id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.354 Rolnummer: A. 166051/VII-34605 Zaak: Arrest 186354 - Milieuvergunningen - 18/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-03 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.354 van 18 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Milieuvergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.354 van 18 september 2008 in de zaak A. 166.051/VII-34.
- In zake : Leopold VAN HOLM, die woonplaats kiest bij advocaat S. RONSE, kantoor houdende te KORTRIJK, President Kennedypark 6, bus 24 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat J. NIJS, kantoor houdende te DENDERMONDE, Noordlaan 82-
- tussenkomende partij : de NV LANDBOUWBEDRIJF LAFAUT, die woonplaats kiest bij advocaat Ph. VAN WESEMAEL, kantoor houdende te BRUSSEL, Waterloosesteenweg 412 F. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, VIIe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Leopold VAN HOLM op 15 september 2005 heeft ingediend om de vernietiging te vorderen van het besluit van de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur van 14 juli 2005 waarbij het door verzoeker ingediende beroep tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 10 februari 2005 houdende het gedeeltelijk verlenen van een vergunning aan de (toenmalige) BVBA LANDBOUWBEDRIJF LAFAUT om een inrichting, gelegen aan de Nachtegaalstraat 3 te Pittem, verder te exploiteren en te veranderen, ongegrond wordt verklaard en de beroepen beslissing wordt bevestigd; Gezien het verzoekschrift tot tussenkomst van 4 november 2005 ingediend door de NV LANDBOUWBEDRIJF LAFAUT; Gelet op de beschikking van 14 november 2005 die de tussenkomst van de NV LANDBOUWBEDRIJF LAFAUT toelaat; VII-34.605-1/8 Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan de partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 26 mei 2008 waarbij de terechtzitting wordt bepaald op 26 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad E. BREWAEYS; Gehoord de opmerkingen van advocaat B. VANDROMME die, loco advocaat S. RONSE verschijnt voor verzoeker, van advocaat P. VANDENDAEL die, loco advocaat J. NIJS verschijnt voor de verwerende partij, en van advocaat M. MALFAIT die, loco advocaat Ph. VAN WESEMAEL verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd M. LEFEVER; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- Verzoeker woont in de Nachtegaalstraat 1 te Pittem in de nabijheid van de landbouwinrichting van de tussenkomende partij. Deze woning is volgens het gewestplan Roeselare-Tielt gelegen in agrarisch gebied. 1.
- Het bedrijf van de tussenkomende partij werd voorheen uitgebaat door Herman LAFAUT. Het betreft een varkens- en pluimveebedrijf. VII-34.605-2/8 1.
- Op 4 december 2003 verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen aan Herman LAFAUT een milieuvergunning, geldig tot 1 september 2011, met uitzondering van het aspect grondwaterwinning dat wordt vergund tot 30 juni
- De verleende milieuvergunning heeft betrekking op het lozen van bedrijfsafvalwater met een capaciteit van 4 m³/uur in oppervlaktewater, het lozen van 90 m3 huishoudelijk afvalwater per jaar in oppervlaktewater, 295 zeugen, 1.700 mestvarkens, 24.000 legkippen, een mobiele mestscheider (type decanteercentrifuge), een surpressor van 22 kW, een luchtcompressor van 75 kW, de opslag van 1.200 liter/960 kilogram methanol, de opslag van 2.000 liter/ 2.100 kilogram azijnzuur, de opslag van 13.000 liter mazout, de opslag van 200 liter antischuim, de opslag van 6.109 m3 mest, een mestverwerkingsinstallatie Trevi met een capaciteit van 11.000 m3/jaar en grondwaterwinning bestaande uit één verbuisde put met een diepte van 18 meter en een maximum debiet van 33 m3/dag en 12.000 m3/jaar. 1.
- Op 28 oktober 2004 neemt de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen akte van de melding van de overname van de inrichting door de tussenkomende partij. 1.
- Naar aanleiding van een op 12 oktober 2004 door de tussenkomende partij ingediende milieuvergunningsaanvraag, verleent de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen op 10 februari 2005 een nieuwe milieuvergunning met als voorwerp het verder exploiteren en veranderen van een varkens- en pluimveebedrijf zodat dit wordt vergund voor 400 zeugen, 1.786 mestvarkens, 18.720 legkippen, 7.909 m3 mest, een surpressor van 22 kW, een luchtcompressor van 75 kW, 1.200 liter methanol, 2.000 liter azijnzuur, 200 liter antischuim, het lozen van 90 m3 huishoudelijk afvalwater per jaar in oppervlaktewater, 20.000 liter mazout en één verdeelslang, een mobiele mestscheider, een mestverwerkingsinstallatie Trevi met een capaciteit van 11.000 m3/jaar, een noodstroomgenerator van 50 kW, en grondwaterwinning ten belope van 33 m3/dag en 10.158 m3/jaar in de Ieperiaanse zanden. VII-34.605-3/8 1.
