← België

Arrest 186333 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 17 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.333 Rolnummer: A. 69612/X-6687 Zaak: Arrest 186333 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 17/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-30 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.333 van 17 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.333 van 17 september 2008 in de zaak A. 69.612/X-

  1. In zake : Daniel DUMON, die woonplaats kiest bij advocaat I. COOREMAN, kantoor houdende te 1070 BRUSSEL, Ninoofsesteenweg 643 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. VAN BEVER, kantoor houdende te 1850 GRIMBERGEN, Pastoor Woutersstraat 32, bus
  2. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Daniel DUMON op 1 juli 1996 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 19 april 1996 van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Vervoer en Ruimtelijke Ordening waarbij zijn beroep wordt verworpen en de vergunning wordt geweigerd voor het regulariseren van een carport te Beersel, Kesterbeeklaan, op een perceel kadastraal bekend sectie B, nr. 362/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur T. DE WAELE; Gelet op de beschikking van 13 december 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie en het verzoek tot voortzetting van de procedure, ingediend door de verzoekende partij; X-6687-1/13 Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. CLEMENT; Gehoord de opmerkingen van advocaat I. COOREMAN, die verschijnt voor de verzoekende partij, en van advocaat I. DURNEZ, die loco advocaat M. VAN BEVER, verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van auditeur T. DE WAELE; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  3. Feiten 1.
  4. De verzoeker, die eigenaar en bewoner is van een woning gelegen aan de Kesterbeeklaan 148 te Lot-Beersel, dient op 29 november 1994 bij het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel een bouwaanvraag in, strekkende tot het “bijbouwen van een car-port” aan de zijkant van zijn woning. De aanvraag heeft betrekking op de regularisatie van een houten constructie, geplaatst tegen de zijmuur van de woning en afgewerkt met een lessenaarsdak in dakpannen, die op een afstand van 0,50 meter (achteraan) tot 0,61 meter (vooraan) ten opzichte van de perceelsgrens staat. Het perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het bij koninklijk besluit van 7 maart 1977 vastgestelde gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse gelegen in een woongebied met landelijk karakter. 1.
  5. Het gemeentebestuur van Beersel stuurt het dossier naar de diensten van de gemachtigde ambtenaar, die op 6 januari 1995 een ongunstig advies geeft op grond van de overweging dat het ontwerp, “door zijn inplanting in de zijdelingse bouwvrije strook, de openheid en de goede ruimtelijke ordening van het landelijk woongebied in het gedrang (brengt)”. X-6687-2/13 Op 17 januari 1995 weigert het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Beersel de vergunning met verwijzing naar laatstgenoemd advies. 1.
  6. Op 7 september 1995 verwerpt de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant het administratief beroep van de verzoeker tegen voornoemde weigeringsbeslissing om reden dat de inneming van de zijdelingse bouwvrije strook in een perceelsconfiguratie die gekenmerkt wordt door open residentiële bebouwing strijdig is met de stedenbouwkundige opvattingen. 1.
  7. De verzoeker dient tegen deze nieuwe weigeringsbeslissing administratief beroep in bij de bevoegde Vlaamse minister en brengt ter staving van zijn standpunt een reeks foto’s bij “over de feitelijke toestand ter plaatse en in de wijk waar zich tal van car-ports bevinden naast de woningen”. 1.
