← België

Arrest 186395 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/09/2008

id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 22 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.395 Rolnummer: A. 116656/X-10817 Zaak: Arrest 186395 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 22/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-14 Raadplegingen: 61 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.395 van 22 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.395 van 22 september 2008 in de zaak A. 116.656/X-10.

  1. In zake :
  2. XXXX,
  3. XXXX, die woonplaats kiezen bij advocaat E. STORMS, kantoor houdende te 3110 ROTSELAAR, Echostraat 8 tegen : het Vlaamse Gewest, vertegenwoordigd door de Vlaamse regering, dat woonplaats kiest bij advocaat M. van DIEVOET, kantoor houdende te 1000 BRUSSEL, Boomstraat
  4. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat XXXX en XXXX op 11 februari 2002 hebben ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 11 december 2001 van de Vlaamse minister van Financiën en Begroting, Innovatie, Media en Ruimtelijke Ordening waarbij het beroep van de gemachtigde ambtenaar en van het college van burgemeester en schepenen van de gemeente Holsbeek wordt ingewilligd en de stedenbouwkundige vergunning wordt geweigerd voor het renoveren van een bestaande woning aan de Meidries te Holsbeek (Kortrijk-Dutsel), kadastraal bekend sectie B, nrs. 208/b en 212/d; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door auditeur P. BARRA; Gelet op de beschikking van 8 februari 2005 die de neerlegging ter griffie van het verslag en van het dossier gelast; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memorie van de verzoekende partijen; X-10.817-1/12 Gelet op de beschikking van 9 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 27 juni 2008; Gehoord het verslag van staatsraad J. VAN NIEUWENHOVE; Gehoord de opmerkingen van advocaat E. STORMS, die verschijnt voor de verzoekende partijen, en van advocaat F. van DIEVOET, die loco advocaat M. van DIEVOET verschijnt voor de verwerende partij; Gehoord het andersluidend advies van eerste auditeur P. BARRA; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
  5. De feiten 1.
  6. De verzoekende partijen dienen op 8 juni 1999 (datum van het ontvangstbewijs) een aanvraag in bij het gemeentebestuur van Holsbeek tot het bekomen van een stedenbouwkundige vergunning voor het saneren van een bestaande woning, gelegen op een terrein aan de Meidries te Holsbeek (Kortrijk-Dutsel), kadastraal gekend sectie B, nrs. 208/b en 212/d. De beoogde werken hebben betrekking op de binnen- en buitenzijde van het gebouw, omvatten zowel een herindeling van de binnenruimten als een aanpassing van de buitenmuren en leiden tot een geringe volumevermeerdering. 1.
  7. Het betrokken perceel is volgens de bestemmingsvoorschriften van het gewestplan Leuven, vastgesteld bij koninklijk besluit van 7 april 1977, gelegen in landschappelijk waardevol agrarisch gebied. Er is geen behoorlijk vergunde niet vervallen verkaveling van kracht en evenmin een bijzonder plan van aanleg of ruimtelijk uitvoeringsplan. 1.
  8. Er wordt een openbaar onderzoek georganiseerd in juni
  9. Er worden geen bezwaren ingediend. X-10.817-2/12 1.
  10. Op 14 juli 1999 brengt de afdeling Land een gunstig advies uit over de aanvraag. 1.
  11. Op 5 augustus 1999 stelt het college van burgemeester en schepenen dat het zich akkoord verklaart met het advies dat de gemachtigde ambtenaar zal formuleren. Daarbij overweegt het college dat het zich vragen stelt over de bouwfysieke toestand van het gebouw, omdat het op het kadaster reeds jaren gecatalogeerd staat als puin, omdat het gebouw is vermeld op de rol van verkrotting en leegstand en omdat er vroeger reeds een negatief advies was gegeven door de gemachtigde ambtenaar. 1.
  12. Op 17 augustus 1999 geeft de gemachtigde ambtenaar een ongunstig advies over de aanvraag. In de motivering wordt vermeld dat de woning voorkomt op de lijst van verkrotte woningen en dat de verbouwing en uitbreiding van een woning gelegen in agrarisch landschappelijk waardevol gebied om die reden niet mogelijk is. 1.
