← België

Arrest 186295 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.295 Rolnummer: A. 66838/X-7034 Zaak: Arrest 186295 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-29 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:33 Fiche Arrest nr 186.295 van 16 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.295 van 16 september 2008 in de zaak A. 66.838/X-7034. In zake : Jozef COOLS, wonende te 2920 KALMTHOUT, Kalmthoutse Steenweg 319 tegen : 1. de gemeente KALMTHOUT, die woonplaats kiest bij advocaat R. POCKELE-DILLES, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Stoopstraat 1, 5de verdieping, bus 13, 2. het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat S. STEVENS, kantoor houdende te 2800 MECHELEN, Schuttersstraat 15. tussenkomende partij : de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL, die woonplaats kiest bij advocaat M. BOES, kantoor houdende te 3580 BERINGEN, Scheigoorstraat 5. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Jozef COOLS op 14 december 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 23 oktober 1995 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout waarbij aan de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL de bouwvergunning wordt afgegeven voor de overdekking van een bestaande loskoer en mestput en het bouwen van een overdekte biologische waterzuivering op percelen gelegen te Kalmthout, Bloemstraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 77/h, 80/c2, 81/f, 83/c, deel van 95/d, 94/n, 94/p, 94/m, 91/s, 91/r en 91/n; Gelet op het arrest nr. 64.962 van 4 maart 1997 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing wordt verworpen; X-7034-1/20 Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst, op 18 juli 1997 ingediend door de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL; Gelet op de beschikking van 11 augustus 1997 die de tussenkomst van de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL toelaat; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op de beschikking van 7 december 2001 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories van de verzoeker en van de eerste verwerende partij; Gelet op de beschikking van 13 december 2007 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van de verzoeker, van advocaat R. POCKELE-DILLES die verschijnt voor de eerste verwerende partij, en van advocaat A. BEELEN, die loco advocaat M. BOES verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van auditeur A. VAN MINGEROET; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; X-7034-2/20 OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. Feiten 1.1. Op 15 oktober 1992 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen aan de tussenkomende partij een milieuvergunning voor de verdere exploitatie en uitbreiding van haar slachthuis gelegen te Kalmthout aan de Bloemstraat voor een periode van tien jaar. Die vergunning wordt bij besluit van de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Leefmilieu en Huisvesting van 27 mei 1993 beperkt tot 31 december 1997 om de exploitant de gelegenheid te geven de inrichting op een beter geschikte vestigingsplaats te herlokaliseren. Na beroep van de tussenkomende partij vernietigt de Raad van State bij arrest nr. 50.155 van 10 november 1994 het ministerieel besluit van 27 mei 1993. Daarop bevestigt de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Leefmilieu en Huisvesting op 27 april 1995 de voormelde beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen, krachtens dewelke de exploitatievergunning verstrijkt op 15 oktober 2002. Het beroep dat de verzoeker daarop -in de zaak gekend onder het nr. A. 64.481/VII-13.277- tegen dat besluit van 27 april 1995 instelt, leidt tot de vernietiging door de Raad van State bij arrest nr. 104.985 van 21 maart 2002. Ondertussen verleent de minister vice-president van de Vlaamse regering en Vlaams minister van Leefmilieu en Huisvesting op 3 december 1993 aan de tussenkomende partij de milieuvergunning voor het uitbreiden van het slachthuis met een biologische waterzuiveringsinstallatie. 1.2. Op 8 maart 1994 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) dient de tussenkomende partij bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout een bouwaanvraag in tot “de overdekking van een bestaande loskoer en mestput” en “het bouwen van een overdekte biologische waterzuivering” op percelen gelegen te Kalmthout, Bloemstraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 77/h, 80/c2, 81/f, 83/c, deel van 95/d, 94/n, 94/p, 94/m, 91/s, 91/r en 91/n. 1.3. Volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout ligt de te overdekken loskoer en mestput deels in een gebied voor milieubelastende X-7034-3/20 industrieën en deels in woongebied en ligt de te bouwen waterzuiveringsinstallatie in woongebied. 1.4. De betrokken percelen zijn niet gelegen binnen een gebied waarvoor een door de Koning -thans de Vlaamse regering- goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en evenmin binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. 1.5. Tijdens het openbaar onderzoek, gehouden van 8 maart 1994 tot en met 31 maart 1994, worden drie bezwaarschriften, waaronder één door de verzoeker, ingediend. Op 17 april 1995 worden deze bezwaarschriften door het college van burgemeester en schepenen behandeld en verworpen. 1.6. Bij het overmaken van de bouwaanvraag aan de provinciale directeur van de stedenbouw en de ruimtelijke ordening op 24 april 1995, adviseert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout gunstig voor de waterzuiveringsinstallatie en ongunstig voor de overdekking van de bestaande loskoer. 1.7. Op 9 oktober 1995 brengt de gemachtigde ambtenaar volgend advies uit: “- overwegende dat het eigendom gedeeltelijk gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrieën en gedeeltelijk gelegen is in het woongebied; - overwegende dat er n.a.v. het openbaar onderzoek 3 bezwaarschriften werden ingediend; - overwegende dat de bezwaren in zitting van het College van burgemeester en schepenen dd. 17.4.95 werden behandeld en gemotiveerd verworpen; - overwegende dat gebieden voor milieubelastende industrieën bestemd zijn, voor bedrijven die om economische of sociale redenen moeten worden afgezonderd; - overwegende dat woongebieden zijn bestemd voor wonen, alsmede voor handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf (voor zover deze om redenen van een goede ruimtelijke ordening niet in een daartoe aangewezen gebied moeten worden afgezonderd), voor groene ruimten, voor sociaal-culturele inrichtingen, voor openbare nutsvoorzieningen, voor toeristische voorzieningen, alsmede voor agrarische bedrijven voor zover ze verenigbaar zijn met de onmiddellijke omgeving; - gelet op het gemotiveerd advies dd. 24.4.95 van het College van Burgemeester en Schepenen; GUNSTIG voor de biologische waterzuivering. GUNSTIG onder volgende voorwaarden voor de loskoer. De overdekking van de bestaande loskoer is gedeeltelijk in het gebied voor milieubelastende industrieën en gedeeltelijk in het woongebied gelegen, grotendeels achter en aansluitend met de bestaande vergunde bebouwing en is X-7034-4/20 op zich niet hinderlijk. De overdekking op zich omvat geen industriële activiteit en brengt derhalve de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang. De overdekking, gedeeltelijk in het woongebied, kan dus worden aanvaard. - De overdekte loskoer mag enkel gebruikt worden voor laden en lossen. Onder geen beding kan de verdere uitbreiding van de industriële activiteit in het woongebied worden aanvaard”. 1.8. Bij het bestreden besluit van 23 oktober 1995 verleent het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout de gevraagde vergunning onder de verplichting om de voorwaarden gesteld in het erbij aangehechte advies van de gemachtigde ambtenaar na te leven. 2. Ontvankelijkheid - belang 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. In het verzoekschrift voert de verzoeker dienaangaande het volgende aan: “C-De hinder a-algemeen De bestreden vergunning betreft de uitbreiding van een gebouwencomplex tot een totale lengte van ongeveer 250 meter lang overheen een ‘stipindustrieterrein van ongeveer 100 X 100 m. waarrond geen bufferzone werd voorzien. (onwettig verzuim). Dit gebouwencomplex doorsnijdt nu helemaal het kleine kruispunt-kerkdorp Achterbroek (1500 inwoners), is gelegen op 200 meter afstand van de oude dorpskern en (verdeelt) die wijk van Kalmthout in twee delen nl. : de dorpskern met alle openbare voorzieningen en aan de andere kant van het slachthuis de nieuwe woonwijken in volle uitbreiding. De verstoring van de bestemming van de omgeving is onvermijdelijk: ‘omdat het eigen tijdschema van exploitatie van een slachthuis nu eenmaal niet overeenkomt met het normale dagpatroon van de omwonenden.’ (citaat uit een rapport van GOM West-Vlaanderen). Het daarbijhorend nachtelijk verkeerslawaai van aan- en afrijdende rammelende veewagens en schreeuwende varkens en overdag ook nog de afvoer van nog steeds stinkend (ondanks voorgeschreven maatregelen) slachtafval, varkensmest en zuiveringsslib.

