← België

Arrest 186268 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.268 Rolnummer: A. 76648/X-7894 Zaak: Arrest 186268 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 15/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:33 Fiche Arrest nr 186.268 van 15 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.268 van 15 september 2008 in de zaak A.76.648/X-

  1. In zake : de n.v. VERVAET & VERBRAECKEN, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende te 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat P. AERTS, kantoor houdende te 9000 GENT, Coupure
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. VERVAET & VERBRAECKEN op 5 december 1997 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 september 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van haar beroep tegen de beslissing van 9 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de vergunning is geweigerd voor het verkavelen van gronden aan de Pachtgoeddreef - Achterdreef te Moerbeke, kadastraal bekend sectie C, nr. 630/a ; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 21 maart 2003 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-7894-1/11 Gelet op de beschikking van 9 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat K. DE MULDER, die loco advocaat P. AERTS verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. De gegevens van de zaak 1.
  4. Op 15 juli 1993 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moerbeke een eerste aanvraag in tot het verkavelen van gronden in 46 loten, gelegen te Moerbeke aan de Pachtgoeddreef en de Achterdreef, kadastraal bekend sectie C, nr. 630/a, bestemd voor de oprichting van één weekendverblijf per lot. Op 5 oktober 1993 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moerbeke voorwaardelijk de gevraagde vergunning. De verzoekende partij dient tegen deze voorwaarden beroep in bij de bestendige deputatie. Op 13 januari 1994 beslist de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen het beroep niet in te willigen. In het besluit wordt onder meer het volgende gesteld : “(...) dat eveneens inzake de uitbouw van de infrastructuur en de plaatselijke ordening van het gehele gebied nog geen éénvormige beslissing is genomen; dat inderdaad de uitbouw van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren; dat dit o.a. inhoudt dat de ordening van de zones voor verblijfsrecreatie ofwel in een BPA ofwel in een globaal verkavelingsplan van alle eigenaars samen dient vastgesteld te worden (...) X-7894-2/11 dat bijgevolg het afgeven van de individuele verkavelingsvergunning momenteel in strijd zou zijn met een oordeelkundig stedebouwkundig beleid; dat zolang geen zekerheid bestaat omtrent een definitieve ordening, deze verkaveling de latere stedebouwkundige aanleg van het verdere gebied in het gedrang kan brengen; dat derhalve geen verkavelingsvergunning kan verleend worden op dat perceel”. Tegen deze beslissing stelt de verzoekende partij beroep in bij de bevoegde minister. Bij besluit van 10 maart 1995 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden het beroep, onder meer stellende dat “het standpunt van de bestendige deputatie, betreffende de uitvoering van een globaal verkavelingsplan of bijzonder plan van aanleg, te volgen is”. Ten aanzien van deze beslissing werd door de verzoekende partij een annulatieberoep ingesteld bij de Raad van State (zaak A.63.860/X-10.184). Met ’s Raads arrest nr. 186.267 van heden wordt dit besluit vernietigd. 1.
  5. Op 3 januari 1996 dient de verzoekende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moerbeke een tweede aanvraag in tot het verkavelen van dezelfde gronden. De plannen gevoegd bij deze aanvraag zijn identiek aan deze gevoegd bij de eerste aanvraag van 15 juli
  6. De tweede aanvraag werd ingediend met een motiveringsnota, die de verzoekende partij als integraal deel uitmakend van de aanvraag beschouwt, en een aantal van de gevraagde stedenbouwkundige voorschriften werd gewijzigd. 1.
  7. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. Het perceel is niet gelegen binnen het beheersingsgebied van een bijzonder plan van aanleg. 1.
  8. Op 16 januari 1996 maakt het college van burgemeester en schepenen de verkavelingsaanvraag voor advies aan de gemachtigde ambtenaar over met volgend pre-advies : X-7894-3/11 “Het college van Burgemeester en Schepenen van Moerbeke geeft ongunstig advies wegens het niet-voorhanden zijn van een Bijzonder Plan van Aanleg”. 1.