  8. Op 19 april 1996 verwerpt de betrokken minister het administratief beroep van de verzoeker en wordt de vergunning opnieuw geweigerd. Dit is de bestreden beslissing, die volgende motivering bevat: “Overwegende dat het ontwerp de regularisatie voorstelt van een houten carport, aangebouwd aan de rechter zijdelingse gevel van de vrijstaande woning; dat het een bouwwerk betreft met een lengte van 8,85 m bij een breedte van 3,15 m, quasi in lengte gelijk aan de diepte van de woning; dat de houten draagstructuur voorzien is van een lichthellend dak, afdragend naar de rechter perceelsgrens; dat het bouwwerk staat ingeplant op 0,5 m van de laterale perceelsgrens; Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ordening der plaats, tevens gesteund op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan; Overwegende dat de vrijstaande woning werd ingeplant op een relatief klein perceel; dat het rechtsaanliggend terrein door zijn afmetingen en configuratie eveneens bestemd is voor de oprichting van een vrijstaande woning; dat het bijgevolg zowel uit perceelsordenend als uit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar is, ongeacht het akkoord van de eigenaar van het aanliggend eigendom, een constructie op te trekken tot op 0,5 m van de gemeenschappelijke perceelsgrens, waardoor de vereiste openheid van bebouwing wordt teniet gedaan; Overwegende dat betrokkene aan zijn beroepschrift enige foto’s toevoegt, blijkbaar met de bedoeling te verwijzen naar ‘gelijkaardige’ bebouwingen; dat geen enkele toelichting terzake wordt gegeven en daarenboven de foto’s overwegend garages weergeven aan de achterzijde van een rijbebouwing waarvan het hoofdgebouw gericht is op een andere parallelle straat; dat aan dit X-6687-3/13 referentiemateriaal geen waarde kan worden toegekend binnen huidige beroepsprocedure; Overwegende dat de ter regularisatie voorgestelde constructie om voormelde redenen niet voor vergunning in aanmerking komt; dat het beroep van de particulier dient verworpen”.
  9. Eerste middel 2.
  10. Standpunten van de partijen 2.1.
  11. Als eerste middel voert de verzoeker het volgende aan: “Schending van de motiveringsplicht van de bestuurshandelingen en in het bijzonder van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen. De weigeringsbeslissing om een car-port te bouwen aan de rechter zijdelingse gevel van de woning van verzoeker gelegen in een woongebied met landelijk karakter is onvoldoende gemotiveerd wanneer blijkt dat de overheid geen rekening heeft gehouden met de bestaande feitelijke toestand. De aanvraag moet immers worden beoordeeld in het licht van de kenmerkende eigenschappen en nadelen van het bouwwerk, de eigenheid van de onmiddellijke omgeving en van de aard en bestemming van de bestaande gebouwen. (...) Ten onrechte wordt in het gewraakte besluit voorgehouden dat zowel uit perceelsordenend als uit ruimtelijk ordenend oogpunt het bestaan van de car-port onaanvaardbaar is. De werkelijke situatie ter plaatse (...) leert ons dat:
  12. in de onmiddellijke omgeving van het gewraakte bouwwerk gelijkaardige bouwwerken bestaan;
  13. de car-port, zoals aangebouwd door verzoeker, de leefomstandigheden van de wijk en de onmiddelijke buurt niet beïnvloedt;
  14. het gewraakte bouwwerk een architectonisch geheel vormt met de omgeving;
  15. de buur palende aan het gewraakte bouwwerk tevens een gebouw heeft opgericht op 2,75m van de zijdelingse perceelgrens;
  16. het in voorliggend geval niet vaststaat dat de litigieuze inplanting niet verenigbaar zou zijn met de onmiddellijke omgeving. Het is duidelijk dat het gewraakte ministerieel besluit van 19/4/1996 zich stoelt op een stereotiepe, geijkte of gestandardiseerde motivering waarvan de juistheid bovendien wordt tegengesproken door de toestand ter plaatse. Dat bovendien ook het advies van de gemachtigde ambtenaar, in het kader van deze zaak, onwettig is aangezien het enkel beweringen bevat die op geen manier worden gemotiveerd of gestaafd. (...)”. 2.1.
  17. In haar memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het eerste middel als volgt: X-6687-4/13 “
  18. Dit middel faalt. Het bestuur motiveert uitdrukkelijk de genomen beslissing in het licht van de bestaande feitelijke toestand, zoals blijkt uit volgende uittreksels van het ministerieel besluit van 19.4.