  13. Op 19 augustus 1999 weigert het college van burgemeester en schepenen van Holsbeek de bouwvergunning met verwijzing naar het advies van de gemachtigde ambtenaar en naar de eerdere beslissing van het college van 5 augustus
  14. 1.
  15. Op 17 september 1999 stelt de eerste verzoekende partij administratief beroep in tegen deze beslissing bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Vlaams-Brabant. 1.
  16. Op 24 augustus 2000 willigt de bestendige deputatie het beroep in en verleent zij de bouwvergunning. In de motivering van de beslissing wordt gesteld dat de woning is opgenomen op de lijst van verwaarloosde en leegstaande woningen, maar niet op de lijst van ongeschikte of onbewoonbare woningen. Uit een plaatsbezoek is gebleken dat de woning in een vrij goede staat verkeert en niet als verkrot beschouwd kan worden. De overige decretale voorwaarden waren volgens de bestendige deputatie vervuld. 1.
  17. Op 20 oktober 2000 wordt door een bevoegde ambtenaar van de verwerende partij een proces-verbaal opgesteld wegens het uitvoeren van bouwwerken zonder vergunning door de eerste verzoekende partij. Volgens het X-10.817-3/12 proces-verbaal bestaat de overtreding uit het renoveren van een verkrot gebouw en het uitvoeren van vergunningsplichtige werken met betrekking tot de constructieve elementen van het gebouw zoals de dakconstructie en het gedeeltelijk herbouwen van de buitenmuren. 1.
  18. Op 24 oktober 2000 resp. 27 oktober 2000 stellen de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen bij de minister administratief beroep in tegen de beslissing van de bestendige deputatie. 1.
  19. Op 14 december 2000 wordt de eerste verzoekende partij verhoord en verklaart zij dat er geen bouwovertredingen zijn gebeurd en dat er enkel instandhoudingswerken hebben plaatsgevonden. 1.
  20. Op 2 februari 2001 laat de stedenbouwkundig inspecteur de eerste verzoekende partij weten dat er geen vergelijk kan getroffen worden, daar de zonder vergunning uitgevoerde bouwwerken niet in aanmerking komen voor een regularisatievergunning en dat hij bij de procureur des Konings een herstelvordering heeft ingeleid met als voorwerp het herstel van de plaats in de oorspronkelijke toestand. 1.
  21. Op 11 december 2001 willigt de minister de administratieve beroepen van de gemachtigde ambtenaar en van het college van burgemeester en schepenen in en vernietigt hij de beslissing van de bestendige deputatie.
  22. Ten gronde 2.1.1.
  23. In een eerste middel voeren de verzoekende partijen de schending aan “van de rechten van de verdediging en van andere beginselen van behoorlijk bestuur”. Zij betogen daarbij in een eerste onderdeel dat in het bestreden besluit niet wordt onderzocht of het bij de minister ingestelde beroep van het college van burgemeester en schepenen wel tijdig is ingesteld en tijdig aan de verzoekende partijen werd betekend, zodat het bestreden besluit onwettig is, minstens in de mate dat het betrekking heeft op het door het college van burgemeester en schepenen ingesteld beroep en in de mate dat rekening werd gehouden met foto’s van het gebouw die afkomstig zijn van de gemeente en die volgens de datumstempel op de foto’s zijn gemaakt op 5 november
  24. X-10.817-4/12 Tevens stellen zij in een tweede onderdeel dat in de loop van de administratieve beroepsprocedure de bovengenoemde foto’s opduiken, die hen niet eerder bekend waren en waar zij pas kennis van konden nemen bij inzage van het dossier bij het hoofdbestuur. Omdat de verzoekende partijen daardoor werden geconfronteerd met nieuwe gegevens waartegen zij zich moeilijk kunnen verdedigen, zijn de rechten van de verdediging geschonden en is het bestreden besluit onwettig. Bovendien werd het dossier pas vervolledigd na de hoorzitting op 17 januari 2001, doordat aanvankelijk niet de juiste plannen werden bezorgd als bijlage bij de beslissing van de bestendige deputatie, wat pas werd rechtgezet op 1 februari
  25. In een derde onderdeel stellen de verzoekende partijen dat bij de hoorzitting voorafgaand aan het bestreden besluit geen rekening werd gehouden met de door hen voorgelegde foto’s van de toestand van het gebouw, die volgens de datumstempel op de foto’s zijn gemaakt op 3 november
  26. Voorts voeren zij aan dat zij worden geviseerd door de verwerende partij en door het gemeentebestuur met miskenning van de procedurebeginselen van behoorlijk bestuur, onder meer van het fair play-beginsel. 2.1.1.