  9. Op 7 februari 1996 verleent de gemachtigde ambtenaar het volgende ongunstig advies : “- Overwegende dat de gronden volgens het gewestplan Gentse en Kanaalzone K.B. dd. 14/9/1977 gelegen zijn in een gebied voor verblijfsrecreatie; - Overwegende dat de aanvraag het verkavelen van gronden betreft in 46 loten, bestemd voor de oprichting van één weekendverblijf per lot; - Overwegende dat de verkaveling in aanvraag slechts een gedeelte van een groter gebied voor verblijfsrecreatie inhoudt; - Overwegende dat de uitbouw van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren; dat dit o.a. inhoudt dat de ordening van deze zones ofwel in een B.P.A. ofwel in een globaal verkavelingsplan van alle eigenaars samen dient vastgesteld te worden; (cfr. uitspraken van de Bestendige Deputatie van de Provincieraad en van de Vlaamse Minister inzake het beroep); - Overwegende dat zolang geen zekerheid bestaat omtrent een definitieve ordening, deze verkaveling de latere stedenbouwkundige aanleg van het verdere gebied in het gedrang kan brengen”. 1.
  10. Op 15 februari 1996 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Moerbeke de gevraagde vergunning overeenkomstig de redenen uiteengezet in het ongunstige advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
  11. Op 14 maart 1996 stelt de verzoekende partij tegen deze beslissing beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost- Vlaanderen. Op 9 mei 1996 beslist de bestendige deputatie het beroep niet in te willigen, onder meer het volgende overwegende : “(...) dat het nog steeds wenselijk is dat de gedetailleerde ordening van het ganse gebied wordt vastgelegd via een B.P.A., waarbij mogelijks ook de infrastructuureisen worden vastgesteld; dat inzake de uitbouw van de infrastructuur en de plaatselijke ordening van het gehele gebied nog geen éénvormige beslissing is genomen; dat inderdaad de uitbouw van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren; dat bijgevolg het afgeven van de individuele verkavelingsvergunning momenteel in strijd zou zijn met een oordeelkundig stedenbouwkundig beleid; dat zolang geen zekerheid bestaat omtrent een definitieve ordening, deze verkaveling de latere stedebouwkundige aanleg van het verdere gebied in het gedrang kan brengen”. X-7894-4/11 1.
  12. Bij besluit van 9 september 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening wordt het beroep van de verzoekende partij verworpen. Dit is het thans bestreden besluit.
  13. De gegrondheid 2.1.
  14. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift in een tweede middel het volgende aan : “Tweede middel, genomen uit de schending van artikel 91bis van de Grondwet, van het Decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, van artikel 16.5.
