id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.310 Rolnummer: A. 63072/X-9872 Zaak: Arrest 186310 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 16/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-25 Raadplegingen: 63 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.310 van 16 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : heropening debatten prejudiciële vraag Aanvullend verslag Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.310 van 16 september 2008 in de zaak A. 63.072/X-9872. In zake : Eric BOODTS, die woonplaats kiest bij advocaat J. GHYSELS, kantoor houdende de 1170 BRUSSEL, Terhulpsesteenweg 187 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat 14. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Eric BOODTS op 31 maart 1995 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 9 december 1994 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden houdende verwerping van zijn beroep tegen de beslissing van 1 maart 1994 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen waarbij hem de vergunning wordt geweigerd voor het bouwen van een woning op een perceel gelegen te Puurs, Molenstraat, kadastraal bekend sectie B, nr. 686/a; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-wnd. afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op de beschikking van 22 november 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; X-9872-1/10 Gelet op de beschikking van 10 januari 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 25 januari 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. BOVIN; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het advies van eerste auditeur-afdelingshoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT : 1. De feiten Op 5 maart 1993 (datum van het bewijs van ontvangst van de aanvraag) vraagt Eric Boodts aan het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Puurs de vergunning voor het “bouwen van een vrijstaande eensgezinswoning” te Puurs, aan de Molenstraat (tussen nr. 23 en 25), kadastraal bekend sectie B, nr. 686/a. Voornoemd perceel is, volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 5 augustus 1976 vastgestelde gewestplan Mechelen, gelegen in recreatiegebied. Het is niet gelegen binnen een gebied waarvoor een door de Koning, thans de Vlaamse regering, goedgekeurd bijzonder plan van aanleg bestaat en, evenmin, binnen het gebied van een behoorlijk vergunde, niet vervallen verkaveling. Op 1 juni 1993 weigert het college de gevraagde vergunning omdat “het perceel (...) volledig gelegen (
- is)in een rekreatiegebied waar geen woningbouw toegelaten kan worden”. Op 1 maart 1994 willigt de bestendige deputatie van de provincieraad van Antwerpen verzoekers beroep tegen voormelde weigeringsbeslissing niet in. X-9872-2/10 Bij het thans bestreden besluit van 9 december 1994 verwerpt de Vlaamse minister van Openbare Werken, Ruimtelijke Ordening en Binnenlandse Aangelegenheden verzoekers beroep tegen voornoemd deputatiebesluit. Dit besluit is gemotiveerd als volgt: “(...) Overwegende dat de aanvraag strekt tot het bouwen van een woning; dat de bestendige deputatie het beroep heeft verworpen onder meer omdat het terrein met een smalle strook aan de op 6 m brede bitumeus verharde gemeenteweg Molenstraat paalt, dat buurtweg nr. 51 aan de linkerzijde van het terrein gelegen is, dat deze buurtweg in de atlas der buurtwegen vermeld staat, dat rekening houdend met de gegevens van de atlas, de grond niet rechtstreeks aan de Molenstraat paalt, dat het terrein enkel aan een niet verharde, niet uitgeruste buurtweg gesitueerd is, dat een vergunning kan geweigerd worden voor de ligging aan een onvoldoende uitgeruste weg, dat het ontvangstbewijs dateert van vóór de inwerkingtreding van het decreet van 23 juni 1993, dat derhalve het billijk is de aanvraag te toetsen aan artikel 23.1 van het koninklijk besluit van 28 december 1972, dat het oprichten van een woning zoals vermeld wegens de ligging van het terrein de ontsluiting en de goede aanleg van het recreatiegebied in het gedrang brengt, dat de goede plaatselijke ordening wordt geschaad; Overwegende dat beroeper een aanvraag doet