krachtens de artikelen 144 en 145 van de Grondwet is de Raad van State niet bevoegd om kennis te nemen van een annulatieberoep waarvan het werkelijk en rechtstreeks voorwerp een geschil is over subjectieve rechten. De Raad VII-30.048-4/6 van State moet dan ook zijn bevoegdheid afwijzen wanneer het beroep is gericht op de erkenning van een subjectief recht waaromtrent het bestuur een volledig gebonden bevoegdheid heeft. 2.
- Het beroep is gericht tegen de beslissing waarbij aan de verzoekende partij wordt geweigerd beheersvergoedingen uit te betalen in het kader van tussen haar en de verwerende partij gesloten overeenkomsten. De verzoekende partij betwist het standpunt van de verwerende partij als zou zij de op haar rustende verbintenissen niet (correct) zijn nagekomen. 2.
- Uit de samenlezing van de artikelen 15, § 2 en 15septies van het meststoffendecreet blijkt dat de verzoekende partij recht heeft op een vergoeding, mits is voldaan aan de door de Vlaamse regering in haar voormeld besluit van 10 november 2000 vastgestelde voorwaarden. Artikel 7 van dit besluit stelt uitdrukkelijk dat dit recht op een vergoeding vervalt wanneer de beheerder zijn verbintenissen uit de beheersovereenkomst niet naleeft. Luidens artikel 6 is het gemeen recht van toepassing, voor zover de beheersovereenkomst er niet uitdrukke- lijk van afwijkt, hetgeen te dezen niet het geval is. 2.
- Het werkelijk voorwerp van het beroep betreft bijgevolg een betwisting omtrent de uitvoering van een overeenkomst, en meer bepaald omtrent de vraag of de verzoekende partij al dan niet haar verbintenissen is nagekomen en recht heeft op een vergoeding. Het antwoord hierop is een kwestie van interpretatie van de toepasselijke regeling, en niet van appreciatie ervan. 2.
- Het is bijgevolg enkel en alleen de gewone rechter die uitspraak kan doen over het recht van de verzoekende partij. De Raad van State is te dezen dan ook zonder rechtsmacht. Het komt hierbij evenwel gepast voor de kosten ten laste te leggen van de verwerende partij, omdat bij de kennisgeving van de bestreden beslissing aan de verzoekende partij de mogelijkheid werd gemeld van de indiening van een beroep tot nietigverklaring bij de Raad van State, VII-30.048-5/6 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf september tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-30.048-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.199 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div