  15. van het K.B. van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen, van het K.B. van 30 oktober 1973 betreffende de weekendverblijfparken en van de Wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en het motiveringsbeginsel, doordat de verkavelingsvergunning wordt geweigerd op grond van, onder meer, het motief dat ‘het standpunt van de bestendige deputatie, betreffende de uitvoering van een globaal verkavelingsplan of bijzonder plan van aanleg, te volgen is’, en dit standpunt van de bestendige deputatie inhoudt dat de ordening van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren in een B.P.A., zodat de bestendige deputatie derhalve impliciet verwijst naar de omzendbrief van 20 januari 1978, zoals dat uitdrukkelijk gebeurde in de beslissing van de deputatie dd. 13 januari 1994 over de vorige aanvraag, terwijl geen enkele bepaling oplegt dat de ordening van een verblijfsrecreatiegebied eerst in een B.P.A. of een globaal verkavelingsplan wordt vastgesteld voordat verkavelingsvergunningen kunnen worden verleend, en terwijl een omzendbrief geen verordende waarde heeft en niet op rechtmatige wijze iets dwingend kan toevoegen aan de stedenbouwwetgeving, en terwijl de bestreden beslissing in de tekst zelf een formele motivering moet bevatten die steunt op juiste feiten en correcte juridische overwegingen die het besluit afdoende kunnen verantwoorden. Toelichting :
  16. Naast het - onwettig - motief dat een aansluiting op het 1 km verderop gelegen gemeentelijk rioleringsnet niet aangewezen zou zijn (...), steunt de bestreden beslissing op het motief dat het standpunt van de bestendige deputatie betreffende de uitvoering van een globaal verkavelingsplan of B.P.A. gevolgd zou moeten worden. Ook dat motief is onwettig. De bestendige deputatie stelde in de beslissing d.d. 13 januari 1994 over de vorige aanvraag reeds dat de uitbouw van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren, wat zou inhouden ‘dat de ordening van de zones voor verblijfsrecreatie ofwel in een BPA ofwel in een globaal verkavelingsplan van alle eigenaars samen dient vastgesteld te worden (cfr omzendbrief van 20.1.1978 nr. 18-10 van de Staatssecretaris voor Streekeconomie)’. Het verlenen van individuele verkavelingsvergunningen, in afwachting dat zekerheid bestaat omtrent die definitieve ordening, zou in strijd zijn met een oordeelkundig stedebouwkundig beleid. X-7894-5/11 In de beslissing van de bestendige deputatie in onderhavige aanvraagprocedure dd. 9 mei 1996 herhaalt de bestendige deputatie bijna woordelijk haar standpunt, doch deze keer zonder uitdrukkelijk te verwijzen naar de omzendbrief van 20 januari
  17. Uit vergelijking met de voorgaande beslissing dd. 13 januari 1994 blijkt echter duidelijk dat de bestendige deputatie - en met haar de minister - impliciet maar zeker blijft steunen op voormelde omzendbrief.
  18. De bestendige deputatie meent voor haar standpunt dus steun te kunnen vinden in een omzendbrief van 20 januari
  19. Het betreft de omzendbrief d.d. 20 januari 1978 (betreffende de toepassing van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, gewijzigd bij de wetten van 22 april 1970, 22 december 1970, 25 juli 1974, 12 juli 1976, 28 juli 1976 en 22 december 1977, in verband met de in overtreding opgerichte weekendverblijven), B.S., 1 maart 1978, uitgaande van de toenmalige staatssecretaris voor streekeconomie. Deze omzendbrief behandelt, zoals de hoofding aanduidt, het probleem van de zonder vergunning opgerichte weekendverblijven. Alleen reeds om die reden kan de omzendbrief in deze niet als afdoend motief worden aangevoerd. De aanvraag betreft nog op te richten weekendverblijven en geenszins de regularisatie van reeds opgerichte verblijven. Maar zelfs al zou uit deze omzendbrief kunnen afgeleid worden dat de ordening van een verblijfsrecreatiegebied eerst in een B.P.A. of globaal verkavelingsplan zou moeten worden vastgesteld - quod non - kan deze circulaire niet wettig ingeroepen worden. Een omzendbrief is slechts een beleidstoelichtende en geen verordenende akte. In de omzendbrief kan niet op rechtmatige wijze iets dwingend toegevoegd worden aan de stedenbouwwetgeving. De staatssecretaris van streekeconomie was niet bevoegd om verordenend op te treden en heeft, inzoverre de betrokken omzendbrief een voorafgaande ordening van het verblijfsrecreatiegebied zou opleggen, met machtsoverschrijding gehandeld. De omzendbrief is dan ook strijdig met het Decreet ruimtelijke ordening en met het toemalig artikel 91 bis van de Grondwet (Cfr. artikel 104 van de Gecoördineerde Grondwet). Overeenkomstig artikel 159 van de Gecoördineerde Grondwet mocht de verwerende partij deze omzendbrief niet toepassen.
