← België

Arrest 186371 - Overheidsopdrachten - 18/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 18 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.371 Rolnummer: A. 188933/XII-5497 Zaak: Arrest 186371 - Overheidsopdrachten - 18/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-24 Raadplegingen: 57 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.371 van 18 september 2008 Overheidsopdrachten en openbare werken - Overheidsopdrachten Beslissing : Bevolen Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.371 van 18 september 2008 in de zaak A.188.933/XII-

  1. In zake :
  2. De NV PIERRE ROEGIERS & Co,
  3. De NV DEPRET, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap DEPRET-ROEGIERS, die woonplaats kiezen bij advocaten C. De Wolf en J. Timmermans, kantoor houdende te Maarkedal, Etikhovestraat 6 tegen : de GEMEENTE JABBEKE, die woonplaats kiest bij advocaat N. De Clercq, kantoor houdende te Brugge, Stockhouderskasteel, Gerard Davidstraat 46, bus
  4. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het enig verzoekschrift dat de NV Pierre Roegiers & C/ en de NV Depret, samen vormend de tijdelijke handelsvennootschap Depret-Roegiers op 11 juli 2008 hebben ingediend om de schorsing en de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke van 16 juni 2008 om de opdracht voor het bouwen van een sport- en cultuurcentrum in het gemeentepark Jabbeke toe te wijzen aan de tijdelijke handels- vennootschap Himpe - Braet voor de prijs van 6.372.690,12 euro, BTW niet inbegrepen; Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door adjunct-auditeur I. Vos; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 2 september 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 11 september 2008; XII-5497-1/13 Gehoord het verslag van kamervoorzitter D. Verbiest; Gehoord de opmerkingen van advocaat J. Timmermans, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat N. De Clercq, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van adjunct-auditeur I. Vos bij beslissing van 4 januari 2008 van de auditeur-generaal gemachtigd om ter openbare terechtzitting advies te verlenen; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De gegevens van de zaak De feitelijke gegevens van de zaak kunnen als volgt worden samengevat :
  5. De in het geding zijnde opdracht wordt gegund na wedstrijd bij algemene offerteaanvraag.
  6. In het toepasselijke bestek worden de gunningscriteria omschreven. In een eerste beoordelingsfase zijn dit de visie (50%) en het programma (50%); in de tweede beoordelingsfase zijn dit (A) de totale prijs van het ontwerp (30 punten), (B) de economie (10 punten) met 5 punten op bruto geveloppervlakte/bruto vloeroppervlakte en 5 punten op gangen en circulatieruimte/bruto vloeroppervlakte, (C) het esthetisch uitzicht, architecturale en stedenbouwkundige kwaliteiten (30 punten), (D) de technische waarde zijnde duurzaamheid in materiaalgebruik (10 punten), ecologische kwaliteiten (5 punten) en kwaliteit van de bouwconstructie en van de technische voorzieningen (5 punten), (E) de uitvoeringstermijn (5 punten), (F) de duur van de extra waarborg inzake nazorg (5 punten). Omtrent de mogelijkheid om varianten in te dienen, bepaalt het bestek het volgende : “Vrije variant (KB van 8 januari 1996 - artikel 15) (enkel van toepassing bij offerteaanvraag) XII-5497-2/13 Het is toegelaten vrije varianten in te dienen mits voldaan is aan de voorwaarden van het programma”.
  7. Samen met zeven andere inschrijvers dienen de verzoekende partijen als tijdelijke handelsvennootschap hun offerte in. De opening van de inschrijvingen vindt plaats op 20 december
  8. In het kader van de eerste beoordelingsfase maakt de beoordelingscommissie op 11 mei 2006 een eerste verslag op, zonder kennisname van de prijzen van de respectieve inschrijvers. Daarop wordt door het college van burgemeester en schepenen beslist om alle inschrijvingen in aanmerking te nemen in de tweede beoordelingsfase.
