id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.392 Rolnummer: A. 77720/IX-1057 Zaak: Arrest 186392 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 22/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-17 Raadplegingen: 58 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.392 van 22 september 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.392 van 22 september 2008 in de zaak A. 77.720/IX-
- In zake : Remi VANDERSTAPPEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. BALLON, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 148 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Remi VANDERSTAPPEN op 13 februari 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 18 december 1997 van het college van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij hem de tuchtstraf “blaam” definitief wordt opgelegd; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 1 maart 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2008; IX-1057-1/8 Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker ambtenaar met de graad van hoofdmedewerker bij het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Bij nota van 16 december 1996 geeft de secretaris-generaal van het departement Onderwijs de verzoeker opdracht om de nodige ontwerpbesluiten op te stellen voor de uitbetaling van werkingssubsidies voor het schooljaar 1996-97 aan de ondersteuningscentra van ouderverenigingen. Op 3 juli 1997 bereikt het dossier, met het vereiste begrotings- akkoord, het kabinet. Bij nota van 9 juli 1997 maakt de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken het ondertekend ministerieel besluit tot toekenning van de werkingssubsidies over aan de directeur-generaal van de administratie Ondersteuning. Deze nota bevat onderaan de handgeschreven vermelding: “Ik eis een tuchtsanctie tegen R. Vanderstappen voor de negatieve + luie houding. Graag je instemming per kerende.” Op vraag van de administratie geeft kabinetsmedewerker G.L. in een kabinetsnota van 16 juli 1997 verdere uitleg. Hij legt uit dat het dossier laattijdig aan de minister werd voorgelegd en dat de minister begrijpelijkerwijze “om uitleg IX-1057-2/8 vroeg over de zeer lange weg die het dossier aflegde (6 maanden)”. Voorts wordt betreurd dat de verzoeker een “weinig klantvriendelijke houding” heeft aangenomen. In een nota van 18 juli 1997 deelt de directeur-generaal van de administratie Ondersteuning aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken mede dat “op vraag van de heer minister (...) de administratie de concrete feiten, die de basis zijn voor de tuchtstraf voor de heer Remi Vanderstappen (heeft) opgevraagd aan de heer L., kabinetsmedewerker” en dat door de directeur-generaal “aan de heer secretaris-generaal (zal) voorgesteld worden om, in toepassing van het Vlaams personeelsstatuut, deel XI : tuchtregeling, de tuchtstraf ‘blaam’ uit te spreken”. Bij nota van 24 juli 1997 betekent de directeur-generaal aan de verzoeker het voorstel om hem de tuchtstraf “blaam” op te leggen. Aan de verzoeker wordt ten laste gelegd: - dat hij het dossier werkingssubsidies onvoldoende heeft opgevolgd, waardoor hij de goede werking van de dienst in het gedrang brengt en subsidies laattijdig worden uitbetaald; - dat hij een klantonvriendelijke houding aanneemt ten aanzien van kabinetsmedewerkers en vertegenwoordigers van ondersteuningscentra van ouderverenigingen. Op 5 augustus 1997 deelt de secretaris-generaal aan de verzoeker mee dat hij achter het voorstel staat. De verzoeker wordt uitgenodigd om gehoord te worden. Op 3 september 1997 heeft een hoorzitting plaats vóór de secretaris-generaal. Op 5 september 1997 dient de verzoeker nog een verweerschrift in. Bij besluit van de secretaris-generaal van 16 september 1997 wordt aan de verzoeker de tuchtstraf “blaam” opgelegd. Op 1 oktober 1997 stelt de verzoeker beroep in bij de raad van beroep. Op 1 december 1997 adviseert de raad van beroep met drie stemmen tegen twee dat de tuchtstraf “blaam” terecht is opgelegd. IX-1057-3/8 Bij besluit van het College van secretarissen-generaal van 18 december 1997 wordt de tuchtstraf “blaam” definitief uitgesproken.
- Bij besluit van de secretaris-generaal van 12 februari 1999 wordt de verzoeker met ingang van 1 juni 1999 eervol ontslag uit zijn ambt van hoofdmedewerker verleend en wordt hij gemachtigd zijn aanspraak op pensioen te doen gelden. Ten gronde 3.
