← België

Arrest 186383 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 19 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.383 Rolnummer: A. 187749/XII-5394 Zaak: Arrest 186383 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 19/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-09-24 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:34 Fiche Arrest nr 186.383 van 19 september 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Bevolen Inwilliging tussenkomst Verwerping overige Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.383 van 19 september 2008 in de zaak A. 187.749/XII-

  1. In zake : José FONCKE, woonplaats kiezend te Lochristi, Beukendreef 60 tegen : de PROVINCIE OOST-VLAANDEREN. tussenkomende partij : Adelbrecht HAENEBALCKE, die woonplaats kiest bij advocaat T. Messiaen, kantoor houdende te Gent-Drongen, Baarledorpstraat
  2. --------------------------------------------------------------------------------------------------- DE Wnd. VOORZITTER VAN DE XIIe KAMER, Gezien het verzoekschrift dat José Foncke op 3 april 2008 heeft ingediend om te vorderen : “- de schorsing van [1] de beslissing van de examencommissie van 9 november 2007 houdende het niet-geslaagd verklaren van verzoeker voor het 1e gedeelte van het bevorderingsexamen voor diensthoofd van dienst 12; - de schorsing van [2] de beslissing van de deputatie van 14 november 2007 om door goedkeuring van de beslissing van de examencommissie van 9 november 2007 de aanstelling van Adelbrecht Haenebalcke tot dienst- hoofd van dienst 12 wettig te maken, en de schorsing van [3] die aanstel- ling tot diensthoofd (dit laatste bij niet-schorsing van de impliciete weigering om verzoeker tot directeur te benoemen); - de schorsing van [4] het besluit van de deputatie van 20 maart 2008 houdende de benoeming van Adelbrecht Haenebalcke tot directeur van de 1e directie en van [5] de impliciete weigering om verzoeker tot directeur te benoemen; - het bevelen van de voorlopige maatregel houdende het verbod om Adelbrecht Haenebalcke de functie en taken van directeur van de 1e directie verder te laten uitoefenen (bij niet-schorsing van de impliciete weigering om verzoeker tot directeur van de 1e directie te benoemen); - het bevelen van de voorlopige maatregel om de bevorderingsprocedure verder te zetten, en de rechtsaanspraken van verzoeker daarin te erkennen (bij niet-schorsing van de impliciete weigering om verzoeker tot directeur te benoemen)”; XII-5394-1/13 Gezien de nota van de verwerende partij; Gezien het verslag opgesteld door eerste auditeur-afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen; Gelet op de beschikking van 4 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 9 september 2008; Gezien het op 24 april 2008 ingediende verzoekschrift waarbij Adelbrecht Haenebalcke vraagt in het administratief kort geding te mogen tussenkomen; Gehoord het verslag van staatsraad J. Lust; Gehoord de opmerkingen van verzoeker, van diensthoofd I. Dellaert en bestuurssecretaris-jurist N. De Smet, die verschijnen voor de verwerende partij, en van advocaat N. Vanhoucke, die verschijnt voor de tussenkomende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur- afdelingshoofd R. Van Der Gucht; Gelet op de artikelen 17 en 18 en titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : I. De relevante voorgaanden
  3. Op 14 oktober 1999 verklaart de deputatie van de provincieraad van Oost-Vlaanderen de betrekking van diensthoofd van dienst 12 open. De examencommissie beslist op 9 mei 2000 verzoeker als enige van de vier kandidaten niet geslaagd te verklaren voor het eerste, schriftelijke, gedeelte van het betrokken vergelijkend bevorderingsexamen; de deputatie benoemt op 12 oktober 2000 A. Haenebalcke, eerste laureaat van het examen, tot diensthoofd. XII-5394-2/13 Op 11 mei 2005 bevordert de provincieraad A. Haenebalcke tot de graad van directeur van de eerste directie. Hij krijgt de voorkeur boven verzoeker, intussen diensthoofd van dienst 72, vanwege de ervaring en competenties die hij als diensthoofd van dienst 12 heeft verworven. Verzoeker vordert in de zaak A. 94.032/XII-2709, de nietigverklaring van zijn niet-geslaagd zijn van 9 mei 2000, van de benoeming van 12 oktober 2000 van A. Haenebalcke tot diensthoofd en van diens bevordering van 11 mei 2005 tot directeur. In het arrest nr. 175.183 van 28 september 2007 willigt de Raad