id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 11 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.209 Rolnummer: A. 188043/VII-37188 Zaak: Arrest 186209 - Ziekenfondsen en Landsbonden - 11/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-07 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:32 Fiche Arrest nr 186.209 van 11 september 2008 Sociale zaken en volksgezondheid - Ziekenfondsen en Landsbonden Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.209 van 11 september 2008 in de zaak A. 188.043/VII-37.
- In zake :
- Rudi VEREECKEN,
- Vera PRINCEN, die woonplaats kiezen te TERHAGEN, Korte Nieuwstraat 3 tegen : het VLAAMS ZORGFONDS. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE VIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Rudi VEREECKEN en Vera PRINCEN op 18 april 2008 hebben ingediend om de vernietiging te vorderen van de beslissingen van het Vlaams Agentschap Zorg en Gezondheid, VLAAMS ZORGFONDS, van 2 april 2008 waarbij hun bezwaarschrift ongegrond wordt bevonden en wordt beslist dat de aan beide verzoekende partijen opgelegde administratieve geldboete verschuldigd blijft; Gelet op de beschikking van 10 juni 2008 waarbij aan de verzoekende partijen het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur W. WEYMEERSCH, op grond van artikel 93 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna : algemeen procedurereglement); Gelet op de beschikking van 15 juli 2008, houdende oproeping van de partijen om te verschijnen op 4 september 2008; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; VII-37.188-1/3 Gehoord de opmerkingen van de verzoekende partijen die in persoon verschijnen; Gehoord het eensluidend advies van auditeur W. WEYMEERSCH; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT: In het verzoekschrift staat voornamelijk kritiek te lezen op de houding van de verzekeringsmaatschappij van de verzoekende partijen bij wie een hospitalisatieverzekering voor het ganse gezin werd afgesloten. De verzoekende partijen, die in een penibele financiële situatie verkeren, zouden hebben gewacht op het antwoord van hun verzekeringsmaatschappij vooraleer tot betaling van de bijdragen over te gaan. Ook wordt gesteld dat de verwerende partij preventief betaalde bijdragen heeft aangewend om een boete aan te zuiveren waarover op dat ogenblik nog geen beslissing was genomen en dat in de bestreden beslissingen "kort door de bocht" is gegaan. De beslissingen van 2 april 2008 maken gewag van een uitnodiging tot betaling die de verzoekende partijen kregen van hun hospitalisatieverzekeraar. De verzoekende partijen ontkennen echter deze te hebben ontvangen. De verzoekende partijen hebben het dan over de "derde pijler" in het sociaal zekerheidsstelsel. Verder stellen de verzoekende partijen eveneens "twijfels" te hebben inzake de geldboete waaromtrent men "de vraag (kan) stellen of een boete al dan niet in verhouding moet staan tot het misdrijf". Zij stellen ook dat zij niet kunnen aanvaarden dat een "leidend ambtenaar (hen) met één pennetrek (...) in de armoede duwt". Tenslotte wijden zij enkele beschouwingen aan de laattijdige betaling van facturen door de overheid, het zogenaamde "ankerprincipe", en stellen zij in dat verband de vraag of er geen schending is van het gelijkheidsbeginsel. Zelfs aangenomen dat in de uiteenzetting van de verzoekende partijen toch een middel zou kunnen worden gelezen, in die zin dat zij beweren te veel te moeten betalen ingevolge de bestreden beslissingen, moet worden vastgesteld dat de hun opgelegde administratieve geldboete wordt bepaald in artikel 21bis, § 1, van het decreet van 30 maart 1999 houdende de organisatie van de zorgverzekering, zoals dit gold op het ogenblik van de bestreden beslissing, dat de VII-37.188-2/3 verwerende partij op dat punt geen appreciatiebevoegdheid laat. De verwerende partij kon dus niets anders dan de decretaal bepaalde geldboete op te leggen, zonder het bedrag daarvan te kunnen verminderen. De overige aangebrachte beschouwingen worden niet onderbouwd. De zaak kan op grond van artikel 93 van het algemeen procedurereglement bijgevolg met korte debatten definitief worden beslecht, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, elk voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op elf september tweeduizend en acht, door : de HH. E. BREWAEYS, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. E. BREWAEYS. VII-37.188-3/3 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.209 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.