id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.393 Rolnummer: A. 80294/IX-1466 Zaak: Arrest 186393 - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan - 22/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-05 Raadplegingen: 56 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.393 van 22 september 2008 Openbaar ambt - Openbaar ambt van Gemeenschappen en Gewesten - Aanwerving en loopbaan Beslissing : Vernietiging Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.393 van 22 september 2008 in de zaak A. 80.294/IX-
- In zake : Remi VANDERSTAPPEN, die woonplaats kiest bij advocaat G. BALLON, kantoor houdende te BRUSSEL, Louizalaan 148 tegen : de Vlaamse Gemeenschap, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering. --------------------------------------------------------------------------------------------------- D E R A A D V A N S T A T E, IXe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Remi VANDERSTAPPEN op 16 september 1998 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van de beslissing van de directieraad van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 1998, waarbij hij in zijn functionele loopbaan wordt vertraagd; Gelet op het arrest nr. 77.726 van 18 december 1998 waarbij de vordering tot schorsing van de tenuitvoerlegging van het bestreden besluit wordt verworpen; Gezien het verzoek tot voortzetting van de rechtspleging ingediend op 5 februari 1999 door de verzoekende partij; Gezien de regelmatig gewisselde memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door eerste auditeur-afdelingshoofd W. VAN NOTEN; Gelet op de beschikking van 9 mei 2000 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; IX-1466-1/8 Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de regelmatig gewisselde laatste memories; Gelet op de beschikking van 1 augustus 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 15 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter P. LEMMENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat P. DEVERS, die verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd W. VAN NOTEN; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973, OVERWEEGT WAT VOLGT : De feiten 1.
- Op het ogenblik van de bestreden beslissing is de verzoeker ambtenaar met de graad van hoofdmedewerker bij het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap. 1.
- Bij besluit van het College van secretarissen-generaal van 18 december 1997 wordt aan de verzoeker de tuchtstraf “blaam” opgelegd. Bij arrest nr. 186.392 van heden wordt dat besluit vernietigd. 1.
- Op 14 januari 1998 wordt met de verzoeker een evaluatiegesprek over het jaar 1997 gevoerd, waarvan de resultaten in een evaluatieverslag worden vastgelegd. Op 29 januari 1998 voegt de verzoeker zijn opmerkingen toe aan het evaluatieverslag. Op 8 mei 1998 doet het College van afdelingshoofden een voorstel om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. IX-1466-2/8 Dit voorstel wordt bij schrijven van de secretaris-generaal van 19 mei 1998 aan de verzoeker medegedeeld. Terzelfder tijd wordt hem meegedeeld dat hij kan vragen om te worden gehoord door de directieraad, die op 25 mei 1998 zal vergaderen. Dezelfde dag vraagt de verzoeker om uitstel daar hij van 21 mei tot 15 juni 1998 met vakantie is. Na vastgesteld te hebben dat de verzoeker met vakantie is, beslist de directieraad op 25 mei 1998 om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen. De beslissing is gemotiveerd als volgt: “Initiatief, verantwoordelijkheidszin en zin voor goede dienstverlening zijn onontbeerlijk voor de uitvoering van Remi's job. Betrokkene is niet pro-actief en voelt zich weinig verantwoordelijk. Hij neemt weinig of geen initiatief en heeft een aparte kijk op het begrip klantvriendelijkheid. De bijgehouden informatie is zo cryptisch en onvolledig dat ze enkel toegankelijk is voor hemzelf.” Dit is de bestreden beslissing. Zij wordt bij aangetekende brief van 22 juli 1998 aan de verzoeker ter kennis gebracht.
- Bij besluit van de secretaris-generaal van 12 februari 1999 wordt de verzoeker met ingang van 1 juni 1999 eervol ontslag verleend uit zijn ambt van hoofdmedewerker en wordt hij gemachtigd zijn aanspraak op pensioen te doen gelden. Ontvankelijkheid van het beroep 3.
- De verwerende partij werpt in haar laatste memorie een exceptie van onontvankelijkheid van het beroep op, afgeleid uit het ontbreken van het rechtens vereiste actuele belang in hoofde van de verzoeker. Zij voert aan dat de verzoeker met ingang van 1 juni 1999 gepensioneerd is en dat de loopbaanvertraging voor de verzoeker geen enkel financieel nadeel tot gevolg heeft, ook niet naar zijn pensioen toe. Overeenkomstig artikel VIII 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel heeft een loopbaanvertraging voor gevolg dat voor de periode van 1 juli van het jaar IX-1466-3/8 volgend op het evaluatiejaar en de daaropvolgende 12 maanden, voor elke maand een halve maand schaalanciënniteit wordt afgetrokken voor de opbouw van de functionele loopbaan. De verwerende partij wijst erop dat de verzoeker vóór de beslissing tot loopbaanvertraging reeds de hoogste aan zijn graad verbonden salarisschaal bereikt had. Zij besluit dat noch verzoekers wedde, noch zijn pensioen, dat berekend wordt op zijn gemiddelde wedde van de laatste vijf jaar, door de loopbaanvertraging op negatieve wijze wordt beïnvloed zodat de verzoeker geen blijk geeft van een actueel belang bij zijn beroep. 3.
