← België

Arrest 186296 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.296 Rolnummer: A. 110870/X-10573 Zaak: Arrest 186296 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:33 Fiche Arrest nr 186.296 van 16 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.296 van 16 september 2008 in de zaak A. 110.870/X-10.

  1. In zake : de n.v. TEXACO BELGIUM, die woonplaats kiest bij advocaten M. VAN PASSEL en I. CUYPERS, kantoor houdende te 2000 ANTWERPEN, Frankrijklei 146 tegen : de gemeente OOSTKAMP, die woonplaats kiest bij advocaat A. LUST, kantoor houdende te 8310 BRUGGE, Baron Ruzettelaan
  2. tussenkomende partij : de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW, die woonplaats kiest bij advocaten R. HONORÉ en F. VANDEN BERGHE, kantoor houdende te 8500 KORTRIJK, President Kennedypark 4A. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de n.v. TEXACO BELGIUM op 28 september 2001 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van:
  3. het besluit van 16 juli 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het saneren van een brandstoffenbedrijf op een perceel gelegen aan de Albrecht Rodenbachstraat 39 te Oostkamp, kadastraal bekend sectie I, nr. 224/l, en
  4. het besluit van 16 juli 2001 van hetzelfde college waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het vellen en heraanplanten van bomen op hetzelfde perceel; Gelet op het arrest nr. 172.235 van 13 juni 2007 waarbij de debatten worden heropend en het door de auditeur-generaal aangewezen lid van het auditoraat wordt gelast met het aanvullend onderzoek; X-10.573-1/10 Gezien het aanvullend verslag opgemaakt door auditeur T. DE WAELE; Gelet op de kennisgeving van het aanvullend verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 10 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. CUYPERS, die verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat Y. FRANÇOIS, die loco advocaat A. LUST verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat F. VANDEN BERGHE, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten Wat betreft de feitelijke gegevens van de zaak kan worden volstaan met een verwijzing naar de uiteenzetting ervan in voormeld arrest nr. 172.235 van 13 juni
  6. Ontvankelijkheid 2.
  7. Uit de door de verzoekende partij bijgebrachte stukken blijkt dat er voor de vestiging in Oostkamp een inschrijving is in het handelsregister. De ter zake door de verwerende partij en de tussenkomende partij opgeworpen exceptie mist feitelijke grondslag. X-10.573-2/10 2.
  8. De verwerende partij en de tussenkomende partij werpen nog op dat de verzoekende partij met één verzoekschrift twee onderscheiden beslissingen aanvecht die een onvoldoende samenhang vertonen, en dat tegen de vergunning voor het vellen en heraanplanten van bomen geen annulatiemiddelen worden aangevoerd. Uit de gegevens van de zaak blijkt dat de beide bestreden beslissingen betrekking hebben op eenzelfde project, met name het saneren van het bestaande brandstoffenbedrijf, en als zodanig een natuurlijke samenhang vertonen, waardoor zij in een gezamenlijk verzoekschrift kunnen worden aangevochten. Uit de uiteenzetting van het tweede middel blijkt dat daarin de motivering van de vergunningsbeslissing omtrent het vellen en heraanplanten van de bomen wordt betwist. De exceptie kan niet worden aangenomen.