  20. Artikel 16.5.
  21. van het K.B. van 28 december 1972 luidt: ‘De gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie zijn bestemd voor de recreatieve en toeristische accomodatie alsmede de verblijfsaccomodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroeppeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendverblijfparken’. Deze bepaling vereist niet - in tegenstelling tot bijvoorbeeld artikel 5.1.
  22. inzake woonuitbreidingsgebieden - dat de ordening van het gebied eerst door middel van een B.P.A. of een globaal verkavelingsplan wordt vastgesteld voordat het wordt aangesneden. Het K.B. van 30 oktober 1973 betreffende de weekendverblijfparken, waarin de voorwaarden voor de vestiging van weekendverblijfparken worden opgesomd, bevat evenmin dergelijke vereiste. De ministeriële omzendbrief van 26 februari 1974 betreffende de weekendverblijfparken specificeert integendeel dat, bij ontstentenis van een goedgekeurd plan van aanleg of planontwerp, de vestigingsplaats van de verkaveling beoordeeld dient te worden op grond van de al dan niet harmonisch inplanting in het landschap en de gevolgen die daaruit voortvloeien voor het leefmilieu. Bij afwezigheid van een B.P.A. is dus geenszins een globaal verkavelingsplan vereist. Door niettemin een B.P.A. of globaal verkavelingsplan te eisen, schendt de aangevochten akte dus artikel 16.5.
  23. van het K.B. van 28 december 1972 én het K.B. van 30 oktober
  24. X-7894-6/11
  25. Het aangevoerde motief is tenslotte duidelijk strijdig met de Motiveringswet. Verzoekende partij heeft in haar beroepschrift (...) omstandig aangetoond dat de omzendbrief van 20 januari 1978 de in overtreding opgerichte weekendverblijven betrof en de wél toepasselijke bepalingen geen voorafgaande globale ordening oplegden als voorwaarde tot ontsluiting. In de bestreden beslissing wordt enkel gesteld dat het standpunt van de deputatie te volgen is, maar wordt op geen enkele wijze geantwoord op de bezwaren uit het beroepschrift. Het tweede middel is gegrond”. 2.1.
  26. De verwerende partij repliceert als volgt in de memorie van antwoord : “Volgens verzoekende partij legt geen enkele bepaling de verplichting op de ordening van een verblijfsrecreatiegebied eerst in een B.P.A. of een globaal verkavelingsplan vast te stellen voor dat verkavelingsvergunningen kunnen worden verleend. Ingevolge art. 57 § 1 van de Stedenbouwwet thans art. 55 § 1 van het Coördinatiedecreet, zijn de artt. 45, 46, 48, 53, 54 en 55 van de Stedenbouwwet, thans de artt. 43, 44, 46, 51, 52 en 53 van het Coördinatiedecrect, mede van toepassing op de verkavelingsvergunning. Het behoort derhalve tot de bevoegdheid en de taak van de vergunningverlenende overheid om de aanvraag te beoordelen naar de verenigbaarheid met de ruimtelijke ordening van de omgeving. ‘Overwegende dat de opmaak van het structuurplan ‘Moerhof’ 2/ verblijfszone, als doelstelling had om op termijn over te gaan naar een bijzonder plan van aanleg met eventueel beperkt, onteigeningsplan, wat de gemeente in staat kan stellen om voor probleemgevallen, alternatieven voor te stellen; dat door middel van deze plannen de gemeente regularisatieaanvragen kan behandelen en desgevallend goedkeuren; dat de realisatie van de uitbouw van de tweede verblijfszone eventueel kan gebeuren door de gemeente zelf bevoorbeeld: wegen, groen, waterlopen, maar eveneens door privéinitiatieven, doch de gemeente dient wel te beschikken over strikte wettelijke bepalingen waardoor ze de volledige controle over het gebied en zijn bestemming behoudt’; (...). De overwegingen van het bestreden besluit kaderen duidelijk binnen deze bevoegdheid. Zonder miskenning van het K.B. van 30 oktober 1973 betreffende de weekendverblijfparken of de door verzoekende partijen bij dit middel ingeroepen wetsbepalingen, kan de vergunningverlenende overheid binnen de haar toekomende beoordelingsbevoegdheid dan ook terecht oordelen dat ‘bijgevolg in de gegeven omstandigheden het verkavelingsvoorstel de toekomstige plaatselijke ordening in gevaar zal brengen en het beroep derhalve dient te worden afgewezen’ (...). Ook deze redenering werd in het thans bestreden besluit onderschreven. Verzoekende partij blijft dan ook in gebreke aan te tonen dat de in het middel ingeroepen wetsbepalingen zouden zijn geschonden. Het middel is dan ook volkomen ongegrond”. 2.1.
