id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.265 Rolnummer: A. 147672/X-11775 Zaak: Arrest 186265 - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen - 15/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:33 Fiche Arrest nr 186.265 van 15 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Stedenbouw en ruimtelijke ordening - Reglementen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.265 van 15 september 2008 in de zaak A. 147.672/X-11.
- In zake :
- Nicole ALGOET,
- Monique ALGOET, die woonplaats kiezen bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8200 SINT-ANDRIES-BRUGGE, Burggraaf de Nieulantlaan 14 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te 8400 OOSTENDE, E. Beernaertstraat
- tussenkomende partij : de b.v.b.a. VERANDA’S DEMASURE, die woonplaats kiest bij advocaat D. VAN HEUVEN, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, Pres. Kennedypark 6/
- D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Nicole ALGOET en Monique ALGOET op 16 februari 2004 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van 19 december 2003 van de Vlaamse minister van Ruimtelijke Ordening houdende weigering tot opheffing van “artikel 1, eerste lid, van het gewestplan Kortrijk 07, goedgekeurd bij K.B. dd. 4 november 1977”, en “van het stedenbouwkundig voorschrift opgenomen in het B.P.A. nr. 4 - Tiegem ‘Zonnestraat’, goedgekeurd bij ministerieel besluit van 13 oktober 1999, dat bepaalt: ‘Realisatie van deze zone en bouw van nieuwe constructies zijn enkel mogelijk in functie van een uitbreiding van het bestaande bedrijf’”, “zulks minstens voor wat betreft hun eigendom, gelegen te Anzegem, 5e afdeling, sectie A, nr. 1401/a, groot 96 a 50 ca”; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 23 april 2004 ingediend door de b.v.b.a. VERANDA’S DEMASURE; X-11.775-1/6 Gelet op de beschikking van 4 mei 2004 die de tussenkomst van de b.v.b.a. VERANDA’S DEMASURE toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoeksters; Gelet op de beschikking van 12 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 18 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. GOETHALS, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verzoeksters, van advocaat M. VANDEPUT, die loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en die eveneens, loco advocaat D. VAN HEUVEN verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoeksters zijn sedert 2001 elk voor de helft eigenaar van een perceel grond, gelegen aan de Okkerdries te Tiegem-Anzegem. Het terrein, dat 96 a 50 ca groot is, paalt onmiddellijk aan de bedrijfszetel van de tussenkomende partij, die ter plaatse een onderneming in aluminiumconstructies en glaswerken uitbaat. X-11.775-2/6 1.
- Het gewestplan Kortrijk, zoals vastgesteld bij koninklijk besluit van 4 november 1977, bestemt de grond van de tussenkomende partij tot industriegebied. De eigendom van de verzoeksters krijgt op het gewestplan het statuut van agrarisch gebied, met als overdruk “reservegebied voor beperkte industriële uitbreiding”. Luidens de aanvullende stedenbouwkundige voorschriften van het gewestplan is dit laatste gebied “bestemd voor de uitbreiding van de bedrijven gevestigd op de terreinen die er onmiddellijk aan palen”, hetgeen kan gebeuren nadat een bijzonder plan van aanleg of een plan opgemaakt in uitvoering van de wet op de economische expansie is goedgekeurd, en voor zover is aangetoond dat die nieuwe bestemming aan een werkelijke behoefte beantwoordt. 1.
- Met een ministerieel besluit van 13 oktober 1999 wordt het bijzonder plan van aanleg nr. 4 “Zonnestraat” van de gemeente Anzegem goedgekeurd, “met de hoofdbedoeling het stedenbouwkundig kader en stedenbouwkundige voorschriften te bepalen waarbinnen de aansnijding en de realisatie van het in het gewestplan voorziene reservegebied voor beperkte industriële uitbreiding kan gebeuren”. Dit reservegebied wordt door het bijzonder plan van aanleg omgezet in zone voor industrie “in functie van een uitbreiding van het bestaande bedrijf” (zonevoorschrift C 2). Verder bevat het plandossier luidens het ministerieel besluit een “economische en ruimtelijke motivering voor de noodzaak tot aansnijding van het voormelde reservegebied in functie van het aanpalende bedrijf BVBA Demasure”. 1.
- Op 2 december 2003 richten de verzoeksters aan de Vlaamse minister bevoegd voor ruimtelijke ordening een aangetekende brief, die betiteld wordt als een “ingebrekestelling” in de zin van artikel 14, §3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. In het schrijven wordt aangedrongen op een opheffing van het voor het gebied van toepassing zijnde aanvullend stedenbouwkundig voorschrift van het gewestplan Kortrijk, en van het stedenbouwkundig voorschrift van het bijzonder plan van aanleg “Zonnestraat” van de gemeente Anzegem, en wordt te dien einde uitgelegd met welke “administratieve onwettigheden” deze planvoorschriften behept zouden zijn. X-11.775-3/6 1.
