← België

Arrest 186351 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 18/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.351 Rolnummer: A. 145634/VII-31278 Zaak: Arrest 186351 - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) - 18/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-01 Raadplegingen: 62 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.351 van 18 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Varia (ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu) Beslissing : Verwerping Tussenkomst geweigerd Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.351 van 18 september 2008 in de zaak A. 145.634/VII-31.

  1. In zake : de NV DE KOCK, die woonplaats kiest bij advocaat P. FLAMEY, kantoor houdende te ANTWERPEN, Jan Van Rijswijcklaan 16 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. BERGÉ, kantoor houdende te LEUVEN, Naamsestraat
  2. tussenkomende partij : de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening (hierna : VMW), die woonplaats kiest bij advocaat G. LENSSENS, kantoor houdende te BRUSSEL, Jetselaan 32, bus
  3. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat de NV DE KOCK op 22 december 2003 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Leefmilieu, Landbouw en Ontwikkelingssamenwerking van 24 oktober 2003 waarbij de beroepen, aangetekend tegen de beslissingen van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 10 april 2003, houdende het verlenen, voor een termijn van vijf jaar, van de aktename aan de verzoekende partij voor de uitbreiding van de zandgroeven (ex-Vranckx en ex- Poels), gelegen aan de Ganzemanstraat te Huldenberg, gegrond worden verklaard, de beroepen beslissingen worden opgeheven en de voornoemde aktename wordt geweigerd; Gelet op het arrest nr. 135.404 van 24 september 2004 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; VII-31.278-1/14 Gezien het verzoekschrift tot voortzetting ingediend door de verzoekende partij; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 9 december 2004 ingediend door de VMW; Gelet op de beschikking van 3 januari 2005 die de tussenkomst van de VMW toelaat; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op de beschikking van 24 april 2007 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partij; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat G. VERHELST die, loco advocaat P. FLAMEY verschijnt voor de verzoekende partij, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. BERGÉ verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat I. GLORIEUS die, loco advocaat G. LENSSENS verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur E. LANCKSWEERDT; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; VII-31.278-2/14 OVERWEEGT WAT VOLGT :
  4. De rechtspleging 1.
  5. Ter terechtzitting bevestigt de verzoekende partij dat zij inzake de groeve "ex-Poels" over een nieuwe vergunning beschikt. Zij meent dat het beroep in die mate zonder voorwerp is geworden. De tussenkomende partij stelt ter terechtzitting dat zij geen belang meer heeft. 1.
  6. Het beroep is niet ontvankelijk in de mate waarin het betrekking heeft op de groeve "ex-Poels". De tussenkomst is niet ontvankelijk wegens gebrek aan belang.
  7. De feiten 2.
  8. De verzoekende partij is eigenaar en exploitant van de zandgroe- ven "ex-Vranckx" en "ex-Poels", die in de bestreden beslissing nader kadastraal worden aangeduid, en die gelegen zijn aan de Ganzemanstraat te Huldenberg. 2.
  9. Ingevolge een wijziging aan de indelingslijst in bijlage 1 bij het besluit van de Vlaamse regering van 6 februari 1991 houdende vaststelling van het Vlaams reglement betreffende de milieuvergunning (hierna : Vlarem I) wordt een rubriek 60 toegevoegd waardoor de volgende activiteit vergunningsplichtig wordt : "Geheel of gedeeltelijk opvullen met niet-verontreinigde uitgegraven bodem van groeven, graverijen, uitgravingen en andere putten, met inbegrip van waterplassen en vijvers". Overeenkomstig artikel 16 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna: milieuvergunningsdecreet) en artikel 38 van Vlarem I moet de exploitant van een inrichting, die na haar inbedrijfstelling vergunningsplichtig wordt door aanvulling of wijziging van de indelingslijst, binnen zes maanden na de inwerkingtreding van die aanvulling of wijziging bij de bevoegde overheid een vergunningsaanvraag indienen. Wanneer de capaciteit, zoals te dezen, meer dan 10.000 m³ bedraagt, is er een vergunningsplicht klasse
  10. VII-31.278-3/14 2.
  11. Op 13 december 2002 dient de verzoekende partij voor de groeve "ex-Poels" en de groeve "ex-Vranckx" een vergunningsaanvraag in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. De vergunningsaanvragen strekken tot het opvullen van de zandgroeven met niet-verontreinigde grond. 2.