- Zoals de Raad van State reeds heeft vastgesteld in zijn arrest nr. 77.726 van 18 december 1998 over de vordering tot schorsing, heeft de loopbaanvertraging voor de verzoeker geen financiële gevolgen, gelet op het feit dat hij reeds de hoogste aan zijn graad verbonden salarisschaal had bereikt. Dit betekent evenwel niet dat de verzoeker niet langer een actueel belang bij zijn beroep zou hebben. Een loopbaanvertraging houdt immers een negatieve beoordeling van de betrokken ambtenaar in, en vormt aldus een afkeuring van de wijze waarop deze zijn functie uitoefent. De loopbaanvertraging kan door de verzoeker als moreel krenkend worden ervaren. De verzoeker heeft dan ook een moreel belang bij zijn beroep. Zijn oppensioenstelling doet hieraan geen afbreuk. De verzoeker, die zelf reeds in zijn memorie van wederantwoord uitdrukkelijk naar dit moreel belang verwijst, geeft aldus nog steeds blijk van een actueel belang bij zijn vordering. De exceptie kan niet worden aangenomen. Ten gronde 4.
- De verzoeker roept een zevende middel in, afgeleid uit onder meer de schending van de rechten van de verdediging en de hoorplicht. De verzoeker voert onder meer aan dat in de bestreden beslissing gesteld wordt dat “niettegenstaande hij tijdig op de hoogte werd gebracht van de datum van de vergadering van de directieraad (...) hij vandaag met verlof (is)”, dat hem op die manier het verwijt gemaakt wordt dat hij niet aanwezig was op de zitting van de directieraad en dat de zaken zo voorgesteld worden alsof hij zich niet wenste te verdedigen. Nochtans heeft de verzoeker reeds op 19 mei 1998 schriftelijk aan de directieraad laten weten dat hij wenste gehoord te worden. Wel heeft hij toen om een IX-1466-4/8 uitstel gevraagd aangezien hij met vakantie was van 21 mei tot 15 juni 1998 en hij op het moment van de aangekondigde zitting van de directieraad op 25 mei 1998 in het buitenland verbleef. Die vakantie was op 27 april 1998 geboekt, en de verzoeker had daarvoor de toestemming van zijn dienstoverste verkregen. De verzoeker wijst erop dat de tuchtrechtelijke overheden bovendien reeds vóór zijn verlof een beslissing genomen konden hebben en dat zij bovendien tussen 15 juni 1998 (het einde van de vakantie van de verzoeker) en 30 juni 1998 (de vervaldag voor het opleggen van een loopbaanvertraging) nog een beslissing konden treffen, ditmaal met respect voor de rechten van de verzoeker. De verzoeker besluit dat het bestuur door voormelde handelwijze de rechten van verdediging en de hoorplicht heeft geschonden. 4.
- De verwerende partij merkt in haar memorie van antwoord op dat de verzoeker zich bewust was van zijn problematische evaluatie over het jaar 1997 en dat de evaluatieprocedure overeenkomstig artikel VIII 78 van het besluit van de Vlaamse regering van 24 november 1993 houdende organisatie van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap en de regeling van de rechtspositie van het personeel (hierna: het Vlaams personeelsstatuut) pas op 30 juni als afgerond beschouwd kan worden. Niettemin heeft de verzoeker reeds op 27 april 1998 een vakantie naar het buitenland geboekt met afreis op 24 mei 1998, terwijl hij zelf had kunnen vragen om gehoord te worden en in functie van het antwoord zijn vakantie had kunnen boeken. De verwerende partij stelt dat van de directieraad moeilijk verwacht kan worden dat deze zijn werking aanpast aan de individuele vakantieplannen van elk personeelslid. Wie met vakantie gaat op een ogenblik dat de voorstellen van loopbaanvertraging worden onderzocht is, aldus de verwerende partij, nadien niet gerechtigd om te beweren dat het verlies van de kans om gehoord te worden te wijten is aan de directieraad. Dit geldt des te meer voor de verzoeker aangezien hij nog eens een extra uitnodiging had gekregen. Bovendien werd de bestreden beslissing genomen op basis van de evaluatie waarvan de verzoeker kennis had en op grond waarvan hij zelf kon vragen om gehoord te worden. Volgens de verwerende partij heeft de verzoeker van zijn recht van verdediging en van het recht om gehoord te worden afstand gedaan. IX-1466-5/8 4.
- In zijn memorie van wederantwoord stelt de verzoeker dat hij pas op 19 mei 1998 ervan verwittigd werd dat de vergadering van de directieraad op 25 mei 1998 zou doorgaan, en dat hem vóór 19 mei nooit was medegedeeld dat tegen hem een maatregel genomen zou worden. De verzoeker meent dat hij niet kon voorzien dat hij moest vragen om gehoord te worden. De bewering dat hij er bij de planning van zijn vakantie rekening mee moest houden dat de evaluatieprocedure pas op 30 juni als afgerond beschouwd kan worden getuigt, aldus de verzoeker, van wereldvreemdheid aangezien bij veralgemening van die redenering geen enkele ambtenaar vóór 1 juni een aanvraag tot vakantie zou kunnen doen. 4.
