id="page_main" x-ms-format-detection="none"> Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab Raad van State Vonnis/arrest van 23 september 2008 ECLI nr: ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.434 Rolnummer: A. 163453/X-12351 Zaak: Arrest 186434 - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen - 23/09/2008 Rechtsgebied: Bestuursrecht Invoerdatum: 2008-10-07 Raadplegingen: 60 - laatst gezien 2026-06-29 08:35 Fiche Arrest nr 186.434 van 23 september 2008 Ruimtelijke ordening, stedenbouw, leefmilieu en aanverwante aangelegenheden - Bouwvergunningen en gemengde vergunningen Beslissing : Verwerping Thesaurus CAS: RAAD VAN STATE UTU-thesaurus: PUBLIEK EN ADMINISTRATIEF RECHT - RAAD VAN STATE - Arresten (Raad van State) Tekst van de beslissing RAAD VAN STATE, AFDELING BESTUURSRECHTSPRAAK. nr. 186.434 van 23 september 2008 in de zaak A. 163.453/X-12.
- In zake : Vicky JANSEN, die woonplaats kiest bij advocaat Y. LOIX, kantoor houdende te 2018 ANTWERPEN, Mechelsesteenweg 27 tegen : de deputatie van de provincieraad van LIMBURG. D E R A A D V A N S T A T E, Xe K A M E R, Gezien het verzoekschrift dat Vicky JANSEN op 20 juni 2005 heeft ingediend om de nietigverklaring te vorderen van het besluit van 3 maart 2005 van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg waarbij aan Jozef STANS de voorwaardelijke vergunning wordt verleend voor het wijzigen van een verkaveling gelegen aan de Kerkhovenweg en Sint-Amandinastraat te Leopoldsburg, kadastraal bekend sectie A, nrs. 4070/a, 3893/a 3894/a en 3902/a; Gezien de memories van antwoord en van wederantwoord; Gezien het verslag opgemaakt door adjunct-auditeur S. DE DONCKER; Gelet op de kennisgeving van het verslag aan partijen en gezien de laatste memories; Gelet op de beschikking van 24 juni 2008 waarbij de terechtzitting bepaald wordt op 5 september 2008; Gehoord het verslag van kamervoorzitter R. STEVENS; Gehoord de opmerkingen van advocaat F. WOUTERS, die loco advocaat Y. LOIX verschijnt voor de verzoekster, en van bestuurssecretaris T. ROOSEN, die verschijnt voor de verwerende partij; X-12.351-1/9 Gehoord het eensluidend advies van eerste auditeur-afdelings- hoofd F. DE BUEL; Gelet op titel VI, hoofdstuk II, van de wetten op de Raad van State, gecoördineerd op 12 januari 1973; OVERWEEGT WAT VOLGT :
- De feiten 1.
- De verzoekster woont aan de Kerkhovenweg 156 te Leopoldsburg. Op 29 april 2004 ontvangt het college van burgemeester en schepenen van Leopoldsburg vanwege het echtpaar Stans-Vandeweyer, wonende aan de Kerkhovenweg 170 te Leopoldsburg, een aanvraag tot het wijzigen van een verkavelingsvergunning, verleend bij besluit van 24 mei 1966 en gewijzigd bij besluit van 17 november 1992, op de kadastrale percelen sectie A, nrs. 4070/a, 3893/a, 3894/a en 3902/a. De verkaveling telde aanvankelijk tien loten, zijnde de loten 1 t.e.m. 8, die bestemd waren voor een open bebouwing, lot 10 bestemd voor openbaar nut en lot 9 reeds bebouwd. Het wijzigingsbesluit van 17 november 1992 had een samenvoeging van de loten 7 en 9 en een wijziging van de perceelsconfiguratie van lot 8 als voorwerp. De echtgenoten Stans-Vandeweyer wensen hun percelen, zijnde het gewijzigde lot 9, uit te breiden met hun achtergelegen percelen en de totale oppervlakte van het binnengebied te herkavelen voor woningbouw, waarbij in totaal 33 nieuwe bouwpercelen worden gecreëerd. 1.
- De verkaveling is overeenkomstig het gewestplan Hasselt-Genk (vastgesteld bij koninklijk besluit van 3 april 1979) gelegen in woongebied. 1.