  12. Met twee besluiten van 10 april 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant de gevraagde vergunningen voor een termijn van vijf jaar. 2.
  13. Tegen deze deputatiebesluiten wordt een beroep ingesteld door een hele reeks derden-belanghebbenden, waaronder de VMW. Deze maatschappij doet onder meer gelden dat zij rechtstreekse hinder kan ondervinden door de bestreden vergunning omdat zij op precies dezelfde plaats het L.I.J.N.-project wenst uit te voeren. Dit project behelst de aanleg van waterbekkens. De verleende vergunningen komen er op neer dat de bestaande zandgroeven, die onderdeel uitmaken van het L.I.J.N.- project, zouden worden opgevuld terwijl het L.I.J.N.- project het omgekeerde voorziet. 2.
  14. De beroepen tegen de beide deputatiebesluiten worden in één gezamenlijke beroepsprocedure afgehandeld, en in het kader van die beroepsproce- dure worden een aantal adviezen uitgebracht : - op 3 juli 2003 is de afdeling Natuur van oordeel dat de vergunning voor het opvullen van de beide groeven moet worden geweigerd; op 7 juli 2003 wordt in een aanvullend advies hetzelfde standpunt ingenomen; - eveneens op 7 juli 2003 deelt de afdeling Monumenten en Landschappen mee dat de zandgroeven niet gelegen zijn in een voorlopig of definitief beschermd landschap; - op 10 juli 2003 brengt de Openbare Afvalstoffenmaatschappij voor het Vlaamse Gewest (hierna : OVAM) een ongunstig advies uit; - eveneens op 10 juli 2003 stelt de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie vragen bij de opvulling van de groeve "ex-Vranckx"; - op 17 juli 2003 adviseert de afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen deels ongunstig, deels voorwaardelijk gunstig, wat de groeve "ex-Vranckx" betreft; - op 23 juli 2003 stelt de Vlaamse Milieumaatschappij dat het dossier geen lozing van afvalwater behelst; - op 25 juli 2003 adviseert de afdeling Milieuvergunningen de beroepen gedeeltelijk gegrond te verklaren; - op 28 juli 2003 adviseert de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie de beroepen gegrond te verklaren. VII-31.278-4/14 Eveneens in het kader van de beroepsprocedure vraagt de verzoekende partij om te worden gehoord. Op 11 augustus 2003 wordt de verzoekende partij door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie gehoord. 2.
  15. Op 24 oktober 2003 wordt het thans bestreden besluit genomen, waarbij de beroepen tegen de beslissingen van de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant van 10 april 2003 ontvankelijk en gegrond worden bevonden en aan de verzoekende partij de aktename voor de uitbreiding van de zandgroeven "omvattende het opvullen van een zandgroeve met niet veront- reinigde grond" wordt geweigerd.
  16. De ontvankelijkheid 3.
  17. In de memorie van antwoord worden, kort samengevat, de volgende excepties opgeworpen : - op basis van artikel 13 van de wet van 16 januari 2003 tot oprichting van een Kruispuntbank van Ondernemingen, tot modernisering van het handelsregister, tot oprichting van erkende ondernemingsloketten en houdende diverse bepalingen (hierna : wet van 16 januari 2003) dienen stukken uitgaande van handelsondernemingen steeds het onder-nemingsnummer te vermelden; de verwerende partij stelt dat zij niet in de mogelijkheid was om na te gaan of het ondernemingsnummer werd vermeld op de beslissing van de verzoekende partij om een vordering "tot schorsing" in te leiden en bepaalde raadslieden aan te stellen en dat het verzoekschrift zelf het ondernemingsnummer niet vermeldt; - de exploitatie van de groeven wordt niet aangetoond, bij gebreke waarvan moet worden besloten dat de milieuvergunning voor de zandwinning is vervallen; - de verzoekende partij heeft de activa en de passiva van haar holding- en stortactiviteiten via splitsing overgedragen aan respectievelijk de NV SITA BELGIUM en de NV SITA NOORD; daarbij wordt aangegeven dat onroerende goederen en terreinen deel uitmaken van het actief dat aan de NV SITA BELGIUM en de NV SITA NOORD wordt overgedragen; deze onroerende goederen worden niet nader geïdentificeerd en de splitsing is van aard om het belang van de verzoekende partij bij het aanvechten van de bestreden beslissing in twijfel te trekken : de verwerende partij meent dat de verzoekende partij dient aan te tonen dat deze gang van zaken haar belang niet heeft weggenomen. VII-31.278-5/14 In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij, kort samengevat, gelden wat volgt : - hangende de schorsingsprocedure heeft de verzoekende partij haar ondernemingsnummer meegedeeld; de mededeling van dit nummer kan plaatsvinden tot aan de sluiting van de debatten; - de bestreden beslissing heeft betrekking op de verzoekende partij, en zij strekt ertoe dat de aan haar afgeleverde vergunningen worden teniet gedaan; vanzelfsprekend heeft de verzoekende partij belang bij het bestrijden van deze beslissing; - de vennootschapsrechtelijke structuur van de verzoekende partij is niet terzake, nu de verzoekende partij gerechtigd is en blijft om de exploitatie waar te nemen; - de verzoekende partij kan een voordeel halen uit de vernietiging van de bestreden beslissing nu zij in dat geval over een exploitatievergunning voor de beide groeven zou beschikken. 3.