  19. (...) ‘Overwegende dat de grond volgens het gewestplan Halle-Vilvoorde-Asse, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 maart 1977, gelegen is in een woongebied met landelijk karakter; dat overeenkomstig artikel 6 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en de gewestplannen de woongebieden met landelijk karakter bestemd zijn voor woningbouw in het algemeen en eveneens voor landbouwbedrijven. Overwegende dat kwestieuze grond niet gelegen is binnen de grenzen van een goedgekeurd bijzonder plan van aanleg, noch binnen de omschrijving van een behoorlijk vergunde en niet vervallen verkaveling; dat wegens het ontbreken van enig gedetailleerd ordeningsplan de vergunningverlenende overheid de voorliggende vraag dient te evalueren aan de hand van de gebruikelijke inzichten en noden betreffende een goede ordening der plaats, tevens gesteund op de eerder geciteerde voorschriften van het vigerend gewestplan;’ De Raad van State heeft trouwens reeds (...) geoordeeld dat het zijn beoordeling van de eisen van de plaatselijke aanleg of ruimtelijke ordening niet in de plaats mag stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. Aldus heeft de administratieve overheid een welbepaalde stedebouwkundige opvatting. De betrokken woning is immers opgevat in open bebouwing. Het aanpalend perceel is eveneens bestemd voor open bebouwing. Deze stedebouwkundige opvatting laat gewoon niet toe dat de zijdelingse stroken worden ingenomen met bijgebouwen. De litigieuze beslissing heeft dit ook met zoveel woorden gezegd: ‘Overwegende dat de vrijstaande woning werd ingeplant op een relatief klein perceel; dat het rechtsaanliggend terrein door zijn afmetingen en configuratie eveneens bestemd is voor de oprichting van een vrijstaande woning; dat het bijgevolg zowel uit perceelsordenend als uit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar is, ongeacht het akkoord van de eigenaar van het aanliggend eigendom, een constructie op te trekken tot op 0,5 m van de gemeenschappelijke perceelsgrens, waardoor de vereiste openheid van bebouwing wordt teniet gedaan; Overwegende dat betrokkene aan zijn beroepschrift enige foto’s toevoegt, blijkbaar met de bedoeling te verwijzen naar ‘gelijkaardige’ bebouwingen; dat geen enkele toelichting terzake wordt gegeven en daarenboven de foto’s overwegend garages weergeven aan de achterzijde van een rijbebouwing waarvan het hoofdgebouw gericht is op een andere parallelle straat; dat aan dit referentiemateriaal geen waarde kan worden toegekend binnen huidige beroepsprocedure;’ De overheid heeft aldus de redenen van haar beslissing op afdoende wijze, d.w.z. duidelijk in de beslissing zelf weergegeven”. 2.1.
  20. Met betrekking tot het eerste middel repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt: “A. De weigeringsbeslissing van het Vlaams Gewest verwijst naar de ligging van verzoeker’s perceel in open bebouwing en naar de ligging van het aanpalend perceel dat eveneens bestemd is voor open bebouwing. De minister houdt bijgevolg voor dat ‘het bijgevolg zowel uit perceelsordenend als uit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar is,..., een X-6687-5/13 constructie op te trekken tot op 0,5 m van de gemeenschappelijke perceelsgrens, waardoor de vereiste openheid van bebouwing teniet wordt gedaan’. Welnu, de eigenheid van de onmiddellijke omgeving stemt niet overeen met het beeld dat de Minister heeft gegeven in zijn weigeringsbeslissing.