- Van 6 mei 2004 tot en met 4 juni 2004 wordt een openbaar onderzoek georganiseerd, naar aanleiding waarvan 9 bezwaarschriften worden ingediend, onder meer door de verzoekster. X-12.351-2/9 1.
- Nadat gunstige adviezen werden uitgebracht door de afdeling Bos en Groen van het Ministerie van de Vlaamse Gemeenschap, de gemeentelijke commissie voor ruimtelijke ordening en de technische dienst van het gemeentebestuur, beslist de gemeenteraad tijdens zijn vergadering van 24 augustus 2004 tot vaststelling van het wegtracé behorend bij de verkavelingsaanvraag. 1.
- Bij besluit van 28 september 2004 wordt de aanvraag tot wijziging van de verkavelingsvergunning gunstig geadviseerd door het college van burgemeester en schepenen. De gemachtigde ambtenaar van de afdeling ROHM Limburg adviseert de aanvraag op 9 november 2004 ongunstig. 1.
- Bij besluit van 30 november 2004 weigert het college van burgemeester en schepenen van Leopoldsburg de gevraagde vergunning, gelet op het ongunstig advies van de gemachtigde ambtenaar. 1.
- Bij aangetekend schrijven van 17 december 2004 dient de heer Stans een beroep in bij de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg tegen het weigeringsbesluit van het college van burgemeester en schepenen. 1.
- Bij besluit van de bestendige deputatie van de provincieraad van Limburg van 3 maart 2005 wordt het beroep ingewilligd onder volgende voorwaarden : “- minstens 8 streekeigen bomen (stamomtrek 30 â 40 cm) worden aangeplant op de plaatsen zoals voorzien door het aan dit besluit gehechte groenvoorzieningenplan - de aanleg van het gemeenschappelijk plein op de knikpunt van de wegen t.h.v. de loten 23 en 24 wordt aangelegd zoals voorzien op het bijgebrachte en het aan dit besluit gehechte groenvoorzieningenplan - de wegzate (lot 41), maar eveneens de loten 37,38 en 42 gratis aan de gemeente worden afgestaan en het beroep wordt niet ingewilligd voor de loten 18,19,20,39 en 40”. Dit is het bestreden besluit.
- Ontvankelijkheid ratione temporis 2.1.
- In haar verzoekschrift tot nietigverklaring anticipeert de verzoekster op een exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis: X-12.351-3/9 “
- Overeenkomstig art. 4, derde lid van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State beschikt een verzoekende partij over een termijn van zestig dagen om beroep tot vernietiging aanhangig te maken voor uw Raad. Deze termijn vangt aan nadat de bestreden beslissing werd bekend gemaakt of betekend aan de verzoeker. Indien de beslissing niet werd betekend noch bekendgemaakt, dan gaat deze termijn in met de dag waarop de verzoeker er kennis heeft van gehad.
- Per aangetekend schrijven dd. 11 april 2005 werd aan de verzoekende partij het bestaan van de thans bestreden beslissing ter kennis gebracht: ‘Zoals u wellicht weet heb ik een verkavelingsvergunning aangevraagd en gekregen voor het verkavelen van de percelen op mijn eigendom. Met het oog op de verdere ontsluiting van het binnengebied, was de bestendige deputatie van oordeel dat de vergunning voor vier loten moest geweigerd worden. De aanvraag voor de verkavelingswijziging op mijn perceel werd door de bestendige deputatie dd. 3 maart 2005 goedgekeurd met uitsluiting van loten 18, 19, 20, 39 en
- De overwegingen terzake in het besluit van de bestendige deputatie luidden als volgt: ‘... dat met het oog op de verdere ontsluiting van het binnengebied en de verdere ordening ervan het wenselijk is dat alle betrokken omwonenden eerst worden gecontacteerd om na te gaan of een doorgang noodzakelijk is en zo ja, waar hij in dat geval best wordt voorzien; dat bovendien moet worden nagegaan in functie van welke gebruikers hij moet worden voorzien’;
- Op 13 april 2004 werd dit schrijven door verzoekende partij ontvangen.
- Overeenkomstig de rechtspraak van uw Raad moeten derden over een redelijke termijn kunnen beschikken om na kennisgeving van het bestaan van een beslissing, gebruik te maken van hun inzage recht om de (stedenbouwkundige) vergunning. (...).