  27. De verwerende partij werpt op dat, wat het eerste onderdeel betreft, de beslissing van de bestendige deputatie aan de betrokken overheden werd meegedeeld op 5 oktober 2000 en dat het college van burgemeester en schepenen op 27 oktober 2000 administratief beroep instelde, zodat het beroep ontvankelijk is. Bovendien volstaat het door de gemachtigde ambtenaar afzonderlijk ingestelde beroep om het bestreden besluit te schragen. Wat het tweede onderdeel betreft stelt de verwerende partij dat de betrokken overheden informatie, waaronder fotomateriaal, kunnen uitwisselen met het oog op de volledigheid van het dossier en dat dit de ontvankelijkheid van het door de gemachtigde ambtenaar ingestelde administratief beroep niet in het gedrang brengt. Het beroep van de gemachtigde ambtenaar steunde overigens ook op andere gegevens dan het fotomateriaal. Bovendien hebben de verzoekende partijen zich kunnen verdedigen tegen deze stukken. De verwerende partij betoogt met betrekking tot het derde onderdeel dat de foto’s van de toestand van de woning op 3 november 1996, waar de verzoekende partijen naar verwijzen, niet worden vermeld in het verslag van de hoorzitting en ook niet terug te vinden zijn in het administratief dossier. De beweerde miskenning van onder meer het fair play-beginsel wordt door haar betwist en is bovendien vreemd aan het bestreden besluit. X-10.817-5/12 2.1.2.
  28. Uit de gegevens van het dossier blijkt dat de gemachtigde ambtenaar en het college van burgemeester en schepenen bij de minister administratief beroep hebben ingesteld tegen de beslissing van de bestendige deputatie met een aangetekende brief van 24 oktober 2000 resp. 27 oktober
  29. Tevens blijkt dat de verzoekende partijen telkens met een aangetekende brief van dezelfde datum op de hoogte werden gebracht van het ingestelde beroep. Voor het overige tonen de verzoekende partijen niet aan op grond van welke concrete gegevens deze beroepen onontvankelijk zouden zijn. Het eerste middelonderdeel is niet gegrond. 2.1.2.
  30. De door de verzoekende partijen aangevoerde schending van het beginsel van de rechten van de verdediging kan niet worden aangenomen, nu dit beginsel enkel toepassing vindt in strafprocedures en in tuchtrechtelijke procedures en niet in administratieve beroepsprocedures. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 2.1.2.
  31. De verzoekende partijen tonen niet aan en er blijkt ook nergens uit de gegevens van het dossier dat zij de door hen gemaakte foto’s van het gebouw hebben voorgelegd bij de hoorzitting of op enig ander ogenblik van de administratieve beroepsprocedure. Dat deze foto’s als bijlage bij het verzoekschrift tot nietigverklaring bij de Raad van State zijn gevoegd, toont nog niet aan dat ze ook tijdig werden aangevoerd tijdens de administratieve beroepsprocedure. De verzoekende partijen brengen ook geen concrete gegevens aan waaruit kan blijken dat zij “geviseerd” worden door de verwerende partij of door de gemeente Holsbeek, dat er sprake is van “animositeit” en dat er een schending zou voorliggen van het fair play-beginsel. Het derde middelonderdeel mist feitelijke grondslag. 2.1.
