← België

Arrest 186276 - Personeel van de griffies en parketten - 15/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 15 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.276 Rolnummer: A. 158747/IX-4746 Zaak: Arrest 186276 - Personeel van de griffies en parketten - 15/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 59 - laatst gezien 2026-06-29 08:33 Fiche Arrest nr 186.276 van 15 september 2008 Justitie - Personeel van de griffies en parketten Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.276 van 15 september 2008 in de zaak A. 158.747/IX-

  1. In zake : Hiëron MERTENS, wonende te BUGGENHOUT, Brusselmansstraat 22 tegen : de Belgische Staat, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, die woonplaats kiest bij advocaat B. BRONDERS, kantoor houdende te OOSTENDE, E. Beernaertstraat
  2. tussenkomende partij : Gilberte PARDAENS, die woonplaats kiest bij advocaat P. DEVERS, kantoor houdende te GENT, Kouter 71-
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Hiëron MERTENS op 13 december 2004 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het koninklijk besluit van 30 september 2004 waarbij Gilberte PARDAENS voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 oktober 2004 wordt aangesteld tot griffier-hoofd van dienst bij de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 25 februari 2005; Gelet op de beschikking van 10 mei 2005 die de tussenkomst van Gilberte PARDAENS toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; IX-4746-1/12 Gelet op de beschikking van 4 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 29 juli 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 8 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, die verschijnt in persoon, van advocaat C. ROMMELAERE die, loco advocaat B. BRONDERS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat P. WAEGEMANS die, loco advocaat P. DEVERS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
  4. Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker griffier in de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde. 1.
  5. Op 28 juni 2004 wordt een oproep gedaan tot de kandidaten voor een vacante plaats van griffier-hoofd van dienst. Die oproep luidt als volgt : “Op de griffie is sedert de op ruststelling van mevrouw Cecile Mostrey een plaats van griffier-hoofd van dienst vacant. Ter zake kan worden verwezen naar de artikelen 161 en 261 van het Gerechtelijk Wetboek. Kandidaten die menen in aanmerking te komen voor deze vacature dienen zich schriftelijk en gemotiveerd kandidaat te stellen bij de hoofdgriffier. IX-4746-2/12 Zij zullen een summier beleidsplan opstellen waarin zij de hierna vermelde punten ontmoeten : - deelnemen aan het beleid - opleiding van het personeel - toezicht op personeel - houding t.a.v. publiek, advocaten en magistraten - (re)organisatie van de griffie - gebruik van informatica - aanleggen van documentatie De griffier-hoofd van dienst moet gezien worden als een nauwe medewerker van de hoofdgriffier, die hem moet bijstaan in de uitvoering van zijn taken. Er zal ook rekening gehouden worden met elementen zoals de samenwerking en de visie van de betrokkene op de problemen waarmee de rechtbank wordt geconfronteerd. De kandidaat dient bereid te zijn het beleid van de hoofdgriffier te ondersteunen, voornamelijk : - het zo goed en eenvoudig mogelijk oplossen van conflicten - een in alle opzichten klantgerichte dienstverlening verschaffen - alles in het werk te stellen voor het scheppen van een aangenaam werkkader. De kandidaten zullen vermelden of zij al dan niet een managements- opleiding hebben gevolgd in het kader van de permanente vorming van de leden van de rechterlijke orde.” Ingevolge die oproep stellen onder meer de verzoekende en de tussenkomende partij zich kandidaat. Op 7 september 2004 wordt de tussenkomende partij door de voorzitter en de hoofdgriffier