  1. b)De geplande waterzuivering moet een grotere capaciteit hebben dan deze die nodig zou zijn voor rioolwaterzuivering van gans het dorp dat in twee wordt gesneden. Het betreft biologische zuivering door gistingsbacteri(ë)n. De gassen die ontstaan bij de toegepaste anaërobe gisting hebben de indringende stank die eigen is aan heel erg vervuilde waterlopen die gevuld zijn met stinkende zwartblauwe ‘modder’. (cfr. zuiveringsslib). De vrijkomende gassen zijn een mengsel van een aantal vluchtige chemische verbindingen waarvan niet bewezen wordt dat ze niet schadelijk zijn voor de gezondheid of allergenen bevatten waar bepaalde personen erg gevoelig voor zijn, of stoffen bevatten waardoor allerlei insecten (ziekteverspreiders) worden aangetrokken. X-7034-5/20 De gevormde gassen worden niet opgevangen (alléén de stank gemaskerd) en komen vrij op enkele tientallen meter(
  2. s)afstand van een school en jeugdlokalen waar altijd veel kinderen verblijven in open lucht. HET BELANG EN HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL Bij een voorgaande vernietigingsvordering betreffende het slachthuis werd verzoekende partij in het arrest van de R.v.S. dienaangaande reeds erkend als tussenkomende partij en gelet op de hiervoor aangehaalde feiten kan er moeilijk twijfel bestaan omtrent het belang bij het indienen van onderhavig verzoekschrift. Het nadeel dat berokkend wordt betreft een aantasting van zijn wooncomfort en leefomgeving aangezien zijn woning zich bevindt in de zone van 100 m rond het bedrijfsterrein waarin volgens recente milieuwetgeving om medisch-milieukundige redenen geen bewoning kan worden toegestaan. Het berokkend nadeel betreft een vermindering van wooncomfort en een bedreiging van de gezondheid van de verzoekende partij. De schade is een genotsderving en als zodanig irreversibel en onherstelbaar, en niet in aanmerking komend voor financi(ë)le schadeloosstelling. Wat de materi(ë)le aspecten betreft kan gesteld worden dat, wanneer ingevolge tenuitvoerlegging van de vergunning er reeds bouwwerken zullen worden uitgevoerd, de realiteit is dat ‘betonwerken’ van een dergelijke omvang dan deze van de vergunde inrichting, na de vernietiging van de bouwvergunning zelden of nooit worden afgebroken en/of niet in gebruik worden genomen. De kans op herstel is bijgevolg zo goed als uitgesloten. Bij dat alles dient ook nog overwogen dat het uitbreidingswerken betreft aan een (deel-) inrichting waarvoor de milieuvergunning beperkt werd tot eind 1997, dit met het oog op herlocalisatie van het ganse bedrijf. Het investeringsgedrag van de exploitant wijst er op dat deze hoegenaamd geen plannen koestert om het bedrijf op een andere plaats te gaan vestigen. De voltooiing en de ingebruikname van de inrichting zullen, gelet op de financi(ë)le aspecten, herlocalisatie erg bemoeilijken zodat de kans (reëel) is dat bij het vervallen van de beperkte vergunningstermijn het bedrijf niet zal zijn verhuisd en gewoon verder blijft werken zonder vergunning. De praktijk wijst immers uit dat er bijna nooit een bedrijf, en zeker geen slachthuis, wordt gesloten omdat het niet beschikt over de nodige vergunningen”. 2.1.2. De eerste verwerende partij werpt in haar memorie van antwoord inzake het belang van de verzoeker volgende ontvankelijkheidsexceptie op: “1. Conform de wetgeving, rechtspraak en doctrine, dient de verzoekende partij over een concreet - rechtstreeks - persoonlijk - aktueel belang te beschikken bij het instellen van zijn vordering tot nietigverklaring van de bestreden bouwvergunning dd. 23 oktober 1995. (...) Welnu, volgens de verwerende partij is er van zulk belang gewoon geen sprake in hoofde van de verzoekende partij, juist integendeel. 2. In het hoofdstuk ‘C - De hinder’, geeft de verzoekende partij een aantal zeer algemene en bovendien erg vage beschouwingen weer, die zonder meer kunnen toegepast worden op ieder slachthuis in het dichtbevolkte Vlaanderen. Zie pag. 2-3 van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Deze algemene beschouwingen zijn m.a.w. onvoldoende concreet om het belang van de verzoekende partij in onderhavige procedure te staven. X-7034-6/20 Bovendien gaat het om beschouwingen : S die gebaseerd zijn op de gevolgen van de exploitatie van het slachthuis van de N.V. NOORDVLEES - VAN GOOL en dus niet op de gevolgen van de vergunde bouwwerken. Zie b.v. de zinsnede ‘... omdat het eigen tijdschema van exploitatie van een slachthuis nu eenmaal niet overeenkomt met het normale dagpatroon van de omwonenden...’, zoals weergegeven op pag. 3 i.i. van het verzoekschrift tot nietigverklaring; S die gedeeltelijk gebaseerd zijn op totaal verkeerde feitelijke gegevens. Zie b.v. de zinsnede ‘... de toegepaste anaërobe gisting...’, zoals weergegeven in § b op pag. 3 van het verzoekschrift tot nietigverklaring, en vergelijk met de uiteenzetting in § 5.1 van het feitenrelaas in onderhavige memorie van antwoord, waaruit blijkt dat er volgens de bevoegde minister juist toepassing wordt gemaakt van een ‘... laag belaste aërobe-zuivering...’; S die geenszins te maken hebben met het persoonlijk belang van de verzoekende partij. Zie b.v. de zinsnede ‘... De gevormde gassen worden niet opgevangen... en komen vrij op enkele tientallen meter(