  18. Uit de artikelen 13, eerste lid, en 14 van de wet van 16 januari 2003 volgt dat er geen sanctie staat op het ontbreken van het ondernemingsnummer op akten en stukken van de verzoekende partij, en dat het ontbreken van het ondernemingsnummer op het inleidend verzoekschrift geenszins als zodanig de onontvankelijkheid van het beroep tot gevolg heeft. Deze onregelmatigheid kan worden geregulariseerd. Met een schrijven van 9 juni 2004, neergelegd tijdens de schorsingsprocedure, deelde de verzoekende partij haar ondernemingsnummer mee. Dat de exploitatie van de zandgroeve al enige tijd zou zijn stilgevallen, doet niet terzake aangezien de verzoekende partij de putten wil opvullen. Zij heeft daarvoor een andere vergunning nodig, die haar thans werd geweigerd. De verzoekende partij vraagt vergunningen voor een activiteit die voordien niet vergunningsplichtig was. Zij heeft er belang bij die weigeringsbeslis- sing aan te vechten, vermits deze meebrengt dat zij een door haar beoogde activiteit niet mag uitoefenen. Uit niets blijkt ten slotte dat het onmogelijk zou zijn dat de verzoekende partij de beoogde activiteiten zelf uitoefent. De inbrengen die zij deed in andere vennootschappen en haar vennootschapsstructuur kunnen dan ook geen afbreuk doen aan haar belang en haar hoedanigheid. VII-31.278-6/14 De excepties worden verworpen.
  19. Ten gronde 4.1.
  20. In het verzoekschrift wordt een eerste middel genomen uit de schending van artikel 24, § 1, 5/, van het milieuvergunningsdecreet, artikel 52 van Vlarem I, het zorgvuldigheidsbeginsel, het rechtszekerheidsbeginsel en de beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële motiveringsplicht en de formele motiveringsplicht van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet). De verzoekende partij betoogt in een eerste onderdeel in essentie dat zij laattijdig in kennis werd gesteld van de ontvankelijk bevonden administratieve beroepen. Zij meent dat zij uiterlijk op 16 juni 2003 kennis had moeten krijgen van die ontvankelijk bevonden beroepschriften, terwijl zij de eerste beroepschriften slechts ontving op 20 juni 2003 en het zevende, achtste en negende beroep haar laattijdig werden betekend. Zij stelt dat het tijdig en in volledig afschrift meedelen van de ontvankelijk bevonden beroepen een substantiële vormvereiste is en dat de termijn een vervaltermijn is. In het tweede onderdeel betoogt zij, kort samengevat, dat in de bestreden beslissing niet wordt aangegeven waarom de diverse beroepen ontvankelijk zijn. 4.1.
  21. In de memorie van antwoord stelt de verwerende partij met betrekking tot het eerste onderdeel dat de kennisgevingstermijn pas kan ingaan na de beslissing waarbij het administratief beroep ontvankelijk werd verklaard. In die optiek kan volgens haar niet worden begrepen waarom de beroepen uiterlijk op 16 juni 2003 ter kennis hadden moeten worden gebracht. Bovendien is, zo stelt zij, ook het bewijs van een belangenschade vereist, wat niet voorhanden is. Aangaande het tweede onderdeel stelt de verwerende partij dat de verzoekende partij de besluiten, waarmee de administratieve beroepen ontvankelijk werden verklaard, niet heeft aangevochten. In de mate dat de verwerende partij rechtsgeldig werd gevat door één administratief beroep lijdt de verzoekende partij geen belangenschade. Verder geven de beroepsindieners volgens haar blijk van een persoonlijk en rechtstreeks belang. VII-31.278-7/14 4.1.