  9. De beoordelingscommissie maakt op 21 augustus 2006 een tweede verslag op in het kader van de tweede beoordelingsfase. Dat verslag bevat een tabel met de puntenberekening aan de hand van het prijscriterium voor alle ontwerpen, die als volgt wordt toegelicht : “De beoordelingscommissie (jury) bepaalde eerst de punten die aan het criterium prijs dienden toegekend. In de voorbereiding werden procentuele berekeningen uitgevoerd op basis van volgende 4 formules die in de gebruikelijke beoordelingspraktijk voorkomen : - volgens de evenredigheidsregel: [(hoogste prijs - prijs inschrijving) / (hoogste prijs - laagste prijs)] - procentuele verhouding: (laagste prijs/ prijs inschrijving) - procentuele verhouding kwadraten: [(kwadraat van de laagste prijs) / (kwadraat van de inschrijving)] - procentuele verhouding kubieken: [(kubiek van de laagste prijs) / (kubiek van de inschrijving)] Deze 4 formules hebben elk hun voor- en nadelen in verband met de spreiding van de quotering. Ten einde dit te ondervangen werd na overleg door de beoordelingscommissie (jury) unaniem beslist om de punten te berekenen als een afgerond gemiddelde van deze 4 gebruikelijke formules (zie hierboven) en dit resultaat op het gewicht van het criterium (30 punten) te plaatsen”. Het verslag bevat tevens een vergelijkende tabel met punten voor alle gunningscriteria waarbij alle varianten zijn gequoteerd en gerangschikt. Voorts zijn in het verslag beschrijvende motiveringen per inschrijver opgenomen. Betreffende de verzoekende partijen en de THV Himpe-Braet luidt deze motivering als volgt : “Inschrijver
  10. Himpe XII-5497-3/13 • Inplanting is correct en onthalend Sterke relatie met de landelijke site door de zadeldakvormen die het beeld oproepen van grote schuren. Hierdoor krijgt het gebouw in het landschap iets vanzelfsprekend. Er is een logische plaatsing van de inkom naar het toekomstig park. • Het gebouw is logisch en overzichtelijk georganiseerd rondom een ruime dwarse binnenstraat. Logisch gesitueerde onderdelen: jeugd, sport, cultuur. Goede interne relaties en doorzichten. Het gebouw biedt flexibele gebruiksmogelijkheden. • Naar gevelbekleding toe kan geopteerd worden voor de variante met houtbekleding. Voor de dakbekleding is deze variante niet evident gelet op de brandweernorm die voor dakmateriaal klasse A1 vereist. • Een goed georiënteerd, landschappelijk sterk volume. Een overzichtelijke gevarieerde binnenstraat met ruimtelijke kwaliteiten. Een functioneel logisch en helder plan. Naar gebruik toe een veelzijdig gebouw. • De beoordelingscommissie waardeert in de inschrijving ten zeerste de wijze waarop het gebouw door zijn vormgeving een eigen identiteit en een eigen verhaal heeft meegekregen”; “Inschrijver
  11. Depret-Roegiers • Het gebouw keert zich af van het dorp in plaats van er zich naar te richten. • Er is een tweeslachtigheid in de formele aanpak vast te stellen. Een gewaardeerde, zeer beheerste strakke achterzijde (sport) contrasteert met een te complexe en formeel gefragmenteerde voorzijde (cultuur). Ook de materiaalkeuze is twijfelachtig. Achteraan correct maar vooraan is het pleisterwerk een ongelukkige keuze. • De bibliotheek biedt ruimtelijk weinig kwaliteit en is vanuit inkom rechts toegankelijk via een smalle gang. De positionering van de scène van de polyvalente zaal naast inkom aan de voorgevel wordt als hinderlijk ervaren, (aan- en afvoer voor materiaal). De trogbolfunctie is ongelukkig gesitueerd. Waar de cultuurvoorzijde functioneel moeilijk lijkt wordt daarentegen de sportachterzijde ervaren als functioneel helder en logisch. • De kwaliteit (zowel architecturaal, formeel als functioneel) van het sportgedeelte staat in totaal contrast met de architecturale en formele fragmentering van de voorzijde en het moeilijk functioneren ervan. De interieurbeelden tonen de rationele aanpak van het ruimtegebruik”.