van State de vordering in wat het eerste en het derde voorwerp betreft. Geoordeeld wordt dat de beslissing van 9 mei 2000 om verzoeker niet geslaagd te verklaren tekort komt aan zowel de formele- als de materiële-motiveringspicht en dat dit de benoeming van 12 oktober 2000 en de bevordering van 11 mei 2005 onwettig maakt. De Raad verwerpt het beroep wat de benoeming van A. Haenebalcke tot diensthoofd betreft. Ofschoon het arrest die benoeming weliswaar onwettig bevindt, wordt aangenomen dat verzoekers belang geen vernietiging ervan vereist, des te minder “gelet op het feit dat, zoals verwerende partij op overtuigende wijze betoogt en toelicht, A. Haenebalcke door de vernietiging én van zijn bevordering tot directeur én van die tot diensthoofd, in een ongemeen deplorabele toestand dreigt terecht te komen”.
  4. Na de betekening van het arrest beslist de deputatie op 18 oktober 2007 -“[t]eneinde rechtsherstel te verlenen”- de selectiecommissie van de examenprocedure voor diensthoofd van dienst 12 opnieuw bijeen te roepen. Op 9 november 2007 stelt de examencommissie, aan wie onder meer “een quoteringslijst met de eerder toegekende punten” is bezorgd, voor alle kandidaten van destijds een motivering op van de beoordeling van hun examenwerken. Zij voegt de motivering toe “als vierde bijlage bij het oorspronkelijk proces-verbaal, opgemaakt op 9 mei 2000, waardoor de lijst van bijlagen als volgt gewijzigd wordt:
  5. 3 quoteringslijsten;
  6. lijst syndicale vertegenwoordiging;
  7. lijst politieke waarnemers;
  8. motivering van de beoordeling”. De deputatie keurt de motivering op 14 november 2007 goed en voegt ze toe aan het oorspronkelijk proces-verbaal van het in 2000 afgenomen examen. XII-5394-3/13 Met een brief van 23 november 2007 wordt aan verzoeker meegedeeld : “Als bijlage bezorg ik je een voor eensluidend verklaard exemplaar van de materiële en feitelijke motivering (het antwoordschema en jouw persoonlijke motiveringsfiche). Dit is een bijkomende verwoording die het mogelijk maakt een inzicht te krijgen in de motieven die leidden tot de in cijfer uitgedrukte waardering”. Ter zitting van 20 maart 2008 gaat de deputatie over tot een nieuwe benoeming van een directeur van de eerste directie op basis van de oorspronkelijke kandidaturen. Zij bevordert A. Haenebalcke met ingang van 1 april
  9. In de beslissing wordt onder meer overwogen dat ter zitting van 14 november 2007 de gemotiveerde beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie werd goedgekeurd, dat de beslissing van de examenjury de onwettelijkheid van de benoeming van A. Haenebalcke ongedaan gemaakt heeft “met als gevolg dat diens benoeming tot diensthoofd onverminderd rechtsgeldig blijft ab initio”, dat er “geen juridisch bezwaar bestaat diens verdiensten in die functie in aanmerking te nemen”, en dat “er in de vergelijking van de titels en verdiensten de voorbije drie jaar geen nieuwe elementen aangebracht kunnen worden voor één of meerdere kandidaten”, zodat “de vergelijking van de titels en verdiensten dezelfde is als drie jaar geleden”. II. De tussenkomst
  10. Er is reden om het verzoek van A. Haenebalcke teneinde in de procedure te mogen tussenkomen, in te willigen. Hij is de begunstigde van verscheidene bestreden beslissingen. III. De vordering tot schorsing A. De excepties van niet-ontvankelijkheid
  11. Volgens de verwerende partij is de vordering tegen de beslissing van 20 maart 2008 tot bevordering tot directeur niet ontvankelijk omdat het verband tussen, eensdeels, die beslissing en, anderdeels, de beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie en de goedkeuringsbeslissing van 14 november 2007 van de deputatie onvoldoende nauw is. Wat de laatste twee beslissingen betreft zou de vordering dan weer laattijdig zijn. XII-5394-4/13 De tussenkomende partij van haar kant werpt tegen dat een benoemingsbeslissing van 14 november 2007 tot diensthoofd niet bestaat, dat de vordering laattijdig is met betrekking tot de beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie en de goedkeuringsbeslissing van 14 november 2007 van de deputatie, dat verzoeker geen belang heeft bij een schorsing van de zogezegde impliciete benoeming van A. Haenebalcke tot diensthoofd om reden van zijn “‘verschoven’ belang naar de functie van directeur”, en dat hij geen middelen aanvoert tegen de benoemingsbeslissing van 20 maart 2008 tot directeur.