  3. s)afstand van een school en jeugdlokalen waar altijd veel kinderen (verblijven) in open lucht...’, zoals weergegeven in § b i.f. op pag. 3 van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Deze motivering komt veeleer neer op de zogenaamde ‘actio popularis’, die naar Belgisch Recht niet kan ingesteld worden door een particuliere buurtbewoner; en S waarin helemaal niet wordt aangetoond welk concreet materieel en/of moreel nadeel de verzoekende partij lijdt door de vergunde bouwwerken (… exploitatie). 3. De enige concrete motivering m.b.t. het belang van de verzoekende partij, is terug te vinden in de eerste zin van het hoofdstuk ‘HET BELANG EN HET MOEILIJK TE HERSTELLEN ERNSTIG NADEEL’ op pag. 3 i.m. van het verzoekschrift tot nietigverklaring. (Noot : eigenlijk hoort dit hoofdstuk enkel en alleen thuis in de procedure tot schorsing, waarin inderdaad zulk MTHEN moet bewezen worden, en dus niet in onderhavige procedure tot nietigverklaring !) Deze zin luidt : ‘... Bij een voorgaande vernietigingsvordering betreffende het slachthuis werd verzoekende partij in het arrest van de R.v.S. dienaangaande reeds erkend als tussenkomende partij en gelet op de hiervoor aangehaalde feiten kan er moeilijk twijfel bestaan omtrent het belang bij het indienen van onderhavig verzoekschrift...’ Deze motivering is volgens de verwerende partij onjuist en bovendien niet terzake, zulks om de volgende redenen : S het door verzoekende partij geponeerde (principe) is op geen enkele wettekst s.l. gebaseerd en berust veeleer op een denkfout. Het is immers niet omdat men in allerhande vroegere procedures op toelaatbare wijze is tussengekomen, dat hieruit ipso facto het wettelijk vereiste belang blijkt om ook in een latere procedure tussen te komen ! Dit belang moet integendeel iedere keer opnieuw in concreto worden aangetoond, wat de verzoekende partij i.c. juist niet doet; S de loutere en bovendien zeer vage verwijzing naar ‘... een voorgaande vernietigingsvordering...’, laat noch de Raad van State noch de verwerende partij toe om het concreet - persoonlijk - rechtstreeks - X-7034-7/20 aktueel belang van de verzoekende partij in onderhavige procedure te verifiëren. Dit is des te minder het geval, nu de verzoekende partij de stukken van ‘een voorgaande vernietigingsvordering’ niet voorlegt en zelfs niet aanwijst in de door hem, in het kader van onderhavige procedure tot nietigverklaring, neergelegde stukken. Zie de inventaris der stukken, zoals weergegeven op pag. 8 van het verzoekschrift tot nietigverklaring; en S voor zover de verwerende partij kan nagaan, heeft ‘een voorgaande vernietigingsvordering’, naar dewelke de verzoekende partij klaarblijkelijk verwijst, betrekking op de vroeger toegekende milieuvergunningen van het slachthuis van de N.V. NOORDVLEES - VAN GOOL en dus niet op de destijds toegekende bouwvergunningen. Welnu, het verschil tussen deze beide soorten vergunningen is dusdanig groot en essentieel, dat uit een vroegere toelaatbare tussenkomst van de verzoekende partij in een milieuvergunningsprocedure geenszins kan afgeleid worden dat dezelfde verzoekende partij ook en vanzelfsprekend over het wettelijk vereist belang beschikt om tussen te komen in een latere bouwvergunningsprocedure. 4. Bovendien blijkt uit § 3.3 van het feitenrelaas dat de verzoekende partij geen enkele hinder ondervindt cq. kan ondervinden door de vergunde bouwwerken, die : S zich op een afstand bevinden van maar liefst 250 m van zijn eigendom. De verzoekende partij is m.a.w. geen onmiddellijke buur of overbuur van de aanvrager, terwijl zijn eigendom niet eens paalt aan de Bloemstraat, waar het slachthuis van de aanvrager is gevestigd, noch aan dat terrein waarvoor de thans bestreden bouwvergunning werd afgeleverd; en S volledig aan zijn gezichtsveld zijn onttrokken door meerdere tussenliggende gebouwen en door de Bloemstraat. (...) Verder zijn de vergunde bouwwerken juist gericht op de verbetering van het leef- en woonklimaat van de onmiddellijke omgeving : veel minder lawaai door het overdekken van de loskoer, geen geur- en andere hinder meer door het overdekken van de mestput, enz... (...) De vergunde bouwwerken strekken m.a.w. rechtstreeks tot voordeel van de omwonenden van het slachthuis, wat andermaal het gebrek aan belang aantoont in hoofde van de verzoekende partij. (...) 5. Tot slot verwijst de gemeente Kalmthout naar en herneemt zij uitdrukkelijk de hoger onder hoofdstuk II geciteerde passages uit het verslag van de auditeur enerzijds en uit het schorsingsarrest dd. 4 maart 1997 anderzijds. Ook deze passages tonen aan dat de verzoekende partij Jozef COOLS geen enkel concreet - rechtstreeks - persoonlijk - actueel belang heeft bij de nietigverklaring van de bestreden bouwvergunning dd. 23 oktober 1995, temeer omdat een eventuele nietigverklaring hem geenszins tot voordeel strekt”. 2.1.3. De tweede verwerende partij voert geen exceptie aan inzake het belang van de verzoeker. X-7034-8/20 2.1.4. In zijn memorie van wederantwoord repliceert de verzoeker niet op de opgeworpen exceptie. 2.1.5. De tussenkomende partij werpt ook een ontvankelijkheidsexceptie op inzake het belang van de verzoeker. Zij voert daartoe dezelfde argumenten aan als de eerste verwerende partij en voegt daar nog aan toe dat de verzoeker de “bouwvergunning (van 20 maart 1991) voor het nieuwe slachthuis nooit administratief-juridisch (heeft) aangevochten”. 2.1.6. Ook in zijn laatste memorie voegt de verzoeker niets meer toe aan hetgeen hij reeds in zijn verzoekschrift heeft aangevoerd inzake zijn belang. 2.1.7. In haar laatste memorie voegt de eerste verwerende partij in essentie niets toe aan hetgeen zij reeds eerder heeft aangevoerd inzake het belang van de verzoeker. 