  9. Ten gronde - tweede middel 3.
  10. Standpunt van de partijen 3.1.
  11. De verzoekende partij voert in haar verzoekschrift in een tweede middel de schending aan “van het B.P.A. Brugsestraat, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 7 juni 1993” en “van het deelplan 1/1 van het B.P.A. zonevreemde economische activiteiten, goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 november 2000”. De verzoekende partij licht dit middel toe als volgt: “Verzoekster werpt op dat de door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente OOSTKAMP verleende bouwvergunning strijdig is met de heersende stedenbouwkundige voorschriften die van toepassing zijn op de site van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW. Zoals reeds vermeld is op deze activiteit het BPA Bruggestraat en het sectoraal BPA inzake zonevreemde economische activiteiten van toepassing. In het BPA Bruggestraat, dat werd goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 7 juni 1993, wordt in artikel 1 ‘bestemmingsvoorschriften’ vermeld dat: ‘de gronden, op de bestemmingsplankaart aangewezen voor onderhavige bestemming, zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden, inhoudende de productie en/of de opslag van goederen, met inbegrip van brandstoffen. Zijn niet toegelaten : - bedrijven die louter uit kleinhandel, groothandel of diensten bestaan’. In het sectoraal BPA nummer 1/1 tot 1/11 inzake zonevreemde economische activiteiten, zoals goedgekeurd bij Ministerieel Besluit van 14 november 2000, wordt ook onder de bestemmingsvoorschriften van de bedrijfszone het volgende vermeld: ‘De gronden binnen deze zone gelegen zijn bestemd voor de bedrijfsvoering noodzakelijke productieruimten, overdekte opslagplaatsen, bergruimten ten X-10.573-3/10 behoeve van de bedrijfsvoering. De niet bebouwde delen van de zone zijn bestemd voor toeritten, parkeerplaatsen en stapelplaatsen in open lucht.’ Door de gemeente OOSTKAMP werd een mobiliteitsplan opgemaakt om het centrum meer verkeersluw te maken. Met het oog hierop diende het tankstation van verzoekster grondig te worden hervormd. Verzoekster was bereid om zowel stedenbouwkundig als milieu-technisch zeer zware aanpassingen en investeringen in dit verband te doen. Het is duidelijk dat het bijkomende station dat de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW plant aan de Albrecht Rodenbachlaan, en waarvoor zij op 16 juli 2001 twee bouwvergunningen heeft verkregen bij de gemeente OOSTKAMP, het mobiliteitsplan van die gemeente OOSTKAMP ondermijnt, doch ook hierdoor hinder zal veroorzaken jegens verzoekster. Verzoekster diende ingrijpende herstructureringswerken te verrichten en er werd zelfs een voorwaarde opgelegd om ’s nachts niet te doen tanken, terwijl geen maatregelen of voorzieningen worden getroffen door NV BRANDSTOFFEN ANSEEUW. Bovendien is het voorwerp van haar aanvraag absoluut niet verenigbaar met het BPA Bruggestraat en het BPA voor zonevreemde activiteiten. Wanneer immers de eerdere milieuvergunning van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW wordt bekeken van 14 december 1995, blijkt hieruit dat het handelt over een brandstofoplagplaats met ondermeer een depot van 300.000 liter gasolie en 30.000 liter petroleum in bovengrondse houders, 3.000 liter in nog een bovengrondse houder dat duidelijk wijst op een opslagplaats voor brandstoffen, met andere woorden geen dienstverlening of service-station. Uit de milieuvergunningsaanvraag en de bouwvergunnningsaanvraag, blijkt dat de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW beoogt om haar inrichting ingrijpend te veranderen. De milieuvergunningsaanvraag heeft immers ook betrekking op een opslagplaats voor 45.000 liter benzine, 20.000 liter diesel bovengronds en 40.000 liter ondergronds alsook 9.800 liter LPG en een carwash inrichting. Dit wijst duidelijk op exploitatie van een service-station, met dus een aanzienlijke wijziging van de eerdere