← België

Arrest 186311 - Examens (onderwijs) - 16/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 16 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.311 Rolnummer: A. 189605/XII-5542 Zaak: Arrest 186311 - Examens (onderwijs) - 16/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-22 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.311 van 16 september 2008 Onderwijs en cultuur - Examens (onderwijs) Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.311 van 16 september 2008 in de zaak A. 189.605/XII-

  1. In zake :
  2. Maria TRAPPERS,
  3. Jamie OOMS, die woonplaats kiezen bij advocaat H. Van Looy, kantoor houdende te Hulshout, Grote Baan 210 tegen : het GEMEENSCHAPSONDERWIJS, vertegenwoordigd door de scholengroep KLA4, dat woonplaats kiest bij advocaat L. Moreau, kantoor houdende te Mortsel, Kerkstraat
  4. ----------------------------------------------------------------------------------------------------- -- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat Maria Trappers, in eigen naam, en Jamie Ooms, minderjarige leerling vertegenwoordigd door zijn moeder Maria Trappers, op 8 september 2008 hebben ingediend waarin bij uiterst dringende noodzakelijkheid de schorsing wordt gevorderd van de tenuitvoerlegging van de beslissing van 29 augustus 2008 van de algemeen directeur van Scholengroep Kla4 van het Gemeenschapsonderwijs, om de over Jamie Ooms delibererende klassenraad niet opnieuw samen te roepen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gelet op de beschikking van 9 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008, om 10.30 uur; Gelet op de beschikking van 11 september 2008 waarbij aan verzoekers het voordeel van de kosteloze rechtspleging wordt verleend voor wat betreft de vordering tot schorsing; Gehoord het verslag van staatsraad G. van Haegendoren; XII-5542-1\12 Gehoord de opmerkingen van advocaat H. Van Looy, die verschijnt voor verzoekers, en van advocaat L. Moreau, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur D. Mareen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feitelijke gegevens van de zaak 1.
  5. Jamie Ooms is tijdens het schooljaar 2007-2008 leerling van het tweede leerjaar van de eerste graad ASO, optie moderne wetenschappen, aan de middenschool Anton Bergmann te Lier. 1.
  6. Op 17 maart 2008 beslist de begeleidende klassenraad om J. Ooms bij tuchtmaatregel definitief uit te sluiten uit de school “met onmiddellijke ingang”. Deze beslissing wordt daags nadien door de directie van de school schriftelijk meegedeeld aan zijn moeder, Maria Trappers. In die brief wordt met betrekking tot een eventueel verweer tegen de genomen tuchtmaatregel verwezen naar de beroepsprocedure zoals uiteengezet in het schoolreglement. Verzoekende partijen komen evenwel niet in beroep tegen deze tuchtmaatregel. 1.
  7. Op 19 juni 2008 stelt de raadsvrouw van verzoekers de school in gebreke om J. Ooms verder voor te bereiden en examens mee te laten doen. Met een brief van 25 juni 2008 antwoordt de directie. Verwijzend onder meer naar artikel 74undecies van het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs-II zetten zij uiteen waarom de school niet verplicht is om J. Ooms nog te laten deelnemen aan de examens. In die brief wordt ook toegelicht dat de uitsluiting tot op het ogenblik van inschrijving in een andere school geen afbreuk doet aan de regelmatige inschrijving van verzoeker, zodat de delibererende klassenraad verplicht zal zijn om op het einde van het schooljaar een beslissing te nemen over zijn attestering. Zij sluit een overzicht bij van de interventies van de CLB-medewerker XII-5542-2\12 ten einde verzoekster te overtuigen om verzoeker in te schrijven in de middenschool te Mortsel, die daartoe bereid was. 1.