- In casu werd het bestaan van de bestreden beslissing ter kennis gebracht op 13 april
- Vanaf dat ogenblik beschikte verzoekende partij over een redelijke termijn van 15 dagen om inzage nemen van de bestreden beslissing. Pas na het verstreken van deze redelijke termijn van 15 dagen kon de termijn van 60 dagen, zoals vermeld in art. 4, derde lid Procedurebesluit aanvang nemen. Zodoende kon deze termijn van 60 dagen pas eerst aanvang nemen op 28 april
- Gelet op het voorgaande wordt onderhavig verzoekschrift tot vernietiging tijdig ingediend, nu het binnen een termijn van 60 dagen wordt ingediend nadat verzoekende partij kennis heeft genomen van de bestreden beslissing”. 2.1.
- De verwerende partij werpt een exceptie van niet-ontvankelijkheid ratione temporis op: “II DE ONTVANKELIJKHEID VAN HET BEROEP 1 Overwegende dat ons college een exceptie van onontvankelijkheid wenst op te werpen wegens de laattijdigheid van het beroep tot nietigverklaring van de verzoekende partij; dat het bestreden besluit tot gedeeltelijke en voorwaardelijke inwilliging van het beroep van de heer Jozef Stans en toekenning van de vergunning voor de wijziging van de verkavelingsvergunning door ons college werd genomen op 3 maart 2005 en aan de aanvrager en de belanghebbende overheden werd X-12.351-4/9 betekend per brief van 4 maart, ter post afgegeven voor aangetekende zending op 10 maart 2005; dat huidig verzoekende partij als omwonende niet individueel per aangetekende brief van het bestreden besluit werd in kennis gesteld door ons college, aangezien hiertoe geen verplichting bestaat; dat aangezien stedenbouwkundige vergunningen of verkavelings- vergunningen noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend dienen te worden, overeenkomstig de rechtspraak van uw Raad, voor derden belanghebbenden de in artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling administratie van de Raad van State bepaalde termijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop zij kennis hebben van de vergunning of geacht moeten worden er kennis van te hebben; dat de verzoekende partij zoals zijzelf stelt in haar verzoekschrift per brief van de heer Jozef Stans, aan wie de bestreden vergunning werd toegekend, zelf in kennis werd gesteld van het bestaan en de inhoud van de vergunningsbeslissing van ons college, meer bepaald via een aangetekende brief van 11 april 2005, die op 13 april 2005 zou zijn ontvangen door de verzoekende partij; dat ons college van oordeel is dat met deze kennisgeving de beroepstermijn voor uw Raad is ingegaan; dat uw Raad er in zijn rechtspraak immers op wijst dat de feitelijke kennis die nodig is voor de ingang van de beroepstermijn (voor beroepen tegen besluiten die niet moeten worden bekendgemaakt of betekend) niet vereist dat de belanghebbende kennis heeft van de volledige tekst van de beslissing, wel dat hij een voldoende kennis heeft van de inhoud en draagwijdte ervan; dat, gelet op de inhoud van de bewuste brief, de verzoekende partij wel degelijk voldoende feitelijk kennis heeft genomen van het bestaan en de draagwijdte van het bestreden besluit, zodat de beroepstermijn minstens is ingegaan op 14 april 2005, zijnde de dag na de dag van ontvangst van de brief; dat de verzoekende partij van oordeel is dat het beroep tijdig werd ingediend, verwijzende naar de rechtspraak van uw Raad volgens dewelke aan een belanghebbende omwonende een ‘redelijke termijn’ (van vijftien dagen) wordt gegeven om, nadat hij feitelijk kennis heeft gekregen van de bouwwerkzaamheden die vermoedelijk vergunningsplichtig zijn, op het gemeentehuis inzage te nemen van de inhoud van de bouwvergunning of inlichtingen in te winnen over de bouwaanvraag en dat de termijn van zestig dagen slechts aan aanvang neemt eens die redelijke termijn is verstreken; dat ons college evenwel hiertegen wil inbrengen dat de rechtspraak waarnaar de verzoekende partij verwijst niet naar analogie kan worden toegepast op deze zaak; dat in deze zaak de verzoekende partij immers geen dergelijke extra ‘redelijke termijn’ moet worden toegekend, omdat zij zelf rechtstreeks en op voldoende wijze per aangetekende brief van de aanvrager in kennis werd gesteld van het feit dat de verkavelingsvergunning werd toegekend, evenals van de inhoud van de beslissing; dat de extra redelijke termijn