voor de bouw van een vrijstaande eengezinswoning; dat de gevraagde constructie volledig in het recreatiegebied zal opgericht worden; dat het project deel zal uitmaken van een huizengroep van 6 woningen gelegen langs dezelfde kant van de Molenstraat; Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Mechelen, vastgesteld bij koninklijk besluit van 5 juni 1976, gelegen is in een recreatiegebied; Overwegende dat volgens artikel 16 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen zulk gebied bestemd is voor het aanbrengen van recreatieve en toeristische accommodatie, al dan niet met inbegrip van verblijfsaccommodatie, waar de werken en handelingen aan beperkingen kunnen onderworpen worden teneinde het recreatief karakter van het gebied te bewaren; Overwegende dat de minister die gevat is door een hoger beroep, bevoegd is de zaak in haar geheel te beoordelen, waarbij deze in de plaats treedt van het schepencollege om al dan niet vergunning te geven; dat hij gehouden is zich te richten naar de wetten en verordeningen die gelden op het ogenblik dat hij zijn beslissing neemt; dat volgens artikel 87 van de stedebouwwet, ingevoegd bij decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij decreet van 13 juli 1994, bij het onderzoek van bouw- en verkavelingsaanvragen, andere dan voor gemeenschapsvoorzieningen en openbare diensten, geen toepassing kan gemaakt worden van regelen in verband met de inrichting en de toepassing van ontwerp-gewestplannen en gewestplannen die de mogelijkheid scheppen om van deze plannen af te wijken of uitzonderingen toe te laten waardoor kan worden gebouwd of verkaveld; dat kan ook de zogenaamde opvulregel van artikel 23, 1/ van reeds vermeld koninklijk besluit van 28 december 1972, waarnaar de aanvrager expliciet verwijst, geen toepassing meer kan vinden; Overwegende dat de oprichting van een residentiële woning in strijd is met de planologische voorschriften van het gewestplan; dat op de aanvraag geen andere afwijkings- of uitzonderingsbepaling toepassing kan vinden; dat om voornoemde reden het ontwerp in strijd is met de planologische voorzieningen van het gewestplan; dat het beroep van de particulier wordt verworpen; (...)”. X-9872-3/10 Ingevolge een nieuwe aanvraag van 6 maart 1995, -gesteund op een overgangsmaatregel voorzien bij decreet van 13 juli 1994 houdende wijziging van artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw (hierna : Stedenbouwwet)-, bekomt de verzoeker, op 19 juli 1995, van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening de vergunning. Daartegen stelt de gemeente Puurs, op 18 september 1995, een annulatieberoep in (zaak A. 65.635/X-7215). Voornoemde vergunning wordt daarop, op 17 oktober 1995, ingetrokken door de Vlaamse minister. Daartegen stelt de verzoeker, op 22 december 1995, eveneens een annulatieberoep in (zaak A. 66.951/X-7216). Na, ingevolge voormelde intrekking, verzoekers aanvraag aan een nieuw onderzoek te hebben onderworpen, weigert meer genoemde minister, op 21 december 1995, de vergunning. Ook daartegen heeft de verzoeker, op 25 maart 1996, een annulatieberoep ingesteld (zaak A. 68.231/X-7217). Bij de arresten nrs. 122.925 van 18 september 2003 en 117.945 van 4 april 2003 worden de beroepen in respectievelijk de zaak A. 65.635, en de zaken A. 66.951 en A. 68.231 verworpen. 2. Ten gronde 2.1. Standpunt van de partijen 2.1.1. In een enig middel voert de verzoeker de schending aan “van de artikelen 10, 11 en 16 van de Gecoördineerde Grondwet, van de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, van artikel 544 van het Burgerlijk Wetboek, van artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens en van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen, doordat de aangevochten akte de bouwvergunning weigert op grond van het motief dat artikel 23, 1/ van het K.B. van 28 december 1972 geen toepassing meer kan vinden ten gevolge van artikel 87 Stedenbouwwet, ingevoegd bij decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij decreet van 13 juli 1994, X-9872-4/10 terwijl deze afschaffing van de opvullingsregel ongrondwettig is, en de aangevochten akte dan ook niet afdoende is gemotiveerd”. De verzoeker verzoekt de Raad van State om het stellen van de volgende prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof: “1. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoe(g)d bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art. 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet inzoverre een niet-voorlopige wijziging van de gewestplanvoorschriften en een bouwverbod wordt vastgesteld zonder inspraak- en adviesprocedure, waar zo’n wijziging en bouwverbod bij toepassing van de stedebouwwetgeving en andere reglementeringen slechts na een inspraak- en adviesprocedure definitief worden vastgesteld? 2. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoe(g)d bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art.2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet inzoverre deze bepaling aan degenen op wie de betrokken maatregel toepasselijk is de voor alle andere burgers - en inzonderheid alle andere eigenaars van gronden waarvoor een gewestplanbestemming wordt vastgesteld of gewijzigd - geldende jurisdictionele bescherming van een wettigheidstoezicht door de hoven en rechtbanken en vernietigingstoezicht door de Raad van State ontneemt ? 3. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoe(g)d bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art.2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de regels die door ok (lees: of?) krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, inzoverre deze bepaling het wettigheids- en vernietigingstoezicht op gewestplanbestemmingswijzigingen onttrekt aan respectievelijk de hoven en rechtbanken en de Raad van State ? 4. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoe(g)d bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art.2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet op zichzelf genomen en samengelezen met artikel 16 van de Gecoördineerde Grondwet, art. 544 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, inzoverre een wijziging van de gewestplanvoorschriften met bouwverbod wordt opgelegd zonder dat in een volledige voorafgaande schadeloosstelling, minstens in een billijke schadevergoeding wordt voorzien, waar voor een bestemmingswijziging met bouwverbod tengevolge van de vaststelling of herziening van een plan van aanleg overeenkomstig artikel 37 Stedebouwwet normaal wel in een recht op planschadevergoeding is voorzien ?”. 2.1.2. De verwerende partij antwoordt samengevat dat, gelet op de arresten van het Grondwettelijk Hof nr. 40/95 van 6 juni 1995 en nr. 56/95 van 12 juli 1995, het enig middel niet opgaat. X-9872-5/10 2.1.3. In zijn memorie van wederantwoordt dupliceert de verzoeker: “De verwerende partij vergist zich waar zij meent dat uit de voormelde arresten van het Arbitragehof zou blijken dat dit Hof zich reeds over de prejudiciële vragen van de verzoekende partij heeft uitgesproken. 1. De door de verzoekende partij geformuleerde eerste prejudiciële vraag luidt als volgt: ‘Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art. 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet inzoverre een niet-voorlopige wijziging van de gewestplanvoorschriften en een bouwverbod wordt vastgesteld zonder inspraak- en adviesprocedure, waar zo’n wijziging en bouwverbod bij toepassing van de stedebouwwetgeving en andere reglementeringen slechts na een inspraak- en adviesprocedure definitief worden vastgesteld ?’ De verwerende partij meent dat hierop door het Arbitragehof ontkennend is geantwoord in het arrest nr. 56/95 van 12 juli 1995 (B.S., 29 augustus 1995). De relevante - sum(m)iere - overwegingen uit dit arrest zijn de volgende: ‘B.5.1. In het verzoekschrift wordt de schending aangevoerd van het gelijkheidsbeginsel doordat aan de verzoekende partijen zonder voorafgaand openbaar onderzoek de mogelijkheid is ontnomen om een bouw- en verkavelingsvergunning te verkrijgen met toepassing van de opvullingsregel, terwijl voor de invoering en de wijziging van die opvullingsregel volgens hen wel een openbaar onderzoek vereist was. B.5.2. Het Hof stelt vast dat noch voor de invoering van de opvullingsregel bepaald bij artikel 23, 1/ van het koninklijk besluit van 28 december 1972, noch voor de wijziging ervan enig openbaar onderzoek vereist was of is.’