  8. Op het einde van het schooljaar beslist de delibererende klassenraad om verzoeker een oriënteringsattest C te geven, met als motivering : “tot paasverlof: tot. onvoldoende voor Frans, geschied., fysica en biologie onvold. dag. werk Nederlands na paasverlof : niet te evalueren gezien de definitieve uitsluiting”. Op 9 juli 2008 deelt de directeur aan verzoekster en haar raadsvrouw mee, onder meer, dat hij na het gesprek diezelfde dag met hen van mening is dat een nieuwe bijeenkomst van de klassenraad niet noodzakelijk is. Hij wijst er ook op dat de beslissing van de klassenraad gebaseerd is op de resultaten van verzoeker tot de paasvakantie, dat verzoeker gezakt is voor vijf vakken, dat dit het C-attest rechtvaardigt en dat hij zijn studies niet met vrucht heeft beëindigd en dus niet naar een derde jaar kan overgaan. Hij voegt er ook aan toe “met betrekking tot uw stelling dat Jamie goede resultaten had voor sport en LO en dus naar een 3de jaar sport moet kunnen overgaan”dat in 3TSO LO en sport naast 12 uren sport ook 20 uren algemene en 2 uren technische vakken zijn geprogrammeerd. 1.
  9. Vervolgens tekent verzoekster bezwaar aan bij de beroepscommissie. In het bezwaarschrift zet zij uiteen dat haar zoon na de paasvakantie wegens zijn uitsluiting niet de gelegenheid kreeg om de leerstof te kunnen bijhouden en examens af te leggen. Volgens haar is een andere visie over het al dan niet slagen van haar zoon mogelijk, nu een school te Wemmel na inzage van de in het verleden behaalde resultaten, bereid zou zijn om hem in te schrijven in het derde jaar TSO Sport. Zij wijst op het lagere aantal uren algemene vakken in die richting en bepleit dat haar zoon delibereerbaar is. Jamie had volgens haar betere punten kunnen behalen op het einde van het schooljaar als hem de kans was gegeven om de stof te leren en de examens mee te doen. Op 28 augustus 2008 adviseert de beroepscommissie om de klassenraad niet terug bijeen te roepen, op grond van volgende overwegingen : “Deel 1 : beroep aangetekend tegen de beslissing om de leerling niet voor te bereiden op noch te laten deelnemen aan de examens in juni 2008 Jamie werd op 18 maart 2008 -na allerlei incidenten en verwittigingen- definitief uitgesloten in MS Lier. Hij werd sinds de paasvakantie in geen andere school ingeschreven. Er werd door MS Lier en door het CLB GO! Lier XII-5542-3\12 meer gezocht naar oplossingen en hij werd toegelaten in MS Mortsel : Jamie is hier nooit opgedaagd. Het dossier van Jamie omvat de kopies van een uitgebreide briefwisseling i.v.m. de uitsluiting. In de brief van 25 juni 2008 aan mevr. H. Van Looy werd deze aanklacht weerlegd en wordt de juridische basis voor de weerleggingen duidelijk aangegeven. Deel 2 : beroep tegen de eindbeslissing C-attest De delibererende klassenraad heeft besloten tot een C-attest op basis van de studieresultaten van Jamie Ooms. Om tot deze beslissing te komen werd gehandeld volgens de afspraken zoals die in het schoolreglement aan de ouders en leerlingen gecommuniceerd worden”. 1.