  21. De bewering alszou het gewraakte bouwwerk de vereiste openheid van bebouwing op verzoeker’s perceel en dit van de buur teniet doen gaat niet op. De openheid van bebouwing bestaat (feitelijk)in casu niet (en kan dus niet teniet worden gedaan) wanneer men een onderzoek instelt naar de plaatselijke toestand :
  22. de buur, die als referentie dient in de weigeringsbeslissing van de Minister, heeft een bouwwerk opgericht op 2,75m van de zijdelingse perceelgrens;
  23. de onmiddellijke omgeving rondom het gewraakte bouwwerk vertoont een veelvuldigheid aan car-port’s en hun bestaan zelve is het bewijs dat de aard en bestemming van deze carport’s aanvaard worden als zijnde perceelsordenend en ruimtelijk ordenend. Bovendien blijkt hieruit dat de gewraakte inplanting verenigbaar is met de onmiddellijke omgeving. Het is duidelijk dat de overheid de regularisatieaanvraag niet heeft beoordeeld in het licht van de kenmerkende eigenschappen en nadelen van het bouwwerk, de eigenheid van de onmiddellijke omgeving en van de aard en bestemming van de bestaande gebouwen. (...) De inhoud van de ministeriële weigeringsbeslissing is onwettig aangezien het overwegingen bevat die geenzins overeenstemmen met de feitelijke toestand op het terrein. Verzoeker legt foto’s neer met vermelding van de localiteit waaruit het bestaan van car-port’s naast naburige woningen blijkt. De overheid heeft thans geen belang om het perceelsordenend en ruimtelijk ordenend motief in te roepen ter verrechtvaarding van de weigeringsbeslissing wanneer uit de feitelijke toestand op het terrein blijkt dat gelijkaardige bouwwerken in talrijke getallen aanwezig zijn in de onmiddellijke omgeving en binnen deze ruimtelijke ordening geïntegreerd en opgenomen zijn. Uit de foto’s genomen van het gewraakte bouwwerk blijkt nog dat :
  24. de car-port, zoals aangebouwd door verzoeker de leefomstandigheden van de wijk en de onmiddellijke buurt niet beïnvloeden;
  25. het gewraakte bouwwerk een architectonisch geheel vormt met de omgeving; BESLUIT : het staat in voorliggend geval niet vast dat de litigieuze inplanting niet verenigbaar zou zijn met de onmiddellijke omgeving. B. Wanneer het waar is dat de Raad van State diens appreciatie niet vermag in de plaats te stellen van de overheid dan is het evenzeer waar dat de Raad van State een manifeste appreciatiefout mag censureren. (...)”. 2.1.
  26. Met betrekking tot het eerste middel stelt de verzoeker in zijn laatste memorie hetgeen volgt: “De memorie van wederantwoord van verzoeker (...) tonen duidelijk aan dat de overwegingen van de bestreden beslissing geen steun vinden in de bestaande toestand ter plekke zodat de vraag rijst hoe het bestuur tot deze aangevochten overweging is kunnen komen. X-6687-6/13 Het middel ontleend aan het ontbreken van een uitdrukkelijke motivering van de aangevochten akte, wanneer deze steunt op duidelijke en onverklaarbare tegenstrijdigheden en op een onderzoek van het dossier dat nauwkeurigheid schijnt te hebben gemist, is gegrond. (...) De memorie van wederantwoord van verzoeker op pagina 2, punten
  27. en
  28. beschrijven duidelijk de door de overheid gemaakte appreciatiefouten. De foto’s, gevoegd bij het dossier van verzoeker zijn hiervoor ook belangrijk. Wanneer het waar is dat de Raad van State diens appreciatie niet vermag in de plaats te stellen van de overheid dan is het evenzeer waar dat de Raad van State een manifeste appreciatiefout mag censureren. (...) Bovendien, maakt een appreciatiefout de gehele motivering gebrekkig en staat gelijk aan een afwezigheid aan motivering. (...)”. 2.
  29. Beoordeling 2.2.
  30. Het komt de Raad van State niet toe zijn beoordeling van een goede plaatselijke aanleg in de plaats te stellen van die van de bevoegde administratieve overheid. In de uitoefening van het hem opgedragen wettigheidstoezicht is de Raad van State enkel bevoegd na te gaan of de bevoegde administratieve overheid is uitgegaan van de juiste feitelijke gegevens, of zij die correct heeft beoordeeld en of zij op grond daarvan in redelijkheid tot het besluit is kunnen komen dat de aangevraagde vergunning onverenigbaar is met de eisen van een goede plaatselijke aanleg. 2.2.