  12. De beoordelingscommissie adviseert dat de THV Himpe-Braet op grond van het voorstel met zichtbare metalen panelen, zonder “tweede huid” bestaande uit een bekleding met latten aan gevel en dak voor een prijs van 6.372.690,12 euro, BTW niet inbegrepen, de gunstigste inschrijver is, met een eindscore van 75 punten. De verzoekende partijen behalen met 71 punten de tweede plaats. Het college neemt op 16 juni 2008 de bestreden beslissing en stelt dat er geen reden is om af te wijken van de beoordeling door de beoordelingscommissie en de door haar voorgestelde rangorde. Deze toewijzingsbeslissing bevat op haar beurt beschrijvende motiveringen betreffende de inschrijving van de verzoekende partijen en de inschrijving van de THV Himpe - Braet. Voor deze laatste luidt deze als volgt : XII-5497-4/13 “Deze inschrijving slaagt er uitstekend in om een gebouw voor te stellen dat zich volledig in het omgevende landschap integreert. Dit gebeurt o.a. door zich te baseren op een schuurmodel. Het schuurmodel op zich heeft het karakter van een industriële bouwwijze. Dit komt nog sterker tot uitdrukking in de basisvariante met zichtbaar plaatmateriaal gevel en dak en zonder de tweede huid met latten-bekleding. De tweede huid met lattenbekleding op dak en buitenwanden heeft geen constructieve betekenis, verhoogt de kostprijs onverantwoord, biedt onvoldoende zekerheid inzake constructie en toekomstig onderhoud en beantwoordt op het dak niet aan de eisen inzake brandveiligheid. Het gebouw keert zich naar het dorp met een aantrekkelijke toegangspartij en de inwendige vormgeving is boeiend en rationeel opgevat rond een centrale binnenstraat als ruggegraat. Het dossier is technisch voldoende uitgewerkt. De overschrijding met 4,86% van de totale netto vloeroppervlakte (7250 m2) t.o.v. het programma is aanvaardbaar. Dankzij een rationeel circulatiepatroon en het gebruik van hollende dakvormen is de economie van het ontwerp voldoende gunstig. Dit wordt uitgedrukt in de verhoudingen bruto geveloppervlakte/bruto vloeroppervlakte (45,33%) en netto circulatie oppervlakte/bruto vloeroppervlakte (13,3 8%). De basisvariante zonder tweede huid geeft de gunstigste prijs”. Voor de verzoekende partijen wordt gesteld : “Het sterke punt van deze inschrijving is de gunstige prijs de economie van het ontwerp en de zeer open en rationele indeling van het sportgedeelte. Daartegenover staat het eerder versnipperd cultuurgedeelte met atrium delen en de polyvalente zaal die zich niet volledig lijkt in te passen, zowel qua vorm als qua situering t.o.v. de andere functies. Architecturaal schenkt het ontwerp geen volledige voldoening. De grote berging bevindt zich veraf van de polyvalente zaal en bij die zaal hoort slechts een kleine berging. Technisch bevat het dossier geen elementaire berekening die de omvang van de geluidshinder aangeeft die het gevolg is van de beglaasde buitenschuifwand achter het podium van de polyvalente zaal. De brandweer merkte op dat het samenbrengen van de zalen voor sport in één grote ruimte die met netten kan worden ingedeeld problemen schept om te voldoen aan de compartimenteringeisen van Vlarem. Het gebouw keert zich af van het dorp De overschrijding met 11,38% van. de totale netto vloeroppervlakte (7.701 m2) t.o.v. het programma is de op één na hoogste. De economie van het ontwerp, uitgedrukt in de verhoudingen bruto geveloppervlakte/bruto vloeroppervlakte (39,90%) en netto circulatie oppervlakte/bruto vloeroppervlakte (10,31%), behoort tot de gunstigste van alle inschrijvingen”. De grondvoorwaarden voor de schorsing
  13. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de dubbele voorwaarde dat ernstige middelen worden aangevoerd die de XII-5497-5/13 nietigverklaring van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen.