  22. In de memorie van wederantwoord betoogt de verzoekende partij nog, samengevat, dat het buiten discussie staat dat de termijn werd overschreden. Zij verwijst voorts naar vroegere rechtspraak van de Raad van State waarin werd aangenomen dat het tijdig betekenen van het beroepschrift een substantiële vormvereiste is, en zij betoogt dat zij belangenschade leed doordat zij langer dan wettelijk voorzien in het ongewisse werd gelaten over het lot van haar vergunningen. De verzoekende partij meent dat de rechtspraak van de Raad van State plots werd gewijzigd, en vraagt dat de zaak naar de Algemene Vergadering van de Raad van State zou worden verwezen. Wat het tweede onderdeel betreft, doet zij gelden dat het middel wel degelijk is gericht tegen het bestreden besluit, vermits de beslissingen in verband met de ontvankelijkheid van het beroep louter voorbereidende beslissingen zijn. Zij stelt dat de beroepsgrieven in de bestreden beslissing moeten worden betrokken, en dat uit de bestreden beslissing moet blijken waarom deze grieven niet werden weerhouden. Zij meent dat diverse milieuverenigingen geen voorlegging hebben gedaan van hun statuten met daarin hun maatschappelijk doel, dat uit de hoedanigheid van inwoner van de gemeente niet noodzakelijk een belang volgt om zich te verzetten tegen de milieuvergunning voor het opvullen van twee zandgroeven en dat diverse beroepsindieners op een aanzienlijke afstand wonen van de twee groeven. 4.1.4.
  23. Inzake het eerste onderdeel, moet, naar luid van artikel 52, eerste lid, 1/, c), van Vlarem I, aan de exploitant binnen een termijn van veertien dagen na het verstrijken van de bekendmakingsperiode bedoeld in artikel 31 van Vlarem I bij ter post aangetekend schrijven kennis worden gegeven van de ontvankelijk bevonden beroepen van derden-belanghebbenden. Die kennisgeving heeft tot doel de exploitant ervan op de hoogte te brengen dat de in eerste aanleg verleende vergunning niet definitief is en hem tevens in te lichten over de in beroep aangevoerde argumenten zodat hij daarop met kennis van zaken kan reageren. Wanneer het niet-naleven van die substantiële vormvoorschriften het bereiken van de voornoemde dubbele finaliteit niet in de weg heeft gestaan en dienvolgens de belangen van de exploitant niet heeft geschaad, kan het niet-voldoen aan die voorwaarden niet tot de conclusie leiden dat de beroepsinstantie niet meer op een wettige wijze uitspraak kan doen over de beroepen. VII-31.278-8/14 Te dezen werd de verzoekende partij in kennis gesteld van de administratieve beroepen, zodat zij wist dat de vergunning precair was. Zij kon ook uitgebreid reageren op de argumentatie van de beroepschriften, hetgeen blijkt uit de nota die zij heeft neergelegd toen zij werd gehoord door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie. Anders dan de verzoekende partij voorhoudt, wordt met deze overweging de eenheid van rechtspraak van de Raad van State niet verbroken. De eenheid van rechtspraak is slechts verbroken indien tegelijkertijd door verschillende kamers uiteenlopende rechtspraak wordt gevestigd. Te dezen gaat het enkel om de evolutie van de rechtspraak van één kamer bij de Raad van State, zodat er geen aanleiding toe is de vraag voor te leggen aan de Algemene Vergadering. 4.1.4.
  24. Wat het tweede onderdeel betreft, oordeelt de Raad van State stelselmatig en herhaaldelijk dat de formele motiveringsplicht niet inhoudt dat de beroepsinstantie, in haar uitspraak over het beroep, stuk voor stuk het vervuld zijn van de ontvankelijkheidsvoorwaarden en -formaliteiten moet vermelden. Dit volstaat om het tweede onderdeel te verwerpen. Het eerste middel is, in zijn geheel, niet gegrond. 4.2.1.