2.2. Onderzoek van de exceptie 2.2.1. Uit het bij het administratief dossier gevoegde kadastraal plan blijkt dat de kortste afstand tussen het perceel van de verzoeker en het perceel waarvoor de tussenkomende partij de bestreden bouwvergunning heeft verkregen circa 87,5 meter bedraagt. Volgens datzelfde plan bedraagt de afstand tussen de uiterste perceelgrens van de verzoeker en het dichtste punt van de bij het bestreden besluit vergunde werken circa 200 meter. Het perceel van de verzoeker bevindt zich dus in de onmiddellijke nabijheid van het voormelde perceel van de tussenkomende partij. Voorts blijkt dat de oppervlakte van de overdekking 2.921m² en die van de waterzuivering 1.344m² bedraagt en dat het gebouwencomplex van de tussenkomende partij met de voorziene uitbreiding een lengte van ongeveer 250 meter bereikt. Gelet op de aard en de omvang van de vergunde handelingen en werken dient te worden aangenomen dat de verzoeker doet blijken van het rechtens vereiste belang, ook al bedraagt de afstand van zijn eigendom tot de inplantingsplaats ervan circa 200m en heeft hij hierop geen rechtstreeks zicht. X-7034-9/20 2.2.2. Het feit dat de vergunde bouwwerken juist strekken tot “de verbetering van het leef- en woonklimaat” met onder andere “veel minder lawaai door het overdekken van de loskoer”, zoals eerste verwerende partij aanvoert, ontneemt de verzoeker niet het vereiste belang om de bouwvergunning aan te vechten. Het vereiste belang kan ook niet gelijkgesteld worden met de schorsingsvereiste van het moeilijk te herstellen ernstig nadeel. De verwijzing naar de verwerping van de vordering tot schorsing op grond van het ontbreken van een moeilijk te herstellen ernstig nadeel is dan ook niet dienend. 2.2.3. De exceptie is niet gegrond. 3. Ten gronde 3.1. Tweede middel - standpunt van de partijen 3.1.1. De verzoeker voert in zijn verzoekschrift als tweede middel aan wat volgt: “Machtsoverschrijding door schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht (van de gemachtigde ambtenaar + het schepencollege) en schending van artikel 79 van de wet van 29 maart ’62 aangevuld door artikel 2.2 van het decreet van 13 juli ’94 betreffende de motivatie bij het advies betreffende het toelaten van zonevreemde gebouwen en inrichtingen. (door de gemachtigde ambtenaar) Doordat het advies van de gemachtigde ambtenaar een bestuurshandeling is omdat er niet aan kan worden voorbijgegaan bij de beslissing over een bouwaanvraag zodat dit advies ook moet voldoen aan de voorwaarden zoals bepaald in de omzendbrief van minister Kelchtermans dd. 18.11.92 betreffende de uitdrukkelijke motivatieplicht, terwijl datgene wat als motivatie moet doorgaan in het advies, precies een ‘schoolvoorbeeld’ is van hoe die motivatie nu eenmaal NIET mag zijn nl. ‘vaag en nietszeggend, zoals bijvoorbeeld een motivering die dermate algemeen of abstract is dat ze zondermeer voor talrijke gevallen (zoals in onderhavig geval; zowel voor een waterzuiveringsinstallatie als voor het overdekken van een loskoer) kan gelden of door het gebruik van loutere stijlformules’; (...). Doordat uit de motivering van het advies van de gemachtigde ambtenaar moet blijken dat door de toegestane afwijking de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad en de bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet worden verstoord, terwijl dat helemaal niet blijkt uit de motivering. Doordat uit de motivering van het advies van de gemachtigde ambtenaar moet blijken dat de uitbreiding een noodzakelijk gevolg is van voorwaarden waaraan moet voldaan worden ingevolge bepalingen van het decreet van 28 juni ’85 (+ uitvoeringsbesluiten VLAREM), terwijl ook dat niet blijkt uit de motivering van het advies van de gemachtigde ambtenaar. Doordat bij de beslissing van het schepencollege om de bezwaren niet in aanmerking te nemen, de gegrondheid van de eerste twee bezwaarschriften niet X-7034-10/20 eens beoordeeld werd omdat, volgens het schepencollege, hierin enkel een mening naar voor wordt gebracht ‘die door geen enkel argument wordt gestaafd’ zodat het college de gegrondheid van die bezwaren niet zou kunnen beoordeeld hebben, terwijl in die mening de argumentatie vervat zit nl. ‘het bedrijf is daar niet op zijn plaats’, wat precies hetzelfde wil zeggen als: ‘de exploitatie van het bedrijf is (onverenigbaar) met de bestemming van de vestigingsplaats’ of ‘de inrichting is in strijd met de bepalingen van het gewestplan’. Die argumentatie diende weerlegd te worden i.p.v. op een al te goedkope manier naast zich neergelegd te worden. Doordat bij de beslissing van het schepencollege om de bezwaren niet in aanmerking te nemen betreffende de openbare bekendmaking, geen motivering werd opgenomen betreffende het argument ‘b’ van het derde bez(w)aarschrift, terwijl daaromtrent al(l)één maar een verwijzing voorkomt naar het verslag van de politiekommissaris die (12 dagen na afsluiting van het openbaar onderzoek) is gaan vaststellen dat de openbare bekendmaking (toen toch ) leesbaar was en uit de beslissing zelf blijkt niet waarom het bezwaar eigenlijk werd afgewezen (zie omzenbrief BA-G-92/10 dd. 18.11.92 van minister Kelchtermans - 4de alinea, blz 5 - betreffende de uitdrukkelijk(
  4. e)motivering) Copie van voornoemd verslag was niet in bijlage bij stuk nr 3 (beslissing schepencollege). Er werd enkel gezegd dat volgens dit ‘intern document’ de openbare bekendmaking wel leesbaar was. Doordat bij de beslissing van het schepencollege betreffende het derde bezwaarschrift, meer bepaald de argumenten c en d, de motivering om deze bezwaren niet in aanmerking te nemen, niet afdoende en niet relevant is, zodat die motivering niet voldoet aan de uitdrukkelijke motiveringsplicht. TOELICHTING 2 -tweede middel; betreffende het verwerpen van argument c in het derde bezwaarschrift De argumentatie dat bezwaarindiener zich vergist is niet steekhoudend. Het ingenomen standpunt betreft namelijk een standpunt dat ook werd aangenomen door de Raad van State in het arrest nr. 46259 van 24.02.94 inzake de nv FONCK-DEHENIN (...) en we mogen toch wel aannemen dat de Raad zich niet vergist. Wanneer er zich ‘iemand’ vergist in onderhavig geval dan is dat wel het schepencollege wanneer het college verwijst naar een decreet van 13 juli 93......dat niet eens bestaat. Mogelijk bedoelt het college het