van de rechtbank gezamenlijk voorgedragen als de meest geschikte kandidaat. Die voordracht is gemotiveerd als volgt : “Mevrouw Gilberte Pardaens is in dienst getreden op de griffie alhier op 1 april 1974 als contractuele beambte en bekwam de hiernavolgende bevorderingen: beambte (M.B. 22.9.1975), afgevaardigd opsteller (M.B. 23.5.1982), klerk-griffier (K.B. 28.11.1983) en griffier (K.B. 27.11.1985). In het kader van de permanente vorming van de leden van de rechterlijke orde volgde zij met vrucht een managementopleiding en maakte zij een eindwerk met als titel ‘Het op een efficiënte wijze opvullen van openstaande vacatures bij de rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde’ (attest afgeleverd op 16 september 2003). Op vrijwillige basis nam zij deel aan de hiernavolgende studiedagen die werden georganiseerd door de Federale Overheidsdienst Justitie : - Het welzijnsbeleid in uw onderneming - Privacy in de onderneming na het cassatiearrest - Moet er nog iets geregeld worden? - De nieuwe wetgeving inzake VZW’s - Internet als bron voor juridische informatie IX-4746-3/12 Mevrouw Pardaens beschikt over een praktisch inzicht, een goed en gezond beoordelingsvermogen en een grote dosis doorzettingsvermogen. Zij neemt initiatief en vertoont grote verantwoordelijkheidszin. Haar houding ten aanzien van publiek, magistraten en advocaten is beleefd en vriendelijk en vooral behulpzaam. Voor de personeelsleden van de griffie en ook voor het onderhoudspersoneel is zij een aanspreekpunt en tussenpersoon. Men kan stellen dat zij de vertrouwenspersoon is van de griffie voor de oplossing van vele problemen. De ervaring die zij heeft opgedaan met de taken waarmee zij tot op heden werd belast op het vlak van beheer van de griffie (organisatie, personeelsbeheer, materiaalbeheer en communicatie) maken haar uitermate geschikt om het ambt van griffier-hoofd van dienst uit te oefenen. Zij is ten zeerste vertrouwd met de problemen die zich op de griffie stellen en is in staat om hiervoor een oplossing aan te dragen. Ook verleent zij op verschillende vlakken bijstand aan de voorzitter van de rechtbank. Mevrouw Pardaens is de meest geschikte kandidate om, ter vervanging van mevrouw Cecile Mostrey, tot het ambt van griffier-hoofd van dienst te worden aangewezen.” Bij koninklijk besluit van 30 september 2004 wordt de tussenkomende partij aangewezen tot griffier-hoofd van dienst, voor een termijn van drie jaar met ingang van 1 oktober
  6. Dit besluit is gemotiveerd als volgt : “Gelet op het verslag van de rechterlijke overheden; Overwegende dat mevrouw Pardaens Gilberte beschikt over een praktisch inzicht, een goed en gezond beoordelingsvermogen en een grote dosis doorzettingsvermogen; Overwegende dat betrokkene initiatief neemt en grote verantwoordelijk- heidszin vertoont; Overwegende dat betrokkene vertrouwenspersoon is voor de personeelsleden van de griffie voor de oplossing van allerlei problemen; Overwegende dat betrokkene met haar ervaring, dat zij heeft opgedaan met de taken waarmee zij tot op heden werd belast op het vlak van het beheer van de griffie, de meest geschikte kandidaat is om het ambt van griffier-hoofd van dienst uit te oefenen; Overwegende dat betrokkene met vrucht een managementopleiding heeft gevolgd in het kader van de permanente vorming van de leden van de rechterlijke orde; Overwegende dat betrokkene op verschillende vlakken bijstand verleent aan de voorzitter van de rechtbank; Overwegende dat zij bij de laatste beoordeling de vermelding ‘zeer goed’ heeft gekregen.” IX-4746-4/12 Dit is het bestreden besluit. Het wordt bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober
  7. 1.
  8. Ter zitting wordt aan de Raad van State meegedeeld dat de aanwijzing van de tussenkomende partij bij koninklijk besluit van 26 november 2007 hernieuwd is voor een nieuwe termijn van drie jaar. Ontvankelijkheid 2.