  14. Wat de eerste voorwaarde betreft, voeren de verzoekende partijen in een eerste middel de schending aan van artikel 16 van de wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten, en van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel en transparantiebeginsel”. Zij betogen daartoe in essentie dat de besteksbepaling inzake vrije varianten - die uitsluitend vermeldt dat de vrije varianten aan de voorwaarden van het programma moeten voldoen - niet resulteert in een onderscheid met het voorwerp van de door de verwerende partij in mededinging gestelde opdracht. Hierdoor kan de betrokken besteksbepaling niet worden beschouwd als een bepaling die de minimumvoorwaarden en de eisen voor indiening met betrekking tot vrije varianten vaststelt, zoals dit wordt vereist door artikel 16 van de voornoemde wet van 24 december
  15. Bijgevolg mochten ook te dezen de door de respectieve inschrijvers ingediende vrije varianten niet in aanmerking worden genomen, laat staan dat de opdracht aan een inschrijver met een dergelijke vrije variante mocht worden toegewezen. De verzoekende partijen menen over het vereiste belang te beschikken bij dit middel aangezien, gegeven het feit dat de eerste en tweede variante van de THV Himpe-Braet niet in aanmerking mochten worden genomen, de basisofferte van de verzoekende partijen in geval van herbeoordeling als de meest voordelige offerte moet worden aangewezen. Een tweede middel is genomen uit de schending van artikel 103 van het koninklijk besluit van 8 januari 1996 betreffende de overheidsopdrachten voor aanneming van werken, leveringen en diensten en de concessies voor openbare werken, dat bepaalt dat iedere inschrijver, afgezien van eventuele varianten, slechts één offerte mag indienen per opdracht. De verzoekende partijen zijn van oordeel dat de THV Himpe-Braet drie basisoffertes heeft ingediend (te weten een basisofferte “basis”, een basisofferte “basis zonder beplanking” en een basisofferte “basis enkel beplanking gevel”), waarbij vervolgens voor elk van de betreffende basisoffertes nog afzonderlijke varianten werden voorgesteld, zodat alle voormelde basisoffertes van de TV Himpe-Braet als substantieel onregelmatig uit de gunningsprocedure dienen te worden gesloten. XII-5497-6/13
  16. Artikel 16 van de voormelde wet van 24 december 1993 betreffende de overheidsopdrachten en sommige opdrachten van werken, leveringen en diensten bepaalt in fine : “Behalve wanneer het bestek hierover anders beschikt, kan de aanbestedende overheid eventuele vrije varianten in overweging nemen die door de inschrijvers voorgesteld werden. Deze moeten de minimumvoorwaarden vervullen die in het bestek vermeld staan en aan de voor hun indiening gestelde eisen voldoen”. Artikel 103 van het voormelde koninklijk besluit van 8 januari 1996 bepaalt dat, afgezien van eventuele varianten, iedere inschrijver slechts één offerte mag indienen per opdracht. Het op de in het geding zijnde opdracht toepasselijke bestek bepaalt op blz. 11 dat het toegelaten is om vrije varianten in te dienen mits voldaan is aan de voorwaarden van het programma. Het derde deel van het bestek bevat onder een hoofdstuk C het “programma van functies, indicatieve oppervlakten en functionaliteiten”. Uit het administratief dossier blijkt evenwel dat de verzoekende partijen zelf twee “varianten” hebben ingediend, met name een “variante tennisvloer: hardcourt” en een “variante tennisvloer: tapijt” (blz. 9 van hun offerte). Indien het eerste en tweede middel van de verzoekende partijen ernstig zouden worden bevonden lijkt te moeten worden vastgesteld dat ook geen enkele van de offertes van de verzoekende partijen regelmatig lijkt te zijn en zij dienvolgens geen belang hebben bij de gevraagde nietigverklaring op grond van het eerste en tweede middel zodat evenmin de gevraagde schorsing kan steunen op die middelen. Bovendien valt echter in de huidige stand van het geding te betwijfelen of de THV Himpe-Braet inzake de buitenconstructie wel varianten heeft ingediend. Uit haar dossier lijkt immers te moeten worden afgeleid dat deze, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen laten uitschijnen, formeel slechts één offerte heeft ingediend. Voor wat betreft de buitenconstructie wordt in deze enige offerte geen melding gemaakt van “varianten”. Wel vermeldt de THV Himpe-Braet op blz. 8 van het offerteformulier als “mogelijke minprijzen”, enerzijds de mogelijke minprijs voor het niet bouwen van de tenniszaal, en anderzijds de minprijzen voor het weglaten van de plankenbekleding op het gehele project, op de gevels en op de XII-5497-7/13 daken. Zowel in de beoordelingstabel van de beoordelingscommissie als in de bestreden beslissing wordt vervolgens uitsluitend een onderscheid gemaakt tussen de basisofferte, basis zonder beplanking en basis enkel beplanking gevel van de THV Himpe-Braet. Tevens wordt haar de opdracht toegewezen “met de basisversie voor de prijs van 6.372.690,12 euro”. De minprijzen die de THV Himpe-Braet opgegeven heeft in haar offerte lijken als dusdanig geen alternatieve technische oplossing of alternatief concept te betreffen. Het eerste en tweede middel lijken niet ontvankelijk, minstens niet ernstig.