  12. Waar de Raad van State de bevordering van de tussenkomende partij tot directeur had vernietigd, heeft de verwerende partij nadien beoogd de procedure te hernemen “vanaf het moment dat het fout is gelopen”. Op 20 maart 2008 bevordert de verwerende partij de betrokkene opnieuw tot directeur, nadat zij middels de beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie en de beslissing van 14 november 2007 van de deputatie bedoeld heeft de fouten te herstellen. De samenhang tussen die handelingen is op het eerste gezicht zodanig dat zij met één en hetzelfde verzoekschrift bestreden mochten worden.
  13. Naar de verwerende en de tussenkomende partij menen is de vordering tegen de beslissingen van 9 en 14 november 2007 te laat omdat verzoeker reeds op 23 januari 2008 een afschrift ervan ontving. Vooralsnog wordt aangenomen dat de beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie over de motivering van verzoekers examenuitslag en de beslissing van 14 november 2007 van de deputatie tot goedkeuring van die motivering, in principe aan verzoeker betekend moesten worden. Overeenkomstig artikel 19, tweede lid van de gecoördineerde wetten op de Raad van State vangt de beroepstermijn ertegen slechts aan indien de betekening de beroepsmogelijkheid, de vormvoorschriften en termijn vermeldt. Indien daar niet aan voldaan wordt -zoals het geval is- begint de beroepstermijn maar te lopen vier maanden nadat de betrokkene in kennis werd gesteld van de beslissing. Het blijkt niet dat de vordering buiten de termijn van vier maanden en zestig dagen na de betekening van de beslissingen van 9 en 14 november 2007 is ingesteld. XII-5394-5/13
  14. In zoverre verzoeker uit de goedkeuring van 14 november 2007 van de deputatie het bestaan afleidt van een “impliciete nieuwe benoeming” van A. Haenebalcke tot diensthoofd, te weten een benoeming die ontdaan is van de onwettigheid die de Raad van State tegen zijn 12 oktober 2000 gedateerde benoeming tot diensthoofd in aanmerking heeft genomen, lijkt hij zich te vergissen. Met de tussenkomende partij, en overigens ook de verwerende partij, wordt aangenomen dat de deputatie niet in een nieuwe benoeming heeft (willen) voorzien. De vordering is op het stuk van die zogenaamde impliciete benoeming zonder voorwerp. Evidentelijk komt in die omstandigheden de vraag of verzoeker wel belang heeft bij een vordering tot schorsing ervan, niet aan de orde.
  15. De bevordering van de tussenkomende partij tot directeur steunt op de “bijzonder grote ervaring en dito competenties” die de betrokkene als diensthoofd heeft verworven op het vlak van het personeelsbeleid. Speciaal met het oog daarop overwoog verwerende partij uitdrukkelijk “dat de beslissing van de examenjury [met betrekking tot verzoeker], dit maal materieel en formeel gemotiveerd, de onwettelijkheid van de benoeming van de heer Haenebalcke heeft ongedaan gemaakt, met als gevolg dat diens benoeming tot diensthoofd onverminderd rechtsgeldig blijft ab initio” en “dat, vermits de benoeming van de heer Haenebalcke tot diensthoofd Werving en Loopbaan volledig rechtsgeldig is, er geen juridisch bezwaar bestaat diens verdiensten in die functie in aanmerking te nemen”. Waar verzoeker, in de drie middelen die hij in het kader van de vordering tot schorsing doet gelden, betwist dat de benoeming van de tussenkomende partij tot diensthoofd wettelijk gemaakt is of zelfs maar kón worden, voert hij op het eerste gezicht wel degelijk middelen aan tegen de beslissing tot benoeming van de tussenkomende partij als directeur.