brandstoffenopslag activiteiten naar een gans andere activiteit met name service-station. Er weze hier opgemerkt dat het BPA voor zonevreemde activiteiten slechts werd opgemaakt ter regularisatie van de bestaande activiteiten. Het kan uiteraard niet de bedoeling geweest zijn nieuwe en, verzoekster ontkent dit niet, belastende activiteiten mogelijk te maken. Volgens verzoekster stellen de aangehaalde stedenbouwkundige voorschriften duidelijk voorop dat de betreffende ambachtelijke zone, waarin de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW is gelegen, enkel is voorbehouden voor de productie en opslag van bedrijfsgoederen. Wat niet kan, wordt eveneens duidelijk vooropgesteld, met name bedrijfsactiviteiten die louter uit kleinhandel, groothandel of diensten bestaan. Beide B.P.A.’s zijn dan ook heel precies. Daar de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW duidelijk de exploitatie van een benzinestation voor ogen houdt, kan verzoekster niet aanvaarden dat bouwvergunningen wordt verleend door het College van Burgemeester en Schepenen die lijnrecht ingaat tegen de heersende stedenbouwkundige voorschriften. Omwille van de duidelijkheid van deze stedenbouwkundige regels, kan in de ambachtelijke zone een benzinestation niet ingepast worden. Men mag immers niet uit het oog verliezen dat de exploitatie van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW deels gelegen is in woongebied en deels in agrarisch gebied. Haar zonevreemd karakter kan géén vrijgeleide zijn voor eender welke exploitatie. X-10.573-4/10 Dit is immers juist de reden waarom het sectoraal B.P.A. m.b.t. de zonevreemde economische activiteiten voor deze regio werd opgesteld, met name om de reeds bestaande hinderlijke activiteiten aan banden te leggen als ook de nieuwe activiteiten. Daar de N.V. ANSEEUW BRANDSTOFFEN duidelijk een benzinestation én de verkoop van brandstof als kleinhandel/groothandel met carwash voor ogen heeft, wat als het aanbieden van een ‘dienst’ dient beschouwd te worden, hetgeen duidelijk verboden wordt (door) de heersende normeringen, kan niet anders geconcludeerd worden dan dat de bouwvergunningen verleend aan de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW, strijdig zijn met de voorhanden zijnde stedenbouwkundige reglementaire voorschriften. Verzoekster stelt dan ook dat de door het College van Burgemeester en Schepenen van de gemeente OOSTKAMP genomen beslissing dd. 16 juli 2001, waarbij twee bouwvergunningen worden verleend aan de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW voor het vellen en heraanplanten van bomen en voor het saneren van een brandstoffenbedrijf, de heersende stedenbouwkundige voorschriften heeft geschonden”. 3.1.
  12. De verwerende partij antwoordt: “(...) Dit middel slaat kennelijk andermaal niet op het tweede bestreden besluit. De verzoekende partij stelt dat ‘de NV Brandstoffen Anseeuw duidelijk een benzinestation én de verkoop van brandstof als kleinhandel/groothandel met carwash voor ogen heeft’, wat volgens de toepasselijke bestemmingsplans aldaar niet zou mogen. Het middel is volstrekt ongegrond.
  13. Weze vooreerst aangestipt dat de voorgenomen carwash - een activiteit van dienstverlening- niet vergund is geworden.
  14. Vervolgens zijn de bespiegelingen die de verzoekster maakt omtrent het mislukken van haar eigen aanvraag tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning niet relevant voor de beoordeling van de legaliteit van het bestreden besluit.
  15. Op de site, gesitueerd binnen de perimeter van het BPA van 7 juni 1993, zijn alle gebouwen en inrichtingen opgericht, niet alleen de pompeilanden maar ook de loodsen en opslagplaatsen voor de andere handelsproducten. Een loutere kleinhandel, een loutere groothandel of een loutere dienstverlening is er niet gevestigd noch vergund. Het BPA laat een combinatie van de beide wél toe. Op de site van het sectoraal BPA zijn enkel verhardingswerken voorzien.