  31. Uit de door de verzoeker voorgebrachte gegevens blijkt niet dat de “gelijkaardige bouwwerken” waarnaar hij verwijst zich op een korte afstand van de betrokken car-port zouden bevinden, noch of deze gelegen zijn binnen hetzelfde bestemmingsgebied van het gewestplan. Aan die vaststelling wordt geen afbreuk gedaan door de boude bewering van de verzoeker in de memorie van wederantwoord als zouden al deze “gelijkaardige bouwwerken” zich “in de onmiddellijke omgeving” van de car-port bevinden. 2.2.
  32. Zoals blijkt uit de in het bestreden besluit opgegeven motieven, heeft de vergunningverlenende overheid de toekomstige aanleg van het rechtsaanpalende terrein niet willen hypothekeren door een inname van de bouwvrije zijdelingse strook toe te laten en aldus de “vereiste openheid van bebouwing” teniet te doen. X-6687-7/13 2.2.
  33. De verzoeker toont niet aan dat de verwerende partij in het bestreden weigeringsbesluit de eisen van een goede plaatselijke aanleg kennelijk onredelijk zou hebben beoordeeld. 2.2.
  34. Het eerste middel is niet gegrond.
  35. Tweede middel 3.
  36. Standpunten van de partijen 3.1.
  37. Als tweede middel voert de verzoeker het volgende aan: “afgeleid uit de incoherente houding van de Minister en de miskenning van de eisen van een behoorlijk bestuur. De Raad van State heeft reeds geoordeeld (...) dat: ‘Indien het waar is dat de overheid over een zekere appreciatiebevoegdheid beschikt om de toekomstige bestemmingen van de gronden te bepalen, dan is zij zeker niet minder gehouden om rekening te houden met de feitelijke elementen die de plaats karakteriseren.’ De principes van dit arrest zijn in casu ook van toepassing : Gelet het feit dat het perceel van verzoeker juist dezelfde is als de percelen uit de naaste omgeving waar wel bouwwerken werden opgetrokken in de zijdelingse strook, bestaat er geen verrechtvaardiging om het betrokken perceel anders te gaan behandelen, temeer het gewraakte bouwwerk de ruimtelijke ordening van de onmiddellijke omgeving niet in gevaar brengt (...). Het is niet gepast om in strijd met de werkelijkheid het bestaan van een situatie op te wekken die de weigering van een regularisatievergunning zou verrechtvaardigen; situatie die in werkelijkheid onbestaande is. Zodanig handelen is willekeurig en bovendien in strijd met de regels van behoorlijk bestuur”. 3.1.
  38. In haar memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het tweede middel als volgt: “
  39. Eiser verwijt concluant een miskenning van de ‘eisen van een behoorlijk bestuur’. Eiser vermeldt niet welke eis of beginsel van behoorlijk bestuur geschonden werd. Hij specifieert daarentegen wel bijv. in zijn derde middel het gelijkheidsbeginsel als eis van behoorlijk bestuur. Dit middel is aldus onontvankelijk. ‘Art. 2 van het procedurereglement eist verder dat een verzoekschrift een uiteenzetting van de middelen zou bevatten, dit op straffe van onontvankelijkheid. Onder middel in de zin van artikel 2, par. 1, 2/ van het procedurereglement moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. ‘Voldoende duidelijk’ betekent dat men geen veronderstellingen over de juiste bedoeling van de verzoeker moet X-6687-8/13 gaan maken. Een verzoekschrift dat alleen vage middelen bevat die niet verder zijn ontwikkeld is niet ontvankelijk. De initiële niet-ontvankelijkheid van een beroep wegens de ontstentenis aan middelen of ontvankelijk geformuleerde middelen kan niet worden verholpen door de uiteenzetting van middelen in een laatste memorie, ook al zou het gaan om middelen, gesteund op de overtreding van een wet van openbare orde. ... Opdat het middel ontvankelijk zou zijn is het evenwel noodzakelijk dat het aanduidt krachtens welke regel een feit waarvan de onwettigheid wordt ingeroepen, de rechtsgevolgen zou hebben die de verzoeker aan dit feit toekent.’ (...) In casu is er geen sprake van een voldoende duidelijke omschrijving van een overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. ‘Een verzoekschrift moet, wat gevorderd wordt en de feitelijke en de rechtsgrond waarop de vordering is gesteund, op zodanige manier onder woorden brengen dat de verwerende partij en de rechter aan de hand van wat het verzoekschrift bevat, kunnen bepalen wat de grondslag is van het beroep, zonder dat de interpretatie van wat verzoeker wil, uitloopt in het maken van veronderstellingen waardoor in werkelijkheid de verwerende partij en nadien de rechter ertoe worden gebracht in de plaats van verzoeker het verzoekschrift op te stellen. Voldoet het verzoekschrift niet aan de zoëven omschreven voorwaarden, dan is het als zodanig ongeldig.’ (...)