  16. De excepties worden verworpen, behoudens wat de ontvankelijkheid betreft van de impliciete benoeming van 14 november 2007 van A. Haenebalcke tot diensthoofd. Die beslissing lijkt niet te bestaan. B. De grondvoorwaarden voor een schorsing
  17. Krachtens artikel 17, § 2, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State kan slechts tot een schorsing van de tenuitvoerlegging worden besloten onder de cumulatieve voorwaarden dat ernstige middelen worden aangevoerd die de XII-5394-6/13 vernietiging van de aangevochten beslissing kunnen verantwoorden en dat de onmiddellijke tenuitvoerlegging van de bestreden beslissing een moeilijk te herstellen ernstig nadeel kan berokkenen. C. De voorwaarde van de ernstige middelen Eerste middel
  18. Verzoeker voert in een eerste middel aan dat het opnieuw beoordelen van zijn examenkopij een schending uitmaakt van de rechtsregel patere legem quam ipse fecisti, en van het vertrouwens- en het gelijkheidsbeginsel, doordat zijn schriftelijk examen niet anoniem is beoordeeld en de objectiviteit bij de beoordeling niet meer verzekerd was.
  19. Verwerende partij bestrijdt dat de anonimiteit van de kandidaten niet verzekerd zou zijn geweest: “De leden van de examencom[m]issie hebben verbeterd op een anonieme kopie en hebben op geen enkel ogenblik kennis gekregen van de identiteit van de kandidaten. Het publiekelijk gekend zijn van de resultaten van de kandidaten in een eerdere fase doet daar geen afbreuk aan”. Verwerende partij voegt daar aan toe dat de aanvankelijke examenverrichtingen en de nieuwe verrichting twee van elkaar onderscheiden situaties betreffen, dat de examenwerken van alle kandidaten binnen de laatste verrichting opnieuw werden beoordeeld, dat het feit dat dezelfde punten werden toegekend aan alle kandidaten wijst op de ernst en de objectiviteit waarmee de eerste verbetering heeft plaatsgehad. De tussenkomende partij antwoordt dat “er niet alleen overgegaan is tot de opmaak van een motiveringsfiche, doch dat de selectiecommissie dit heeft gerealiseerd via een volledige herbeoordeling van alle kandidaten”, “op de originele en anonieme examenwerken (zij dragen enkel een nummer)”, en dat “met het aanleveren van een soort type-antwoord (het antwoordschema) ook inzicht gegeven [is] in de beoordelingsnorm die de jury nu (en cfr. resultaat van de herverbetering ook toen) heeft gehanteerd”.