  16. Tot de site die ingevolge het BPA van 14 november 2000 bij uitbreiding aan de bedrijfssite is toegevoegd, behoort een bedrijfszone (zone 1) en een bufferzone (zone 3). Op de bedrijfszone zijn de pompeilanden voorzien. De verzoekende partij gaat ervan uit dat het bestemmingsvoorschrift voor de zone 1 zou slaan op de aard van de activiteit of van de bedrijfsvoering zelf, daar waar ze enkel slaat op de ‘productieruimte, overdekte opslagplaatsen en bergplaatsen ten behoeve van de bedrijfsvoering’. In de ‘zone 1’ is mitsdien enkel bedrijfsvoering toegelaten. In beginsel zijn daar alle gebouwen mogelijk, mits ze noodzakelijk zijn voor de bedrijfsvoering. De ‘bedrijfszone’ is mitsdien exclusief voorzien voor bedrijfsgebouwen in de ruime zin van het woord, en dus niet voor private parkeerplaatsen, bedrijfswoning, enz. X-10.573-5/10 Het sectoraal BPA is uiteraard opgemaakt en goedgekeurd met de bedoeling aan bestaande bedrijven, die omwille van planologische redenen ter plaatse niet meer konden uitbreiden, niettemin enige uitbreidingsmogelijkheid te verschaffen om nog hun actuele bedrijfsvoering te kunnen continueren. Het was daarbij dus uiteraard niet de bedoeling hen te verplichten hun bestaande bedrijfsactiviteit stop te zetten, zoals uit de redenering van de verzoekende partij zou moeten volgen! Een deel van de uitbreiding van de site Anseeuw is voorzien voor haar bedrijfsvoering, te dezen een handel in brandstoffen. De pompeilanden met de ondergrondse tanks zijn constructies en inrichtingen die voor de bedrijfsvoering van de NV Brandstoffen Anseeuw, namelijk o.m. een tankstation, geacht moeten worden ‘de noodzakelijke productieruimten, overdekte opslagplaatsen, bergruimten’ te zijn”. 3.1.
  17. In haar memorie van wederantwoord dupliceert de verzoekende partij nog wat volgt: “(...) Verwerende partij houdt nog voor dat de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW ook aan opslag blijft doen, zodat de bedrijfsactiviteiten niet louter zouden bestaan uit kleinhandel, groothandel of diensten. Dit is totaal incorrect. Verwerende partij geeft overigens in haar Memorie zelf aan dat beslist werd de eigen opslagtanks te liquideren en de klanten te bedienen rechtstreeks vanuit de bestaande Total opslagplaatsen, zijnde de opslagplaatsen van de leverancier die uiteraard vreemd zijn aan de uitbating van de N.V. BRANDSTOFFEN ANSEEUW. Verwerende partij toont overigens op geen enkele wijze aan waarvoor de beweerde opslagplaatsen zouden dienen, uitgezonderd van loutere kleinhandel, groothandel of diensten. Er is dus duidelijk een schending van het BPA. (...)”. 3.1.
  18. In haar memorie stelt de tussenkomende partij: “(...)
  19. Volgens het BPA Bruggestraat dd. 07.06.1993 zijn toegelaten: ‘de productie en/of de opslag van goederen, met inbegrip van brandstoffen. Zijn niet toegelaten: bedrijven die louter uit kleinhandel, groothandel of diensten bestaan.’ De vergunde vestiging van verzoekster vormt geenszins een inbreuk op deze voorschriften. - Vooreerst worden op de vestiging van verzoekster tot op vandaag brandstoffen opgeslagen, zowel bovengronds als ondergronds, hetgeen manifest in overeenstemming is met het BPA (...). - Voorts wenst het BPA bedrijven te mijden die louter uit kleinhandel, groothandel of diensten bestaan. Dit wil zeggen die louter uit kleinhandel, louter uit groothandel, of louter uit diensten bestaan. Het BPA heeft duidelijk een verwevenheid van soorten handelsfuncties op het oog gehad. De tussenkomende partij voldoet exemplarisch aan dit vereiste. Dat bedrijven die louter uit kleinhandel bestaan verboden zijn, betekent uiteraard iets anders dan dat kleinhandel in het geheel verboden is. X-10.573-6/10
  20. Verzoekster toelichting bij het middel in haar verzoekschrift verraadt andermaal dat de teleurstelling omtrent haar eigen aanvraag de motor is om tegen de tussenkomende partij te ageren. De mobiliteitssituatie van beide servicestations is zoals gezegd totaal verschillend en verzoekster voelt zich dan ook onterecht onheus behandeld.