  17. Een derde middel is genomen uit de schending van artikel 110, § 2, van het voornoemd koninklijk besluit van 8 januari 1996 en van “de algemene beginselen van behoorlijke bestuur, inzonderheid het gelijkheidsbeginsel en het transparantiebeginsel”. In een eerste onderdeel wordt daartoe betoogd dat de verwerende partij niet vergelijkbare offertes met elkaar heeft vergeleken, namelijk omdat twee offertes (Strabag/Verstraete), een aantal substantiële onregelmatigheden bevatten onder meer betreffende de prijs en dat zij om die reden uit de gunningsprocedure hadden moeten worden gesloten. In een tweede onderdeel laten de verzoekende partijen gelden dat de verwerende partij “a posteriori een beoordelingsmethode heeft aangenomen die afwijkt van de algemeen te verwachten regel inzake de beoordeling van het prijscriterium”. Onder verwijzing naar rechtspraak gaan zij uit van “het principe” dat aanbestedende overheden voorafgaandelijk alle elementen die in aanmerking zullen worden genomen ter bepaling van de economisch voordeligste aanbieding, bekend dienen te maken. Indien het bestek geen specifieke beoordelingsmethode bepaalt, moeten potentiële inschrijvers er volgens de verzoekende partijen aldus van uit kunnen gaan dat het gunningscriterium prijs wordt beoordeeld volgens de algemene regel of normaal te verwachten methodiek, die volgens hen “de zogenaamde regel van drie” is. Te dezen zou de verwerende partij ten onrechte een andere beoordelingsmethode hebben toegepast. De verzoekende partijen stellen voorts belang te hebben bij dit middel aangezien, indien de bedoelde twee offertes als substantieel onregelmatig zouden zijn geweerd én indien de regel van drie zou zijn toegepast, zij zelf als meest voordelige inschrijver zouden zijn aangewezen. XII-5497-8/13
  18. De verzoekende partijen lijken geen belang te hebben bij het eerste onderdeel van het middel : de opdracht werd toegewezen aan een andere inschrijver dan de inschrijvers bedoeld in dit middelonderdeel, terwijl in de simulatie van prijsberekening louter volgens de regel van drie, de verzoekende partijen de twee voornoemde inschrijvers niet betrekken. De pertinentie van hun grief in het eerste middelonderdeel aangebracht, ten opzichte van de bestreden toewijzingsbeslissing lijkt aldus niet aangetoond. Wat het tweede middelonderdeel betreft, verantwoordt de beoordelingscommissie nadrukkelijk in haar verslag de door haar gehanteerde methode. Zoals hiervoor aangehaald na randnummer 5, combineert zij vier gebruikelijke beoordelingsformules betreffende het prijscriterium, precies vanuit de bekommernis voor een voldoende spreiding van de quotering. De verzoekende partijen beweren wel, maar staven niet nader dat de zogenaamde “ regel van drie “de - enige en onbetwist - te verwachten beoordelingsmethode zou zijn. Het middelonderdeel steunt op een blijkbaar niet aangetoonde “afwijking” van het normale verwachtingspatroon terzake, lijkt aldus voldoende feitelijke grondslag te missen zodat het niet ernstig wordt bevonden. Het derde middel is dan ook in zijn geheel niet ernstig.