  10. Op 29 augustus 2008 deelt de algemeen directeur van de scholengroep “voor de Inrichtende Macht” mee wat volgt : “U diende aangetekend bezwaar in tegen het feit dat uw zoon, Jamie Ooms, niet voorbereid werd op, noch mocht deelnemen aan de examens in juni 2008 in de middenschool Anton Bergmann te Lier. U ging ook in beroep tegen de eindbeslissing van de delibererende klassenraad die een ‘orënteringsattest C’ uitsprak voor Jamie voor het tweede jaar van de eerste graad moderne Wetenschappen. In het dossier dat in MS Lier bewaard wordt bevinden zich kopies van een uitgebreide briefwisseling i.v.m. de definitieve uitsluiting uit de school van Jamie op 18 maart ll. en van de zoektocht (en verzoeken) om Jamie voor de rest van het schooljaar in een andere school in te schrijven. In de brief die op 25 juni 2008 aan mevr. H. Van Looy verstuurd werd, werd de eerste aanklacht om niet te worden voorbereid op en te mogen deelnemen aan de examens weerlegd met duidelijk aangegeven juridische basissen. Betreffende uw beroep tegen de eindbeslissing C-attest, volg ik het advies van de beroepscommissie die gisteren bijeenkwam. Er werden volgend de commissie geen onwettigheden noch onregelmatigheden vastgesteld bij het nemen van de beslissing door de delibererende klassenraad. Het C-attest werd aan Jamie toegekend op basis van zijn studieresultaten en er werd gehandeld volgens de afspraken zoals die in het schoolreglement aan de ouders en leerlingen gecommuniceerd werden. Daarom hoeft de delibererende klassenraad niet opnieuw bijeen te komen”. De ontvankelijkheid van de vordering
  11. Vooralsnog bestaat er geen noodzaak om over de door de verwerende partij opgeworpen ontvankelijkheidsexceptie uitspraak te doen. Een onderzoek van en een uitspraak over die exceptie zou alleen nodig zijn indien zou komen vast te staan dat de grondvoorwaarden voor het toewijzen van de vordering tot schorsing vervuld zijn, wat, zoals hierna zal blijken, niet het geval is. XII-5542-4\12 De schorsingsvoorwaarden
  12. Luidens artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden besloten onder de drievoudige voorwaarde dat een uiterst dringende noodzakelijkheid voorhanden is, dat ernstige middelen worden aangevoerd die de vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. Beoordeling van de tweede schorsingsvoorwaarde
  13. De verzoekende partijen zetten hun grieven in het inleidend verzoekschrift uiteen onder vijf rubrieken. Eerste middel Standpunt van de verzoekende partijen
  14. In het eerste middel wordt een gebrek aan motivering aangevoerd. Uiteengezet wordt in een eerste onderdeel, dat het advies van de beroepscommissie niet is meegedeeld zodat de verwijzing naar dit advies niet beantwoordt aan de motiveringsplicht en dat de motivering niet in de akte is terug te vinden. In een tweede onderdeel brengen verzoekende partijen aan de orde dat de school te kort kwam aan haar begeleidingsplicht na de uitsluiting van Jamie. In het derde onderdeel argumenteren zij dat de cijfers blijkbaar het enige is wat telt voor de klassenraad, dat er geen rekening mee werd gehouden dat Jamie aan ADHD lijdt, dat hij de richting sport volgt en voor sport goede uitslagen behaalde, dat hij gedemotiveerd zou worden in een klas met twee jaar jongere kinderen, dat hij absoluut niet dom is en dat er voor verzoekster financiële gevolgen zijn. Herhaald wordt dat in de richting TSO Sport minder algemene vakken worden gegeven en dat verzoeker betere punten had kunnen behalen als hem de kans was gegeven om de stof te leren en examens mee te doen. XII-5542-5\12 Beoordeling