  25. In het verzoekschrift steunt het tweede middel op "de schending van de materiële motiveringsplicht, de Wet van 29 juli 1991, de rechten van verdediging, het zorgvuldigheidsbeginsel en (...) (de) ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag", doordat "het bestreden besluit de diverse beroepen inwilligt onder verwijzing naar diverse verleende adviezen, en onderdelen daarvan, zonder verder een eigen afweging aangaande de door verzoekster in beroep aangehaalde argumenten op te nemen". In een eerste onderdeel van het middel doet de verzoekende partij in essentie gelden dat er in de bestreden beslissing weliswaar wordt verwezen naar een aantal ongunstige adviezen, maar er niet wordt gerept over het gedeeltelijk gunstig advies van de afdeling Natuurlijke Rijkdommen en Energie en het gedeeltelijk gunstig advies van de afdeling Milieuvergunningen. De minister geeft volgens de verzoekende partij geenszins te kennen op welke gronden het L.I.J.N.-project nog doorgang zou kunnen vinden. VII-31.278-9/14 In een tweede onderdeel betoogt de verzoekende partij dat de bestreden beslissing geen antwoord bevat omtrent de argumenten die zij heeft aangevoerd in de nota die werd ingediend naar aanleiding van de zitting van de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie, waarin zij onder meer wees op het onwettig karakter van de gewestplanwijziging en op de maatregelen die zij nam op het vlak van natuurbehoud en bescherming van het leefmilieu. 4.2.1.
  26. In de memorie van antwoord wordt aangaande het eerste onderdeel van het middel, kort samengevat, betoogd dat de bestreden beslissing steunt op een reeks van motieven. Het aanvechten van het motief inzake het L.I.J.N.-project neemt volgens de verwerende partij niet weg dat de beslissing onderbouwd blijft door de overige draagkrachtige motieven. Aangaande het tweede onderdeel betoogt de verwerende partij dat zij niet verplicht is de elementen uit de nota van de verzoekende partij te beantwoorden. 4.2.1.
  27. In de memorie van wederantwoord doet de verzoekende partij nog gelden dat de verwerende partij niet kan ontkennen dat de plannen van de VMW niet langer realiseerbaar zijn. Zij meent dat de essentie van het middel, namelijk dat in de bestreden beslissing wordt verwezen naar adviezen die intern tegenstrijdige oordelen bevatten, door de verwerende partij onbesproken wordt gelaten, dat de adviezen selectief worden aangewend zonder dat de ratio van de selectie valt te achterhalen en dat uit de formele motivering moet blijken dat de in de nota van de verzoekende partij aangehaalde grieven bij de beoordeling werden betrokken. 4.2.2.
  28. De verzoekende partij voert in een derde middel de schending aan van de artikelen 3, § 1, en 84, eerste lid, 2/ van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, met toepassing van artikel 159 van de Grondwet, en van de motiveringswet. De verzoekende partij voert tevens de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan. Kort samengevat stelt de verzoekende partij dat een planologische onverenigbaarheid aan de basis ligt voor de weigering in zake de groeve "ex-Vranckx" en dat deze bestemming wordt gegrond op het gewestplan Leuven, zoals gewijzigd door het besluit van de Vlaamse regering van 23 juni 1998 houdende definitieve vaststelling van het plan tot gedeeltelijke wijziging van het gewestplan Leuven op het grondgebied van de gemeenten Bertem, Bierbeek, Boortmeerbeek, VII-31.278-10/14 Haacht, Herent, Holsbeek, Huldenberg, Keerbergen, Kortenberg, Leuven, Lubbeek, Oud-Heverlee, Rotselaar en Tervuren. Zij meent dat dit besluit manifest onwettig is, vermits op basis van een ondeugdelijke motivering om een spoedadvies van de afdeling wetgeving van de Raad van State werd verzocht. 4.2.2.
  29. In de memorie van wederantwoord voert de verzoekende partij nog aan dat de memorie van antwoord die zij ontving enkel een repliek op de eerste twee middelen bevatte. Als het origineel al enig verweer zou inhouden, werd volgens de verzoekende partij het procedurereglement niet nageleefd. 4.2.