  19. In een vierde middel wordt de schending aangevoerd van “de algemene beginselen van behoorlijk bestuur, inzonderheid de materiële of inhoudelijke motiveringsplicht”. De verzoekende partijen betogen daartoe in essentie dat in de offerte van de THV Himpe-Braet , het gegeven positief wordt beoordeeld door de verwerende partij en mede bijdraagt tot de hoge scores van de THV Himpe- Braet voor het gunningscriterium “esthetisch uitzicht, architecturale en stedenbouwkundige kwaliteiten”, dat de inkom is geplaatst gericht naar het toekomstig park. Volgens de verzoekende partijen is zulks in strijd met de besteksvereiste dat de inkom naar de hoofdtoegangsweg dient te zijn gericht. Zij zoeken voor die vaststelling steun in de aanwijzingen op het BPA gemeentepark. Aldus wordt de bestreden beslissing volgens de verzoekende partijen niet gedragen door motieven die in rechte aanvaardbaar zijn. Zij menen eveneens belang te hebben bij dit middel aangezien de hoge scores van de THV Himpe-Braet bij het voormelde gunningscriterium doorslaggevend zouden zijn geweest bij de toewijzing van de opdracht. XII-5497-9/13
  20. Voor het gunningscriterium “esthetisch uitzicht, architecturale en stedenbouwkundige kwaliteiten” behaalde de offerte van de THV Himpe-Braet 27 punten, terwijl de offerte van de verzoekende partijen slechts 16 punten op dit criterium scoorde. Aangezien de totaalscore voor beide betrokken offertes slechts 4 punten verschilt (75/71) , lijkt de beoordeling van voormeld gunningscriterium op het eerste gezicht een relevant verschil te kunnen uitmaken. Op blz. 24 van het bestek is aangegeven dat de inkom gericht is naar de “hoofdtoegangsweg”. Daarbij wordt niet nader bepaald of het hier de “hoofdontsluiting voor autoverkeer”, dan wel “de interne ontsluiting voor fietsers en voetgangers” betreft in de bewoordingen van het BPA, zodat het bestek op dit punt enigszins onduidelijk lijkt te zijn. Aangezien op blz. 22 van het bestek inzake relatie met de omgeving echter wordt vermeld “de visuele en vormelijke verbinding van het gebouw met de doorgetrokken aslijn van de Hugo Verrieststraat”, lijkt prima facie te kunnen worden aangenomen dat de verwerende partij in haar bestek met “hoofdontsluiting”, zoals zij betoogt, de doorgetrokken aslijn van de Hugo Verrieststraat als hoofdtoegangsweg bedoelde. In elk geval dient te worden vastgesteld dat, indien het bestek op dit punt onduidelijk zou zijn, eensdeels, de verzoekende partijen hier blijkbaar geen vraag over hebben gesteld, anderdeels, ook andere offertes dan deze van de verzoekende partijen de oriëntatie hebben gevolgd zoals in de offerte van THV Himpe-Braet. De aangevoerde strijdigheid met het bestek lijkt niet aangetoond. Het vierde middel is niet ernstig.
  21. Het vijfde en laatste middel is genomen uit de schending van de artikelen 2 en 3 van de wet van 29 juli 1991 betreffende de uitdrukkelijke motivering van de bestuurshandelingen.Volgens de verzoekende partijen hebben de motieven van de bestreden beslissing, evenals de motieven van het tweede beoordelingsverslag uitsluitend betrekking op het gunningscriterium “esthetisch uitzicht, architecturale en stedenbouwkundige kwaliteiten”. Het gunningscriterium “technische waarde van het ontwerp” met als subcriteria “duurzaam materiaalgebruik, ecologische kwaliteiten en kwaliteit van de bouwconstructie en technische voorzieningen” zou in de motieven van de bestreden beslissing en van het tweede beoordelingsverslag niet of slechts uitermate sporadisch aan bod komen. In elk geval geeft de verwerende partij volgens de verzoekende partijen nergens aan welke onderdelen van haar motivering betrekking hebben op welke gunningscriteria en subgunningscriteria. Ze wijzen erop XII-5497-10/13 dat overeenkomstig de rechtspraak van de Raad van State een loutere puntentoekenning geenszins voldoet aan de formele motiveringsplicht. De verwerende partij werpt tegen dat de verzoekende partijen reeds kritiek leverden op de materiële motieven van de bestreden beslissing en dus niet meer ontvankelijk de schending van de formele motiveringsverplichting kunnen inroepen. Te dezen is die bewering echter slechts pertinent voor welbepaalde motieven: in het derde middel de waarderingsmethode van de prijs, in het vierde middel het aspect “inplanting”. Zulks lijkt met zich mee te moeten brengen dat eventuele gebreken inzake de formele motivering nog mogen worden betrokken op andere onderdelen van de bestreden beslissing in een middel dat steunt op schending van de formele motiveringsverplichting. De verwerende partij stelt voorts dat punten reeds een vorm van motivering zijn. De aard van de gunningscriteria is echter te dezen dusdanig dat een loutere puntentoekenning zonder een daarop te betrekken beschrijvende waardering niet volstaat als afdoende motivering wat de feitelijke gegevens betreft waarop de bestreden beslissing steunt. Wat het prijscriterium betreft lijkt de waarderings-methodiek echter wel geëxpliciteerd en afdoende.