  15. Tegen de beslissing van de delibererende klassenraad om aan verzoeker een oriënteringsattest C te geven is binnen de school de beroepsprocedure gevolgd die is georganiseerd in de artikelen 68 en volgende van het besluit van de Vlaamse regering van 19 juli 2002 betreffende de organisatie van het voltijds secundair onderwijs (hierna : organisatiebesluit). Geen enkele bepaling van het organisatiebesluit verplicht het schoolbestuur om aan de verzoekers een afschrift te bezorgen van het advies van de beroepscommissie. Die verplichting zou wel kunnen voortvloeien uit de formele-motiveringsplicht indien, zoals verzoekers beweren, de bestreden beslissing zich er van af zou maken als motief louter te verwijzen naar dat advies. Dat is echter niet het geval : in het schrijven van 29 augustus 2008 worden de overwegingen uit het advies van de beroepscommissie wel degelijk geparafraseerd. Het eerste gedeelte van die motivering is voorts van aard om in de huidige stand van de procedure de grief over een beweerd gebrek aan begeleiding niet bij te vallen. Het door verwerende partij neergelegde dossier bevat effectief een overzicht van brieven, telefoongesprekken en mails die er vooralsnog van doen blijken dat zij na de uitsluiting van verzoeker inspanningen heeft gedaan om voor hem een andere school te vinden. Die zoektocht lijkt overigens ook tot resultaat geleid te hebben, aangezien in Wemmel een school bereid gevonden was om Jamie voor het resterende deel van het schooljaar in te schrijven. De definitieve uitsluiting bij tuchtmaatregel ontneemt verzoeker het recht op onderwijs in de middenschool Anton Brugmann, en impliceert dat hij geen recht meer kan doen gelden om er lessen te volgen of examens af te leggen. De verzoekende partijen hebben gemeend geen beroep te moeten instellen tegen die beslissing - bij voorbeeld om ze geheel ongedaan te laten maken, of om te vragen dat de uitsluiting minstens zou worden verzacht door ze pas te laten ingaan vanaf 31 augustus of slechts betrekking zou hebben op het bijwonen van de lessen. Die maatregel is dus definitief geworden. Dit heeft in beginsel tot gevolg dat verzoeker, om als minderjarige te voldoen aan de leerplicht, zich in een andere school moest inschrijven of veranderen naar huisonderwijs (individueel onderricht of privé- school). Verzoeker blijkt echter voor geen van beide opties te hebben gekozen. Zoals verwerende partij in haar brief van 25 juni 2008 aan verzoekers heeft uiteengezet, volgt uit de vigerende regelgeving en vooral uit artikel 74undecies van XII-5542-6\12 het decreet van 31 juli 1990 betreffende het onderwijs II, dat verzoeker in dat geval ingeschreven blijft in de middenschool Anton Brugmann. Zolang hij daar ingeschreven en er dus een regelmatige leerling is -weze het een leerling die is uitgesloten van het recht op onderwijs aan die school- neemt de Raad van State op het eerste gezicht aan dat de delibererende klassenraad terecht heeft gemeend op het einde van het schooljaar zich nog te moeten uitspreken over het attest van verzoeker. Die zienswijze spoort ook met artikel 39 van het organisatiebesluit, dat het oriënteringsattest C mede vermeldt voor het geval de leerling “het leerjaar, de onderwijsvorm en de onderverdeling slechts gedurende een gedeelte van het schooljaar in de betrokken onderwijsinstelling heeft gevolgd”. Het een en ander betekent dat verzoeker het enkel aan zichzelf te verwijten heeft dat er voor het einde van het leerjaar geen punten beschikbaar zijn, door namelijk, eensdeels, de uitsluiting niet aan te vechten en, anderdeels, erna geen actie te ondernemen die toch er toe kon leiden dat hij lessen kon volgen en examens meedoen. De delibererende klassenraad was bereid om in die gegeven omstandigheden enkel rekening te houden met de door verzoeker wél behaalde resultaten. Er wordt door de verzoekende partijen niet betwist dat verzoeker -met de woorden van de delibererende klassenraad- “totaal onvoldoende” had voor de vakken Frans, geschiedenis, fysica en biologie en onvoldoende voor dagelijks werk Nederlands. Die motivering lijkt volgens de Raad van State afdoende om te doen begrijpen waarom de leerling het schooljaar niet met vrucht heeft beëindigd. Dat verzoeker aan ADHD zou lijden, lijkt veeleer betrokken te moeten worden op de gedragsproblematiek ten gevolge waarvan hij uit de school is uitgesloten. Die tuchtmaatregel is in voorliggend beroep evenwel niet aan de orde. Verzoekende partijen concretiseren niet