voor belanghebbenden daarentegen door uw Raad slechts wordt toegekend wanneer deze belanghebbenden louter uit feitelijke vaststellingen op de plaats van de werken een vermoeden kunnen putten dat er voor deze werken een vergunning werd verleend, waardoor zij dan de gelegenheid moeten krijgen om, via het inzagerecht bij het gemeentebestuur, binnen deze redelijke termijn te kunnen achterhalen of deze vergunning werkelijk werd toegekend, zodat zij er zich in rechte tegen kunnen verweren; (...) X-12.351-5/9 dat in casu, zoals reeds vermeld, de verzoekende partij op 13 april 2005 een aangetekende brief heeft ontvangen van de heer Stans waarin zij effectief en op voldoende wijze in kennis werd gesteld van de vergunning en de draagwijdte ervan, zodat met deze kennisgeving de beroepstermijn voor uw Raad is ingegaan, meer bepaald op de dag na de dag van ontvangst van deze brief; dat, rekening houdende met de dag van ingang van de beroepstermijn (de ‘dies a quo’ zijnde 13 april 2005 en de eerste dag van de lopende termijn zijnde dus 14 april), de verzoekende partij derhalve de tijd had tot en met 13 juni 2005 (de zogenaamde "dies ad quem" -12 juni- zijnde een zondag) om zijn verzoekschrift tot nietigverklaring bij aangetekend schrijven aan de post toe te vertrouwen; dat mijn ambt evenwel met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid meent te mogen stellen dat het verzoekschrift tot nietigverklaring bij aangetekend schrijven aan de post werd toevertrouwd op 20 juni 2005, zijnde buiten de wettelijke beroepstermijn; dat dit immers kan worden afgeleid uit het feit dat het verzoekschrift, blijkens de stempel op het verzoekschrift, bij uw Raad is toegekomen op 21 juni 2005; dat anderzijds ons college zelf officieus in kennis werd gesteld van de indiening van het beroep tot nietigverklaring door de raadsman van de verzoekende partij (zoals dit wordt opgelegd in artikel 3bis van het Procedurereglement) bij een brief van 21 juni 2005, toegekomen op het provinciebestuur op 22 juni; dat het beroep derhalve laattijdig werd ingediend; dat de wettelijk bepaalde beroepstermijn van zestig dagen trouwens van openbare orde is, ter bescherming van de rechtszekerheid van bestuurshandelingen, en dus strikt moet worden toegepast; dat het beroep tot nietigverklaring dan ook als onontvankelijk moet worden verworpen”. 2.1.
- De verzoekster beantwoordt in de memorie van wederantwoord de exceptie als volgt: “II.1.1 Ontvankelijkheid van het verzoekschrift (...)
- Niettemin betwist verwerende partij in haar memorie van antwoord de ontvankelijkheid ratione temporis van de vordering tot vernietiging. Verwerende partij argumenteert dat verzoekster door het aangetekend schrijven van de heer Stans d.d. 11 april 2005 in kennis zou zijn gesteld van het bestaan én van de inhoud van de bestreden beslissing, quod non. In die optiek stelt verwerende partij dat in casu geen redelijke termijn dient te worden toegekend aan verzoekende partij. Gelet op de inhoud van de brief d.d. 11 april zou verzoekster wel degelijk voldoende feitelijk kennis hebben genomen van het bestaan en de draagwijdte van de bestreden beslissing.
- Verzoekster betwist het voorgaande met klem. Bij de brief d.d. 11 april 2005 was geen kopie gevoegd van de bestreden beslissing (hetgeen verwerende partij ook niet ontkent). Daarenboven is de inhoud van de bestreden beslissing te vaag omschreven in deze brief om te kunnen gewagen van een kennisname van de inhoud van de beslissing. De bewuste brief bevat slechts de vermelding van één enkele overweging uit de bestreden beslissing en dit terwijl de beslissing zelf een 13-tal pagina’s lang is. Het schrijven van 11 april 2005 bevatte m.a.w. te weinig informatie over de inhoud van de beslissing om van een kennisgeving van de inhoud van de beslissing te gewagen. Aan de hand van dit schrijven kon verzoekster enkel vaststellen dat de verkavelingsvergunning X-12.351-6/9 werd verleend en dat de verkavelaar contact diende op te nemen met de omwonenden. Alleszins was dit schrijven niet voldoende omstandig en duidelijk om verzoekende partij toe te laten om de opportuniteit van het indienen van een vordering tot vernietiging tegen de bestreden beslissing reeds op het ogenblik van de ontvangst van dit schrijven op zorgvuldige en correcte wijze in te schatten.