  32. Het eerste middel is ongegrond. 2.2.1.
  33. In een tweede middel voeren de verzoekende partijen de schending aan van artikel 43, § 2 “en/of andere bepalingen” van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 en van de motiveringsplicht. In een eerste onderdeel betogen zij dat de aanvraag beoordeeld moest worden overeenkomstig artikel 43, § 2 van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, zoals het van toepassing X-10.817-6/12 was voor de wijziging door het decreet van 13 juli 2001, en niet overeenkomstig artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. Aanvragen die werden ingediend voor de inwerkingtreding van deze wijziging moesten worden beoordeeld volgens de regelgeving die bij het indienen van de aanvraag van toepassing was. In ondergeschikte orde stellen de verzoekende partijen dat de uitsluiting van verkrotte gebouwen van de mogelijkheid om een vergunning af te leveren overeenkomstig de bovengenoemde decretale bepalingen, enkel mogelijk is voor woningen die voorkomen op de lijst van ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die deel uitmaakt van de inventaris verbonden aan de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen zoals ingevoerd bij decreet van 22 december
  34. Uit de parlementaire voorbereiding kan evenwel worden opgemaakt dat gebouwen op de lijst van leegstaande en verwaarloosde woningen niet als verkrotte gebouwen kunnen worden aangemerkt. In een tweede onderdeel stellen de verzoekende partijen dat in het bestreden besluit ten onrechte wordt aangenomen dat de aanvraag ten dele de regularisatie beoogt van eerder uitgevoerde werken. Dit wordt opgemaakt uit het bestaan van een vroegere bouwaanvraag van 16 mei 1997 die werd geweigerd, enerzijds, en uit foto’s die door de gemeente op 5 november 1996 zouden zijn gemaakt, anderzijds. De toestand van de woning is echter dezelfde als die bij de vroegere bouwaanvraag, zoals blijkt uit de foto’s die bij die vroegere bouwaanvraag zijn gevoegd. Uit een technisch verslag van 4 april 1997 blijkt overigens dat de woning leegstaat, maar niet dat er sprake is van ernstige verwaarlozing. Sinds dat verslag zijn aan de woning enkel instandhoudings- en onderhoudswerken uitgevoerd. Het bestreden besluit steunt voorts ook op de vermelding “puin” op het kadastraal uittreksel van het betrokken perceel. Die vermelding heeft wellicht betrekking op de inmiddels verdwenen bijgebouwen of op een andere toestand die dateert van voor de inwerkingtreding van de wet van 29 maart 1962 houdende organisatie van de ruimtelijke ordening en van de stedenbouw. De verzoekende partijen stellen dat uit een notariële akte van 8 mei 1928 blijkt dat een oude woning is gebouwd op het betrokken perceel, gelegen in een goedgekeurde verkaveling. Ten slotte is het proces-verbaal van 20 oktober 2000, waar eveneens naar wordt verwezen in het bestreden besluit, een stuk dat werd opgesteld door de diensten van de verwerende partij, die zich aldus een bewijs tracht te verschaffen. Het bestreden besluit is derhalve niet afdoende gemotiveerd. X-10.817-7/12 2.2.1.
  35. De verwerende partij stelt voor wat betreft het eerste middelonderdeel dat het bestreden besluit terecht artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening toepast, aangezien die bepaling in werking is getreden op 13 augustus 2001 en onmiddellijke werking heeft op de betrokken bouwaanvraag, ook al dateert die van voor deze datum. Overeenkomstig die decretale bepaling worden woningen of gebouwen als verkrot beschouwd indien ze niet voldoen aan de elementaire vereisten van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen. Het bestreden besluit gaat uit van deze tekstversie, in tegenstelling tot wat de verzoekende partijen in ondergeschikte orde voorhouden. Voor wat betreft het tweede middelonderdeel werpt de verwerende partij op dat de foto’s die door de gemeente in 1996 zijn gemaakt, wel degelijk bewijskrachtig zijn, nu er duidelijk uit blijkt dat het gebouw op dat ogenblik een ruïne was, reden waarom het bij het kadaster bekend was als puin. De notariële akte van 1928 zegt niets over de toestand van de woning en het feit dat de gemeente een formulier heeft ontvangen van de verzoekende partijen met de melding dat het gebouw is gelegen in een goedgekeurde verkaveling zegt niets over de beweerde verkaveling en de goedkeuring ervan. In het bestreden besluit wordt overigens vastgesteld dat er geen verkavelingsplan of verkavelingsvergunning bestaat voor het betrokken perceel. Het feit dat het bestreden besluit verwijst naar een proces-verbaal waarin een bouwovertreding wordt vastgesteld, tast de wettigheid van dat besluit niet aan, laat staan zijn afdoende motivering. 2.2.2.