  20. In hun verweer doen de verwerende en de tussenkomende partij het voorkomen alsof de examenjury, na het vernietigingsarrest nr. 175.183 van 28 september 2007, de beoordeling van het in 2000 door de kandidaten afgelegde schriftelijk examen voor de betrekking van diensthoofd helemaal heeft overgedaan, om finaal voor alle kandidaten weer tot dezelfde punten te komen (namelijk 44,5 - XII-5394-7/13 30 - 40,5 - 37,5), dit keer na verbetering aan de hand van een antwoordschema en op grond van een individuele motiveringsfiche. Dit verweer strookt op het eerste gezicht niet met het administratief dossier, inzonderheid de stukken 6, 9, 10, 11 en 12 ervan. Daaruit doet de Raad van State tenminste in de huidige stand van de procedure de overtuiging op dat wat, na het arrest nr. 175.183, aan de juryleden gevraagd is en wat zij gedaan hebben, ertoe beperkt was een motivering op te stellen van de op 9 mei 2000 gegeven cijfers. Die cijfers zijn de juryleden met een brief van 19 oktober 2007 toegestuurd “voor de opmaak van de motivering van de beoordeling van de examenwerken” (stuk 6). Na die opmaak is de motivering gewoon als vierde bijlage toegevoegd aan het oorspronkelijke proces-verbaal en de oorspronkelijke quoteringslijsten (stukken 10 en 11). Overigens heeft de Raad van State in zijn arrest nr. 175.183 alleen de examenuitslag van 9 mei 2000 van verzoeker vernietigd en niet de examenuitslag van dezelfde dag van de drie andere kandidaten, die elk wel 60 % van de punten behaalden en dus wel slaagden. Een échte, volledige herverbetering -niet alleen van verzoekers schriftelijk examen, maar ook van dat van hen- zou dus gevergd hebben, zo lijkt, dat eerst de uitslag van die andere kandidaten ongedaan werd gemaakt. Daarvan is geen spoor.
  21. Samengevat, hebben de juryleden naar aanleiding van de vernietiging van hun beslissing van 9 mei 2000 om verzoeker niet geslaagd te verklaren voor het schriftelijk examengedeelte, zich opnieuw over de vier examenwerken van dat gedeelte gebogen. Die examenwerken waren op het eerste gezicht reeds gequoteerd. In welgeteld één geval met een cijfer dat het niet-geslaagd zijn van de kandidaat inhield, en dan ook noodzakelijk naar verzoeker verwees. Dit lijkt niet conform de in het middel aangevoerde anonimiteitsvereiste, waarvan de toepassing te dezen niet betwist wordt, en is bovendien in strijd met het gezag van gewijsde van het arrest nr. 175.183 dat de beslissing om verzoeker niet geslaagd te verklaren had vernietigd, helemaal, wegens schending van “zowel de formele- als de materiële-motiveringsplicht”.
  22. Het eerste middel is ernstig. XII-5394-8/13 Derde middel
  23. Volgens een derde middel schendt de verwerende partij het gezag van gewijsde van het arrest nr. 175.183 : “Daarin werd precies de benoeming van betrokkene tot diensthoofd enkel onwettig verklaard -en niet vernietigd- omdat dit volstaat om Adelbrecht Haenebalcke niet meer in concurrentie met verzoeker te laten meedingen voor de functie van directeur van de 1e directie. Dit gezag van gewijde, verbonden aan het arrest nr. 175.183, kan door nieuwe beslissingen niet ongedaan worden gemaakt aangezien een opnieuw wettig maken van de benoeming van Adelbrecht Haenebalcke om de hierboven genoemde redenen van anonimiteit van de examenbeoordeling onmogelijk is. Dat de provincie op die manier tewerk gaat, getuigt van een mentaliteit van ‘alles mag, en niets zal ons tegenhouden’”.
  24. Verwerende partij antwoordt dat, aangezien de anonimiteit gewaarborgd was, het middel niet ernstig is. Tevens betoogt zij dat het rechtsherstel voor verzoeker, na het vernietigingsarrest van 28 september 2007, erin bestond hem een nieuwe kans te bieden om door te stromen naar de functie van directeur van de eerste directie via de functie van diensthoofd, dat zij daaraan voldaan heeft door de examencommissie opnieuw samen te roepen om zich te beraden en om tot een materieel en formeel gemotiveerd besluit te komen, dat het te verlenen rechtsherstel zich daartoe beperkt maar volledig is voor verzoeker, dat verzoeker er ten onrechte vanuit gaat dat het annulatiearrest ertoe verplicht hem tot directeur van de eerste directie te bevorderen. De tussenkomende partij wijst er op dat het arrest nr. 175.183 haar benoeming tot diensthoofd intact laat, en dat het bestuur “juist met het hernemen van de bevorderingsprocedure [heeft] beantwoord aan één van de verzuchtingen van verzoeker”.