in welke mate de delibererende klassenraad de ADHD-problematiek in verband had moeten brengen met de “totaal onvoldoende” punten voor vier vakken en de onvoldoende dagelijks werk Nederlands. Zij brengen over die aandoening ook geen nadere stukken bij, en hebben die grief aan de beroepscommissie zelfs niet voorgelegd. Verzoekers menen wel dat er tot een geslaagd zijn besloten kan worden als men rekening houdt met het lessenrooster van het derde jaar TSO Sport. Vooraleer een leerling evenwel mag overgaan naar een volgend schooljaar -desnoods met een clausulering of een zogenaamd B-attest- moet hij bewezen XII-5542-7\12 hebben dat hij het huidige schooljaar wel degelijk met vrucht heeft beëindigd. De delibererende klassenraad, door te verwijzen naar niet minder dan vijf onvoldoendes én de afwezigheid na de paasvakantie, en de algemeen directeur op advies van de beroepscommissie, door weliswaar summier te verwijzen naar de studieresultaten, hebben aldus in de “totaal onvoldoende” punten prima facie de reden kunnen vinden om een C-attest te geven resp. om de klassenraad niet opnieuw samen te roepen. Het eerste middel is niet ernstig. Tweede middel Standpunt van de verzoekende partijen
  16. Verzoekers formuleren hun tweede grief als “niet handelen als een zorgvuldig handelend bestuur”, omdat, eensdeels, geen antwoord is gevolgd over het feit dat Jamie TSO Sport wilt volgen, goede resultaten haalde voor sport, de algemene vakken buiten sport minder uren bedragen en hij voldoende algemene kennis heeft en, anderdeels, de beslissing pas is getroffen op een moment dat het schooljaar reeds was begonnen. Beoordeling
  17. Uit de bespreking van het eerste middel is gebleken dat verzoeker hoe dan ook het tweede leerjaar niet met vrucht had beëindigd in de ogen van verwerende partij, zodat alle beschouwingen omtrent het derde jaar niet ter zake waren. Gewis is dit in karige bewoordingen uiteengezet en had een wat meer omstandige formulering niet misstaan. Dit neemt niet weg dat de beweerd onbeantwoord gebleven vragen van verzoekers niet tot een ander antwoord lijken te kunnen leiden. Verzoekers hebben gelijk vast te stellen dat het schooljaar al van start is gegaan. De eventuele vaststelling dat het van onzorgvuldig handelen getuigt om pas dan een beslissing te nemen of mee te delen, kan echter niet er toe leiden dat de leerling als sanctie van de weeromstuit maar geslaagd verklaard moet worden. Het organisatiebesluit geeft de schoolbesturen overigens de tijd tot 20 september om een eindbeslissing te nemen. XII-5542-8\12 Verzoekers hebben bijgevolg geen belang bij dit middel. Derde middel Standpunt van de partijen
  18. In het derde middel zetten verzoekers uiteen dat hun rechten van verdediging zijn geschonden omdat zij geen inzage gekregen hebben in het dossier en ook van het advies van de beroepscommissie geen kennis hebben. Verwerende partij ontkent in haar nota met opmerkingen de aantijging en stelt dat verzoekster wel degelijk in de mogelijkheid werd gesteld het dossier in te zien en dat alle sanctiebladen en beslissingen van de klassenraad aan haar werden meegedeeld. Beoordeling
  19. Verzoekers beperken zich er toe te stellen geen inzage te hebben gekregen van “het dossier”. Zij preciseren op geen enkel ogenblik over welke stukken van “het dossier” het dan wel zou gaan welke een weerslag kunnen hebben op de beslissing of die nodig zijn om hun zienswijze op te steunen. Wat het advies van de beroepscommissie betreft, is hiervoor reeds opgemerkt dat er geen verplichting tot inzage of mededeling bestaat in het kader van de beroepsprocedure en dat het is geparafraseerd in de bestreden eindbeslissing. Het middel is niet ernstig. Vierde middel Standpunt van de verzoekende paritjen
  20. Een vierde middel putten verzoekers uit de schending van het evenredigheidsbeginsel en het “billijkheidsbeginsel”. Op grond van die beginselen zou aan verzoeker in de concrete omstandigheden minstens een B-attest gegeven kunnen worden om hem toe te laten tot het derde jaar TSO-Sport. Jamie wordt na XII-5542-9\12 zijn uitsluiting verder de put in geduwd door de bestreden beslissing, nadat er reeds geen hulp is gegeven bij de zoektocht naar een andere school. Beoordeling