  9. De verwerende partij werpt een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit de laattijdigheid ervan. Zij voert aan dat het bestreden koninklijk besluit van 30 september 2004 is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2004, zodat de termijn van zestig dagen om daartegen annulatieberoep in te stellen is verstreken op 14 december
  10. De verwerende partij stelt vast dat het verzoekschrift pas op 28 december 2004 naar de griffie van de Raad van State is verstuurd en aldaar op 29 december 2004 is ontvangen en afgestempeld, zodat het annulatieberoep laattijdig en derhalve onontvankelijk is. De verwerende partij merkt nog op dat de verzoeker alleszins binnen een termijn van zestig dagen na datum van het bestreden besluit, minstens na datum van de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad, daarvan kennis had, gezien hij zich kandidaat had gesteld en op de dienst ongetwijfeld had vernomen dat iemand anders was aangewezen voor de functie. 2.
  11. In haar memorie in tussenkomst valt de tussenkomende partij de stelling van de verwerende partij nopens de onontvankelijkheid van het beroep bij. 2.
  12. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker dat het annulatieberoep wel degelijk tijdig is ingediend. Hij laat gelden dat het bestreden besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober 2004 en dat zijn beroep tot nietigverklaring is ingediend bij aangetekende brief van 13 december 2004, zijnde 59 dagen na de bekendmaking. Op 14 december 2004 heeft de griffie hem de ontvangst ervan gemeld en hem tevens verzocht om binnen een termijn van vijftien dagen 175 euro te betalen en een afschrift van de bestreden beslissing of de bekendmaking ervan en vier voor eensluidend verklaarde afschriften van het beroep IX-4746-5/12 tot nietigverklaring over te maken. De verzoeker stelt middels een aangetekend schrijven op 28 december 2004 aan deze vraag te hebben voldaan, zijnde binnen de 13 dagen na ontvangst van de vraag van de griffie. 2.
  13. Volgens artikel 4, derde lid, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State moeten de vernietigingsberoepen worden ingediend binnen zestig dagen nadat de bestreden beslissing of verordening werd bekendgemaakt of betekend. Indien ze noch bekendgemaakt noch betekend dient te worden gaat de termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad. Het bestreden koninklijk besluit is bekendgemaakt in het Belgisch Staatsblad van 15 oktober
  14. De termijn van zestig dagen om tegen dat besluit vernietigingsberoep in te dienen verstreek derhalve op 14 december
  15. Te dezen werd het verzoekschrift tot nietigverklaring ingediend met een op 13 december 2004 ter post aangetekende brief. Het verzoekschrift is aldus binnen de voormelde beroepstermijn ingediend. Na ontvangst van het verzoekschrift heeft de griffie van de Raad van State met een aangetekende brief van 14 december 2004 de verzoeker gevraagd zo spoedig mogelijk de ontbrekende fiscale zegels ter waarde van 175 euro, een afschrift van de bestreden beslissing of bekendmaking ervan en vier eensluidend verklaarde afschriften van het beroep tot nietigverklaring over te maken. Met een aangetekende brief van 28 december 2004 heeft de verzoeker aan het verzoek van de griffie voldaan. De vervulling van die formaliteit buiten de termijn van zestig dagen doet niet af aan het feit dat het beroep zelf binnen de termijn is ingesteld. Ook het feit dat de aan de verwerende en de tussenkomende partij toegezonden afschriften van het verzoekschrift tot nietigverklaring door de verzoeker op 28 december 2004 voor eensluidend werden verklaard, heeft niet voor gevolg dat het beroep laattijdig is. De exceptie kan niet worden aangenomen. IX-4746-6/12 Ten gronde 3.