  25. Met zijn arrest van 28 september 2007 heeft de Raad van State de 11 mei 2005 gedateerde bevordering van de tussenkomende partij tot directeur van de eerste directie vernietigd omdat “de onwettigheid van de benoeming tot diensthoofd van dienst 12 de bevordering aan[tast] van A. Haenebalcke tot directeur van de eerste directie”. Niettemin lijkt de nieuwe bevordering van de tussenkomende partij tot directeur wéér gesteund op de benoeming tot diensthoofd van 12 oktober 2000 van de betrokkene. De formele motivering van de nieuwe bevordering laat daarover XII-5394-9/13 weinig twijfel. Bovendien is hiervoor, sub 7, aangenomen dat niet in een nieuwe beslissing over de benoeming tot diensthoofd is voorzien. Verwerende partij lijkt met andere woorden dezelfde beslissing, behept met dezelfde onwettigheid, te hebben herhaald.
  26. Verschillende keren geven de verwerende en de tussenkomende partij te kennen dat het toegelaten is de bevorderingsprocedure te hernemen vanaf het punt waarop het volgens het vernietigingsarrest verkeerd is gelopen. Het is hoe dan ook niet wat te dezen lijkt gebeurd. Verwerende partij heeft op het eerste gezicht allesbehalve de procedure consequent overgedaan vanaf het moment van de onwettigheid die in het arrest werd vastgesteld. Zij heeft alleen hier en daar wat gesleuteld. Overigens kan de vraag rijzen of op de (principiële) mogelijkheid om de proceduregang te hernemen niet een uitzondering bestaat in het geval waarin dit hernemen de intrekking vergt van een beslissing die, bijvoorbeeld wegens het verstrijken van de termijn daartoe, niet meer kan worden ingetrokken. De vraag ook of de benoeming van 12 oktober 2000 van de tussenkomende partij tot diensthoofd niet zo een beslissing is.
  27. Het middel is in de aangegeven mate ernstig. Ook al wordt het ogenschijnlijk alleen in het kader van de vordering tot schorsing aangevoerd en niet ook als middel “voor het beroep tot nietigverklaring”, toch kan het een vernietiging verantwoorden. Het middel van de miskenning van het gezag van gewijsde is immers een middel van openbare orde; het kan in elke stand van het geding worden ingeroepen, desnoods ambtshalve. D. De voorwaarde van het risico op een moeilijk te herstellen ernstig nadeel
  28. Verzoeker zet in verband met het moeilijk te herstellen ernstig nadeel onder meer uiteen dat de verwerende partij duidelijk tot doel heeft de tussenkomende partij te benoemen tot directeur, dat zij spreekt van rechtsherstel, maar volledig aan zijn rechten voorbijgaat, dat door die handelwijze de rechtstoestand van verzoeker sinds 2000 niet gewijzigd is, dat dit tot een zware psychische belasting leidt en een aanzienlijk financieel verlies, dat hij geconfronteerd blijft met een “onwettelijke” concurrent, die feitelijke ervaring in personeelszaken opdoet, dat XII-5394-10/13 zonder schorsing zijn zoektocht om recht te laten geschieden ten einde is, dat binnen vijf à zes jaar de situatie allicht totaal veranderd zal zijn, waardoor zijn kandidatuur als vervallen kan worden beschouwd en hij misschien zelfs geen belang meer zal hebben, dat hij nochtans door de deputatie geschikt werd verklaard voor de functie van directeur van de eerste directie, een zeer verdienstelijk diensthoofd wordt genoemd en eigenlijk alleen maar door de grotere ervaring van de tussenkomende partij in de sector personeelszaken het onderspit moest delven.
  29. De verwerende en de tussenkomende partij reageren in essentie dat de tijd die een annulatieprocedure in beslag neemt niet dienstig wordt aangevoerd als nadeel, dat verzoeker onvoldoende concrete elementen bijbrengt ter staving van de psychische belasting en het financieel verlies, dat zijn nadeel zuiver hypothetisch is, dat het bestuur vermoed moet worden na een vernietiging van de bevordering van 20 maart 2008 het gezag van gewijsde te zullen respecteren, dat de effecten van de schorsing van de bevorderingsbeslissing niet zullen beletten dat de tussenkomende partij voort ervaring in personeelszaken opdoet in zijn functie van diensthoofd van dienst 12, en dat het onjuist is dat de tussenkomende partij na het vernietigingsarrest van 28 september 2007 voort (inhoudelijk) de functie van directeur is blijven uitoefenen.