decreet van 13 juli ’94, maar ook dan betreft het geen vergissing van bezwaarindiener want het bezwaar werd ingediend vóór 13 juli ’94 TOELICHTING 3 -tweede middel; betreffende het verwerpen van argument d in het derde bezwaarschrift Het slachthuis hoort alleen maar thuis op een industrieterrein waarrond een bufferzone is voorzien, dus op een terrein bestaande uit industriegebied plus bufferzone. In feite is het slachthuis dat wordt uitgebreid een ‘ZONEVREEMD’ gebouw. De stellingname in het bezwaarschrift was: een gebouw dat al zonevreemd is kan niet verder uitgebreid worden met een nog meer-zonevreemd deel. Deze argumentatie is gebaseerd op artikel 79 van de stedebouwwet dat betrekking heeft op het toestaan van afwijkingen omtrent zonevreemde gebouwen, dat aangevuld werd met het decreet van 28 juni 84 (intussen opgeheven) en het decreet van 13 juli ’94; Beide decreten betreffen: het toestaan van afwijkingen van het gewestplan op voorwaarde dat de ruimtelijke ordening niet wordt verstoord. De motivatie van het schepencollege dat, met het oog op het ‘nieuwe artikel 79’, de argumentatie in het bezwaarschrift niet relevant meer is, is zelf niet relevant”. X-7034-11/20 3.1.2. De eerste verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “In dit tweede middel verwijt de verzoekende partij aan het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Kalmthout een ‘machtsoverschrijding’, nl. door de schending van enerzijds art. 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motiveringsplicht en van anderzijds art. 79 Stedebouwwet juncto art. 2.2 van het Decreet van 13 juli 1994, zulks m.b.t. : S het voorafgaand advies dd. 9 oktober 1995 van de gemachtigde ambtenaar. (...); en S de beraadslaging dd. 24 april 1995 van het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente Kalmthout, aangaande de onderscheiden ingediende bezwaarschriften naar aanleiding van de bekendmaking en het openbaar onderzoek van de bouwaanvraag dd. 8 maart 1994 van de N.V. NOORDVLEES - VAN GOOL. (...) Zie pag. 5 - 6 van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Dit middel is niet gegrond om de volgende redenen : S het middel is niet nauwkeurig. De verzoekende partij duidt inderdaad, in de zes onderscheiden onderdelen van het middel, niet op een duidelijke en precieze manier aan : • welk onderdeel van welke administratieve rechtshandeling (het voorafgaand advies van de gemachtigde ambtenaar of de beraadslaging van het College van Burgemeester en Schepenen m.b.t. de bezwaarschriften) een schending inhoudt van welk wettelijk voorschrift (art. 3 van de Wet van 29 juli 1991 of art. 79 Stedebouwwet juncto art. 2.2 van het decreet van 13 juli 1994); • waarin juist de aangeklaagde ‘machtsoverschrijding’ door het College van Burgemeester en Schepenen bestaat. De onnauwkeurige libellering van het middel laat derhalve aan de verwerende partij niet toe om een repliek te formuleren op elk van zijn zes onderdelen; S het middel is aangetast door een interne tegenstrijdigheid. Zo stelt de verzoekende partij, kriskras doorheen de zes verschillende onderdelen van het middel, dat : • er geen motivering is. Zie b.v. de 4/ en de 5/ ‘Doordat’ op pag. 5 van het verzoekschrift tot nietigverklaring; • de motivering ‘... niet afdoende en niet relevant is ...’. Zie de 6/ ‘Doordat’ op pag. 6 van het verzoekschrift tot nietigverklaring; en C de motivering niet wettelijk verantwoord is. Zie b.v. de 2/ ‘Doordat’ op pag. 5 van het verzoekschrift tot nietigverklaring. Zulks kan vanzelfsprekend niet : ofwel zijn de bestreden administratieve rechtshandelingen gemotiveerd ofwel zijn ze niet gemotiveerd ! Besluit : het tweede middel is, in zijn zes onderdelen, ongegrond”. X-7034-12/20 3.1.3. De tweede verwerende partij beantwoordt dit middel als volgt: “(...) Dat verzoekende partij stelt dat er tekort geschoten is aan de motivatieverplichting gezien de gemachtigde ambtenaar en het College van Burgemeester en Schepenen ‘vaag en nietszeggend’ zijn gebleven; Dat het College van Burgemeester en Schepenen te Kalmthout daarentegen wel al het mogelijke gedaan hebben wat zij dienden te ondernemen alvorens kan overgegaan worden tot het verlenen van een bouwvergunning; Dat het College immers op 08/03/94 alle naburige eigenaars aanschreef met het verzoek hun mogelijke bezwaren kenbaar te maken en het College ook door de politie had laten nagaan of de bekendmaking van een beslissing over een milieuvergunningsaanvraag duidelijk was aangebracht; Dat de commissaris van politie van Kalmthout dd 16/04/94 attesteerde aan het College van Burgemeester en Schepenen dat deze bekendmaking duidelijk leesbaar was vanaf de openbare weg; Dat op de brief van 08/03/94 aan alle naburige eigenaars 3 bezwaren binnenkwamen op het College van Burgemeester en Schepenen en deze bezwaren ook besproken werden op de zitting van 17/04/95; Dat het geheel uitgewerkt werd in een nota dewelke tesamen met de bouwaanvraag naar de gemachtigde ambtenaar doorgestuurd werd en dit op 24/04/95; Dat het College van Burgemeester en Schepenen niet kan verweten worden hun advies niet gemotiveerd te hebben; Dat de gemachtigde ambtenaar al deze gegevens naast mekaar gelegd heeft en hij op zijn beurt zijn advies terug overgemaakt heeft aan het College van Burgemeester en Schepenen en dit op 09/10/95; Dat de gemachtigde ambtenaar hier zelfs tot een ander advies kwam dan het College voor wat betreft de loskoer en hij dit duidelijk motiveerde onder de vorm van het stellen van voorwaarden waaronder hij zich kon akkoord verklaren met het gevraagde; Dat noch het College van Burgemeester en Schepenen noch de gemachtigde ambtenaar dienvolgens tekort geschoten zijn in hun motiveringsplicht; Dat dit middel ongegrond is”. 