  21. Hiervoor is reeds overwogen wat verzoeker te doen stond na zijn uitsluiting en dat de school in tegenstelling tot wat wordt beweerd, wel degelijk inspanningen geleverd lijkt te hebben tot en met het vinden van een andere school die bereid was verzoeker in te schrijven. De Raad van State mag zich voorts niet als beroepsinstantie in de plaats van de delibererende klassenraad stellen voor de beoordeling van de examenresultaten en van de geschiktheid van de leerling om het volgende jaar aan te vatten, vermits het alleen aan de delibererende klassenraad toekomt om die keuze te maken. De delibererende klassenraad beschikt daarbij over een -ruime- discretionaire bevoegdheid. De Raad van State kan verzoeker derhalve niet beschermen tegen strenge beslissingen, alleen tegen onwettige beslissingen. Een strenge beslissing kan door de betrokken leerling allicht als onredelijk of onbillijk ervaren worden. Het is ook niet uitgesloten dat een ándere delibererende klassenraad, op zicht van dezelfde gegevens en op grond van de hem toekomende beoordelingsbevoegdheid, evengoed binnen de grenzen van de wettelijkheid tot een ánder oordeel zou komen. Een beoordeling door de delibererende klassenraad mag door de Raad van State echter enkel voor onwettig worden gehouden indien blijkt dat die beslissing niet gedragen kan worden, in rechte of in feite, door de er voor ingeroepen motieven of indien het om een beslissing gaat waarvan gewoon niet te begrijpen valt hoe ze zelfs binnen die ruim geachte discretionaire bevoegdheid tot stand is kunnen komen : waarvan met andere woorden niet denkbaar is dat enige zorgvuldig handelende klassenraad ze zou kunnen nemen. Hiervoor is al vastgesteld dat de beslissing in rechte deugdelijk is gemotiveerd door te zijn gesteund op de “totaal onvoldoende” studieresultaten. Met die beslissing begeeft de verwerende partij zich niet buiten de grenzen van haar beoordelingsvrijheid. Het middel is niet ernstig. XII-5542-10\12 Vijfde middel Standpunt van de verzoekende partijen
  22. Als vijfde grief dat de hoorplicht een algemene draagwijdte heeft en dat de beroepscommissie naliet verzoekster uit te nodigen om gehoord te worden. Beoordeling
  23. De wijze waarop verzoekers hun standpunt naar voren konden brengen is geregeld in het organisatiebesluit, te weten tijdens een overleg bij de directeur en aan de hand van een geschreven bezwaarschrift bij de beroepscommissie. Zij hebben van beide gelegenheden gebruik gemaakt. Nergens is voorgeschreven dat de hoorplicht te dezen ook vereist dat zij hun standpunt nog eens persoonlijk voor de beroepscommissie mochten uiteenzetten. Verzoekers geven ook niet concreet aan welk nadeel zij zouden hebben ondervonden door hun grieven, die reeds op papier stonden, niet mondeling te hebben kunnen toelichten. Het middel is niet ernstig. Besluit
  24. Er is niet voldaan aan ten minste één van de voorwaarden gesteld in artikel 17, §§ 1 en 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid worden toegewezen.
  25. In het beschikkend gedeelte van hun verzoekschrift vragen de verzoekende partijen nog om de inschrijving van verzoeker aan het KTA Wemmel te bevelen. Nu tot de verwerping van de vordering tot schorsing wordt besloten, kan alleen reeds om die reden niet worden ingegaan op dit verzoek. XII-5542-11\12 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  26. De vordering tot schorsing bij uiterst dringende noodzakelijkheid wordt verworpen. Artikel
  27. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zestien september 2008, door : de HH. G. VAN HAEGENDOREN, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. G. VAN HAEGENDOREN. XII-5542-12\12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.311 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2009:ARR.192.238 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.