  16. De verzoeker roept een enig middel in, geredigeerd als volgt : “Ik meen over meer jaren anciënniteit te beschikken dan de persoon die voor het ambt van griffier-hoofd van dienst, zijnde mevr. G. Pardaens, werd aangewezen en dit zowel wat de ganse loopbaan betreft als de loopbaan van griffier : - dat ik mijn loopbaan heb aangevangen op 2 september 1968 als tijdelijk klerk op het parket van de procureur des Konings te Antwerpen om op 1 januari 1969 als hulpschrijver full-time te beginnen op de griffie alhier in Dendermonde. Bij K.B. van 6 augustus 1981 werd ik benoemd tot griffier bij deze rechtbank. Ik meen over meer beroepservaring te beschikken dan de aangewezen persoon, mevr. G. Pardaens : - dat ik mijn loopbaan heb aangevangen op de griffie en er alle diensten heb doorlopen, zelfs als geassumeerd griffier aangesteld geweest om de pen te hanteren op de correctionele terechtzittingen. Als klerk-griffier, nadien als griffier, heb ik ongeveer 21 jaar de dienst verzekerd in het kabinet van de onderzoeksrechter. Ik heb even dienst gedaan op de jeugdrechtbank en heb gezeteld als griffier zowel in burgerlijke als in correctionele zaken. Tijdens de verlofperiodes en dit sedert 2002 neem ik de taak van griffier-hoofd van dienst waar op de correctionele griffie. Tijdens dezelfde periodes vervangt de aangewezen griffier-hoofd van dienst eveneens de hoofdgriffier bij diens afwezigheid. De aangewezen persoon als griffier-hoofd van dienst, mevr. G. Pardaens, is enkele jaren na mij haar loopbaan begonnen op de griffie en is ook enkele jaren na mij aangesteld als griffier. Zij heeft haar dienst aangevangen op het secretariaat van de heer hoofdgriffier waar zij thans, dus ook na haar aanstelling als griffier-hoofd van dienst, nog steeds werkzaam is. Zij heeft slechts enkele malen de pen waargenomen op de terechtzittingen. Ik meen te mogen stellen dat, aangezien door de heer hoofdgriffier en de heer voorzitter een oproep gedaan werd tot kandidaten, zij een bepaald advies uitgebracht hebben waarbij gesteld werd waarom zij de aangewezen persoon het meest geschikt hebben geacht, en waarbij voor de andere kandidaten een minder gunstig advies werd uitgebracht. Dit advies werd aan mij echter niet betekend.” 3.
  17. De verwerende partij stelt in haar memorie van antwoord dat de verzoeker in zijn inleidend verzoekschrift nergens duidelijk vermeldt welke rechtsregel of welk beginsel door het bestreden besluit werd geschonden, en op welke wijze, zodat het beroep tot nietigverklaring dient te worden verworpen. Subsidiair stelt de verwerende partij dat het bestreden besluit wel degelijk wettig is. Zij wijst op artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek waarin wordt bepaald dat de griffiers-hoofden van dienst bij de griffie van een rechtbank IX-4746-7/12 door de Koning benoemd worden uit de griffiers bij de rechtbank, op voordracht van de voorzitter van de rechtbank of, in voorkomend geval, van de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank, en van de hoofdgriffier. Zij stelt dat zowel de voorzitter als de hoofdgriffier van de Rechtbank van eerste aanleg te Dendermonde, op gemotiveerde wijze, geoordeeld hebben dat de tussenkomende partij de meest geschikte kandidate is om tot het ambt van griffier-hoofd van dienst te worden aangewezen. De verwerende partij wijst erop dat ook het bestreden besluit, waarin uitdrukkelijk wordt verwezen naar het verslag van de rechterlijke overheden, op uitvoerige wijze motiveert waarom de tussenkomende partij wordt aangewezen als griffier-hoofd van dienst. 3.
  18. De tussenkomende partij betoogt in dezelfde zin. Zij meent dat het verzoekschrift geen duidelijk middel bevat zodat het beroep onontvankelijk is. Tevens wijst zij op het feit dat zij is aangewezen conform de geëigende procedure van artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek en dat de bestreden beslissing uitvoerig motiveert waarom zij en niet de verzoeker werd aangewezen. 3.
  19. In zijn memorie van wederantwoord beklemtoont de verzoeker nogmaals dat het advies van de voorzitter en de hoofdgriffier hem niet ter kennis werd gebracht en dat hem aldus een middel tot verdediging van zijn kandidatuur werd ontnomen. 3.