- De verzoeker roept onder meer een derde middel in, afgeleid uit de schending van de algemene beginselen van zorgvuldigheid, rechtszekerheid en redelijkheid, van artikel 149 van de Grondwet, van artikel IX 15, tweede lid, van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel en van artikel 14, eerste lid, van de gecoördineerde wetten op de Raad van State. Het middel is gericht tegen de overweging in het bestreden besluit “dat vaststaat dat de adviesaanvraag aan de Inspectie van Financiën op basis van het volledige dossier slechts vertrok op 12 maart 1997, terwijl de eerste schijf van de subsidies reeds uitbetaald moest zijn in januari 1997 ”, en tegen de conclusie die het College van secretarissen-generaal hieruit trekt, namelijk “dat (de verzoeker) het dossier voor uitbetaling van subsidies aan ouderverenigingen onvoldoende heeft opgevolgd”. Volgens de verzoeker houdt het College aldus geen rekening met een aantal door hem aangevoerde en bewezen feiten in verband met de afhandeling van het subsidiedossier. Hij concludeert dat die gegevens aantonen dat de verzoeker snel voortgang wou maken met het dossier, maar dat op kabinetsniveau minstens drie maanden verloren gingen. De verzoeker stelt dat hij zelf geen fout begaan heeft, en dat hem een vertraging wordt aangewreven die niet aan hem te wijten is. Volgens de verzoeker waren de plichten van objectiviteit, van een zorgzaam onderzoek en van neutraliteit van meet af aan gecompromitteerd. Bovendien heeft het College van secretarissen-generaal feiten in aanmerking genomen waarvan de materiële juistheid niet is aangetoond. IX-1057-4/8 3.
- De verwerende partij meent dat het optreden van de verzoeker van weinig initiatief getuigt, omdat, zoals in het advies van de raad van beroep gesteld wordt, de adviesaanvraag aan de Inspectie van Financiën vertrok op 12 maart 1997, terwijl de verdeelsleutel voor de werkingssubsidies reeds was medegedeeld op 11 februari 1997 en de oorspronkelijke nota met de adviesaanvraag van 12 februari 1997 op 24 februari 1997 aan de Inspectie van Financiën werd teruggevraagd en pas op 12 maart 1997 opnieuw naar de dienst werd gestuurd. De verzoeker heeft louter administratief gezien weliswaar stappen ondernomen om het subsidiëringsdossier uiteindelijk uitbetaald te krijgen, maar uit niets blijkt dat hij de nodige initiatieven heeft genomen om de hem opgedragen snelle afhandeling te realiseren. 3.
- In haar laatste memorie stelt de verwerende partij dat in het verslag, waarin de auditeur-verslaggever oordeelt dat de voornaamste beschuldiging die tegen de verzoeker wordt ingebracht niet bewezen is, voorbijgegaan wordt aan de andere evenwaardige tenlastelegging, te weten de door de verzoeker betoonde en door hem naderhand niet betwiste klantonvriendelijkheid/onbeleefdheid. 3.
- Het bestreden besluit bevat onder meer de volgende overwegingen: “Overwegende dat het College van secretarissen-generaal opmerkt dat vaststaat dat de adviesaanvraag aan de Inspectie van Financiën op basis van het volledige dossier slechts vertrok op 12 maart 1997, terwijl de eerste schijf van de subsidies reeds uitbetaald moest zijn in januari 1997; Overwegende dat het College van secretarissen-generaal hieruit besluit dat de heer Remi Vanderstappen het dossier voor uitbetaling van subsidies aan ouderverenigingen onvoldoende heeft opgevolgd; dat betrokkene louter administratief gezien weliswaar stappen heeft ondernomen om het subsidiëringsdossier uitbetaald te krijgen, maar dat nergens blijkt dat betrokkene de nodige initiatieven heeft genomen om de hem opgedragen snelle afhandeling te realiseren.” Uit het administratief dossier blijkt dat de afhandeling van het subsidiedossier het volgende verloop kende: - bij nota van 16 december 1996 vraagt de secretaris-generaal aan het afdelingshoofd van de afdeling Informatie en Documentatie om de verzoeker opdracht te geven om de nodige besluiten op te stellen voor de uitbetaling van werkingssubsidies voor het schooljaar 1996-97 aan de ondersteuningscentra van ouderverenigingen; IX-1057-5/8 - bij nota van 10 februari 1997 deelt G.L., kabinetsmedewerker van de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, aan de verzoeker de verdeelsleutel mede voor de toekenning van de werkingssubsidies. De nota bevat de handgeschreven vermelding “Aan Remi Van Der Stappen. Voor