. De beroepers gaan in dit arrest m.a.w. uit van de verkeerde premisse dat voor de invoering of wijziging van artikel 23, 1/ van het K.B. van 28 december 1972 zelf een openbaar onderzoek was vereist en gaan voorbij aan het feit dat artikel 23, 1/ van voormeld K.B. in de 25 gewestplannen van het Vlaams Gewest is opgenomen, dan ook deel uitmaakt van de gewestplannen en overeenkomstig artikel 2 van de Stedebouwwet dezelfde verordenende kracht heeft dan de gewestplannen. Dit houdt volgens de rechtspraak van de Raad van State, geciteerd op p. 4 van het annulatieberoep, eveneens in dat een wijziging aan artikel 23, 1/ slechts geldig kan zijn wanneer de procedure van artikel 9, 13 en 43 van de Stedebouwwet voor de herziening van een gewestplan gevolgd wordt. De verzoekende partij klaagt, in tegenstelling derhalve tot de beroepers bij het geciteerde arrest van het Arbitragehof, in deze eerste prejudiciële vraag aan dat artikel 23, 1/ opgeheven werd ‘zonder dat deze wijziging binnen de grenzen van de diverse gewestplannen, met betrekking tot hun concrete uitwerking, onderworpen wordt aan de procedure van openbaar onderzoek en advisering’ (...). Zij klagen tevens aan dat deze gewestplanwijziging met bouwverbod op een definitieve wijze wordt doorgevoerd, zonder openbaar onderzoek, hoewel daarvoor geen noodzaak bestond en het beoogde doel, zonder aan de rechten van de burgers te raken, evengoed bereikt kon worden door een herziening van de bestaande gewestplannen. Over verzoekers eerste prejudiciële vraag, zoals omstandig toegelicht in het verzoekschrift tot nietigverklaring, p. 4 tot 9, heeft het Arbitragehof zich dus nog niet uitgesproken. 2. De tweede en derde prejudiciële vraag luiden als volgt: X-9872-6/10 ‘Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art. 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet inzoverre deze bepaling aan degenen op wie de betrokken maatregel toepasselijk is de voor alle andere burgers - en inzonderheid alle andere eigenaars van gronden waarvoor een gewestplanbestemming wordt vastgesteld of gewijzigd - geldende jurisdictionele bescherming van een wettigheidstoezicht door de hoven en rechtbanken en vernietigingstoezicht door de Raad van State ontneemt ? Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art. 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de regels die door ok krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, inzoverre deze bepaling het wettigheids- en vernietigingstoezicht op gewestplanbestemmings-wijzigingen onttrekt aan respectievelijk de hoven en rechtbanken en de Raad van State ?’ Noch in het arrest nr. 40/95 van 6 juni 1995, noch in het arrest nr. 56/95 van 12 juli 1995 heeft het Arbitragehof zich uitgesproken over vernietigingsmiddelen die inhoudelijk enigszins gelijklopen met deze vragen. De verwerende partij voert terzake trouwens geen verweer. 3. De vierde prejudiciële vraag tenslotte luidt als volgt: ‘Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedebouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij art. 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994 de artikelen 10 en 11 van de Gecoördineerde Grondwet op zichzelf genomen en samengelezen met artikel 16 van de Gecoördineerde Grondwet, art. 544 van het Burgerlijk Wetboek en artikel 1 van het eerste aanvullend protocol bij het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens, inzoverre een wijziging van de gewestplanvoorschriften met bouwverbod wordt opgelegd zonder dat in een volledige voorafgaande schadeloosstelling, minstens in een billijke schadevergoeding wordt voorzien, waar voor een bestemmingswijziging met bouwverbod tengevolge van de vaststelling of herziening van een plan van aanleg overeenkomstig artikel 37 Stedebouwwet normaal wel in een recht op planschadevergoeding is voorzien ?’