  40. Voor het geval dat de Raad van State deze stelling niet volgt, kan concluant uit het verzoekschrift tot nietigverkaring enkel afleiden dat volgens eiser het bestuur willekeurig zou gehandeld hebben. Eiser stelt dat het bestuur niet genoeg rekening gehouden heeft met de feitelijke situatie en zodoende een valse basis gecreëerd heeft voor het nemen van zijn beslissing. Dit middel faalt, omdat eiser in gebreke blijft het bewijs te leveren van die zogezegde door het bestuur zelf gecreëerde valse voorstelling van de feiten. Het bestuur heeft wel degelijk rekening gehouden met de feitelijke situatie, zoals uit dit uittreksel van het ministerieel besluit van 19.4.96 blijkt. (...) ‘Overwegende dat de vrijstaande woning werd ingeplant op een relatief klein perceel; dat het rechtsaanliggend terrein door zijn afmetingen en configuratie eveneens bestemd is voor de oprichting van een vrijstaande woning; dat het bijgevolg zowel uit perceelsordenend als uit ruimtelijk ordenend oogpunt onaanvaardbaar is, ongeacht het akkoord van de eigenaar van het aanliggend eigendom, een constructie op te trekken tot op 0,5 m van de gemeenschappelijke perceelsgrens, waardoor de vereist openheid van bebouwing wordt teniet gedaan;’ De foto’s waarnaar eiser verwijst (...) konden door het bestuur niet in aanmerking genomen worden daar ze onduidelijk zijn omdat er geen enkele uitleg bij gegeven wordt”. 3.1.
  41. Met betrekking tot het tweede middel repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt: “Onder ‘middel’ in de zin van art. 2, par., lid 2 Procedurereglement, moet worden verstaan: de voldoende duidelijke omschrijving van de miskende rechtsregel en van de wijze waarop hij geschonden werd. X-6687-9/13 Welnu, verzoeker stelt vast dat in casu de houding van de overheid geen rechtszekerheid insluit wegens de incoherente houding die zij aanneemt en die wijst op een arbitrair beleid. De incoherente houding van de overheid blijkt uit het feit dat het bestuur geen vaste gedrags- of beleidsregel toepast ter plaatse. De ene buur mag in een zone van open bebouwing wel een constructie plaatsen op 2,75 m van de scheidingslijn, de andere buren mogen wel car-ports bouwen en gebruiken terwijl het aan verzoeker zondermeer wordt verboden. Deze incoherente houding van de overheid wekt de schijn op bij de burgers dat welbepaalde constructies wel degelijk thuis horen in de betrokken omgeving. In casu had de minister er redelijkerwijze moeten van uitgaan dat het volume en het aspect van de gewraakte car-port niet van dien aard zijn om de reeds bestaande stedebouwkundige aspecten ter plaatse te wijzigen. (...) In dit opzicht zou het toestaan van de regularisatievergunning in de lijn liggen van de coherente houding van de overheid binnen het kader van de betrokken plaatselijke ruimtelijke ordening. De Raad van State heeft reeds beslist (...) dat: ‘Het betaamt over te gaan tot de annulatie van een perceel in zone met landschappelijke waarde, indien de dokumenten die bij het dossier worden gevoegd geen enkele esthetische karakteristiek vertonen die op redelijke wijze verrechtvaardigen dat het landschap het voorwerp uitmaakt van een bijzondere bescherming.’ Het spreekt voor zich dat deze stukken moeten voorafgaan aan de goedkeuring en/of de beslissing. Men mag niet nadien een verrechtvaardiging voor een beslissing vinden, die ontdaan is van elk motief. Welnu, in casu komt de verrechtvaardiging van de overheid erop neer te stellen dat de plaatselijke stedebouwkundige opvatting geen bijgebouwen op de zijdelingse stroken toelaat. Welnu, deze (weigerings)beslissing stoelt niet op een correcte feitenvinding. Een bezoek ter plaatse (...) laat toe vast te stellen dat er zowat overal bijgebouwen staan in de bewuste zijdelingse stroken, binnen de zeer nabije omgeving. Het bestuur dient zich zo nodig voldoende te informeren om met kennis van zaken een beslissing te nemen. De overheid heeft in casu niet op een behoorlijke manier gehandeld t.a.v. verzoeker”. 3.1.
  42. Met betrekking tot het tweede middel stelt de verzoeker in zijn laatste memorie hetgeen volgt: “Verwerende partij geeft niet aan op welke gronden zij oordeelt dat de car-port van verzoeker op die plaats voor de onmiddellijke ruimtelijke ordening zoveel storender zou zijn dan de andere car-ports die alom zo talrijk in de buurt aanwezig zijn en er blijkbaar onverstoord toegelaten zijn. Bovendien, zelfs al zijn deze andere car-ports mogelijks zonder vergunning gezet, dan mogen zij niet voor onbestaande worden gehouden en dient de overheid ze bij de beoordeling van de regularisatievergunning te betrekken. (...) Uit de foto’s blijkt dat in casu de betrokken plaats geen homogeen karakter meer heeft. De car-port van verzoeker is verenigbaar met de goede plaatselijke aanleg. X-6687-10/13 De houding die de betrokken minister in casu aanneemt ten aanzien van de regularisatieaanvraag is niet coherent. Zijn beleid ter plaatse is niet behoorlijk”. 3.
  43. Beoordeling 3.2.
  44. Onder “middel” in de zin van het algemeen procedurereglement moet worden verstaan de voldoende duidelijke omschrijving van de overtreden rechtsregel en van de wijze waarop die regel door de bestreden rechtshandeling wordt geschonden. De toelichting die de verzoeker geeft bij de aangevoerde “ incoherente houding van de Minister en de miskenning van de eisen van een behoorlijk bestuur”, levert geen ontvankelijk middel op dat verschilt van het aangevoerde eerste en derde middel. In zoverre de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord aanvoert dat de houding van de overheid in casu geen rechtszekerheid insluit en dit betoog als een schending van het rechtszekerheidsbeginsel moet worden aangenomen, is het middel evenmin ontvankelijk, aangezien dit middel reeds in het verzoekschrift diende te worden aangevoerd. 3.2.
  45. Ten overvloede kan worden herhaald dat - zoals gesteld bij de beoordeling van het eerste middel - niet blijkt dat de overheid bij het nemen van haar beslissing kennelijk onredelijk zou hebben gehandeld of - met andere woorden - dat zij op evidente wijze een onjuist gebruik van haar beleidsvrijheid zou hebben gemaakt. 3.2.