  36. Artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening werd ingevoegd door artikel 9 van het decreet van 13 juli
  37. Artikel 15 van het laatstgenoemde decreet heeft artikel 43, § 2, zesde tot zeventiende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996 vervangen door een verwijzing naar (onder meer) artikel 145bis van het decreet van 18 mei
  38. Die wijzigingen zijn in werking getreden op 13 augustus 2001, zijnde de tiende dag na de bekendmaking in het Belgisch Staatsblad van het decreet van 13 juli
  39. De vergunningverlenende overheid moet, wanneer zij uitspraak doet over een aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning, als orgaan van het actief bestuur de reglementering toepassen die geldt op het ogenblik dat zij over de aanvraag uitspraak doet. Dit is niet anders wanneer zij over deze aanvraag uitspraak doet naar aanleiding van een administratief beroep, zoals het geval is voor het X-10.817-8/12 bestreden besluit. In het bestreden besluit werd dan ook terecht artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 toegepast. Het eerste middelonderdeel (in hoofdorde) faalt naar recht. 2.2.2.
  40. Overeenkomstig artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening kan de aanvraag voor een stedenbouwkundige vergunning worden ingewilligd ondanks het afwijkende bestemmingsvoorschrift van gewestplannen en algemene plannen van aanleg, onder meer voor wat betreft het verbouwen van een bestaand gebouw binnen het bestaande bouwvolume en voor wat betreft het uitbreiden van een bestaande woning. Daarvoor is (onder meer) vereist dat de woning of het gebouw op het moment van de vergunningsaanvraag niet is verkrot en dat de woning of het gebouw is vergund of wordt geacht vergund te zijn. Woningen of gebouwen worden beschouwd als verkrot indien ze niet voldoen aan de elementaire vereisten van stabiliteit op het moment van de eerste vergunningsaanvraag tot ver- of herbouwen. In tegenstelling tot het vroegere artikel 43, § 2, negende lid van het decreet betreffende de ruimtelijke ordening, gecoördineerd op 22 oktober 1996, verwijst de nieuwe decretale regeling niet langer naar de lijst van de ongeschikte en/of onbewoonbare woningen die deel uitmaakt van de inventaris verbonden aan de heffing ter bestrijding van leegstand en verkrotting van gebouwen en/of woningen. Het al dan niet voorkomen van een woning op deze lijst is derhalve volgens de nieuwe decretale regeling niet doorslaggevend om te bepalen of de woning verkrot is. Dat het bestreden besluit zich op andere feitelijke vaststellingen baseert dan het voorkomen van het gebouw op die lijst, om uit te maken of het gebouw verkrot is, kan derhalve niet als een verkeerde toepassing van de betrokken decretale bepaling worden aangemerkt. Het eerste middelonderdeel (in ondergeschikte orde) faalt naar recht. 2.2.2.
  41. In het bestreden besluit wordt aan de hand van een aantal feitelijke gegevens vastgesteld dat de woning vroeger, vooraleer de eerste aanvraag werd ingediend, in een verkrotte toestand verkeerde. Die vaststelling wordt gebaseerd op de vermelding “puin” bij het betrokken perceel in het kadastrale uittreksel, op het feit dat het gebouw in 1997 op de lijst van verwaarloosde en/of leegstaande woningen werd geplaatst en op foto’s die door de gemeente zijn genomen, volgens de datumstempel op die foto’s op 5 november
  42. Uit die foto’s blijkt duidelijk X-10.817-9/12 dat het gebouw zich in een zeer verregaande toestand van verval bevond, zowel voor wat betreft de buitenmuren, die ten dele zijn ingestort, als voor wat betreft het dak, dat op verscheidene plaatsen is doorgezakt en dakpannen mist. Uit het geheel van die feitelijke gegevens en inzonderheid uit het fotomateriaal vermocht de vergunningverlenende overheid af te leiden dat het gebouw zich vroeger in een verkrotte toestand bevond. Deze vaststelling strookt met de wil van de decreetgever, die met het begrip “verkrotting” wilde verwijzen naar “ingestorte, reeds lang verwoeste, met de grond gelijk gemaakte of onstabiele gebouwen” (Parl. St., Vl. Parl., 2000-01, nr. 720/2, blz. 8). De gegevens die de verzoekende partijen aanbrengen, met name de notariële akte van 8 mei 1928, het bijhorende grondplan, alsook de verklaring die zij aan het gemeentebestuur hebben bezorgd met betrekking tot een verkaveling die betrekking zou hebben op het betrokken perceel, maar waarover voorts geen bewijskrachtige gegevens worden voorgelegd, zijn niet van aard om de feitelijke vaststellingen in het bestreden besluit te weerleggen. 2.2.2.