  20. In zijn laatste memorie, nadat de auditeur-verslaggever in zijn verslag adviseerde om het beroep te verwerpen bij gebrek aan ontvankelijk middel in het verzoekschrift, roept de verzoeker drie nieuwe middelen in: - in een eerste middel voert hij de schending aan van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen en van de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, meer bepaald het redelijkheidsbeginsel en het zorgvuldigheidsbeginsel, doordat de beslissing om hem niet te benoemen op geen enkele wijze gemotiveerd is; - in een tweede middel voert hij de schending aan van artikel 287bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek, doordat hem nooit kennis gegeven werd van het advies IX-4746-8/12 van de voorzitter en de hoofdgriffier, en hij aldus ook niet in de gelegenheid is geweest om daartegen beroep aan te tekenen bij de bevoegde raad van beroep; - in een derde middel voert hij de schending aan van het algemeen rechtsbeginsel van het recht van verdediging, doordat hem nooit kennis gegeven werd van het advies van de voorzitter en de hoofdgriffier, en hij aldus ook niet in de gelegenheid is geweest om daartegen beroep aan te tekenen bij de bevoegde raad van beroep en door die raad te worden gehoord. 3.
  21. De verwerende partij merkt in haar laatste memorie op dat middelen die in het inleidend verzoekschrift onduidelijk werden geformuleerd niet meer kunnen worden aangevuld in een laatste memorie. 3.7.
  22. Luidens artikel 2, § 1, 2/, van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie (thans: de afdeling bestuursrechtspraak) van de Raad van State, zoals die bepaling van toepassing was op het ogenblik van het indienen van het voorliggende beroep, dient het verzoekschrift onder meer “een uiteenzetting van de feiten en middelen” te bevatten. Onder “middel” in de zin van deze bepaling moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die rechtsregel door de bestreden beslissing werd geschonden. Te dezen voert de verzoeker in zijn verzoekschrift aan dat het bestreden besluit vernietigd moet worden omdat hij meer anciënniteit en beroepservaring heeft dan de tot griffier-hoofd van dienst aangewezen kandidaat en omdat het advies van de voorzitter van de rechtbank en de hoofdgriffier niet aan hem werd medegedeeld. Ook al wordt aldus niet uitdrukkelijk verwezen naar enige wetsbepaling of naar enig rechtsbeginsel, dan is toch duidelijk dat de verzoeker aan het bestreden besluit verwijt, enerzijds, dat het voorbijgaat aan de ruimere anciënniteit en beroepservaring van de verzoeker, en anderzijds, dat het genomen is zonder dat het advies van de voorzitter en de hoofdgriffier aan de verzoeker is meegedeeld. Aldus maakt de verzoeker voldoende duidelijk welke de grieven zijn die hij tegen het bestreden besluit aanvoert. De exceptie van onontvankelijkheid van het middel mist feitelijke grondslag. IX-4746-9/12 3.7.2.
  23. In zoverre de verzoeker aanvoert dat hij meer anciënniteit en beroepservaring heeft dan de tussenkomende partij, dient opgemerkt te worden dat de Raad van State enkel de wettigheid van de bestreden beslissing kan onderzoeken, maar niet in de plaats van het bestuur kan oordelen over de vraag of de verzoeker op grond van zijn anciënniteit en beroepservaring tot griffier-hoofd van dienst moest worden aangewezen. In zoverre kan het middel dan ook niet aangenomen worden. 3.7.2.