  30. Inzake de beweerde onvolledigheid van de memorie van antwoord die de verzoekende partij heeft ontvangen, moet worden vastgesteld dat de verzoekende partij zich het ontbrekende deel door de griffie van de Raad van State of door de verwerende partij had kunnen laten bezorgen. Met de bestreden beslissing werd de aktename, geldend als vergunning, geweigerd voor het opvullen van de zandgroeve "ex-Vranckx". Deze beslissing steunt onder meer op de overweging dat er een stedenbouwkundige onverenigbaarheid bestaat en dat er weliswaar voor een deel van de groeve "ex-Vranckx" geen stedenbouwkundige onverenigbaarheid is, maar dat de reële natuurwaarden, de verkeersproblematiek, en de onduidelijkheid of de opvulling slechts kan gebeuren in het deel gelegen in agrarisch gebied, aanleiding geven tot de volledige weigering van de aanvraag. De stedenbouwkundige onverenigbaarheid steunt op het gewestplan Leuven, zoals gewijzigd door het reeds vermelde besluit van de Vlaamse regering van 23 juni
  31. Aangezien dit besluit van de Vlaamse regering werd vernietigd bij het arrest van de Raad van State nr. 147.725 van 20 juli 2005, is de motivering niet meer geldig in de mate waarin wordt verwezen naar de stedenbouwkundige onverenigbaarheid voor een deel van de groeve "ex-Vranckx". De overige voormelde motieven, die de verwerende partij deels heeft ontleend aan de adviezen van de afdeling Natuur en van de Vlaamse Hoge Raad voor Natuurbehoud en die zij tot de hare heeft gemaakt, zijn evenwel niet VII-31.278-11/14 onwettig of kennelijk onredelijk en vormen een afdoende motivering van de bestreden beslissing. De verwerende partij kan ermee volstaan de voormelde adviezen bij te treden omdat zij zich achter de inhoud ervan kan scharen, zonder dat dit laatste expliciet hoeft te worden vermeld. Het tweede en het derde middel zijn niet gegrond. 4.3.
  32. De verzoekende partij roept als vierde middel de schending in van artikel 1.1.
  33. van het besluit van de Vlaamse regering van 1 juni 1995 houdende algemene en sectorale bepalingen inzake milieuhygiëne (hierna : Vlarem II), samengelezen met de artikelen 6bis en 6ter van Vlarem I, het zorgvuldigheidsbeginsel, de materiële motiveringsplicht en de motiveringswet. De verzoekende partij voert tevens opnieuw de ontstentenis van de rechtens vereiste feitelijke en juridische grondslag aan. Zij doet, samengevat, gelden dat de verwerende partij de administratieve beroepen tegen de besluiten waarmee voor de groeve "ex-Poels" respectievelijk de groeve "ex-Vranckx" een vergunning werd verleend, gezamenlijk heeft behandeld hoewel de beide groeven geenszins als eenzelfde exploitatie kunnen worden beschouwd, en dat het besluit tegenstrijdig is gemotiveerd waar het enerzijds de beide sites een andere bestemming toeschrijft, doch anderzijds eenzelfde lot toebedeelt wat de impact op de omgeving betreft. 4.3.
  34. In de memorie van wederantwoord wijst de verzoekende partij nogmaals op de onvolledigheid van het door haar ontvangen exemplaar van de memorie van antwoord van de verwerende partij. 4.3.
  35. De verzoekende partij meent in essentie dat voor de beide groeven een gezamenlijke beoordeling van de milieu-impact werd gemaakt, hoewel de beide groeven geen milieutechnische eenheid vormen. De beide groeven werden duidelijk aan een afzonderlijke beoordeling onderworpen. Zowel in de adviezen op stedenbouwkundig vlak als in het advies met betrekking tot de natuurwaarden werden de groeven klaarblijkelijk anders beoordeeld, en ook de verwerende partij, die zich bij deze adviezen aansloot, heeft de beide groeven anders beoordeeld. VII-31.278-12/14 Anders dan met betrekking tot de groeve "ex-Poels" wordt met betrekking tot de groeve "ex-Vranckx" de stedenbouwkundige onverenigbaarheid slechts weerhouden voor het deel van de groeve dat in natuurgebied ligt, en wordt vooral gewezen op de natuurwaarden en op de verkeersproblematiek, om de vergunning te weigeren. Uit niets blijkt dat de verwerende partij de beide groeven als een milieutechnische eenheid heeft behandeld. Er bestaat geen beletsel om de beroepen met betrekking tot de beide groeven via één beroepsprocedure en één besluit af te handelen. Betreffende de beweerde onvolledigheid van de memorie van antwoord volstaat een verwijzing naar de bespreking van het derde middel. Het vierde middel is niet gegrond, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  36. Het verzoek tot tussenkomst van de Vlaamse Maatschappij voor Watervoorziening wordt afgewezen. Artikel
  37. Het beroep wordt verworpen. Artikel
  38. De kosten van de vordering tot schorsing, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van het annulatieberoep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekende partij. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-31.278-13/14 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-31.278-14/14 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.351 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:2004:ARR.135.404 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.