  21. Wanneer het deel van de activiteit van de tussenkomende partij dat betrekking heeft op het benzinestation, zoals verzoekster in haar memorie van wederantwoord stelt ‘lijnrecht zou ingaan tegen de stedenbouwkundige vereisten’, zou de tussenkomende partij wellicht ook nooit haar milieuvergunning hebben bekomen vermits er ook in het kader van de milieuvergunning een toetsing gebeurt aan de stedenbouwkundige bestemming van het gebied. Voor haar activiteiten bekwam de tussenkomende partij telkenmale de vereiste milieuvergunningen. B. Wat de zogenaamde schending betreft van het sectoraal BPA van 2000 betreft (deelplan 1/1) Verzoekster geeft niet aan hoe dit BPA precies zou zijn geschonden. - Het BPA bepaalt: ‘De gronden binnen deze zone gelegen zijn bestemd voor de voor de bedrijfsvoering noodzakelijke productieruimten, overdekte opslagplaatsen, bergruimten t. b. v. de bedrijfsvoering. De niet-bebouwde delen van de zone zijn bestemd voor toeritten, parkeerplaatsen en stapelplaatsen.’ Wanneer men de plannen van de aanvraag bekijkt en deze legt op het kaartblad 1/1 van het BPA 2000, wordt duidelijk dat de aanvraag volledig conform is aan het BPA van
  22. Van een schending van dit BPA is dan ook geen sprake. - Verzoekster stelt (...): ‘Er weze hier opgemerkt dat het BPA voor zonevreemde activiteiten slechts werd opgemaakt ter regularisatie van de bestaande activiteiten. Het kan uiteraard niet de bedoeling geweest zijn nieuwe en, verzoekster ontkent dit niet, belastende activiteiten mogelijk te maken.’ Deze opmerking is onterecht. * Wanneer men het kaartblad van het BPA van 1993 vergelijkt met het kaartblad van het BPA 2000 (...) stelt men vast dat verzoekster de bedoelingen van de gemeente bij de opmaak van het BPA verkeerd analyseert. In 2000 diende er niets geregulariseerd wat de vestiging van verzoekster betrof. De bestaande activiteit van verzoeker was vergund en bevond zich binnen het beheersingsgebied van het BPA van
  23. Haar activiteit was een vergunde, zone-eigen activiteit. * Wanneer de tussenkomende partij werd opgenomen in het sectoraal BPA 2000, was dit om haar toe te laten de sanering van haar bedrijf uit te voeren op wat voorheen agrarisch gebied was, m.a.w. om wel degelijk op dit gebied een niet-agrarische activiteit te laten uitoefen. Zoals uit de plannen blijkt worden in de nieuwe bedrijfszone enkel bepaalde verhardingen aangebracht teneinde de verkeerssituatie op het erf van de tussenkomende partij te verbeteren”. 3.
  24. Onderzoek van het middel 3.2.
  25. In het bestreden besluit waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het “saneren van een brandstoffenbedrijf”, motiveert het college van burgemeester en schepenen zijn standpunt als volgt: X-10.573-7/10 “Het ontwerp omvat de sanering van een brandstoffenbedrijf dat gedeeltelijk gelegen is in het B.P.A. Brugsestraat van 7.6.1993 en gedeeltelijk in het sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven van 14.11.
  26. De aanvraag omvat een herschikking van bestaande activiteiten op het bestaande terrein, zonder schaalvergroting van het bedrijf, aangezien uit de mobiliteitsnota blijkt dat de verkeerstrafiek slechts zou verhoogd worden met + 6 voertuigen per dag. Overwegende dat het ontwerp in overeenstemming is met de stedenbouwkundige voorschriften van de zone 4 ‘ambachtelijke bedrijven’ van het B.P.A. Brugsestraat van 7.06.1993 en met deze van het deelplan 1/1 van het B.P.A. zonevreemde bedrijven van 14.11.2000”. In het tweede bestreden besluit waarbij de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor “het vellen en heraanplanten van bomen” motiveert het college van burgemeester en schepenen zijn standpunt als volgt: “Het ontwerp omvat de heraanleg van de groenzones naar aanleiding van de sanering van een bestaand brandstoffenbedrijf. De aan te leggen groenzones zijn in overeenstemming met de verplichtingen uit het B.P.A. Brugsestraat van 7.06.1993 en met deze uit het sectoraal B.P.A. zonevreemde bedrijven van 14.11.2000”. 3.2.