- Verzoekende partij kon de opportuniteit van een procedure tot vernietiging slechts afdoende inschatten nadat zij van de inhoud van de bestreden beslissing heeft kunnen kennisnemen. Hiertoe heeft verzoekende partij binnen een redelijke termijn van 15 dagen kennis genomen van de inhoud van de bestreden beslissing. (...)”. 2.1.
- In haar laatste memorie doet de verzoekster nog gelden : “
- Verzoekende partij kan niet akkoord gaan met de redenering van de Auditeur. Ten onrechte gaat deze er van uit dat het schrijven van de aanvrager dd. 11 april 2005 afdoende geweest zou zijn voor verzoekende partij om niet enkel kennis te nemen van het bestaan van de bestreden beslissing, doch ook van de aard en draagwijdte ervan.
- Het schrijven dd. 11 april 2005 is zeer summier, en zegt eigenlijk niet meer dan dat de aangevraagde vergunning verleend werd, en waarom een aantal percelen uitgesloten werden uit de verleende verkavelingsvergunning. Er kan bezwaarlijk voorgehouden worden dat dit volstaat voor verzoekende partij om kennis te nemen van de draagwijdte en inhoud van de beslissing.
- Verzoekende partij wenst te verwijzen naar de rechtspraak van Uw Raad waaruit blijkt dat de beroepstermijn slechts begint te lopen wanneer de verzoekende partij juist en volledig kennis heeft van de bestreden handeling. Hiertoe is inderdaad niet vereist dat hij kennis heeft van de volledige tekst van deze akte, maar wel dat hij op de hoogte is gebracht van de precieze inhoud en draagwijdte ervan, d.w.z. van de voor hem belangrijke bepalingen.
- De bestreden beslissing verleent een verkavelingsvergunning, met uitsluiting van een aantal kavels. In de bestreden beslissing worden de door de omwonenden ingediende bezwaarschriften omstandig besproken en weerlegd. Ook het door verzoekende partij ingediende bezwaarschrift werd besproken.
- Het schrijven waarnaar de Auditeur verwijst heeft uitsluitend betrekking op het feit dat er een vergunning werd verleend, en het feit dat een aantal percelen uit de vergunning gesloten werden. De voor verzoekende partij relevante bepalingen, op basis waarvan zij kon besluiten om al dan niet beroep aan te tekenen waren uiteraard die bepalingen waarin het ingediende bezwaar werd weerlegd. Hiervan wordt op geen enkele wijze melding gemaakt in bedoeld schrijven.
- Verzoekster vecht het verlenen van de verkavelingsvergunning aan. Om dit te kunnen doen diende zij kennis te hebben van de motieven op grond waarvan de vergunning verleend werd, en op grond waarvan het door haar ingediende bezwaar werd verworpen. Het schrijven dd. 11 april 2005 betreft uitsluitend het uitsluiten van een aantal percelen uit de verkaveling. De overweging die geciteerd wordt in dit schrijven is manifest onvoldoende om te kunnen beoordelen of al dan niet beroep aangetekend moest worden. Anders zou het zijn voor een partij die beroep wenst aan te tekenen tegen het feit dat een aantal kavels werden uitgesloten. Deze zou wel voldoende geïnformeerd zijn door het schrijven van de aanvrager. Dit is in casu evenwel niet het geval.