onmiddellijke uitbetaling werking ondersteuningscentra”; - bij nota van 12 februari 1997 vraagt de verzoeker het visum van de Inspectie van Financiën voor de vastlegging van de werkings- en vormingssubsidies; - bij nota van 24 februari 1997 vraagt het afdelingshoofd van de afdeling Informatie en Documentatie aan de Inspectie van Financiën het dossier te willen terugbezorgen, omdat enkele wijzigingen met betrekking tot de cijfergegevens voor de vorming ondertussen definitief zijn vastgelegd. Volgens de verzoeker, die op dit punt niet tegengesproken wordt, was hijzelf op dat ogenblik afwezig wegens ziekte; - bij nota van 12 maart 1997 vraagt het afdelingshoofd het visum van de Inspectie van Financiën voor de vastlegging van de werkingssubsidies; - het visum wordt verleend op 6 mei 1997; - bij nota van 13 mei 1997 maakt het afdelingshoofd het dossier over aan de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken, met het verzoek “bijgaand ontwerp van brief aan de Vlaamse minister van Financiën en Begroting te willen ondertekenen en na akkoord van deze laatste ook het besluit van zijn handtekening te willen voorzien”; - bij nota van 4 juni 1997 vraagt de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken het akkoord van de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid; - bij nota van 30 juni 1997 verleent de Vlaamse minister van Financiën, Begroting en Gezondheidsbeleid het begrotingsakkoord; - bij nota van 9 juli 1997 maakt de Vlaamse minister van Onderwijs en Ambtenarenzaken het ondertekend ministerieel besluit tot toekenning van de werkingssubsidies over aan de directeur-generaal van de administratie Ondersteuning. Deze nota bevat de reeds genoemde handgeschreven vermelding waarin een tuchtsanctie tegen de verzoeker voor diens “negatieve” en “luie houding” wordt geëist. De voormelde gegevens tonen aan dat, zo er een vertraging is opgetreden bij de afhandeling van het dossier, deze in redelijkheid niet aan de verzoeker verweten kan worden. De verzoeker beschikte immers pas vanaf 10 februari 1997 over de vereiste gegevens om de hem op 16 december 1996 IX-1057-6/8 gegeven opdracht te kunnen uitvoeren. Hij heeft prompt gereageerd door op 12 februari 1997 het visum aan de Inspectie van Financiën te vragen. Het bestreden besluit negeert deze gegevens en stelt het voor alsof de verzoeker de visumaanvraag pas op 12 maart 1997 aan de Inspectie van Financiën heeft toegezonden. Aldus blijkt dat het bestreden besluit steunt op feiten die geen steun vinden in de gegevens van het dossier, minstens op een beoordeling van de feiten die kennelijk onredelijk is. In zoverre in het middel wordt aangevoerd dat het bestreden besluit is genomen met miskenning van het redelijkheidsbeginsel, is het gegrond.
- Het bestreden besluit steunt, zoals de verwerende partij terecht opmerkt in de laatste memorie, niet enkel op de onvoldoende opvolging van het subsidiedossier door de verzoeker, maar ook op zijn klantonvriendelijke en onbeleefde houding. Het derde middel heeft enkel betrekking op de overwegingen in het bestreden besluit in verband met het eerste ten laste gelegde feit, en is vreemd aan de overwegingen in verband met het tweede feit. Volgens de verwerende partij blijft het bestreden besluit verantwoord door de overwegingen in verband met het tweede feit, en kan de gegrondheid van het derde middel op zich niet tot de vernietiging van het bestreden besluit leiden. Het staat echter niet aan de Raad van State om te oordelen of de aan de verzoeker opgelegde tuchtstraf van de blaam passend blijft, in het licht van het tweede ten laste gelegde feit alleen. De gegrondheid van het derde middel leidt in dit geval dan ook tot de nietigverklaring van het hele bestreden besluit. IX-1057-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt het besluit van 18 december 1997 van het College van secretarissen-generaal van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap waarbij Remi VANDERSTAPPEN de tuchtstraf “blaam” definitief wordt opgelegd. Artikel
- De kosten van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 173,53 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 september 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1057-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.392 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.