3.1.4. In de memorie van wederantwoord dupliceert de verzoeker: “(...) Eén van de vergunde bouwwerken betreft de uitbreiding van een reeds bestaande en vergunde zuiveringsinstallatie in industriegebied en de uitbreiding vindt plaats in woonzone. Hier kan geen twijfel bestaan over het feit dat het een zonevreemd gebouw betreft aangezien het hier een inrichting betreft die nodig is om het afvalwater te zuiveren van een industri(ë)le varkensslachterij waar dagelijks tot 3000 varkens worden geslacht (slachting die dan ook nog gebeurt in woonzone!!!). 1-1- In het advies van de gemachtigde ambtenaar ontbreekt de motivatie waaruit moet blijken dat het verantwoord is om voornoemde zuiveringsinstallatie te bouwen in woonzone niettegenstaande hierdoor mogelijk de goede ruimtelijke ordening duidelijk wordt geschaad en niettegenstaande dat door die inrichting mogelijk de bestemming in de onmiddellijke omgeving wordt verstoord. 1-2-Een bouwvergunning voor zonevreemde uitbreiding mag enkel verleend worden wanneer het een uitbreiding betreft die noodzakelijk is om aan X-7034-13/20 voorwaarden te voldoen ingevolge bepalingen van het milieudecreet van 28 juni ’85. Wanneer een dergelijke bouwvergunning wordt verleend dan is in het advies hieromtrent een motivatie verplicht met betrekking tot de voorwaarden waaraan moet worden voldaan ingevolge het ‘milieudecreet’. In het advies van de gemachtigde ambtenaar ontbreekt het advies hieromtrent. 1-3-(...) Mogelijk ontbreekt (...) de vereiste motivatie omwille van het feit dat die vereiste motivatie helemaal niet mogelijk is en dan dient de bouwvergunning voor de zuiveringsinstallatie geweigerd te worden om de eenvoudige reden dat het een zonevreemd gebouw is waaromtrent geen afwijkingen kunnen worden toegestaan en bijgevolg in strijd is met het gewestplan (...)”. 3.1.5. De tussenkomende partij voert inzake het tweede middel aan wat volgt: “(...) Het aangehaald(
  5. e)advies van de Gemachtigde Ambtenaar kan geen machtsoverschrijding door schending van artikel 3 van de wet van 29 juli 1991 worden aangewreven gezien het niet gaat om een rechtshandeling die beoogt rechtsgevolgen te hebben. Rechtsgevolgen ontstaan in casu slechts door besluiten van het College van burgemeester en schepenen. Uit het advies van de Gemachtigde Ambtenaar moet blijken dat de draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de (verweving) van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. De Gemachtigde Ambtenaar stelt dat het eigendom gelegen is in een gebied voor milieubelastende industrie en in woongebied en verwijst naar de bepaling betreffende de woongebieden en de aldaar vergunbare activiteiten. Doordat het gaat over een aërobe waterzuivering die volledig wordt ingebouwd in een geïsoleerde en ontgeurde ruimte blijkt daaruit reeds dat er van dergelijke milieu-infrastructuur op zich geen hinder kan uitgaan terwijl vanuit het aspect stedebouw, woongebied ook bestemd is voor dienstverlening en nutsvoorziening zodat de aanvraag daarmee in overeenstemming is. Impliciet maar duidelijk is er een afdoende motivering. De motivatie van het College van burgemeester en schepenen verwijst enerzijds naar de motivatie van de Gemachtigde Ambtenaar. Zij voegt daaraan de bespreking toe van de bezwaarschriften die omstandig worden weerlegd. Ook is hier de motivering afdoende en duidelijk. Overigens blijkt uit de milieuvergunning voor de waterzuiveringsinstallatie dat deze effectief noodzakelijk is in het kader van de hinderbeperkende en hinderwegnemende maatregelen die worden verwacht van het bedrijf in het kader van de uitvoering van de haar verleende milieuvergunning overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985. De bezwaarindiener, verzoeker tot de nietigverklaring, vreest in feite dat door allerlei bijkomende milieu-investeringen die het bedrijf ten uitvoer legt, de hinder die ervan zou kunnen uitgaan volledig wordt weggenomen zodat daardoor de grondslag om tegen het bedrijf te ageren eveneens zal verdwijnen. De drie bezwaarschriften lopen in zeer sterke mate samen doch de eerste twee zijn in feite samen te brengen tot het standpunt dat het bedrijf niet thuishoort waar het zich bevindt en aanleiding geeft tot waardevermindering terwijl het derde bezwaarschrift zulks expliciet uitwerkt in het vierde onderdeel. Verzoeker kan zich niet beroepen op een onvoldoende weerlegging van de bezwaarschriften van twee andere inwoners, die een ander dan zijn bezwaarschrift hebben ingediend, gezien zulks zou neerkomen op een actio X-7034-14/20 popularis. Dat is ontoelaatbaar. Verzoekende partij dient inderdaad m.b.t. het aangevoerde middel een persoonlijk belang te doen gelden. Het gelijkluidend (aan de inhoud van de twee andere bezwaarschriften) vierde onderdeel van het bezwaar van verzoeker werd duidelijk weerlegd en daardoor impliciet ook die twee andere. Het eerste onderdeel van het tweede middel is niet gegrond”. 3.1.6. In zijn laatste memorie laat de verzoeker nog gelden wat volgt: “(...) Voornoemde overdekte biologische waterzuivering in woonzone is geen noodzakelijk gevolg van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 voorgeschreven voorwaarden bepaald in de milieuvergunning van 15 oktober 1992 of de lozingsvergunning van 03.12.1987, om volgende redenen: l- De omstreden waterzuivering werd ontworpen om het afvalwater te zuiveren van alléén maar de varkensslachterij met aanhorigheden, zijnde een uitbreiding, na 1 jan. 1993, van een runderslachtlijn die zou afgebouwd worden. Het betreft, evenals de waterzuivering, een ‘verplaatsing’ van aktiviteiten van industriezone naar woonzone. De exploitatie van die varkensslachterij in woonzone was verboden op het ogenblik dat de bestreden bouwvergunning werd aangevraagd (08.03.1994) en op dat ogenblik was de afbouw van de runderslachtlijn