- Met een brief van 19 december 2003 antwoordt de minister dat hij niet ingaat op het verzoek nu het hem niet duidelijk is waarom het betwiste gewestplanvoorschrift voor onwettig zou moeten gehouden worden. Wat de gevraagde opheffing van het stedenbouwkundig voorschrift van het bijzonder plan van aanleg betreft, verwijst de minister de verzoeksters “naar de terzake bevoegde gemeentelijke overheid”. Het is van dit schrijven dat die partijen thans de nietigverklaring vorderen. 1.
- De verzoeksters richten op 30 december 2003 een nieuw aangetekend schrijven aan de minister, waarin zij zich “bijzonder verbaasd” tonen over het antwoord van de minister, en verder aandringen op de opheffing van de beide besluiten. Op dit schrijven is geen reactie van de minister meer gevolgd.
- De ontvankelijkheid 2.
- Standpunt van de partijen 2.1.
- In de memorie van antwoord betwist de verwerende partij de ontvankelijkheid van het verzoekschrift, stellende dat de verzoeksters “misbruik” maken van artikel 14, §3 van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, dat de betwiste planvoorschriften nooit aangevochten werden en een definitief karakter hebben, dat de vraag van de verzoeksters een “onredelijk groot” risico op rechtsonzekerheid zou genereren, en dat er in hoofde van de minister geen enkele verplichting bestond om te beschikken op het verzoek van de verzoeksters. 2.1.
- Ook de tussenkomende partij betoogt bij wijze van ontvankelijkheidsexceptie dat “via de omweg van” artikel 14, §3 van de gecoördineerde wetten niet zomaar een nieuwe beroepstermijn kan geopend worden, dat de planvoorschriften nooit in rechte bestreden werden, en dat de minister slechts een “facultatieve bevoegdheid” had om het verzoek tot opheffing in overweging te nemen. 2.1.
- In de memorie van wederantwoord dupliceren de verzoeksters onder meer dat het een “ere-plicht” van elke overheid is om onwettigheden uit het rechtsverkeer te doen verdwijnen, motiveren zij nog de “aperte” onwettigheid van X-11.775-4/6 de betreffende voorschriften, stellen zij “dat de overheid de plicht heeft te beslissen over de vraag van een belanghebbende om een akte uit het rechtsverkeer weg te nemen wanneer dit verzoek op wettigheidsgronden berust”, en verwijzen zij naar rechtspraak van de Raad van State inzake het bij wege van exceptie onwettig bevinden van planvoorschriften en de daaruit voortvloeiende plicht tot opheffing van die voorschriften. In hun laatste memorie voegen dezelfde partijen hieraan nog toe dat de verplichting te beschikken ook kan voortvloeien uit andere rechtsbronnen, zoals de algemene beginselen van behoorlijk bestuur. Zij baseren zich ook op het beginsel van de rechtsstaat dat niet duldt dat er onwettigheden blijven bestaan en roepen hiervoor het “adagium” in “Spoliatus ante omnia restituendus”. Tot slot herhalen ze nogmaals hun standpunt uit de memorie van wederantwoord dat de overheid er zorg voor moet dragen dat de onwettigheden, die zij zelf in het leven heeft geroepen, uit het rechtsverkeer verdwijnen. 2.
- Beoordeling Artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State luidt als volgt: “Wanneer een administratieve overheid verplicht is te beschikken en er bij het verstrijken van een termijn van vier maanden te rekenen vanaf de haar daartoe door een belanghebbende betekende aanmaning geen beslissing is getroffen, wordt het stilzwijgen van de overheid geacht een afwijzende beslissing te zijn waartegen beroep kan worden ingesteld. Deze bepaling doet geen afbreuk aan de bijzondere bepalingen die een andere termijn vaststellen of aan het stilzwijgen van de administratieve overheid andere gevolgen verbinden”. Voor de toepassing van die wetsbepaling is onder meer vereist dat de overheid nagelaten heeft een expliciete beslissing te nemen. Indien de overheid wel een expliciete beslissing heeft genomen, kan een belanghebbende die beslissing, binnen de daartoe voorziene termijnen, met een beroep tot nietigverklaring en een vordering tot schorsing bij de Raad van State aanvechten en kan hij zich niet meer op artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beroepen om die beslissing wegens onwettigheid buiten de beroepstermijn aan te vechten. In casu is de rechtstoestand van de eigendom van de verzoeksters planologisch geregeld. Op het perceel zijn een gewestplanvoorschrift en de voorschriften van een bijzonder plan van aanleg van kracht. Er bestaan dus beslissingen over die rechtstoestand. Noch de verzoeksters, noch hun X-11.775-5/6 rechtsvoorgangster hebben de betreffende stedenbouwkundige voorschriften in rechte aangevochten. Wat de verzoeksters thans in wezen beogen is een intrekking of opheffing van de bestaande beslissingen, wegens de beweerde onwettigheid ervan. Zij kunnen zich dan ook niet op artikel 14, §3, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State beroepen om die opheffing of intrekking te bekomen. De excepties zijn gegrond. Het beroep is niet ontvankelijk. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-11.775-6/6 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.265 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div