  27. In casu heeft de vergunningverlenende overheid er zich aldus toe beperkt vast te stellen dat de gevraagde handelingen en werken in overeenstemming zijn met de van toepassing zijnde bijzondere plannen van aanleg. 3.2.
  28. De verzoekende partij voert in het middel onder meer aan dat het vergunnen van een benzinestation strijdig is met de toepasselijke stedenbouwkundige voorschriften. 3.2.
  29. Uit de plannen (blad nr. 3/3) blijkt dat de pompeilanden volledig zijn gelegen binnen het beheersingsgebied van het BPA Bruggestraat, goedgekeurd bij besluit van 7 juni 1993 van de Vlaamse minister bevoegd voor de ruimtelijke ordening. De toepasselijke bestemmingsvoorschriften luiden als volgt: “De gronden, op de bestemmingsplankaart aangewezen voor onderhavige bestemming, zijn bestemd voor bedrijfsdoeleinden inhoudende de produktie en/of de opslag van goederen, met inbegrip van brandstoffen. Zijn niet toegelaten: - bedrijven die louter uit kleinhandel, groothandel of diensten bestaan (...)”. X-10.573-8/10 3.2.
  30. Een benzinestation met 3 pompeilanden en 19 verdeelslangen is geen inrichting, die is bestemd voor “de productie en/of opslag van goederen”, zijnde de volgens voormelde voorschriften enige toegelaten bestemming. Dat deze inrichting “brandstoffen” betreft is niet ter zake. 3.2.
  31. Het middel is in de aangegeven mate gegrond. 3.2.
  32. Het tweede bestreden besluit bevat onder meer als voorwaarde: “- Het gedetailleerde beplantingsplan maakt deel uit van de afzonderlijke bouwaanvraag nr. 01/11 tot het saneren van het brandstoffenbedrijf en moet samen met deze vergunning als één geheel worden uitgevoerd”. Hieruit blijkt dat het tweede bestreden besluit onlosmakelijk is verbonden met het eerste bestreden besluit. De vernietiging van het eerste bestreden besluit brengt dan ook bij wege van gevolg de vernietiging van het tweede besluit met zich.
  33. Kosten De tussenkomende partij heeft op haar verzoekschrift tot tussenkomst zegels ter waarde van 175 euro gekleefd. Op het verzoek tot tussenkomst dienden slechts zegels ter waarde van 125 euro te worden gekleefd. Derhalve werd 50 euro ten onrechte betaald. Er bestaat aanleiding toe dit bedrag terug te betalen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. Vernietigd wordt:
  35. het besluit van 16 juli 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het saneren van een brandstoffenbedrijf op een perceel gelegen aan de Albrecht Rodenbachstraat 39 te Oostkamp, kadastraal bekend sectie I, nr. 224/l, en X-10.573-9/10
  36. het besluit van 16 juli 2001 van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Oostkamp waarbij aan de n.v. BRANDSTOFFEN ANSEEUW de stedenbouwkundige vergunning wordt verleend voor het vellen en heraanplanten van bomen op een perceel gelegen aan de Albrecht Rodenbachstraat 39 te Oostkamp, kadastraal bekend onder sectie I, nr. 224/l. Artikel
  37. De kosten van het beroep, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Het door de tussenkomende partij op het verzoekschrift tot tussenkomst onverschuldigd gekweten recht, ten belope van 50 euro, dient te worden terugbetaald. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-10.573-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.296 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2007:ARR.172.235 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.