  43. De in het bestreden besluit vastgestelde vroegere toestand van verkrotting kan evenwel niet worden aangevoerd als grond om de vergunning te weigeren, nu overeenkomstig artikel 145bis, § 1, derde lid, a) van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening, het vereiste van niet-verkrotting geldt op het moment van de vergunningsaanvraag en niet voorafgaand aan de vergunningsaanvraag. Het bestreden besluit stelt dienaangaande vast, aan de hand van de foto’s die de verzoekende partijen bij de eerste stedenbouwkundige aanvraag hadden gevoegd, dat er sindsdien werken hebben plaatsgevonden aan het gebouw, met name “dat er grote delen van de buitenmuren werden heropgericht (en) dat het dak volledig werd vernieuwd, weliswaar voorzien van gerecupereerde dakpannen”. Het bestreden besluit concludeerde, op basis van een vergelijking van de historische met de actuele toestand, dat er intussen “werken werden uitgevoerd die niet langer als instandhoudingswerken kunnen beschouwd worden en bijgevolg vergunningsplichtig waren”. Voor deze werken werd geen stedenbouwkundige vergunning aangevraagd of bekomen. 2.2.2.
  44. Het bestreden besluit vermocht aan het geheel van deze feitelijke vaststellingen de conclusie te verbinden dat niet voldaan was aan de voorwaarden van artikel 145bis van het decreet van 18 mei 1999 houdende de organisatie van de ruimtelijke ordening. In de gegeven omstandigheden kan het gebouw immers niet X-10.817-10/12 geacht worden vergund te zijn, zoals wordt vereist door artikel 145bis, § 1, derde lid, b). Blijkens de parlementaire voorbereiding kan de notie “vergund” in de betrokken decretale bepaling immers wel slaan op een gebouw dat niet volledig is vergund of deels zonder vergunning was opgericht, uitgebreid of in gebruik gewijzigd, maar dan enkel voor wat betreft de vergunde of vergund geachte onderdelen (Parl. St., Vl. Parl., 2000-01, nr. 720/2, blz. 8). Aangezien de door de verzoekende partijen beoogde werken betrekking hebben op onderdelen die op grond van de feitelijke vaststellingen als niet vergund moeten worden beschouwd, vermocht de vergunningverlenende overheid te concluderen tot de strijdigheid van de aanvraag met de betrokken decretale bepaling. Nu het bestreden besluit duidelijk aangeeft op grond van welke feitelijke vaststellingen het tot de aangegeven conclusie komt, is het afdoende gemotiveerd en ligt geen schending voor van de motiveringsverplichting. Het tweede middelonderdeel is ongegrond. 2.2.
  45. Het tweede middel is ongegrond. 2.3.
  46. De verzoekende partijen vragen de depersonalisering van het arrest. 2.3.
  47. Luidens artikel 2, eerste lid van het koninklijk besluit van 7 juli 1997 betreffende de publicatie van de arresten van de Raad van State kan iedere partij bij een geschil dat bij de Raad van State aanhangig wordt gemaakt op elk moment van de rechtspleging en tot wanneer het arrest wordt uitgesproken, vragen dat bij de publicatie daarvan de identiteit van de natuurlijke personen die zij aanwijst niet zou worden opgenomen. Te dezen verzet niets zich tegen het inwilligen van de vraag van de verzoekende partijen. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
  48. Het beroep wordt verworpen. X-10.817-11/12 Artikel
  49. Bij de publicatie van dit arrest wordt de identiteit van de verzoekende partijen niet opgenomen. Artikel
  50. De kosten van het beroep, bepaald op 350 euro, komen ten laste van de verzoekende partijen, ieder voor de helft. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op tweeëntwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, J. VAN NIEUWENHOVE, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-10.817-12/12 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.395 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div

🔗 Vers la source officielle

AI-uitleg op basis van de officiële wettekst. Indicatief, vervangt geen juridisch advies.