reeds begonnen. (...) Die varkensslachterij kon niet meer in bedrijf worden gesteld vóór 1 januari 1993. (...). Als zodanig werd de exploitatie van die uitbreiding verboden: a- Ingevolge voorwaarden (cfr. art. 787, VLAREM II) bepaald in het vergunningsbesluit van 15 okt. 1992. b- Ingevolge art. 3.2.2.2 van VLAREM II bis waarbij dan tevens verbod ‘a’ werd bevestigd. (...) Voor een verboden exploitatie kunnen in principe ook geen voorwaarden zijn opgelegd waaraan moet voldaan worden en waaruit zou blijken dat de geplande waterzuivering noodzakelijk is. Let wel: Het feit dat voornoemd exploitatieverbod na 1 jan. 1993 door de vingers wordt gezien en dat verzuimd werd de ingebruiknamedatum te controleren, doet geen afbreuk van het feit dat dit exploitatieverbod van toepassing is. Geen enkel Ministerieel Besluit of arrest van de Raad van State kan daar intussen iets aan veranderd hebben. 2- In de milieuvergunning van 15 oktober 1992 werd geen enkele voorwaarde bepaald ingevolge dewelke de geplande waterzuivering noodzakelijk zou zijn. Bewijs hiervan is het feit dat bij de vergunningsaanvraag niet eens een lozingsvergunning moest aangevraagd worden, dit ‘WEGENS BEHOUDING’ van de lozingsvergunning van 03 december 1987. (...) 3- Door de N.V. Noordvlees-Van Gool werd de vergunningsverlening van 15 oktober 1992 bekendgemaakt aan de pers. De tekst die daaropvolgend werd gepubliceerd in verschillende dag-en reklamebladen ‘verraad(t)’ dan ook dat de bouw van de waterzuivering helemaal nog niet verplicht werd bij die vergunningsverlening, gelet op volgend citaat: ‘Van Gool bereid nu een dossier voor om in de loop van volgend jaar een EIGEN biologische waterzuivering (i.p.v. de beschikbare RWZI van de gemeente) te bouwen. Hiermee wil het bedrijf de steeds strenger wordende milieunormen (heffingen???) vóór zijn....’ (...) X-7034-15/20 Gevolg zou dan wel zijn dat de capaciteit van de RWZI te Kalmthout veel te groot zou worden omdat bij het ontwerp daarvan in 1975 ook de zuivering van het afvalwater van het slachthuis werd voorzien (16.000 inwonersequivalent) 4- Tussenkomende partij stelt (blz. 23, verslag auditeur) dat uit de milieuvergunning voor de waterzuivering (niet deze voor het slachthuis) ‘blijkt’ dat de waterzuivering noodzakelijk is in het kader van ‘maatregelen die worden verwacht’. Dat is dan meteen een bevestiging van het feit dat die waterzuivering (nog) niet noodzakelijk was ingevolge bepalingen in de milieuvergunning voor het slachthuis of in de lozingsvergunning. Gunstig advies bij afwijking van het Gewestplan is echter alléén maar mogelijk ingevolge voorwaarden die ‘werkelijk’ reeds zijn bepaald in een voorafgaande vergunning en niet wanneer achteraf ‘blijkt’ dat er voorwaarden ‘verwacht worden’ zoals o.a. het betalen van 10 à 12 miljoen BF milieuheffing per jaar om de RWZI van Kalmthout te helpen financieren. Dergelijke ‘verwachtingen’ zijn niet voldoende om gunstig advies voor afwijking van het Gewestplan te motiveren, zeker niet inzake Noordvlees-Van Gool. Op het ogenblik van de bouwvergunningsaanvraag (08.03.1994) was immers de milieuvergunning voor de (runder) slachterij beperkt tot 31 dec. 1997 met het oog op herlocalisatie van het bedrijf. Deze beperking gebeurde dan precies omdat de voorafgaande uitbreiding (voornoemde varkensslachterij) OOK AL in strijd was met het Gewestplan. Deze strijdigheid was zelfs mede de reden voor ARAB-vergunningsweigering voor het slachthuis bij deputatiebesluit van 12.03.1992 dat bevestigd werd bij M.B. van 27.04.1993. Uit voorgaande 4 punten blijkt niet alléén dat ‘manifest niet voldaan (werd) aan de bijzondere motivatieplicht van art. 79’ zoals gesteld werd in het verslag van de auditeur. Daaruit blijkt ook duidelijk dat bij het verlenen van het ‘onontbeerlijk’ advies voor de bestreden bouwvergunning, een afdoende motivatie voor afwijking van het Gewestplan helemaal niet mogelijk was. (...)”. 3.1.7. De eerste verwerende partij verwijst in haar laatste memorie naar het verweer in haar memorie van antwoord. 3.2. Onderzoek van het tweede middel 3.2.1. Overeenkomstig het, op het ogenblik van het indienen van het verzoekschrift geldende, artikel 2, § 1, 2 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, moet het verzoekschrift ondermeer een uiteenzetting van de feiten en middelen bevatten. Onder “middel” in de zin van die bepaling moet de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden, worden verstaan. X-7034-16/20 In het eerste onderdeel van het tweede middel voert de verzoeker ten aanzien van het advies van de gemachtigde ambtenaar de schending aan van artikel 79 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna: stedenbouwwet) en van de in deze bepaling opgelegde motiveringsverplichting. Uit de uiteenzetting van het middel blijkt dat de verzoeker de voormelde bepaling geschonden acht omdat uit het advies van de gemachtigde ambtenaar niet blijkt dat de toegestane afwijking de goede ruimtelijke ordening niet schaadt en evenmin blijkt dat de uitbreiding een noodzakelijk gevolg is van voorwaarden waaraan ingevolge bepalingen van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: decreet van 28 juni 1985) moet worden voldaan. Aangezien die uiteenzetting voldoende duidelijk is, kan de door de eerste verwerende partij aangevoerde exceptie obscuri libelli niet worden aangenomen. 3.2.2.1. Artikel 79 van de stedenbouwwet bepaalde op het ogenblik van het nemen van het bestreden besluit onder meer wat volgt: “Artikel 45, §2 van deze wet, vervangen bij de wet van 22 december 1970, wordt aangevuld door de volgende bepalingen: ‘§2. Bij het verlenen van een gunstig advies mag de gemachtigde ambtenaar afwijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan indien de aanvraag betrekking heeft op: (...)