  27. De verzoekende partij antwoordt daarop in haar memorie van wederantwoord het volgende : X-7894-7/11 “De verwerende partij antwoordt in haar memorie op geen enkele manier op het door verzoekende partij in het middel opgeworpen argument dat geen enkele bepaling de verplichting oplegt dat de ordening van een verblijfrecreatiegebied eerst in een B.P.A. of een globaal verkavelingsplan dient vastgesteld te worden. Zij beperkt er zich toe te verwijzen naar een overweging van het bestreden besluit, waarin verwezen wordt naar de opmaak van het structuurplan ‘Moerhof’ 2/ verblijfszone. Deze overweging zou kaderen binnen de bevoegdheid en taak van de vergunningsverlenende overheid om de aanvraag te beoordelen naar de verenigbaarheid met de ruimtelijke ordening van de omgeving. Verzoekende partij ziet het belang van de door de verwerende partij aangehaalde overweging niet in. In deze overweging wordt immers enkel gewezen op de doelstelling van de opmaak van het structuurplan ‘Moerhof’ om op termijn over te gaan naar een bijzonder plan van aanleg met eventueel beperkt onteigeningsplan. Van enige verplichting om een B.P.A. of een globaal verkavelingsplan vast te stellen is geen sprake.. Trouwens, een structuurplan heeft geen bindende rechtskracht ten aanzien van de rechtsonderhorigen. Het is louter een beleidsdocument voor de overheid en vormt geenszins een beoordelingsgrond voor vergunningen.(...) Zelfs in de mate dat het structuurplan een verplichting tot opmaak van een B.P.A. zou opleggen, dan nog vormt dit geen beoordelingsgrond van de aanvraag. De vergunning kan dan ook niet op grond van een motief afgeleid uit het structuurplan geweigerd worden. Verwerende partij tracht verder het bestreden besluit te motiveren door te verwijzen naar een overweging uit een besluit van 2 mei
  28. Een beslissing kan uiteraard enkel gedragen worden door motieven die in het besluit zelf zijn terug te vinden (...). Een verwijzing in een memorie van antwoord naar een overweging uit een ander besluit, vermag de bestreden beslissing niet te motiveren. Dit geldt des te meer, nu de overweging, waarnaar verwerende partij verwijst, uit een besluit komt dat betrekking heeft op een andere verkaveling (...). Het tweede middel is gegrond”. 2.1.
  29. Ondanks een voor haar ongunstig auditoraatsverslag waarin het hieronder besproken middel gegrond werd bevonden, heeft de verwerende partij geen laatste memorie ingediend. 2.2.