  46. Het tweede middel kan niet tot vernietiging leiden.
  47. Derde middel 4.
  48. Standpunten van de partijen 4.1.
  49. Als derde middel voert de verzoeker het volgende aan: “schending van de artikelen 11 en 12 van de grondwet [klaarblijkelijk zijn de artikelen 10 en 11 van de Grondwet bedoeld](vroeger artikel 6 en 6bis) die de gelijkheid tussen de burgers vrijwaren. De Raad van State heeft reeds geoordeeld dat: ‘Door aan de verzoekers een bouwvergunning af te leveren in een residentiële parkzone en deze aan anderen te weigeren terwijl zij zich in een identieke situatie bevinden, worden dezen op ongelijke manier behandeld door de overheid. X-6687-11/13 Er blijkt voor deze ongelijke behandeling geen enkele objectieve en redelijke verrechtvaardiging te bestaan’. (...) In casu gaat men aan de buren de constructie van een car-port toelaten terwijl men dit aan verzoeker zal verbieden zondermeer. Deze houding wijst op willekeur en vormt een discriminatie in hoofde van verzoeker”. 4.1.
  50. In haar memorie van antwoord beantwoordt de verwerende partij het derde middel als volgt: “Eiser stelt dat de gelijkheid tussen burgers niet gerespecteerd werd, omdat een bouwvergunning wel afgeleverd werd aan anderen die zich in een identieke situatie bevinden. Eiser blijft nochtans in gebreke concreet aan te tonen of en in hoeverre het om identieke situatie gaat. De Raad van State heeft nochtans geoordeeld dat ‘Wanneer verzoeker nalaat enig concreet gegeven aan te brengen waaruit kan worden afgeleid dat in gelijke of in vergelijkbare omstandigheden aan anderen de bouwvergunning werd gegeven, die hem wordt geweigerd, toont hij niet aan dat het gelijkheidsbeginsel geschonden is.’ (...) Wat de foto’s waarnaar eiser verwijst betreft (...), stelt concluant dat die foto’s onduidelijk zijn in die zin dat er geen enkele uitleg bij gegeven wordt, noch van de woningen waar het om gaat, noch van wat eiser probeert aan te tonen”. 4.1.
  51. Met betrekking tot het derde middel repliceert de verzoeker in zijn memorie van wederantwoord als volgt: “De foto’s die terzake worden gevoegd zijn duidelijk. Door een weigeringsbeslissing tegen te stellen aan verzoeker weigert men hem datgene wat men aan de andere omwonenden heeft toegestaan zonder dat enige objectieve, juiste en redelijke verrechtvaardiging wordt gegeven. (...) Het bestaan van dergelijke verrechtvaardiging dient zich te appreciëren door rekening te houden met het beoogde doel en de gevolgen van de gewraakte maatregel alsook met de aard van de betrokken principes. Het principe van de gelijkheid wordt aangetast wanneer er geen redelijke evenredigheid bestaat tussen de gebruikte middelen en het beoogde doel. Het beoogde doel, de goede plaatselijke ordening, belet niet de vestiging van een car-port gezien deze constructies in de buurt reeds binnen het plaatselijk stedebouwbeeld werden opgenomen. De weigeringsbeslissing belet verzoeker zijn bestelwagen onder te brengen naast zijn woning. Deze bestelwagen maakt voor verzoeker een essentieel werktuig uit”. 4.1.
  52. In zijn laatste memorie komt de verzoeker niet meer terug op het derde middel. X-6687-12/13 4.
  53. Beoordeling 4.2.
  54. Uit de door de verzoeker voorgebrachte gegevens blijkt niet dat de “gelijkaardige bouwwerken” waarnaar hij verwijst zich op een korte afstand van de betrokken car-port zouden bevinden, noch of deze gelegen zijn binnen hetzelfde bestemmingsgebied van het gewestplan. De verzoeker brengt onvoldoende gegevens aan waaruit blijkt dat de andere gevallen waarnaar hij verwijst, zowel in rechte als in feite, volledig vergelijkbaar zouden zijn met het geval van de verzoeker. 4.2.
  55. Het derde middel is niet gegrond. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  56. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  57. De kosten van het beroep, bepaald op 99,16 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op zeventien september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. CLEMENT, staatsraad, S. DE TAEYE, staatsraad, Mevr. T. TEMMERMAN, griffier. De griffier, De voorzitter, T. TEMMERMAN. R. STEVENS. X-6687-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.333 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.