- Op 14 maart 2005 dient verzoeker een administratief beroep in bij de Vlaamse regering tegen de beslissing van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 10 februari
- Hij herhaalt daarin de bezwaren die hij reeds had laten gelden voor de bestendige deputatie. Deze bezwaren hebben onder meer betrekking op de vergunde mestverwerkingsinstallatie die volgens de bezwaarindiener had moeten worden geweigerd omdat zij ook bedoeld is voor de verwerking van mest van derden. 1.
- Op 20 april 2005 dienen Herman LAFAUT (inmiddels overleden) en Marie-Jeanne PERSYN, (gedelegeerde) bestuurders van de tussenkomende partij, een schriftelijke reactie in op de bezwaren van verzoeker. Zij vragen tevens door de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie te worden gehoord. Wat de mestverwerkingsinstallatie betreft, argumenteren zij dat zij, gezien de omvang van het bedrijf, verplicht zijn om de geproduceerde mest te verwerken, dat zij twee zonen hebben die eveneens elk een varkensbedrijf hebben, dat deze bedrijven op gemiddeld drie kilometer van hun bedrijf zijn gelegen en dat het de bedoeling is de mest van die drie bedrijven te verwerken op hun bedrijf. 1.
- De verschillende adviesinstanties en de Gewestelijke Milieuvergunningscommissie geven alle een gunstig advies. De afdeling Stedenbouwkundige Vergunningen verwijst, wat de exploitatie van de mestverwerkingsinstallatie betreft, naar het advies dat zij daarover reeds voordien uitbracht en dat zij bijvoegt. In dat advies wordt het volgende gesteld : "Het voorwerp van de aanvraag omvat onder andere een verwerkingsinstallatie van mest die wordt aangeleverd van drie bedrijven. De mest is voor 40% afkomstig van het bedrijf van de aanvrager en voor 25% en 35% van de bedrijven van de zonen, die gelegen zijn op 2 km afstand van de inplanting van de installatie. Aangezien de installatie bij een gevestigd landbouwbedrijf geplaatst wordt, binnenin een bestaande vergunde loods en de mest afkomstig is van een beperkt aantal bedrijven in de onmiddellijke omgeving is de aanvraag aanvaardbaar binnen de voorziene bestemming. De aanvraag is in overeenstemming met de terzake geldende omzendbrief van 6 december 2000". 1.
- Op 14 juli 2005 besluit de Vlaamse minister van Openbare Werken, Energie, Leefmilieu en Natuur dat verzoekers beroep ongegrond is en bevestigt hij de door de bestendige deputatie van de provincieraad van West- Vlaanderen verleende milieuvergunning. Dit is de bestreden beslissing. VII-34.605-4/8
- Ten gronde 2.
- In een enig middel voert verzoeker de schending aan van het gewestplan Roeselare-Tielt, artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december 1972 betreffende de inrichting en de toepassing van de ontwerp-gewestplannen en gewestplannen (hierna : koninklijk besluit van 28 december 1972), artikel 17 van het decreet van 28 juni 1985 betreffende de milieuvergunning (hierna : milieuvergunningsdecreet), de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen (hierna : motiveringswet) en de verplichting voor de milieuvergunningverlenende overheid om over te gaan tot een toets van de aanvraag aan de goede plaatselijke ordening. Verzoeker zet uiteen dat bij het verlenen van een milieuvergunning de voorschriften van de plannen van aanleg moeten worden nageleefd en dat bijgevolg de vergunning moet worden geweigerd indien de gevraagde vergunning geheel of gedeeltelijk in strijd is met de plannen van aanleg. Vermits de gevraagde mestverwerkingsinstallatie, met een totale verwerkingscapaciteit van 11.000 ton mest per jaar, betrekking heeft op drie landbouwbedrijven uit de regio Pittem-Tielt, gaat het volgens verzoeker niet om een installatie die verbonden is aan één enkele bedrijfseenheid. De drie bedrijven behoren niet tot dezelfde inrichting en het is volgens verzoeker vreemd dat er in de bestreden beslissing wordt gesproken over de zonen van de aanvrager nu deze een rechtspersoon is. Verzoeker wijst voorts op het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen en de omzendbrief van 6 december 2000 met richtlijnen voor de beoordeling van aanvragen om een stedenbouwkundige vergunning voor bedrijfsgebonden mestbe- en mestverwerkingsinstallaties of voor mestbe- en mestverwerkingsinstallaties van beperkte schaal in agrarisch gebied (hierna : omzendbrief van 6 december 2000). Hieruit blijkt volgens hem dat mestverwerkingsinstallaties van beperkte schaal die niet aan één enkele