  6. b)hetzij het uitbreiden van een bestaand vergund gebouw met uitzondering van woningbouw met een gebouw of een vaste inrichting op voorwaarde dat de uitbreiding het noodzakelijk gevolg is van overeenkomstig het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu; (...) De uitbreiding van een bestaand vergund gebouw, met uitzondering van woningbouw, kan slechts de vermeerdering tot gevolg hebben die het noodzakelijk gevolg is van in het kader van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning voorgeschreven algemene, sectoriële of bijzondere voorwaarden, strekkende tot het bevorderen van de kwaliteit van het leefmilieu. (...) De afwijking kan slechts verleend worden op voorwaarde dat de goede ruimtelijke ordening niet wordt geschaad. Dit betekent onder meer dat de ruimtelijke draagkracht van het gebied niet wordt overschreden en dat de voorziene verweving van functies de aanwezige of te realiseren bestemmingen in de onmiddellijke omgeving niet in het gedrang brengt of verstoort. Het naleven van bovenvermelde voorwaarden moet blijken uit de motivering van de gemachtigde ambtenaar (...). (...)”. X-7034-17/20 3.2.2.2. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 30 september 1977 vastgestelde gewestplan Turnhout de te overdekken loskoer en mestput zijn gelegen, deels in een gebied voor milieubelastende industrie en deels in woongebied, en de te bouwen waterzuiveringsinstallatie in woongebied. Het bestreden besluit van het college van burgemeester en schepenen bevat geen eigen motivering. Het bevat enkel een afschrift van het voorwaardelijk gunstig advies van de gemachtigde ambtenaar, hiervoor onder randnr. 1.7 aangehaald. In dit advies stelt de gemachtigde ambtenaar, na de bestemmingsvoorschriften voor gebieden voor milieubelastende industrie en voor woongebied te hebben geciteerd, dat de overdekking, hoewel gedeeltelijk gelegen in woongebied, kan worden aanvaard aangezien deze “op zich (...) geen industriële activiteit (omvat) en (...) derhalve de goede ruimtelijke ordening niet in het gedrang (brengt)”. Omtrent de voorziene waterzuiveringsinstallatie wordt in dit advies niets vermeld. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de voorziene bouwwerken deel uitmaken van een industrieel slachthuis. Een dergelijke inrichting beantwoordt niet aan de begrippen “handel, dienstverlening, ambacht en kleinbedrijf” die onder de in artikel 5.1.0 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerpgewestplannen en gewestplannen (hierna: het inrichtingsbesluit) in een woongebied kunnen worden toegelaten. De vraag of in een onderdeel van een dergelijke inrichting al dan niet industriële activiteiten als zodanig plaats vinden, doet aan deze vaststelling geen afbreuk. De gevraagde handelingen en werken konden dan ook niet worden vergund met toepassing van artikel 5.1.0 van het inrichtingsbesluit. 3.2.2.3. Anderzijds moet worden vastgesteld dat niet is onderzocht of de aanvraag voldoet aan de op dat ogenblik geldende bepalingen van artikel 79 van de stedenbouwwet waaronder de gemachtigde bij het verlenen van een gunstig advies vermag af te wijken van de voorschriften van een ontwerp-gewestplan of gewestplan. 3.2.2.4. Artikel 45, § 1 van de stedenbouwwet, van toepassing op het ogenblik dat het bestreden besluit werd genomen, bepaalt dat zolang voor het gebied waarin het goed begrepen is geen goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat, de vergunning niet kan worden verleend dan op eensluidend advies van de X-7034-18/20 gemachtigde ambtenaar. Het advies van de gemachtigde ambtenaar is derhalve de onontbeerlijke grondslag van de vergunning. Deze vergunning is dienvolgens door dezelfde onrechtmatigheid aangetast. 3.2.2.5. Het tweede middel is dan ook in de aangegeven mate gegrond. 4. Kosten De tussenkomende partij heeft op haar verzoekschrift tot tussenkomst in het beroep tot nietigverklaring zegels ter waarde van 123,95 euro gekleefd. Gelet op artikel 8 van het koninklijk besluit van 17 februari 1997 tot wijziging van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State en het koninklijk besluit van 5 december 1991 tot bepaling van de rechtspleging in kort geding voor de Raad van State, dienden op het verzoek tot tussenkomst in het beroep tot nietigverklaring slechts zegels ter waarde van 74,37 euro te worden gekleefd. Er bestaat aanleiding toe om het ten onrechte betaalde bedrag van 49,58 euro terug te betalen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. Vernietigd wordt het besluit van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Kalmthout van 23 oktober 1995 waarbij aan de n.v. NOORDVLEES-VAN GOOL de bouwvergunning wordt afgegeven voor de overdekking van een bestaande loskoer en mestput en het bouwen van een overdekte biologische waterzuivering op percelen gelegen te Kalmthout, Bloemstraat, kadastraal bekend sectie A, nrs. 77/h, 80/c2, 81/f, 83/c, deel van 95/d, 94/n, 94/p, 94/m, 91/s, 91/r en 91/n. X-7034-19/20 Artikel 2. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verwerende partijen, ieder voor de helft. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 74,37 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Het door de tussenkomende partij op het verzoekschrift tot tussenkomst onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 49,58 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-7034-20/20 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.295 Gerelateerde publicatie(
  7. s)voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1997:ARR.64.962 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.