  22. Te dezen bevat het beoordelingsverslag een puntentabel waarin aan elke offerte punten worden toegekend, per voormeld criterium en subcriterium. Voor die punten is echter het prijscriterium uitgezonderd, geen nadere verantwoording per criterium voorhanden. Enkel worden per inschrijver, zowel in het beoordelingsverslag als in de bestreden beslissing, algemene beoordelingen gegeven, waarbij zoals de verzoekende partijen terecht stellen, geen klare band tussen, eensdeels, die in woorden uitgedrukte beoordelingen kan worden gelegd, en, anderdeels, de punten gegeven bij elk criterium. Voorts lijken inderdaad enkele criteria in de woordelijke beschrijvingen onbesproken. Het doel van de formele motiveringsverplichting zoals vervat in de voormelde wet van 29 juli 1991 lijkt aldus te dezen niet bereikt: in de bestreden beslissing noch in het verslag waar ze naar verwijst, worden op afdoende wijze de feitelijke overwegingen vermeld die aan de beslissing ten grondslag liggen. De verzoekende partijen lijken daardoor niet bij machte terdege - althans ten minste waar het door haar specifiek te berde gebrachte criterium “technische waarde van het ontwerp”betreft - te beoordelen volgens welke XII-5497-11/13 werkwijze en tengevolge van welke onderscheidende gegevens betreffende de goede en slechte kanten van de offertes de daarop betrekking hebbende punten zijn gegeven. Zulks klemt des te meer aangezien het totale puntenverschil tussen hun als tweede gerangschikte inschrijving en de gekozen inschrijving gering is : zij verhouden zich als 75/
  23. Dit laatste gegeven ondersteunt het belang bij het middel. De verwerende partij zal immers het geschetste euvel kunnen verhelpen door na intrekking van de bestreden beslissing de offertes met een afdoende feitelijke motivering bij elk criterium opnieuw in een nieuwe toewijzingsbeslissing te betrekken, na een nieuwe beoordeling die ditmaal mogelijks in het voordeel van de verzoekende partijen kan uitvallen, zij het dat daarbij in rekening mag worden gebracht hetgeen hiervoor is geantwoord op de diverse middelen van de verzoekende partijen, die prima facie door de Raad van State niet in al hun grieven zijn gevolgd. Het middel is in de besproken mate ernstig.
  24. Wat de tweede voorwaarde betreft, kunnen de verzoekende partijen worden bijgevallen in hun betoog betreffende het moeilijk te herstellen ernstig nadeel: de verwerende partij die zich naar de wijsheid van de Raad van State gedraagt wat deze voorwaarde betreft, betwist niet dat de in het geding zijnde opdracht een aanzienlijke financiële waarde heeft, want toegewezen voor
  25. 372.690,12 euro, tevens een referentiewaarde heeft en dat de uitvoering van die opdracht in natura door de verzoekende partijen zelf dreigt onmogelijk te worden bij gebrek aan de gevraagde schorsing.
  26. Aldus is voldaan aan de twee in het voormelde artikel 17 bepaalde voorwaarden die vervuld moeten zijn wil een vordering tot schorsing worden toegewezen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  27. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van de beslissing van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Jabbeke van 16 juni 2008 om de opdracht voor het bouwen van een sport- en cultuurcentrum XII-5497-12/13 in het gemeentepark Jabbeke toe te wijzen aan de tijdelijke handelsvennootschap Himpe - Braet voor de prijs van 6.372.690,12 euro, BTW niet inbegrepen. Artikel
  28. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op achttien september 2008, door : de H. D. VERBIEST, kamervoorzitter, Mevr. S. DOMS, griffier. De griffier, De voorzitter, S. DOMS. D. VERBIEST. XII-5497-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.371 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.203.090 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.