bedrijfseenheid zijn verbonden, thuishoren op de lokale bedrijventerreinen, en zulks omwille van hun industrieel karakter. Ook in de recentere omzendbrief van 22 september 2003 met betrekking tot de toepassing van de herziening van Vlarem I en II inzake de wijziging van de afstandsregels voor varkens- en pluimveehouderijen en van de VII-34.605-5/8 reglementering voor mestverwerking (hierna : omzendbrief van 22 september 2003) is steeds volgens verzoeker de vereenvoudigde vergunningsprocedure enkel van toepassing voor kleinschalige mestverwerking. Daarmee worden die installaties bedoeld die enkel mest van de eigen inrichting verwerken. Wanneer dat laatste niet het geval is, kan, zo beweert verzoeker, trouwens niet meer worden gesteld dat een dergelijke mestverwerkingsinstallatie een voor het bedrijf noodzakelijk gebouw is dat planologisch verenigbaar is met de bestemming van agrarisch gebied. Verzoeker stelt dat de vergunde mestverwerkingsinstallatie thuis hoorde in een industriegebied zodat de afgeleverde vergunning strijdig is met de geldende gewestplanbestemming. Hij meent dat minstens afdoende moest worden gemotiveerd waarom ze wel kon worden vergund in agrarisch gebied, wat niet is gebeurd. Dit is volgens hem een schending van de motiveringsplicht. Verzoeker klaagt ook nog aan dat nergens in de bestreden beslissing kan worden gelezen waarom de mestverwerkingsinstallatie juist op het bedrijf van de tussenkomende partij moest worden geplaatst en niet op het bedrijf van één van de zonen waar het merendeel van de mest vandaan komt. 2.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt verzoeker dat hij niet alleen de schending inroept van de voornoemde omzendbrieven maar ook van artikel 11 van het koninklijk besluit van 28 december
- Zijn basisstelling blijft, zo onderstreept hij, dat een mestverwerkingsinstallatie die niet of niet hoofdzakelijk is gebonden aan één landbouwbedrijf, niet thuishoort in agrarisch gebied omdat een dergelijke installatie niet meer als noodzakelijk voor het bedrijf kan worden beschouwd, maar wel een functie van industriële aard heeft, die het desbetreffende landbouwbedrijf overschrijdt. Hij stelt ook dat de verwerende en de tussenkomende partij ten onrechte verwijzen naar het feit dat 60 % van de te verwerken mest afkomstig zou zijn van de bedrijven van de zonen van de tussenkomende partij omdat het bedrijf van de tussenkomende partij een rechtspersoon is en deze geen zonen kan hebben. Deze zonen zijn geen bestuurder van de tussenkomende partij. Meer zelfs, door het overlijden van Herman LAFAUT werd een nieuwe persoon als zaakvoerder benoemd. VII-34.605-6/8 Verzoeker wijst verder naar het maatschappelijk doel van de tussenkomende partij zoals dat blijkt uit de statutenwijziging waarmee deze werd omgevormd tot een NV. Volgens die statuten bestaat dat doel uit hetgeen volgt : "Het verhandelen van dierlijke mest, afkomstig van eigen bedrijf of andere landbouwbedrijven, onder door de vennootschap vast te stellen voorwaarden. Naast het verhandelen kan de vennootschap ook dierlijke mest afnemen, vervoeren, verwerken, uitvoeren en behandelen". 2.
- Verzoeker voert in zijn enige middel louter kritiek aan ten aanzien van het gedeelte van de bestreden beslissing waarbij aan de tussenkomende partij een vergunning wordt verleend voor een mestverwerkingsinstallatie Trevi met een capaciteit van 11.000 m3/jaar. Deze mestverwerkingsinstallatie werd evenwel reeds tot 1 september 2011 vergund bij het besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van West-Vlaanderen van 4 december 2003, dat niet werd aangevochten en dus definitief is. Verzoeker heeft dan ook geen belang bij zijn enige middel, nu een vernietiging van het bestreden besluit op basis van dit middel hem geen voordeel kan opleveren. De onontvankelijkheid van verzoekers enige middel leidt tot de onontvankelijkheid van het beroep zelf, OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van verzoeker. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. VII-34.605-7/8 Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september tweeduizend en acht, door de VIIe kamer, die was samengesteld uit : de HH. L. HELLIN, kamervoorzitter, E. BREWAEYS, staatsraad, C. ADAMS, staatsraad, D. DECOCK, griffier. De griffier, De voorzitter, D. DECOCK. L. HELLIN. VII-34.605-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.354 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div