. In het arrest nr. 40/95 van 6 juni 1995 oordeelde het Arbitragehof : ‘De afschaffing van de mogelijkheid om bij de toekenning van bouw- of verkavelingsvergunningen of stedebouwkundige attesten af te wijken van de ontwerp-gewestplannen of de gewestplannen heeft tot gevolg dat - behoudens andere afwijkingsmogelijkheden - de voorschriften van de plannen van aanleg onverkort blijven gelden. Indien de vergunningverlenende overheid een vergunning weigert, bestaat nog steeds de mogelijkheid een beroep te doen op de planschaderegeling van artikel 37 van de Stedebouwwet, binnen de grenzen van die bepaling.’ (...). Hierbij preciseerde het Arbitragehof dat de zin ‘Het niet toepassen van de regelen kan geen aanleiding geven tot schadevergoeding, als bedoeld in artikel 37’ uit artikel 87, eerste lid Stedebouwwet niet die strekking heeft dat diegenen die voorheen een vergunning bij toepassing van de opvullingsregel konden bekomen thans geen aanspraak zouden kunnen maken op planschadevergoeding. De verwerende partij bevestigt in haar memorie van antwoord dat nog planschadevergoeding kan worden gevorderd. Deze zinsnede X-9872-7/10 bleek, vóór de precisering door het Arbitragehof, planschadevergoeding uit te sluiten, en bij het formuleren van de vierde prejudiciële vraag ging de verzoekende partij daar ook van uit”. 2.1.4. In zijn laatste memorie volhardt de verzoeker in zijn verzoek tot het stellen van de door hem geformuleerde prejudiciële vragen aan het Grondwettelijk Hof. 2.2. Onderzoek van het middel 2.2.1. In zijn arrest nr. 20/96 van 21 maart 1996 heeft het Grondwettelijk Hof de vierde door de verzoeker geformuleerde prejudiciële vraag reeds ontkennend beantwoord, zodat deze vraag op grond van artikel 26, § 2, tweede lid, 2/ van de bijzondere wet van 6 januari 1989 op het Arbitragehof niet meer hoeft te worden gesteld. 2.2.2. De grondwettigheidskritiek op artikel 87 van de wet van 29 maart 1962 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, noopt de Raad van State ertoe het Grondwettelijk Hof te adiëren met de overige drie door de verzoeker geformuleerde prejudiciële vragen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel 1. De debatten worden heropend. Artikel 2. Aan het Grondwettelijk Hof worden de volgende prejudiciële vragen gesteld: 1. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre een niet-voorlopige X-9872-8/10 wijziging van de gewestplanvoorschriften en een bouwverbod worden vastgesteld zonder inspraak- en adviesprocedure, waar zo’n wijziging en bouwverbod bij toepassing van de stedenbouwwetgeving en andere reglementeringen slechts na een inspraak- en adviesprocedure definitief worden vastgesteld. 2. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994, de artikelen 10 en 11 van de gecoördineerde Grondwet in zoverre deze bepaling aan degenen op wie de betrokken maatregel toepasselijk is de voor alle andere burgers -en inzonderheid alle andere eigenaars van gronden waarvoor een gewestplanbestemming wordt vastgesteld of gewijzigd- geldende jurisdictionele bescherming van een wettigheidstoezicht door de hoven en rechtbanken en vernietigingstoezicht door de Raad van State ontneemt. 3. Schendt artikel 2, vierde lid van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw, zoals ingevoegd bij artikel 87 van deze wet, ingevoegd bij artikel 2 van het decreet van 23 juni 1993 en vervangen bij artikel 2 van het decreet van 13 juli 1994, de regels die door of krachtens de Grondwet zijn vastgesteld voor het bepalen van de onderscheiden bevoegdheid van de Staat, de Gemeenschappen en de Gewesten, in zoverre deze bepaling het wettigheids- en vernietigingstoezicht op gewestplanbestemmingswijzigingen onttrekt aan respectievelijk de hoven en rechtbanken en de Raad van State. Artikel 3. Het door de auditeur-generaal aan te stellen lid van het auditoraat wordt belast met het verder onderzoek van de zaak na ontvangst van de uitspraak van het Grondwettelijk Hof. X-9872-9/10 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien september 2008 door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. G. SCHEVENEELS, griffier. De griffier, De voorzitter, G. SCHEVENEELS. R. STEVENS. X-9872-10/10 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.310 Gerelateerde publicatie(
- s)gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.197.192 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div