- Verzoekster diende een omstandig bezwaar in. Uiteraard was de vraag of al dan niet beroep aangetekend diende te worden afhankelijk van de wijze waarop door de vergunningverlenende overheid gereageerd werd op dit X-12.351-7/9 bezwaarschrift. Dit kon onmogelijk afgeleid worden uit het schrijven dd. 11 april
- Concreet voerde verzoekster volgende bezwaren aan: - Procedurele bezwaren o Laattijdige verzending van het ontvangstbewijs o Onwettige samenstelling van het dossier - Inhoudelijke bezwaren o Het verval van de oorspronkelijke verkavelingsvergunning o De onverenigbaarheid van het aangevraagde met de goede ruimtelijke ordening in de onmiddellijke omgeving o Strijdigheid met het Ruimtelijk Structuurplan Vlaanderen o Gebrek aan een voorafgaande beslissing van de gemeenteraad over de wegenis o Gevaar voor waardevermindering van het perceel
- De vraag op welke wijze deze bezwaren beantwoord werden en of zij al dan niet werden weerhouden bij de beoordeling van de vergunning is uiteraard doorslaggevend om na te gaan of al dan niet beroep aangetekend moet worden. Dit blijkt op geen enkele wijze uit het schrijven van de aanvrager dd. 11 april
- Het is voor verzoekende partij onmogelijk na te gaan welke reactie gegeven werd naar aanleiding van de ingediende bezwaren. Verzoekster hoefde er daarenboven niet van uit te gaan dat haar bezwaren eenvoudig verworpen werden; Het zou bijvoorbeeld gekund hebben dat voorwaarden gekoppeld geweest zouden zijn aan de verleende vergunning. Dit blijkt niet uit bedoeld schrijven van de aanvrager.
- Het schrijven van de aanvrager kan slechts aanzien worden als een melding van het bestaan van een vergunning. De voor verzoekende partij relevante bepalingen kunnen echter onmogelijk uit dit schrijven afgeleid worden. Zij heeft na ontvangst van het schrijven onmiddellijk het nodige gedaan om zich verder te informeren en kennis te nemen van de inhoud van de vergunning. Zij heeft zich hiervoor geen onredelijk lange termijn toegekend”. 2.
- In casu diende de bestreden vergunning noch bekendgemaakt, noch aan derden betekend te worden, zodat krachtens artikel 4 van het besluit van de Regent van 23 augustus 1948 tot regeling van de rechtspleging voor de afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de beroepstermijn van zestig dagen ingaat met de dag waarop de verzoekende partij er kennis van heeft gehad of geacht moeten worden er kennis van te hebben gehad. Opdat de termijn voor een derde zou beginnen lopen vanaf het ogenblik dat hij feitelijk kennis heeft van een vergunning, is enkel vereist dat die derde een voldoende kennis heeft van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de vergunning, niet dat hij op dat ogenblik kennis heeft van de precieze inhoud ervan, noch van het griefhoudend karakter ervan, noch van alle mogelijke onwettigheden die er zouden aan kleven. De beroepstermijn is voldoende ruim om een verzoeker toe te laten verder kennis te nemen van de volledige inhoud van de beslissing en met voldoende kennis van zaken een beroep in te stellen. X-12.351-8/9 Bovendien kan hij zijn verzoekschrift in de loop van de rechtspleging aanvullen met nieuwe middelen indien hij die pas uit het administratief dossier kon puren. Door het schrijven dat de verzoekster van de vergunninghouder mocht ontvangen, verkreeg zij, mede gelet op het feit dat zij tijdens het openbaar onderzoek een bezwaar had ingediend, een voldoende kennis van het bestaan, de aard en de draagwijdte van de bestreden vergunning. De beroepstermijn ging derhalve in daags na de ontvangst van het bedoelde schrijven, met name op 14 april
- Het beroep is dan ook laattijdig. OM DIE REDENEN BESLIST DE RAAD VAN STATE : Artikel
- Het beroep wordt verworpen. Artikel
- De kosten van het beroep, bepaald op 175 euro, komen ten laste van de verzoekster. Aldus te Brussel uitgesproken in openbare terechtzitting, op drieëntwintig september 2008, door de Xe kamer, die was samengesteld uit : de HH. R. STEVENS, kamervoorzitter, J. BOVIN, staatsraad, P. LEFRANC, staatsraad, Mevr. A. TRUYENS, griffier. De griffier, De voorzitter, A. TRUYENS. R. STEVENS. X-12.351-9/9 PDF document ECLI:BE:RVSCE:2008:ARR.186.434 Print deze pagina Afdrukformaat S M L XL Nieuwe JUPORTAL-zoekopdracht Sluit Tab <div