- In haar laatste memorie wijst de verwerende partij erop dat de verzoeker wist dat zijn evaluatie heel wat ongunstige elementen vermeldde zodat hij deze evaluatie bezwaarlijk als gunstig kon beschouwen. Minstens had de verzoeker bij zijn afdelingshoofd kunnen informeren naar de stand van zaken met betrekking tot de evaluaties vooraleer zijn vakantie te regelen. De verwerende partij herhaalt dat de verzoeker door de directieraad werd uitgenodigd voor een verhoor maar daarop door zijn eigen nalatigheid niet kon ingaan. Zij blijft er dan ook bij dat de verzoeker zich thans niet op de schending van het recht van verdediging en van het recht om gehoord te worden kan beroepen. 4.5.
- De beslissing om de functionele loopbaan van een ambtenaar te vertragen is een maatregel die, ook al is ze geen eigenlijke tuchtmaatregel, de betrokkene nadeel berokkent op grond van hem als tekortkoming aangerekende feiten. Een dergelijke maatregel kan niet worden genomen zonder dat de betrokkene zijn recht van verdediging heeft kunnen uitoefenen. Ten tijde van de bestreden beslissing bepaalde artikel VIII 78, derde lid, van het Vlaams personeelsstatuut dat de ambtenaar die meent dat zijn evaluatie aanleiding kan geven tot loopbaanvertraging, door de bevoegde directieraad op zijn vraag gehoord wordt vooraleer deze een beslissing neemt over de loopbaan-versnelling of loopbaanvertraging. A fortiori geldt die mogelijkheid voor de ambtenaar die van mening is dat zijn evaluatie geen aanleiding kan geven tot loopbaanvertraging. 4.5.
- Te dezen werd op 19 mei 1998 aan de verzoeker medegedeeld dat hij op basis van zijn functioneringsevaluatie in aanmerking kwam voor een vertraging in zijn functionele loopbaan en dat hij kon vragen om te worden gehoord IX-1466-6/8 door de directieraad, die op 25 mei 1998 zou vergaderen. De verzoeker heeft dezelfde dag om uitstel gevraagd daar hij van 21 mei tot 15 juni 1998 met vakantie was. De directieraad heeft evenwel op 25 mei 1998 beslist om de functionele loopbaan van de verzoeker te vertragen, zonder dat hij door de directieraad werd gehoord. De notulen van de vergadering van de directieraad vermelden desbetreffend: “Overeenkomstig het recht hem toegekend overeenkomstig artikel VIII 78 vroeg de heer Remi VANDERSTAPPEN om gehoord te worden. Niettegenstaande hij tijdig op de hoogte werd gebracht van de datum van de vergadering van de directieraad is hij vandaag met verlof.” Vastgesteld moet worden dat aan de vraag van de verzoeker tot uitstel van de beslissing geen aandacht is besteed. Evenmin blijkt dat er enige noodzaak was om op 25 mei 1998 over het voorstel tot vertraging van de functionele loopbaan van de verzoeker te beslissen, of dat het door de verzoeker gevraagde uitstel van de behandeling de goede werking van het departement in het gedrang zou hebben gebracht. De directieraad had de behandeling van het voorstel tot loopbaanvertraging dan ook moeten uitstellen, teneinde aan de verzoeker de mogelijkheid te geven om zijn verweermiddelen te doen gelden. De verwerende partij voert ten onrechte aan dat de verzoeker wist dat zijn evaluatie aanleiding kon geven tot loopbaanvertraging zodat hij overeenkomstig artikel VIII 78 van het Vlaams personeelsstatuut had kunnen vragen om door de directieraad te worden gehoord, vooraleer vakantie aan te vragen. Vóór 19 mei 1998 was de verzoeker immers niet van enig voorstel tot loopbaanvertraging in kennis gesteld, terwijl van een ambtenaar evenmin mag worden verlangd dat hij als het ware zichzelf gaat beschuldigen door zelf kenbaar te maken dat zijn evaluatie aanleiding kan geven tot een loopbaanvertraging. Het middel is in de besproken mate gegrond. IX-1466-7/8 OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Vernietigd wordt de beslissing van de directieraad van het departement Onderwijs van het ministerie van de Vlaamse Gemeenschap van 25 mei 1998, waarbij Remi VANDERSTAPPEN in zijn functionele loopbaan wordt vertraagd. Artikel
- De kosten van de vordering tot schorsing en van het beroep tot nietigverklaring, bepaald op 347,06 euro, komen ten laste van de verwerende partij. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op 22 september 2008, door de IXe kamer, die was samengesteld uit : de HH. P. LEMMENS, kamervoorzitter, A. VANDENDRIESSCHE, staatsraad, D. MOONS, staatsraad, Mevr. V. WAUTERS, griffier. De griffier, De voorzitter, V. WAUTERS. P. LEMMENS. IX-1466-8/8 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.393 Gerelateerde publicatie(s) voorafgegaan door: ECLI:BE:RVSCE:1998:ARR.77.726 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div
🔗 Vers la source officielle
AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.