  24. In zoverre de verzoeker aanvoert dat het advies van de voorzitter en de hoofdgriffier over de kandidaten hem niet is medegedeeld, blijkt uit de laatste memorie, met name uit het nieuwe tweede middel, dat de verzoeker dit verzuim in strijd acht met artikel 287bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. Op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, luidde artikel 287bis, §§ 1 tot 3, als volgt : “§
  25. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 1, 264, 266 en 268 wint de minister van Justitie het advies in van al naargelang het geval, de korpschef, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt hem dat advies rechtstreeks over en voegt, naar gelang van het geval, dat van de procureur des Konings, van de arbeidsauditeur of van de procureur-generaal eraan toe. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 271, 273 en 275 wint de minister van Justitie het advies in van de magistraat-korpschef van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze magistraat zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 263, § 2, 265, 267, 269 en 269bis en onverminderd de bepalingen van artikel 262 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies van, al naargelang het geval, de korpschef, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank of de vrederechter, van het desbetreffende gerecht aan toe. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 275, 277, 279 en 280 en onverminderd de bepalingen van artikel 273 wint de minister van Justitie voor alle kandidaturen het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister en voegt er het advies, naar gelang van het geval, van de bevoegde procureur-generaal, van de federale procureur, procureur des Konings of arbeidsauditeur aan toe. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 270 en 271 winnen de minister van Justitie en, wat de arbeidshoven en de arbeidsrechtbanken betreft, de minister die bevoegd is voor de Arbeid, het advies in van de hoofdgriffier van het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de betrokken minister. Voor de benoemingen bedoeld in de artikelen 281, 282 en 283 wint de minister IX-4746-10/12 van Justitie het advies in van de hoofdsecretaris van het parket bij het gerecht waar de benoeming dient te geschieden. Deze zendt zijn advies rechtstreeks over aan de minister. §
  26. Het advies wordt gemotiveerd. Het belicht de vorming, de ervaring, de kwaliteiten van de kandidaat en zijn bekwaamheid om het vacante ambt uit te oefenen; het wordt, in voorkomend geval, gestaafd door de notities en de eindvermelding opgenomen in zijn beoordelingsstaat. §
  27. De eindconclusies van het advies worden ter kennis gebracht van de betrokken kandidaat door, al naargelang het geval de korpschef, de oudstbenoemde rechter in de politierechtbank, de vrederechter, de procureur- generaal, van de federale procureur, de procureur des Konings, de arbeidsauditeur, de hoofdgriffier of de hoofdsecretaris van het parket die overeenkomstig § 1 de adviezen aan de bevoegde minister overzendt. De kandidaat beschikt over een termijn van tien dagen om kennis te nemen van het volledig advies. Oordeelt de betrokken kandidaat dat daartoe ernstige redenen voorhanden zijn, dan kan hij binnen dezelfde termijn aan de bevoegde raad van beroep een schriftelijk verzoek richten om het advies te wijzigen. Hiervan wordt hem een ontvangstbewijs afgegeven. De kandidaat doet, met dezelfde post, een afschrift van zijn verzoek toekomen aan de magistraat, hoofdgriffier of hoofdsecretaris, die belast is met het overzenden van het advies aan de minister van Justitie. Het adviesdossier wordt binnen achtenveertig uur na ontvangst van dat afschrift aan de raad van beroep medegedeeld.” Uit artikel 287bis, § 1, blijkt dat een advies slechts ingewonnen moet worden met het oog op de benoemingen bedoeld in die paragraaf
  28. De aanwijzing van een griffier-hoofd van dienst wordt geregeld in artikel 261 van het Gerechtelijk Wetboek. Een dergelijke aanwijzing behoort niet tot de benoemingen waarvoor, krachtens artikel 287bis, § 1, een advies verplicht is. Wel is door de voorzitter en de hoofdgriffier overeenkomstig artikel 261, eerste lid, aan de minister een voordracht gedaan. Op die voordracht is de bepaling van artikel 287bis, § 3, echter niet van toepassing. De omstandigheid dat aan de verzoeker geen kennis is gegeven van de voordracht door de voorzitter en de hoofdgriffier, kan dus geen schending inhouden van artikel 287bis, § 3, van het Gerechtelijk Wetboek. In zoverre faalt het middel naar recht. 3.7.
  29. De in de laatste memorie ingeroepen middelen zijn middelen die de verzoeker reeds in het inleidend verzoekschrift had kunnen inroepen. Aangezien die middelen de openbare orde niet blijken te raken, kunnen ze niet voor het eerst in de laatste memorie worden ingeroepen. IX-4746-11/12 Ambtshalve moet dan ook geconcludeerd worden dat die middelen niet ontvankelijk zijn. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  30. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  31. De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 15 september 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, W. GEURTS, griffier. De griffier, De voorzitter, W. GEURTS. P. LEMMENS. IX-4746-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.276 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.