  30. Terecht wijst verzoeker er op dat deze zaak teruggaat tot
  31. Sindsdien heeft hij al een hele procesgang bij de Raad van State achter de rug en verkreeg hij de vernietiging van onder andere de bevordering van 11 mei 2005 van de tussenkomende partij tot directeur van de eerste directie. Het resultaat hiervan is tot nog toe alleen geweest dat de verwerende partij, na enig dubieus herstelwerk, op het eerste gezicht dezelfde onwettigheid die het vernietigingsarrest in aanmerking neemt, heeft herhaald en de tussenkomende partij opnieuw tot directeur heeft benoemd. Waar aldus verzoekers zogeheten “zoektocht om recht te laten geschieden” nu al bijzondere proporties vertoont, dreigt die zoektocht zonder schorsing nog veel langer te worden, terwijl, zoals de bespreking van de middelen voorlopig uitwijst en dus ogenschijnlijk in strijd met wat verwerende partij in de nota beweert, verzoeker juist niét het vermoeden mag hebben dat na een gebeurlijke vernietiging “het gezag van gewijsde zal worden gerespecteerd”. XII-5394-11/13 In het licht van deze omstandigheden onderscheidt de situatie waarin verzoeker verkeert fundamenteel van die van de verzoekers in het gros van de andere vorderingen tot schorsing inzake benoemingsaangelegenheden. Alvast de door verzoeker aangevoerde psychische belasting komt ernstig en moeilijk herstelbaar voor.
  32. Ook de tweede schorsingsvoorwaarde is vervuld. IV. De vordering tot oplegging van voorlopige maatregelen
  33. Ingeval niet tot schorsing wordt overgegaan van de impliciete weigering om hem tot directeur van de eerste directie te benoemen, vraagt verzoeker twee voorlopige maatregelen te bevelen. Aangezien hierna de vordering tot schorsing van de impliciete weigering wordt ingewilligd, moet over de in ondergeschikte orde gevraagde voorlopige maatregelen geen uitspraak gedaan worden. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  34. Het verzoek tot tussenkomst van Adelbrecht Haenebalcke in het administratief kort geding wordt ingewilligd. Artikel
  35. Bevolen wordt de schorsing van de tenuitvoerlegging van : - de beslissing van 9 november 2007 van de examencommissie van de provincie Oost- Vlaanderen tot vaststelling van de motivering van het niet-geslaagd zijn van José Foncke voor het eerste gedeelte van het vergelijkend bevorderingsexamen voor diensthoofd van dienst 12; - de beslissing van 14 november 2007 van de deputatie tot goedkeuring van de voormelde motiveringsbeslissing van de examencommissie; - de beslissing van 20 maart 2008 van de deputatie tot bevordering van Adelbrecht Haenebalcke tot directeur van de eerste directie; XII-5394-12/13 - de uit die bevordering van 20 maart 2008 blijkende weigering om José Foncke tot directeur van de eerste directie te benoemen. Artikel
  36. De vordering tot schorsing wordt voor het overige verworpen. Artikel
  37. De vordering tot het opleggen van voorlopige maatregelen wordt verworpen. Artikel
  38. De uitspraak over de bijdrage in de betaling van de kosten van de vordering tot schorsing wordt uitgesteld. De kosten van de tussenkomst, bepaald op 125 euro, komen ten laste van de tussenkomende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op negentien september 2008, door : de HH. J. LUST, wnd. kamervoorzitter, staatsraad, F. BONTINCK, griffier. De griffier, De voorzitter, F. BONTINCK. J. LUST. XII-5394-13/13 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.383 Gerelateerde publicatie(s) gevolgd door: ECLI:BE:RVSCE:2010:ARR.200.437 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.