  30. Het kwestieuze perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 14 september 1977 vastgestelde gewestplan Gentse en Kanaalzone gelegen in een gebied voor verblijfsrecreatie. Artikel 16.5.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen luidt als volgt : “De recreatiegebieden zijn bestemd voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accomodatie, al dan niet met inbegrip van de verblijfsaccomodatie. X-7894-8/11 In deze gebieden kunnen de handelingen en werken aan beperkingen worden onderworpen ten einde het recreatief karakter van de gebieden te bewaren”. Artikel 16.5.2 van datzelfde koninklijk besluit stelt het volgende: “De gebieden voor dag- en verblijfsrecreatie zijn bestemd voor de recreatieve en toeristische accomodatie alsmede de verblijfsaccomodatie met inbegrip van de kampeerterreinen, de gegroepeerde chalets, de kampeerverblijfparken en de weekendsverblijfparken”. Artikel 19, derde lid van voormeld koninklijk besluit luidt als volgt : “De vergunning wordt evenwel, ook al is de aanvraag niet in strijd met het gewestplan of ontwerp-gewestplan, slechts afgegeven zo de uitvoering van de handelingen en werken verenigbaar is met de goede plaatselijke ordening”. 2.2.
  31. Het determinerende weigeringsmotief in het bestreden besluit luidt als volgt : “Overwegende dat er 46 kavels gepland werden in de gevraagde verkaveling; dat de aansluiting op een rioleringsnet aangewezen is; dat de aansluiting over een afstand van 1 km naar het aanwezige openbare rioleringssysteem een moeilijk te realiseren project is; dat het standpunt van de bestendige deputatie, betreffende de uitvoering van een globaal verkavelingsplan of bijzonder plan van aanleg, wordt bijgetreden”. Het “standpunt van de bestendige deputatie”, waarnaar het bestreden besluit verwijst, werd als volgt verwoord in haar besluit van 9 mei 1996: “(...) dat het nog steeds wenselijk is dat de gedetailleerde ordening van het ganse gebied wordt vastgelegd via een B.P.A., waarbij mogelijks ook de infrastructuureisen worden vastgesteld; dat inzake de uitbouw van de infrastructuur en de plaatselijke ordening van het gehele gebied nog geen éénvormige beslissing is genomen; dat inderdaad de uitbouw van een gebied voor verblijfsrecreatie op een globale en oordeelkundige wijze dient te gebeuren; dat bijgevolg het afgeven van de individuele verkavelingsvergunning momenteel in strijd zou zijn met een oordeelkundig stedenbouwkundig beleid; dat zolang geen zekerheid bestaat omtrent een definitieve ordening, deze verkaveling de latere stedebouwkundige aanleg van het verdere gebied in het gedrang kan brengen; dat derhalve geen verkavelingsvergunning kan verleend worden”. Het voormeld artikel 16.5 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 houdt niet in dat de gevraagde vergunning slechts kon worden X-7894-9/11 verleend mits het voorafgaandelijk aannemen van een bijzonder plan van aanleg of “globaal verkavelingsplan”. Een overheid kan evenwel op goede gronden, met het oog op het veilig stellen van de goede plaatselijke ordening, een vergunning weigeren om de reden dat voor het betrokken gebied eerst een globaal ordeningsplan dient te worden opgesteld. Dit weigeringsmotief kan echter slechts tijdelijk worden aangewend en op voorwaarde dat de overheid ook werkelijk de intentie heeft om voor het betrokken gebied dergelijk ordeningsplan op te stellen en daartoe ook de nodige acties onderneemt. Uit het administratief dossier blijkt nergens dat in hoofde van de bevoegde overheden een concreet plan bestond om in de nabije toekomst over te gaan tot het opstellen van een globaal ordeningsplan, laat staan dat daartoe acties werden ondernomen. Het tweede middel is in de aangegeven mate gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  32. Vernietigd wordt het besluit van 9 september 1997 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening houdende verwerping van het beroep van de n.v. VERVAET & VERBRAECKEN tegen de beslissing van 9 mei 1996 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen waarbij de vergunning is geweigerd voor het verkavelen van gronden aan de Pachtgoeddreef - Achterdreef te Moerbeke, kadastraal bekend sectie C, nr. 630/a. Artikel
  33. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. X-7894-10/11 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op vijftien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-7894-11/11 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.268 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.